599 - Kralingen met Dr. John The Nighttripper (1970)
Op 31 augustus 2026 bevond ik mij voor de tweede keer in het Kralingse Bos. In de Tuin van de Vier Windstreken werd gewerkt aan een nieuwe podcast over het Holland Pop Festival, dat ter plekke plaats vond op 26, 27 en 28 juni 1970, 56 jaar geleden dus. De podcast werd in vier dagdelen opgenomen – met sessies van verschillende participanten. Mij werd een plek om een ronde tafel vol microfoons toegewezen met Stan Rijven (onderzoeker), Georges Knap (oprichter en organisator), Jaap Jongert (ontwerper van het affiche) en John Blaak (van het monument). Lidy Ettema en Kees Kaya waren verantwoordelijk voor de productie.
Tijdens mijn bezoek bij de plas trof ik bovendien fotograaf Wim van Zon, Robert-Jan Stips (Super Sister), Ferdinand Bakker (Alquin), Foris Kolvenbach (The Dream) en Barry Visser (Mojo). In een van de ruimtes zag ik een wand met tal van foto’s uit 1970.
Het was, als ik me goed herinner, de eerste keer dat ik over ‘Kralingen 1970’ ondervraagd werd. Andere deelnemers waren al vaker aan de tand gevoeld en herhaalden grotendeels wat ze daarvoor hadden laten vastleggen. Ze benadrukten vooral de unieke rol die het festival gespeeld had in de geschiedenis van de popmuziek. Dat gaf mij de kans om vanuit het heden eens te overdenken hoe je Kralingen kon plaatsen in die geschiedenis.

Festivals van weleer
Het Holland Pop Festival was niet het eerste (Nederlandse) popfestival. Er was nogal wat aan voorafgegaan. Om te beginnen waren er heel wat open lucht festivals geweest, waar jazzmuziek ten gehore gebracht werd. Dat van Antibes (F) bijvoorbeeld, waar Fats Domino zich met zijn orkest anno 1962 had vertoond. In Newport (Rhode Island) werd al sinds 1954 jaarlijks een jazz-festival en vanaf 1959 een folk-festival georganiseerd. Een bekend incident is dat van Bob Dylan, die er in 1965 op elektrisch-versterkte muziek overschakelde.
Popmuziek draaide lange tijd om hitsingles. Wie hits maakte werd door deejays als Dick Clark en Alan Freed uitgenodigd om – samen met andere artiesten – een tijd door Amerika rond te trekken en die hits diverse malen per dag overal te laten horen. Ze werden met z’n allen nogal eens in een niet-comfortabele bus gepropt.
Op 2 februari 1959 traden Buddy Holly, Ritchie Valens, The Big Bopper en Dion DiMucci op bij Clear Lake in Iowa. Omdat de verwarming het niet deed in de ijskoude nacht, namen drie van hen het vliegtuig naar de volgende pleisterplaats. Toen dat neerstortte werd 3 februari 1959 vereeuwigd als ‘the day the music died’.
Ontwikkelingen
In de sixties vonden interessante ontwikkelingen plaats. Om te beginnen kreeg de jeugd over meer geld te beschikken. De omzet van (dure) albums steeg ten opzichte van singles. De lange speelduur zorgde ervoor dat nieuwe groepen zich minder met liedjes van drie minuten op de top 40 richtten als wel op het maken van muziek voor albums. Ze kregen bovendien de kans om lange nummers in het openbaar uit te voeren.
Pink Floyd hoorde tot de pioniers; de Britse jongelui maakten een nieuw soort ‘Europese’ muziek, niet altijd meer gebaseerd op wat daarvoor gewoon was. Betere apparatuur werd ontwikkeld. Zo kon Jimi Hendrix op hoog volume laten horen wat met een gitaar allemaal mogelijk was.
Bij jazz- en folkfestivals in de open lucht lieten geleidelijk aan ook popartiesten van zich horen. In Amerika (het land waar het meeste te verdienen viel) werd ‘overal’ van alles georganiseerd. Een nieuw soort jeugd kwam bij elkaar, niet alleen om naar rockmuziek te luisteren, maar ook om te experimenteren met lsd en andere drugs. Er werd bovendien geprotesteerd tegen het beleid van president Lyndon B. Johnson, die de Amerikaanse bemoeienis met Vietnam steeds verder liet oplopen en de jeugd naar het Verre Oosten stuurde.
