132 - Jan van Os, van Amsterdam naar Curaçao (1)
Niet alle missionarissen werden zo bekend als bijvoorbeeld Ferdinand Hamer, die anno 1900 in China door de opstandige Boksers werd vermoord en wiens standbeeld, mede gefinancierd door koningin Wilhelmina, sinds 1902 te zien is in het centrum van Nijmegen.
Over pater J.G. van Os heb ik geen informatie of zelfs maar vermelding kunnen vinden in het proefschrift van A.J.J.M. van den Eerenbeemt uit 1945, De missie-actie in Nederland (+1600-1940)¸ met een ‘complete’ opsomming van alle Nederlandse missionarissen. In het zeer lijvige boek van Jan Derix, Brengers van de boodschap. Geschiedenis van de katholieke missionering vanuit Nederland van VOC tot Vaticanum II is Van Os eveneens afwezig.
In 1935 publiceerde het Koloniaal Missie Tijdschrift twee brieven die de Nederlander geschreven had tijdens en na afloop van zijn eerste verre reis per zeilschip, vanuit Nederland naar het Nederlandse eiland Curaçao in de West. Dat was in 1851, maar liefst 84 jaar eerder.
Mgr Niewindt
Een redacteur leidde het afdrukken van de brieven in. “Tijdens het zo zegenrijk vicariaat van Mgr. Martinus Niewindt, eerste apostolicus vicaris [missie-bisschop, 1842-1860] van Curaçao, werd door deze herhaaldelijk alle moeite gedaan om priesters te krijgen voor de zielzorg op Curaçao en omliggende eilanden. Werkers had hij nodig, ja, broodnodig!”
Het was moeilijk om de katholieke missie überhaupt in stand te houden. “Ziekten hadden verscheidene jonge krachten ten grave gesleept, anderen waren door hard werken en ouderdom gebroken, sommigen voor wie het werk op Curaçao niet beantwoordde aan hun idealen, gerepatrieerd. Zelf moest Monseigneur nog elke zondag preken, biechthoren en andere pastorele functies waarnemen. Zelf droeg hij er de volle zorg voor en gaf hij het onderricht aan de studenten”.
De conclusie was duidelijk: “Geen wonder dat zijn medearbeiders een beroep deden op hun broeders in het priesterschap in Holland om toch met hen de arbeid op Curaçao te komen delen”.

Niewindt zocht onder meer hulp bij de internuntius, de vertegenwoordiger van Rome in Den Haag. Ook andere influencers van geestelijken ontvingen brieven om hulp te bieden – door middel van het sturen van priesters of priesterstudenten. Zonder al te veel succes.
Maar één van hen, Jan van Os (‘wiens familie in de Goudsbloemstraat te Amsterdam woonde’) gaf gehoor aan de ‘smeekbede’.
De familie Van Os was in 1935 bereid om enkele brieven ter beschikking te stellen, met name de twee die de inmiddels overleden pater vanuit de West naar Amsterdam gestuurd had. Jan, zoals hij door zijn familie genoemd werd, reisde met een zeilschip, de schoener Raphaël (‘een schip met twee masten’). Dat deed hij niet alleen. Hij werd vergezeld door een tweetal Zusters van Liefdadigheid (‘uit het liefdesgesticht te Roosendaal’). Die congregatie had zich op 12 januari 1842 op het eiland gevestigd.

Goudsbloemstraat
Vertrek uit Den Helder
In de brieven aan zijn ouders kon je opmaken hoe zo’n reis verliep en hoe de aanstaande missionaris reageerde – of vond dat hij behoorde te reageren.
Omdat hij per zeilschip reisde was de datum van vertrek niet zeker. Je was immers afhankelijk van de wind. Het gezelschap, priester en zusters, vertrok op 17 februari 1851 naar Den Helder. Bij pastoor Van Buchem konden ze logeren, zolang dat nodig was. Ze moesten nog vier dagen aan wal blijven. Na vertrek tekende Jan op: “’s Morgens, toen ik opstond, had ik er nog geen gedacht aan. Om 11 uur komt een Jantje met het voor ons blijde woord: ‘Aan boord! Spoedig aan boord! Wij vertrekken!’
