Skip to main content

560 - Skip James, bluesartiest (1902-1969)

 

In de jaren 1964-1972 verzorgde ik [HK] een rhythm & blues programma bij zeezender radio Veronica. Aanvankelijk alleen de ‘productie’ (Willem van Kooten was de deejay). Na een tussenperiode met Rob Out en Jan van Veen werd mij gevraagd om ook zelf de presentatie ter hand te nemen. In 1972 hoorde ik van programmaleider Rob Out dat er bezuinigd moest worden en mijn medewerking aan Veronica werd stopgezet.

    In de uitzendingen liet ik regelmatig muziek horen die je het beste met blues kon omschrijven. Platen van artiesten als John Lee Hooker, Sonny Terry, Muddy Waters, Howlin’ Wolf, Jimmie Witherspoon, Josh White, Memphis Slim, Victoria Spivey, Son House, Sonny Boy Williamson, J.B. Lenoir, Buddy Guy en vele anderen, hun platen kon je op maandagavond beluisteren. Het programma haalde een klassering in de poll van Hitweek.

    In het blad Kink verzorgde ik bovendien een column met aandacht voor (rhythm &) blues.

    Na mij gingen ook Edwin Rutten (samen met Paul van Schaik, AVRO), Arend Jan Heerma van Voss (VPRO) en Ferry Maat (Radio Noordzee, TROS) aandacht besteden aan ‘zwarte muziek’. Mij ging het in die tijd om de muziek, minder om de teksten, zoals bij Heerma van Voss.

    De naam Skip James is nog niet gevallen. Die heb ik bewaard voor dit artikel.

 

1 Muddy Waters

 

Skip James (1902-1969)

 

Begin jaren zestig ontdekte de Britse jeugd dat popmuziek (aanvankelijk ‘beatmuziek’) een zwarte oorsprong had. Menigeen die de rhythm & blues serieus nam, wilde meer weten van de artiesten waar het in zekere zin mee begonnen was. Als ze nog leefden waren de bluesvertolkers oude mannen en vrouwen. Met veel fanfare soms werden ze in Engeland verwelkomd.

   Britse en Amerikaanse bluesliefhebbers gingen tevens op zoek naar wie er nog actief was in Amerika. Henry Vestine, van Canned Heat, was een van hen. “We found him!” liet hij weten bij de ‘vondst’ van Skip James halverwege de jaren zestig. Skip werd omschreven als ‘the great Skip James, immortalised by blues lovers through a handful of sides recorded over 30 years ago’.

 

In een eerste interview vertelde de artiest over zijn verre verleden dat hij op 9 juni 1902 geboren was in Bentonia op de Woodbine plantage (Yazoo County), waar hij tot ongeveer zijn negende jaar opgroeide. Langzamerhand kreeg hij steeds meer belangstelling voor muziek. Als Skip water moest gaan halen gebruikte hij onderweg een emmer om een soort klank te produceren. Hij wist zijn moeder zo ver te krijgen dat ze een goedkope gitaar voor hem kocht, toen hij een paar jaar ouder was.

   Skip was niet dom. Hij bracht het zelfs tot de ‘high school’.

   Toen hij een jaar of zestien was trok hij steeds verder de wijde wereld in – om geld te verdienen en om muziek te maken.

 

Ontdekking

 

In het interview noemde hij pianist Will Crabtree als zijn ontdekker. In Jackson (Mississippi), anno 1931, kwam hij in contact met ene H.C. Spears, eigenaar van een muziekwinkel en ondernemer in bredere zin. “He heard of me playin’ pretty good and he sent for me”. Volgens een ander verhaal was hij naar de winkel gegaan om te kijken of er überhaupt werk voor hem was.

   Skip kreeg in elk geval de kans een of meer nummers voor te spelen.

 


2 Devil Got My Woman

 

Zijn voordracht van ‘Devil Got My Woman’ viel in goede aarde. Hij mocht de volgende dag terugkomen. Spears had een soort talentenjacht georganiseerd en Skip nam er deel aan, vertelde hij drie decennia later. Bovendien werd hem gevraagd of hij zijn handtekening al onder een platencontract had gezet.

   Skip wist niet dat het ook daarom ging. “I haven’t recorded yet”, kon hij naar eer en geweten zeggen.

   Op de bewuste dag bleek dat hij als enige kandidaat een soort examen haalde. Een van zijn songs viel meteen in de smaak bij Spears. Hij werd uitgenodigd om een contract voor twee jaar te tekenen.

 

Plaatopnamen bij Paramount (Wisconsin)

 

Zo kwam Skip, 29 jaar oud, terecht in Grafton (Wisconsin), van waaruit Paramount Records opereerde. In die hoedanigheid maakte hij in 1931 opnamen van songs als ‘Illinois Blues’, ‘Hard Time Killin’ Floor Blues’, ‘I’m So Glad’, ‘22-20 Blues’ en ‘Devil Got My Woman’.