Pink Floyd, hoes van ‘Atom Heart Mother’
1967
In 1967 verscheen het album ‘Sgt Pepper’ van de Beatles. Het was ook het jaar van de flower power in San Francisco en omgeving. Niet ver van de stad in het zonnige Californië vond het Monterey-festival plaats – drie dagen lang – met optredens van onder anderen Jimi Hendrix, Otis Redding, Janis Joplin (Big Brother), Scott McKenzie, Jefferson Airplane (met Grace Slick), Laura Nyro, Byrds en de Who. Tienduizenden liefhebbers kwamen opdagen voor de muziek en ook de drugs. Het festival werd verfilmd, zodat je overal in de westerse wereld kon zien hoe het er toeging.
Engeland en Nederland
Wat in Amerika gebeurde, kreeg navolging in Europa. Op het Engelse eiland Wight bijvoorbeeld, twee dagen lang. Een jaar na Monterey kon je er gaan luisteren naar Jefferson Airplane, Pretty Things, Fairport Convention en Tyranosaurus Rex (met Marc Bolan). Het eerste jaar waren er tienduizend bezoekers, in 1969 zelfs 150.000, met concerten van de Who, Nice, Moody Blues, Pretty Things, Joe Cocker en Bob Dylan met The Band.
Nederland was er eind 1967 al bij met de ‘Flight to Lowlands Paradise’ – overdekt en in Utrecht, gesubsidieerd door de gemeente. Er traden voornamelijk Nederlandse groepen op, zoals de Outsiders, Cuby & the Blizzards, Les Baroques en Unit Gloria uit de eigen stad. “Ruim tienduizend hippies beleefden innig een grootste non stop love in”, kon je in de krant lezen. Een tweede Lowlands (1968) werd een fiasco, het was bar slecht weer en de aangekondigde Jimi Hendrix kwam niet opdagen. Wie ondanks de sneeuw wel verschenen: Supersister, Cuby, Zipps en Pink Floyd.
Affiche Lowlands 1968 (met portret Jimi Hendrix)
In 1969 organiseerde Jan Smeets (met anderen) een open lucht popfestival op de Gulpenerberg in Limburg: Pinknick. Melanie (Safka) zou de hoofdattractie worden, maar omdat ze ziek was ging dat niet door. Het lokale festival, verhuisd naar Geleen, werd een jaar later omgedoopt in Pinkpop. Op de eerste editie, in mei 1970, zorgde Golden Earring voor de apparatuur. Andere groepen: George Baker, Livin’ Blues, Mr. Albert Show en uit Engeland: Keef Hartley. Andere Britse acts, zoals Yes, lieten het op het laatste moment afweten.
Woodstock
Het absolute hoogtepunt van die open lucht festivals heette ‘Woodstock’: drie etmalen op een helling in de Amerikaanse staat New York. Ongeveer een half miljoen ‘hippies’ brachten de organisatoren in moeilijkheden. Wegen raakten geblokkeerd, het ontbrak aan noodzakelijke voorzieningen, regenbuien zorgden voor nog meer ongemakken. Omdat het terrein onvoldoende beveiligd was, lukte het velen om gratis het terrein op te komen.
Veel ging er dus mis. Maar er ging ook veel goed. De artiesten bijvoorbeeld, die soms per helicopter aangevoerd moesten worden. Veel van hen beschikten over festival-ervaring: Jimi Hendrix, Joe Cocker, Jefferson Airplane, The Who, Joan Baez, Country Joe & The Fish, Janis Joplin. De organisatie had gezorgd voor goed geluid en een perfecte filmcrew.
In Nederland was men zich nauwelijks bewust van ‘Woodstock’ (ik ook niet, HK). Dat veranderde toen de film in het voorjaar van 1970 gelanceerd werd. De door mij georganiseerde persvoorstelling in een Amsterdamse bioscoop, begin juni, was niet alleen een openbaring (voor mij), maar ook een eclatant succes. ‘Iedereen’ was er: journalisten, programmamakers, artiesten. De film zorgde ervoor dat er ook in ons land een nieuw tijdperk voor de popmuziek aanbrak.