Wij sprongen van blijdschap op, de zusters en ik. Tegelijk riepen wij allen uit: ‘Aan boord, aan boord’”…
De reizigers haastten zich naar de haven. “De pastoor stond als verslagen. De tranen sprongen hem bijna de ogen uit”.
Het anker werd gelicht. “Wij namen afscheid van de pastoor. Met een stoomboot werden wij de haven uit gesleept in zee. Zakdoeken wuifden. Een loods vergezelde ons door ons de weg te wijzen door de klippen waarmee Hollands boorden ruimschoots bedeeld zijn. Na ons een uur vergezeld te hebben stapte hij over op een ander schuitje. Hij nam de brieven mee, kreeg een fles jenever en daar waren wij nu alleen op eigen kompas”.
Jan besefte wat die dag betekende. “Ik verliet mijn vaderland, mijn ouders, broeders, vrienden – alles wellicht om ze nimmer meer terug te zien ‘dan in andere gewesten, in de hemel’”.
Er was echter geen aanleiding voor droefenis. “Ik zal u nog eens, hoop ik, na enige tijd in de wijngaard van de Heer [de missie] gearbeid te hebben, weerzien. Dan kom ik u alles vertellen”.
Zeeziek
Als je per zeilschip reisde werd je meestal zeeziek. Jan was geen uitzondering. Priester zijn bood geen bescherming. Terwijl hij met zijn brevier in de hand aan het bidden was, werd hij al gewaarschuwd voor hetgeen hem te wachten stond.
Jenever hielp niet. “Men presenteerde een borreltje. Ik dacht, dat zal me wel goed doen. Maar nauwelijks had ik een klein slokje gedronken of daar kwam een golf – geen water maar wat anders. Ik werd misselijk en begon te vomeren met mijn hoofd op de rand van het schip”.
Jan was niet de eerste en ook niet de enige. “Een zuster was reeds vroeger begonnen. Ik had hen uitgelachen. Nu kwam loontje om zijn boontje”.
Het onheil duurde nog enkele dagen. Zelfs een eenvoudig beschuitje als ontbijt was spoedig in zee verdwenen. “Intussen zeilden wij Katwijk, Scheveningen en eindelijk heel Holland voorbij”.
De kapitein schoot te hulp. “Hij speelde dokter bij ons. De hele tijd kwam hij met een stukje sinaasappel om ons te verfrissen en dat deed ons goed”.
Jan had nóg een probleem. Op de eerste zondag aan boord kon hij niet naar de kerk gaan. “Ik moest mij vergenoegen om met de zusters maar wat te bidden”.
Het duurde wel veertien dagen voordat hij in staat was mee te eten in de kajuit. Bovendien was het koud. Op 24 februari 1851 noteerde hij: “Wij zijn op het dek, maar het is razend koud. Beneden brandt de kachel als een lier. Daar kan ik het echter niet uithouden [vanwege de zeeziekte], ook de zusters niet. Wij zoeken alle mogelijke kleren om ons op te warmen. Eten gaat nog niet”.
Heimwee bleef niet uit. “Op het dek praatten wij met elkaar en spraken over thuis. Jan: “Wat zullen mijn ouders bang zijn. Als het maar een weinigje waait, dan zullen zij zeggen: hoor de wind eens aangaan; of, hoe zou Jan het toch hebben; wie weet waar ze zijn. Als hij maar niet vergaat”.
Een paar dagen later schreef hij: “Nu ik zulk een grote afstand van u verwijderd ben, begin ik meer en meer aan u te denken, als ook aan de familie en aan mijn goede vrienden. U kunt niet begrijpen hoe dierbaar de betrekkingen worden wanneer men op zulk een grote afstand van hen verwijderd is. Onder elkander spreken wij dikwijls over het vaderland en over u”.
Op 25 februari waren ze het Kanaal gepasseerd. Van Os wist: “Wij kwamen op de grote wereldzee, op de Atlantische Oceaan. Dit is de ware zee. De aarde ligt er rond om heen. De zee is als een kom in de wereld. In die zee kan men de gehele wereld rondvaren. Over een paar dagen komen wij in de onpeilbare diepte, waar men volstrekt geen grond vinden kan”.

Atlantische Oceaan
Er was een stevige wind op de oceaan. “De golven sloegen over het schip. De kapitein zei dat het uitmuntend weer was om te zeilen”.