   Veel succes had hij naar eigen zeggen niet. “I was the only one passed out of all those people that was goin’ through that test at that time. And [Spears] sent me to Wisconsin, and I recorded there for them, and I think I got about one or two releases from those records”. In werkelijkheid waren dat er meer.

 

Met Paramount liep het niet goed af. Na de Wall Street Crash had de Amerikaanse economie heel wat te verduren. Skip: “The company went out of business”. Andere Paramount artiesten waren Ma Rainey, Blind Lemon Jefferson en Tommy Johnson.

   Skip James was uitermate teleurgesteld wegens het gebrek aan succes, verhaalde hij aan zijn ondervragers. “I just give up music then – I just got so hardened and discouraged, and I just give up playin’ all together”.

   Later vertelde hij dat hij 26 songs bij het bedrijf had vastgelegd. Zijn contract met Paramount had hem niet meer dan veertig dollar opgeleverd. “That’s not doing very good. Wouldn’t you be disappointed?”

   Geld speelde een belangrijke rol in zijn bestaan.

 

3 Early Recordings

Overleven

 

Artiest of niet, in die barre tijden van de grote depressie moest hij zien te overleven. Skip zocht ander werk. “I came back to Mississippi – stayed a little while and went into the ministry. And then I left that place and went to Dallas, Texas, and organised me a quartet – as a travelling group. We toured several states and I would sing and then play music sometimes – sometimes I would say a sermonette and so forth and so on”.

   Skip James was bereid van alles te doen, als het maar wat opleverde.

   “Eventually then, I quit that and back to Mississippi – stayed a little while again. After that I went to Birmingham – started workin’ there then at the ore mine and still had quit playin’ guitar and music altogether.

   Another boy got me to go out to a party one night and while I was there I picked up the guitar and played a little piece. And what’d I do for that for? And from then on I was worried in Alabama for playin’ as long as I was there.

   Then I met my wife here, Mabel – after she and I got together, I played a little while after that. And then after she and I left Birmingham and come to Mississippi, I quit playin’ again. Didn’t play any more then until I was recently found here last year. I hadn’t played any then in about six or seven years – up until last spring, and from then up until I’ve been back on the job again”.

 

Herontdekt

 

4 Feel like going home

In zijn boek Feel Like Going Home wijdde de Amerikaanse muziek-historicus Peter Guralnick een hoofdstuk aan Skip James.

   Peter ging door op het verhaal dat Skip eerder verteld had. De artiest vertelde dat hij niet stond te trappelen om het vertolken van blues weer tot zijn hoofdactiviteiten om te zetten. Dat had hem tot dan toe immers maar weinig opgeleverd. “There were lots of companies eager to sign me. But I wasn’t going to sing for nothing”, liet hij weten aan de blanke bluesliefhebbers die hem getraceerd hadden. Naar eigen zeggen had hij al eerder negatief gereageerd op ‘aanbiedingen’. Skip was praktisch en wilde geld zien.

   Bill Barth, Henry Vestine en John Fahey troffen hem anno 1964 in een ziekenhuis aan. Hij was aan zijn maag geopereerd. Ze wisten hem te overreden om op te treden tijdens het festival in Newport. In juli van dat jaar (‘still weak from his illness’) zong hij daar tevens een nieuwe song, ‘Sickbed Blues’.

 

Newport Folk Festival (1964)

 

Guralnick: “For anyone who was at Newport in 1964 it was an unforgettable experience. After an afternoon of legendary blues performers – Sleepy John Estes, Robert Pete Williams, Mississippi John Hurt, and the Reverend Robert Wilkins – Skip James appeared, looking gaunt and a little hesitant, his eyes unfocused and wearing a black suit and a wide-brimmed flat-topped preacher’s hat that gave him as unearthly an appearance as his records had led us to suspect he would have.

   There seemed some doubt about whether or not he would actually perform, but then he was introduced and after some fumbling and retuning of his guitar he launched into what must be considered his greatest composition and one of the most affecting blues ever recorded, ‘Devil Got My Woman’”.

 

In zijn hoofdstuk schreef Guralnick: “As the first notes floated across the field, as the voice soared over us, the piercing set against the harsh cross-tuning of the guitar, there was a note of almost breathless expectation in the air. It seemed appropriate somehow that this strange haunting sound which had existed till now only as a barely audible dub from a scratched 78 should be reclaimed so casually on a  overcast summer’s day at Newport.

   As the song came to an end and Skip, who had gradually been gaining confidence while he played, peered out at his new audience, the field exploded with cheers and whistles and some of the awful tension was dissipated”.