Joe Cocker, Woodstock 1969
Voorjaar 1970
Kort voor de filmvoorstelling had Pinkpop 1 al plaatsgevonden. Het Holland Pop Festival in het Kralingse Bos – opnieuw drie dagen – volgde een paar weken later.
In het Historisch Nieuwsblad publiceerde Martijn Blekendaal anno 2005 een en ander over het tot stand komen van het festival – met name over Georges Knap en Berry Visser.
Over Berry schreef hij: “Visser was een 23-jarige hippie met ambities. Naast zijn studie aan de sociale academie probeerde hij geld te verdienen als beginnende impresario.
Een dubbelconcert van The Doors en Jefferson Airplane in het Amsterdamse Concertgebouw leidde tot een nieuwe ambitie. Of Berry Visser, hippie uit Delft, de grote zaal kon huren? ‘Nee’, was het antwoord aanvankelijk, ‘begin eerst maar met de kleine zaal’.
Zo gezegd, zo gedaan. Via een aantal geslaagde concerten in de kleine zaal lukte het hem uiteindelijk om de concerten van Jethro Tull en Soft Machine in de grote zaal van het Concertgebouw te verkopen. Vijfduizend gulden winst.
En toen kwam in augustus 1969 het Amerikaanse Woodstock, waar meer dan vierhonderdduizend mensen drie dagen lang in een sfeer van love, peace & happiness genoten van tientallen optredens. Opnieuw dacht Visser: dat wil ik ook. ‘In Engeland kwam ik in contact met Frederick Bannister, die bezig was met een meerdaags festival in het Engelse Bath. We besloten samen te werken. Samen bands inkopen, dat scheelde geld. Waarbij ik overigens blufpoker speelde, want ik had geen rooie cent. En geen geschikte locatie’”.
Berry Visser en Georges Knap
Blekendaal: “De oplossing kwam uit onverwachte hoek en heette Georges Knap: een dertien jaar oudere vertegenwoordiger die, gestoken in een keurig net pak, dagelijks stad en land afreisde om de producten van groothandel Stokvis aan de man te brengen. In de avonduren deed hij jeugdwerk bij hem in de buurt. ‘Rotterdam zou dat jaar C70 [Communicatie ’70] organiseren, een groot cultureel festijn ter gelegenheid van vijfentwintig jaar bevrijding, en natuurlijk om de stad te promoten. Het leek me leuk om eens iets anders te doen dan koekhappen. Een openluchtfestival, bijvoorbeeld. Ook bij mij had Woodstock iets losgemaakt.
Ik had alleen geen flauw benul van hoe en wat, en liet het idee liggen. Totdat de voorzitter van C’70, om een stel jonge kritische journalisten de wind uit de zeilen te nemen, plots verklaarde dat er ook een popfestival georganiseerd zou worden.
Ik dacht nog: wat zegt hij nou? Want meer dan een idee was er niet. Een paar dagen later hing een van die journalisten aan de lijn. Die had al snel door dat ik het ook allemaal niet zo goed wist en raadde mij aan om eens contact op te nemen met ene Berry Visser in Delft. Misschien dat wij elkaar van dienst konden zijn.
De eerste ontmoeting met Berry staat me nog goed bij. Ik kwam regelrecht uit mijn werk, dus keurig in pak. Hij zat achter z’n bureau met naast hem op de grond een groepje blowende hippies. Zijn eerste reactie was zeer afhoudend. Zo van: wat kom je doen? Ik heb jou helemaal niet nodig. Drie weken lang heeft ie me aan het lijntje gehouden. Toen stelde ik hem voor de keus: graag of niet.
Tot mijn grote verrassing zei Berry: ik kom naar Rotterdam, locaties kijken. De wethouder had de bouwput van de Brienenoordbrug aangewezen. Maar die locatie bevestigde het beeld dat Berry van Rotterdam had: allesbehalve cultureel, geen plek om een festival te organiseren. Vervolgens reden we naar het Kralingse Bos, waar mijn oog op was gevallen. Ik bleef in de auto zitten, Berry liep wat rond. Toen hij een halfuur later terugkwam, was het duidelijk: we hadden een locatie’”.