De zusters ervoeren het anders. “Ze dachten dat hun laatste uurtje gekomen was. Zij gingen zich al half voorbereiden”.
Langzamerhand wenden de Nederlanders aan hun omgeving. Jan keek soms zijn ogen uit. “Ik zag een menigte zeegedrochten, wel twintig bij elkaar. Het waren bruinvissen”.
Na verloop van tijd was de Amsterdammer in staat om de mis aan boord op te dragen alvorens te ontbijten. “De zusters en ik baden dan samen het morgengebed, een gedeelte van het brevier. Het ontbijt bestond uit een half bordje gort, met haring, daarop een beschuitje met een stukje kaas. Aan het harde scheepsbeschuit kon ik niet wennen.
Daarna ging ik wat studeren, een pijp roken en wat praten. Om twaalf uur was het vijf glazen, dat wil zeggen een borreltje. Om twee uur eten en heel goed, soep: allerhande tot zelfs kippen- en eendensoep, want wij hadden er een partij levenden aan boord, snert, etc.; gezouten vlees, want naar de slager kon niet gegaan worden, aardappelen, groenten, verse en gedroogde en ingemaakte – bier was er ook over tafel en voor het dessert soms een pannekoekje, poffertjes, pudding of tulband.
Om zes uur theedrinken. Dan gingen wij wat kaartspelen en kregen we van de kapitein soms een glaasje wijn of punch. ’s Avonds om acht uur was avondeten, brood met koffie.
Daarna nog wat praten, studeren, bidden en naar bed”.
De priester had hulp aan boord. Zijn moeder had aan een van de Zusters van Liefdadigheid gevraagd of ze voor hem wilde zorgen. “Zij regelde al mijn huiselijke zaken. Ze bezorgde mij van alles. Mijn minste verlangens werden ogenblikkelijk vervuld, dikwijls zelfs voordat ik ze te kennen had gegeven”.
Details gaf hij niet.
Jan was niet blij met zijn slaapplaats. Zijn hut deelde hij met een medepassagier. “Het bed is mij tegengevallen. In een klein hokje waren twee bedsteden boven ekander. Ik had de onderste. Die was gelijk met de grond. Ik moest er in kruipen. Ik kon er niet zitten, omdat het niet hoog genoeg was. Stil liggen was er niet bij. Men ging altijd heen en weer door het schommelen van het schip. Het ergste was het klotsen van het water als men te bed was. Het leek wel of er een dun schotje tussen het water en mij was. Elke golfslag voelde ik mijn zij”.
In de warmte
De pater vertrok in de winter. Een paar weken later sloeg het weer om. “Tot heden hadden wij het altijd koud gehad. Nu kwamen wij in de warmte. De zomerzon verkwikte ons niet weinig. Eén dag hadden wij een dodelijke stilte. Het schip lag stil. Op de oceaan kon men geen golfje bekennen. Het water was als een spiegel”.
Jan bevond zich niet ver van het eiland Madeira. “Daar komt de Madeira-wijn vandaan”, liet hij zich ontvallen. Om eraan toe te voegen: “Wij zijn reeds 8 à 900 uren van u verwijderd. De tijd met Holland is al twee uren verschil. Dagelijks zeilen wij 35 à 40 mijlen”.
Madeira, 1851
Naarmate ze vorderden werd het steeds warmer. “Ik moest mij dunner gaan kleden. Op het dek kon men het zo niet uithouden. Er moest een zeil gespannen worden om ons tegen de hitte van de zon te beschutten. In de kooi was het niet meer uit te houden. Ik dekte mij alleen met een laken. ’s Nachts stond alles open en nog kon ik het niet uithouden.
Wij brachten bijna de ganse nacht op het dek door, waar het vooral ’s avonds plezierig was. Verbeeld u een schone blauwe hemel, met duizenden sterren bezaaid; de maan [soms] zo helder dat men er gemakkelijk bij lezen kon. Dan zaten wij bij elkaar om te bidden en de grootheden van God te bewonderen en de schoonheden van de hemel. O God, hoe groot moet Gij niet zijn”, bedacht Jan van Os.