 

5 Dick WatermanDick Waterrmam

 

Blues-manager Dick Waterman, een van de toeschouwers, verklaarde later: “That was the highpoint of the man’s career. He came and conquered. It was high drama. That was exactly what it was. And in the true sense of the word ‘dramatic’. If he had come, played, conquered and quit right there, there could have been no greater legend in this entire world than Skip James”.

   Zijn tweede carrière had een aanvang genomen.

 

Tweede carrière

 

Ook Guralnick raakte in gesprek met de herontdekte bluesartiest. Bij die gelegenheid legde hij vast: “Skip James thought of himself as a genius. There was little question in his mind of the value of his music or the worth of what he was doing. When I first met him he was adamant on the subject of money. He had only recently been discovered after thirty years of neglect”.

   Zijn ontdekkers hadden een bedrijfje opgezet, Bullfrog’, waar hij voor een jaar bij tekende. Maar toen het contract niet het gewenste resultaat opleverde, zette hij er een punt achter. Sowieso wilde hij zich niet langer dan een jaar binden. “I wouldn’t sign for more than a year”, hoorde Guralnick.

   Het leek wel of er van een platencarrière nooit iets terecht zou komen. “I don’t mind if I never record again”.

   Dick Waterman wist meer voor hem te bereiken, zoals een contract bij platenmaatschappij Vanguard.

   Het zag er goed uit voor de bluesartiest. “He was looking forward to a bright future. He had every reason to be confident that he could make a living, and a good one, too, at his new career.

 

6 Newport 1964
Newport Folk Festival 1964

 

Het pakte echter niet zo goed uit als het leek, is in Feeling Like Going Home te lezen. Voor een gedeelte lag dat aan Skip zelf. “His personality was not suited for rediscovery. He was a proud, almost haughty man”. Skip beroemde zich op zijn goede afkomst en opleiding. Hij was niet het prototype van de primitieve bluesartiest van het platte land.

   Guralnick: “He was a stiff unyielding man, whose mind seemed to run along abstract lines. He never pretended a false humility or a gratitude he didn’t feel. He was very conscious of the gulf between himself and his audience”.

   Volgens de auteur had hij soms weinig interesse om met zijn gehoor te communiceren. Hij vond het van belang om waardig te spreken. De meisjes werden bijvoorbeeld met ‘Damsels’ aangesproken.

   Zijn muziek was bovendien te ingewikkeld, niet eenvoudig om te begrijpen.

   Wie Skip James aan het werk zag, was meestal geweldig enthousiast. Zijn muziek, aldus Guralnick, was bijzonder. De auteur vergeleek hem met jazzmusici als Charlie Parker en Thelonious Monk.

 

Samen met Mississippi John Hurt werd hem gevraagd om overal op te treden. Dat zag hij als een gelegenheid om de verloren jaren in te halen. Maar er moest wel vooruit betaald worden “I don’t sign no more contracts unless they come up with the money first”. Skip was op zijn hoede. “He was thrust without warning into a world whose existence he could not have expected”.

   Na zijn ontdekking in Newport was hij overal welkom. Peter Guralnick maakte heel wat optredens mee. “When he appeared at the Unicorn shortly after Newport with Mississippi John Hurt, he seemed barely able to contain himself, he was so full of energy, and during the breaks he would be up among the audience or fooling around on piano with his nervous rhythms and crashing chaotic runs.

   They did everything that week, blues and spirituals and Jimmie Rodgers yodels and even an improvised solo on ‘Silent Night’.

 

American Folk & Blues Festival (1967)

 

Het waren de tijden van het American Folk and Blues Festival, dat jaarlijks door Europa trok. In 1967 was het zo ver – ook Nederland werd aangedaan. Op één avond gaven talloze artiesten, zoals niet ongebruikelijk, eerst een concert in Scheveningen om een paar uur later Amsterdam aan te doen. Skip James was er bij op 14 oktober, samen met onder anderen Little Walter, Sonny Terry & Brownie McGhee, Hound Dog Taylor, Koko Taylor en Son House.

 

7 American Folk Blues Festival 1967

 

In de Volkskrant wijdde Ton Planken een recensie aan de ‘veel te korte show’. De meeste woorden besteedde hij aan het duo dat bestond uit de blinde Sonny Terry en de kreupele Brownie McGhee (‘al jaren bijeen. Terry legde zijn fantasie in zijn spel op de harmonica. Brownie steunde met zijn gitaar en was meeslepend in zijn zingen’).

   Over Skip James (‘onwennig op het podium’) was hij kort: Hij speelde met een lichte toets, die aansluit bij zijn kopstem. Aangrijpend was zijn ‘O My Gal’”. Skip James noemde hij ‘monumentaal’.