De organisatoren wisten de bureaucratie te omzeilen. Sterker nog, de landelijke overheid legde vijftigduizend gulden subsidie op tafel. Een andere sponsor was Coca Cola – enigszins tot ongenoegen van Visser: “Met zo’n commerciële partij ging je liever niet in zee. Dat druiste in tegen alles waar een hippie voor stond. Maar we stonden met onze rug tegen de muur. We hadden nog maar een paar maanden de tijd en we waren maar met z’n vieren: ik deed het programma, Georges de zakelijke kant, zijn vrouw Toos deed de publiciteit en Piet Daal de technische aangelegenheden”.
Samen met hoofdinspecteur van politie Koster (‘een uiterst practische man’) bezochten ook zij de filmvoorstelling van Woodstock ‘om te kijken wat we konden verwachten’.
Britse Agenten en impresario’s
Over wat er die drie dagen in Rotterdam gebeurde is veel gezegd en geschreven. In het achtste nummer van het weekblad Popmix bijvoorbeeld vind je veel details.
Eerder in dit artikel heb ik aangegeven hoe Berry Visser leerde hoe je buitenlandse artiesten in Nederland kon krijgen. Je moest het via Engeland spelen. Daar bevonden zich muzikale agenten die de rol van vertegenwoordigers van popgroepen speelden. Een Nederlandse organisator had geen of nauwelijks rechtstreeks contact met Britse artiesten en hun managers, het liep vrijwel altijd via die impresario’s. Maar ook als het Amerikaanse acts betrof, was het zaak van hen gebruik te maken.
Het was nagenoeg ondoenlijk om Amerikaanse popgroepen alleen voor een concert in Nederland te contracteren. Ze over te laten te komen – met alle gedoe er omheen – was omslachtig en veel te kostbaar. Londen was een nieuwe hub in het verkeer van rondreizende groepen geworden. Vanuit de Britse hoofdstad werden Europese toernees opgezet. Zonder die ‘tussenstap’ was het in 1970 ook voor de Nederlanders onmogelijk om het Holland Pop Festival met groepen van het Amerikaanse continent in Rotterdam te krijgen.
De Amerikaanse artiesten die in Kralingen optraden kwamen dus niet alleen voor ‘ons’. Kralingen werd ingepast in een Europese toernee, die in Londen was opgezet. Zonder de Britten was het Holland Pop Festival nooit van de grond gekomen. In de verslaggeving iets dat mijns inziens niet geaccentueerd werd.
slapen op Kralingen
Dr. John the Nighttripper
Op 3 juli 1970, een paar dagen na afloop van Kralingen verscheen Popmix met een speciale editie, die opgezet was door popjournalisten als Elly de Waard en Pim Oets.
Dankzij de Britse ‘bemiddeling’ was het mogelijk om Amerikaanse groepen als Jefferson Airplane, Santana, It’s A Beautiful Day, Canned Heat, The Byrds, The Flock, The Fish (met Country Joe Macdonald) en Dr. John over te laten vliegen als vervolg op Woodstock. Voor de Nederlandse pers een unieke gelegenheid om met hen in gesprek te komen. Dat was wat anders dan overschrijven wat je in buitenlandse bladen en kranten kon lezen. In Popmix vond je dan ook interviews met Grace Slick, Canned Heat, Roger McGuinn en Dr. John the Nightripper (Mac Rebennack). Barrières om met beroemde artiesten in contact te komen ontbraken in die tijd. Security was er nog niet. Je stapte gewoon op hen af en ging een gesprek aan.
Een van hen was Dr. John. Elly de Waard deed verslag. Van Dr. John was nog zo weinig bekend dat Elly er zeker van moest zijn dat ze met de juiste persoon sprak. “Volgens sommigen was hij het inderdaad zelf, volgens anderen alleen maar een medewerker.
In het deftige Rijnhotel baarde hij opzien door er in vol tenu rond te schrijden, dat wil zeggen: een lange mantel van konijnevel, een staf van fazanteveren, de vermaarde slangehoed op het bebaarde hoofd en een trommeltje (gemaakt van een mensenschedel) in de andere hand”.
Dr. John in Popmix
Aan de praat
Rebennack was niet goed te verstaan. Hij was wel zeer welwillend voor de pers. “Op zachte, met wat Amerikaans negeraccent slepende stem, legde hij onvermoeibaar, maar niet erg welsprekend urenlang [!] allerlei zaken rond zijn geheimzinnige persoon uit”.