De Hollander begon aan het nieuwe ritme te wennen. “De zon gaat hier om 6 uur onder, een half uur later is het reeds geheel donker in deze landstreken. De maan komt precies om zes uur op. Dan hebben wij het licht van de sterren. Ik had nooit gedacht dat de sterren nog zoveel licht gaven. Wij konden daardoor een goed eind weg zien. Was de hemel bewolkt, dan was het pikdonker en konden geen hand voor de ogen zien.
Al dat licht, het kwam volgens hem van ‘hogerhand’. “Hoe wijs is God geweest de maan tot licht van de nacht te geven, maar ook de sterren als zand in het firmament te strooien om ons door deze grote ocean de weg te wijzen”.
De missionaris keek voor het eerst vooruit: “Ook te Curaçao zullen wij nimmer zulke lange dagen krijgen als in Holland”.

Sterren en vissen
De sterrenhemel was dus een bron van inspiratie als het donker was. “Dan redeneerden wij dikwijls over die maan en sterren – of dat werelden onder elkander waren. Dan was het zo genoegelijk fris en koel. Het keuvelen ging dan zo goed, vooral als wij onder een glaasje wijn of rum met water bij elkander op het dek zaten”.
Overdag keken ze om zich heen. “Wij zagen grote vissen, zo groot als geheel het schip. Onderwater hadden ze een schone groene kleur. Ze kwamen niet vlakbij het schip, zodat wij ze niet met harpoenen konden vangen. Stokvis en zoute vis was op vastendagen [de weken voor Pasen, 20 april 1851] onze gewone kost. We zagen ook vliegende vissen, die boven het water vliegen en dan weer in het water gaan. Ze zijn zo groot als een haring; met een paar vinnen midden aan het lijf vliegen zij. Zodra die droog worden, kunnen ze niet meer vliegen, zodat zij de hele tijd weer in het water moeten gaan”.
Een van die vissen maakte een foutje, met fatale afloop, voor de vis dan. “Op zekere morgen liet men mij een vis zien die ’s nachts op het dek gevlogen was. Die werd gebakken en smaakte zeer goed”.
Zelfs voor een missionaris als Jan van Os was het moeilijk, zo niet onmogelijk, om zich aan de regels van de vasten te houden. “Wij hebben zulks geprobeerd, maar het was onmogelijk. Nog niets anders zien wij dan lucht en water, wat nogal begint te vervelen”.
Aan de kapitein vroeg hij regelmatig of ze er al bijna waren. “We zien nog haast geen land”, stelde hij.
Geduld was een schone zaak, werd hem duidelijk gemaakt.
Volgens de pater beschikte God over alles: “Er zijn plaatsen, welke de zeelieden kennen, waar het altijd oostenwind is en andere waar het altijd westenwind is. Zo ook andere noord en andere zuidenwind, anders was het onmogelijk om de zee te bevaren. Nu zoeken de zeelui de oostenwind op als zij naar het westen gaan en de westen- of noordenwind als zij naar het oosten of zuiden gaan, hoe wonderlijk alles niet waar?”
Een maand na vertrek kwam Jan tot de conclusie: “De zeeziekte is geheel geweken”. Zo had hij meer inspiratie om plannen te maken. “’s Avonds om 10 uur bid ik met de zusters op het dek een rozenkrans, het avondgebed, spreken dan nog wat over de goede God en over onze arbeid die ons te wachten staat en moedigen elkander aan.
Wij moeten maar goed voor de hemel arbeiden en vele vruchten voor de hemel vergaderen, zeggen wij tegen elkander, want de tijd is kort hier – elk uur van de dag is nu verdeeld aan gebed, studie en werken”.
De stemming zat er goed in. “Wij zijn vrolijk onder elkaar, ook met de andere passagiers en met kaptein en stuurman. O, zei ik dikwijls, vader en moeder moesten nu eens weten dat ik hier zo vrolijk en gerust ter neder zit, wat zouden zij opkijken”.
Van Os neemt het initiatief aan boord
In de warmte werd meer gedaan dan praten en bidden. “’s Avonds ging ik soms de matrozen opzoeken. Dan sprak ik over God en de Kerk. Dan gingen wij zingen onder accompagnment van een harmonica. Een der matrozen kon daar alles op spelen”.
Misschien werd het repertoire wel aangepast als de aanstaande missionaris zich liet zien. “Wij zongen de miserere, een litanie etc.”