   Ook ik [HK] zat in de zaal. Het was uniek om de artiesten die ik op maandagavond bij radio Veronica liet horen, in levenden lijve mee te maken. In onze dagen kun je een van de Duitse concerten terug zien op You Tube, inclusief de vertolking van ‘Hard Time Killing Floor Blues’ van Skip James.

 

Laatste jaren

 

Bij zijn herontdekking in 1964 had Skip James al een slechte gezondheid. Veel jaren had hij niet meer te gaan. Een van zijn oude songs, ‘I’m so glad’, werd nog vóór zijn dood op 3 oktober 1969 op de plaat gezet door Cream. Dat leverde hem 8000 dollar op. Van dat bedrag kon zijn medische verzorging en begrafenis betaald worden.

 

8 Cream

Voor de uitvaart was er slechts beperkte belangstelling. “His funeral was attended by his wife, a few white friends, and blacks from the Philadelphia neighborhood in which he had passed his last few years unheralded and unrecognized as an artist of any sort, much less a great one”.

   Manager Waterman stuurde bericht aan Max Jones van Melody Maker: “Skip James died this morning after a very long and painful illness. One of his finest memories was going to Europe in 1967 and he made many friends there who continued to write to him.

   Mrs James and I would like to thank all the people who were so kind to Skip during his lifetime. We’d especially like to thank the members of The Cream for recording one of his songs (‘I’m So Glad’) and making it possible for him to have an income for the final year of his life”.

 

Toch nog beroemd

 

Pas na zijn dood kreeg Skip James nogal wat erkenning. Zo gaat dat nu eenmaal vaak. Heel wat artiesten en groepen – zoals Lou Reed, Deep Purple, Beck (Hansen) en Cassandra Wilson – maakten opnamen van de songs die hij in 1931 op zijn ‘set list’ had staan. De Britse popjournalist Charles Shaar Murray vergeleek de manier van zingen door Skip James met de aanpak van Alan Wilson, zanger van Canned Heat.

   Op 25 april 2003 schreef Jan Vollaard in de Volkskrant: “In wezen is Beck Hansen een postmoderne folkzanger, die gebruik maakt van hiphopbeats, maar die vooral de rootsmuziek van Skip James en Hank Williams hoog heeft zitten”. Op 5 mei 2005 liet Robert Plant, zanger van Led Zeppelin in Rolling Stone afdrukken: “I’m very happy listening to the Black Keys. They’re Akron’s most feted sons, and they owe a lot to Skip James, as do I”.

 

Ook in andere kringen werd Skip James in ere gehouden. Zo legde Lien Heyting op 31 januari 1997 in NRC Handelsblad vast: “Enno Verkerk maakte van zaagrestjes en houtkrullen het melancholieke ge­zicht van blueszanger Skip James. ‘De muziek van James heeft me erg ont­roerd. De popgroep The Cream maakte eind jaren zestig, net toen James op zijn sterfbed lag, een hit van een van zijn oude nummers: ‘I’m so glad’. Dat was heel treurig’. Het werk werd aangeschaft door het Stedelijk Museum”.

Skip James is nog niet (helemaal) vergeten.

 

9 Skip James grafGraf van Skip James

 

Harry Knipschild

28 juni 2025

 

Clips

* Muddy Waters, Got My Mojo Working, Newport 1960

* Veronica's Rhythm & Blues Hop nr 107

* Skip James, Devil Got My Woman, 1931

* Skip James, I'm So Glad, 1966

* Skip James, Hard Times Killing Floor, American Folk Blues Festival, 1967 

* Cream, I'm So Glad, 1968

 

Literatuur

 

Ton Planken, ‘Blues festival aangrijpend’, Volkskrant, 16 oktober 1967

Max Jones, ‘Skip James Today!’, Melody Maker, 28 september 1968

Max Jones, ‘Skip James’, Melody Maker, 18 oktober 1969

Paul Oliver, The Story of the Blues, Design Yearbook, 1969

Mike Leadbitter, ‘Skip James Talkin’’, Nothing But The Blues, Londen 1971

Peter Guralnick, Feel Like Going Home. Portraits in Blues and Rock ’n’ Roll, Back Bay Books, 1971

Charles Shaar Murray, ‘Skip James – I’m s glad’, New Musical Express, 14 oktober 1978

Jan Nauta, ‘Rory Block Blues’, Oor, 3 december 1988

Martin Schouten, ‘Zijn ziel verkocht aan de kerk’, Volkskrant, 30 mei 1995

Barney Hoskyns, ‘Beck live at Town Hall’, Mojo, februari 1999

Michael Goldberg, ‘The Spooky Blues of Skip James’, Neumu, 20 oktober 2001

Austin Scaggs, ‘Q&A Robert Plant’, Rolling Stone, 5 mei 2005

  • Raadplegingen: 897