Rebennack had op piano sessiewerk gedaan bij de producties van Phil Spector. Van optreden was niet veel gekomen, hoorde De Waard. Mack hield niet van reizen. In zijn geboortestreek Louisiana was hij muzikaal beïnvloed door Professor Longhair. Hij was uit New Orleans vertrokken omdat die stad (met de studio van Cosimo Matassa) volgens hem zijn betekenis aan het verliezen was. “The recording business went away from there. There was no recording business any more”.
Nu was hij als Dr. John van de partij. Veel ervaring in de open lucht had hij niet. Liever woonde hij met zijn gezin in Californië. “Hij speelde één keer eerder op een festival. Dat was in Toronto in augustus vorig jaar [1969]”. Zenuwachtig leek hij niet te zijn. “Of ik nu op een festival speel of in een gewone zaal, kan me niet schelen. Als ik hier met jullie [in het Rijnhotel] kan communiceren, kan ik dat ook met publiek, ook al zitten er miljoenen mensen”.
Dr. John deed naar eigen zeggen meer dan alleen muziek maken. Dat was kenmerkend voor de opkomende Woodstock-generatie. Natuurbehoud bijvoorbeeld was voor hem een belangrijke kwestie, las je. “Als je ergens de wortels van uitrukt, je zet er een flatgebouw voor in de plaats, dan noemen ze dat vooruitgang. Ik geloof niet dat het allemaal zo goed is, maar zo gebeurt het nu eenmaal”. Mack zette zich ook af tegen het verschijnsel televisie.
Zijn geboortestreek, de bayou bij New Orleans, was gelukkig nog enigszins achter gebleven, vergeleken bij de rest van het land. “Die anderen zijn wat verder, dat zal de vooruitgang wezen”.
Aan zijn muziek (‘voo doo’) zaten ook magische kanten. Hij was, vertelde hij, immers opgevoed in het besef dat godsdienst belangrijker was dan politiek. “Onze muziek is onze magie. Het is een en al power. Muziek kan mensen gelukkig maken – en treurig en emotioneel”.
Op zijn manier legde Dr. John uit: “Muziek is een en al force en power. Dat is precies wat ook magie is. Zodra je een kracht in tweeën deelt, krijgen andere krachten er invloed op. Met muziek deel je het in een heleboel stukken. De kracht ligt dan in het mengen ervan, in de harmonie. Soms doen we het alleen voor het effect ervan”.
Elly bleef maar optekenen wat Rebennack allemaal te vertellen had, of wat ze ervan verstond en begreep. Popmix moest immers zo snel mogelijk van de persen rollen. “Dr. John heeft een duidelijke voorkeur voor het natuurlijke en een afkeer van de techniek, van het materiële, zoals het een magiër betaamt. Hij vindt dat we veel meer gebruik moeten maken van de dingen die de natuur om ons heen heeft neergezet: hout, bladeren in plaats van allerlei huizen en gebouwen uit te vinden. Dat is dan ook een van de redenen waarom hij de schel [schelp] als trommel gebruikt”.
Drugs
lsd, Kralingen
Als je in 2026 leest wat de popjournaliste anno 1970 in Rotterdam te verwerken kreeg, vraag je je af of Dr. John niet enigszins stoned was. In die tijd werd er volop met ‘verdovende middelen’ geëxperimenteerd. Ook op het festival in het Kralingse Bos.
Dat was bij hem niet het geval: “Drugs gebruikt hij niet meer, hoewel hij het vroeger wel deed en zijn optreden sterk de indruk maakt onder invloed van een of ander verdovend kruid tot stand te komen. ‘We kunnen hier gaan zitten en alle drugs van de wereld gaan innemen. Dan kunnen we enorm high en crazy worden en denken dat we de lucht kunnen aanraken. Maar als je weer beneden komt, zit je nog steeds hier. Dan is er niets gebeurd.
Dat gebeurt speciaal met lsd. Leg maar eens wat op je hand. Wat gebeurt er dan? Het verbrandt je. Als je het in je hoofd stopt, wat zou er dan gebeuren, denk je. Het brandt een gat in je mind. De mensen weten nog veel te weinig van de geest af. Ze weten ook niet wat lsd ermee doet. Het is dus niet goed om het te gebruiken.
In Californië nam iedereen het en iedereen zat maar te praten over wat ze zouden gaan doen. Maar ze deden niets. Er kwam niets uit, alleen maar praten. Dat is niet goed. Als we hier de hele tijd gaan zitten praten over het veranderen van de wereld, denk je dan dat er iets zal gaan veranderen?’”