Van Os slaagde er naar eigen zeggen in om de bemanning voor zich te winnen. “Tot heden had ik voor de zusters nog maar wat gebeden en dagelijks een kleine preek gehouden. Maar nu riepen de matrozen mij om op zondag kerk te houden. Dat was koren op mijn molen. Ik nam dat terstond aan. Op zondag, half elf, begon onze kerk. Allen, matrozen, passagiers, kapitein en stuurman waren er bij tegenwoordig. Een stuk zeil op een plank bij de mast was mijn altaar. Ik was met stool en superplie gekleed en begon de misere aan te heffen. De matrozen antwoordden vers om vers. Daarna las ik het epistel en evangelie van de derde zondag in de vasten. Daarna de meditatie over de hof van olijven”.
Toen hij dat verwerkte in de brief van zijn ouders, werd hij emotioneel. “Ik kan u de gevoelens niet uitdrukken, die mij toen bezielden toen ik daar dobberend op de oceaan het woord Gods aan brave matrozen verkondigde, terwijl ik daar dobberend heen en weer gesligerd werd , uren verwijderd van het vaste land”.
Jan had succes, vertrouwde hij toe aan het papier: “Allen hoorden mij met de grootste aandacht en stichting aan. Wij besloten met de litanie Moeder Gods en een Hollands liedje, wat wij in Den Haag na het lof zongen”.
Zijn verslag eindigde met de woorden “Om 12 uur, dus op zijn tijd, was de kerk uit”.
Van zee naar eilanden met bergen
Langzaam maar zeker naderde het einde van de reis. “De wind is altijd goed. Als het zo doorgaat zijn wij deze week in St. Thomas, waar het schip zijn lading gaat lossen. Wij zijn blij eindelijk land te zullen zien, eens aan land te kunnen stappen om er te kunnen lopen”.
Ter verduidelijking: “Het schip is spoedig afgewandeld”.
Jan maakte zich zorgen of hij nog gewoon kon lopen – zonder ‘valhoed of leiband’.
Nadat ze ’s nachts een eiland hadden gepasseerd kon hij op woensdag 26 maart 1851 vaststellen: “Voor het eerst zag ik in de verte een berg – het eiland St. Bartholomeus”.
“De volgende dag zagen wij de Virginie-eilanden, met allemaal bergen. In de Caribische Zee zijn wij omringd door al die soorten van eilanden. Wij kregen St. Thomas in het gezicht en kwamen voor de haven. Er waaide een harde wind. Ik werd een weinig bevreesd. Zouden wij hier nog moeten vergaan, dacht ik”. Bij nader inzien verdween de angst. “Moeder zal wel bidden”.

Maagdeneilanden met St. Thomas en St. Bartholomeus
St. Thomas
Over St. Thomas schreef Van Os: “Het is een stadje, op een berg gebouwd, een bezitting van Denemarken. Aan beide zijden is het door een halfrond van rotsen omgeven. Binnen die rotsen is de haven. Op een afstand zou men denken dat het een doosje speelgoed is, die huizen en boompjes. Dit is het ook werkelijk als men meer nabij komt – huisjes uit een doosje speelgoed. De stad gaat van beneden naar boven omdat het op een berg is”.
De Europeaan moest nog wennen aan de huidskleur van de mensen die in deze streek woonden. “Wij zagen voor het eerst die zwartjes in kleine bootjes heen en weer varen. Het was een akelig gezicht, dat zwarte bakkes, die zwarte handen uit witte mouwen steken.
Een half uur voor onze aankomst kwam de havenmeester aan boord om ons de weg in de haven te wijzen en ons er een plaats te geven. Hij voer met een bootje, door twee zwarte jongens geroeid, naast het schip. Die arme halzen waren half naakt. Ze werden zo nat als een kat door de golven die over het schuitje sloegen.
Om zes uur voeren wij na veel moeite en arbeid de haven met een menigte schepen binnen. We lieten de ankers vallen en haalden de zeilen neer. Daar lagen wij voor de stad. Welkom aan wal klonk het over het dek. Wij drukten elkander de hand en waren van blijdschap bijna buiten ons zelven. Wij dronken ’s avonds een glas wijn op onze welbehouden reis tot dusver”.
Het weer was niet best. “In de haven werd het stormweer. Wij waren blij dat we hier lagen. Twee schepen konden om de storm niet in de haven komen. ’s Nachts werd een schip van anker geslagen tegen de rotsen”.