Muziek
Elly de Waard wilde natuurlijk ook over de muziek zelf praten. Dr. John had al drie albums voor Atlantic Records gemaakt, waarvan ze overigens geen melding maakte: ‘Gris Gris’ (1968), ‘Babylon’ (1969) en ‘Remedies’ (1970). Hits waren uitgebleven. Zijn meest recente plaat was niet door iedereen juichend ontvangen.
In zijn betoog benadrukte de artiest dat hij ‘bij voorkeur werkte met negers’. “Hij zag niets in rassenverschillen. Het ging hem niet om het uiterlijk maar om het innerlijk. Dat was bij negers ‘more real’”. Een uitdrukking in die tijd luidde ‘Black is beautiful’. Dr. John vertelde dat hij recentelijk een song had geschreven over het feit dat ‘the white man has a god complex’.
Met lede ogen zag hij aan dat de volksmuziek in zijn geboortestreek naar de bliksem aan het gaan was onder het motto van de vooruitgang. De ene na de andere zydeco-band was aan het verdwijnen.

Achtergrondzangeressen
Evenals Dr. John was ook Aretha Franklin verbonden aan Atlantic Records. Het artikel over de artiest eindigde met een beschouwing over de blimsemcarrière die Aretha gemaakt had toen ze Columbia Records in 1967 met Atlantic verruild had. Dat had haar hits opgeleverd als ‘I Never Loved A Man’, ‘Respect’, ‘Natural Woman’ en ‘Think’.
Dr. John had vanuit Amerika twee zwarte achtergrondzangeressen meegebracht. “Ze droegen fraaie lange gewaden en waren, net als de grote medicijnman, getooid met fris Kralings groen dat opgewekt uit hun hoofdbanden pluimde”.
Een van hen, Joni Jones (van de Hammond Gospel Singers) nam het woord. “Ze was nog gedoopt door Reverend Franklin, de dominee father van Aretha”. De vader van de zwarte vedette bleek niet populair te zijn. “Aan zijn opvallende spreekvermogen heeft hij een aardige duit overgehouden. Hij rijdt enkele Cadillacs. Voortdurend speelt hij met een gouden en met diamanten bezette tandenstoker”.
Positiever was Jones over Aretha zelf. “Ze is gescheiden van Ted White, haar producer, en heeft kortgeleden een baby gehad. Ze staat bovendien op het punt om naar Israel te verrtrekken om er een film te gaan maken”.
Vanuit de achtergrond vertelde Joni dat met Dr. John op te treden haar uitstekend beviel. De shows waren elke keer weer anders. Soms stond Dr. John onbeweeglijk op het toneel en moesten zij als een razende om hem heen dansen. Een andere keer liep de hele groep, inclusief de dokter, dansend over het toneel. Haar Europese toernee, inclusief Kralingen, was voor haar een ‘ball’.
Voor heel wat Nederlandse jeugd was het Holland Pop Festival een ball, een feest. Meer dan een halve eeuw later, 56 jaar om precies te zijn, zijn we nog niet vergeten hoe die drie etmalen in Rotterdam van betekenis zijn geweest in de geschiedenis van de Nederlandse en Europese popmuziek.
De ploeg van de podcast over Kralingen (foto Wim van Zon)
Harry Knipschild
8 september 2026
Clips
* Bob Dylan, Joan Baez, Newport Folk Festival, 1963
* Jimi Hendrix, Monterey, 1967
* Impressies van Lowlands 1967-1968
Literatuur
B.J. Bertina, ‘Woodstock explodeert, Volkskrant, 11 mei 1970
Henk Weynands, ‘Woodstock, de film’, Nieuwsblad voor Gorinchem en omstreken, 5 juni 1970
‘Holland prepares for its biggest popfestival yet’, Cashbox, 6 juni 1970
Willem-Jan Martin, ‘Dr. John the Nighttripper’, Trouw, 20 juni 1970
Peter Schröder, ‘Kralingen’, Volkskrant, 29 juni 1970
Popmix, nummer 8, 3 juli 1970
Max Jones, ‘Doctor John the Day Tripper’, Melody Maker, 4 juli 1970
- Raadplegingen: 323