St. Thomas in 1851
Aan wal
Bij her wakker worden vervulde de priester zijn religieuze plichten. “Met de zusters bad ik ons brevier”.
De zusters gingen niet meteen mee aan land. Van Os wel. “Ik ging terstond de pastoor der stad opzoeken. Huis en kerk lagen in de hoogte. Een zwarte jongen diende mij aan en ik kreeg de pastoor te spreken, een Spanjaard, Giovanni genaamd. Ik sprak Frans. Dat was de taal welke men over het algemeen op dit eiland sprak”.
De Nederlandse priester hoopte in de kerk de mis te kunnen opdragen. Dat werd hem echter niet toegestaan. De bisschop van Trinidad, de hoogste geestelijke ambtsdrager, vijf dagen reizen, had een veto aan buitenlanders uitgesproken ‘vanwege de grote misbruiken welke vroeger plaats hadden gehad”.
Van Os mocht wel bij de pastoor logeren. De zusters liet hij onderbrengen bij een ‘zwarte, een der rijksten zijner gemeente’. “Ontbijten en eten deden wij echter gezamenlijk bij de pastoor”.
Over het eten tekende hij op: “In dat land ontbijt men ’s middags om twaalf uur, maar heel anders als bij ons – vis, sla, pannekoek, wijn, dat is het ontbijt. ’s Avonds om vijf uur eet men. Dat is dan het eigenlijke diner en ’s avonds niets”.
Jan niet liet na om om de plek op te zoeken waar de zusters logeerden. “Hij was een aardig mens, sprak Frans, maar zo zwart als een baviaan met een gouden bril op de neus. Dat stond komiek. Het was er een jodenboel – aardig opgeschikt en vol stof en smeer”.
Op 30 maart was Van Os te gast bij het opdragen van de heilige mis. “Het is een grote, nieuwe kerk van steen met drie altaren, die twintigduizend gulden heeft gekost. Wij hoorden de pastoor in het Frans preken. ’s Middags om twee uur catechismus in het Engels en om 3 uur lof van de Heilige Maagd, evenals in Den Haag.
De nieuw-aangekomene keek zijn ogen uit: “Wat zijn de mensen hier aardig gekleed – een rode muts om het hoofd gebonden in de gedaante van een tulband en slechts ten halve gekleed. Slaven zijn hier niet. Die zijn allemaal vrijgelaten”. De gastheer van de zusters had er meer dan vijftig gehad, vernam hij.
Van Os deed verslag van wat hem nog aan tafel geboden werd. “Wij moesten alle vruchten proeven, ananas, kokosnoten, sinaasappels, alles van het land”.
Maar hygiënisch was het niet, vond hij. “Wat zijn hier veel insecten, een soort van muggen, die je bulten bijten, muskieten genaamd. Ik sneed een broodje open en van binnen vol beesten. Ik roerde het maar niet aan”.
St. Thomas in 1856
De pater liet natuurlijk niet na om zijn familie op de hoogte te brengen van de geestelijke stand van zaken op St. Thomas. “De bevolking van dit eiland is tweederde katholiek, een derde Moravische broeders, Luthersen en joden”.
Enthousiast meldde hij: “O, was het aangenaam voor mij die eenvoudige negers zo vol geloof en godsvrucht te zien in de H. Mis en voor het Heilig Sacrament. Met wel een diep gevoel zongen zij na het lied tot God ook een lied voor de Moeder van de Heer. Hoe schoon is onze heilige godsdienst, die waar men ook komt, zowel in het barre noorden als in de verzengende Afrikaanse luchtstreken, zowel bij blanken als bij zwarten, overal hetzelfde is. Overal de zelfde leer, de zelfde sacramenten, de zelfde godsvrucht, het zelfde offer”.
Jan van Os voelde zich op het eiland St. Thomas helemaal opgepept: “Onder die zwarten raakte ik in verrukking. Mijn hart riep uit: “Hoe schoon zijt gij, godsdienst, gij alleen zijt de ware, die allen in het zelfde geloof kunt verenigen”.
Van St. Thomas uit reisde Jan van Os verder naar zijn eindbestemming: Curaçao. Daarover een volgend artikel.
Harry Knipschild
21 juli 2025
Clips
- Raadplegingen: 1149