Terug naar hoofdinhoud

141 - Eugenius Roussel MSC, van Tilburg naar Yule Island (Nieuw-Guinea)

 

In de loop van de negentiende eeuw kwam de katholieke missie steeds meer op stoom. Regelmatig werden nieuwe missie-congregaties met pauselijke goedkeuring gesticht. Iedere congregatie kreeg een eigen regio aangewezen, zodat de paters, broeders en zusters elkaar niet voor de voeten liepen. Een missie-bisschop werd aangeduid met de titel apostolisch vicaris.

 

Ten behoeve van mijn proefschrift en promotie (2005) had ik me speciaal verdiept in de missie van Scheut (CICM, van het onbevlekte hart van Maria, CICM), die zich in eerste instantie richtte op de bekering van China, nadat de Europeanen er na de tweede opiumoorlog (1856-1860) als gevolg van de zogenaamde ongelijke verdragen hun gang konden gaan.

 

De congregatie van het Heilig Hart (MSC, Mission Sacré Coeur) werd een paar jaar eerder, op 8 december 1854, in Issoudun (bij de Franse stad Bourges) gesticht door Jules Chevalier (1824-1907). In een eerder artikel (nr 117, dat je hier kunt lezen) heb ik aangegeven hoe belangrijk de rol was die Henri-Stanislaus Verius (1860-1892) speelde in het zuiden van Nieuw-Guinea. Hij was als helper van mgr. Louis-André Navarre (1836-1912), die zelf actief was op Thursday Island (ten noorden van Australië), in 1885 naar het gigantische eiland gestuurd. Verius’ gezondheid liet hem in de steek. Begin jaren negentig van de negentiende eeuw keerde hij terug naar Europa, waar hij kwam te overlijden.

 

1 Verius RIP

 

Eugène Roussel, opvolger van mgr. Verius

 

Vanuit hun missiehuis in Tilburg werd Eugenius Roussel naar Nieuw-Guinea gestuurd om Verius op te volgen. De pater had in Nederland een aantal jaren onderwijs gegeven en mocht zich daarom professor noemen in het missiehuis.

    Samen met twee andere missionarissen (Kerselaers en Helfer) stapte hij op 4 december 1892 in Marseille op de boot naar het verre oosten. Twee lekebroeders vergezelden hen. In het blad van de congregatie kon je lezen: “Sedert jaren had de goede pater verlangd naar Nieuw-Guinea te vertrekken en met Mgr. Verius aan de bekering der wilden te gaan arbeiden. Doch zijn veelzijdige talenten en bekwaamheden maakten hem bijna onmisbaar voor het klein liefdewerk, waar hij verscheidene jaren als professor werkzaam was en, met de schoonste vruchten, een goede herinnering heeft nagelaten”.

    Toen de missie van Nieuw-Guinea haar apostel en weldoener [Verius] verloor, ‘kreeg de pater verlof om te vertrekken. Met welke vreugde ontving hij die blijde tijding’.

 

In Sydney en op Thursday Island

 

Onderweg in de Rode Zee keek Roussel op 9 december 1892 in een brief vooruit: in plaats van Latijn en Grieks te onderwijzen, zou hij overstappen op de taal van de Kanakken. “Wij zullen die arme Kanakken met hart en ziel liefhebben en hen onze goede Jezus leren beminnen en dienen”.

    Het duurde nog tot 4 februari 1893 alvorens hij vanuit Sydney in Australië de tocht naar het noorden kon aanvangen. Dat gebeurde op een Chinees stoomschip, de Chingtu. Overal waren paters. Op het eiland Thursday, waar mgr. Navarre de scepter zwaaide, werd hij op 14 februari met een bootje opgehaald door pater Hartzer. Zijn collega had veel last van een zware verkoudheid. Een ontmoeting met de bisschop, Navarre, stond niet op het programma, ondanks een zesdaags verblijf op het eiland. Het wachten was op een overtocht naar Yule Island, voor de kust van Nieuw-Guinea.

    Tijdens het wachten kon Roussel alvast acclimatiseren. “De thermometer steeg in de schaduw van de veranda tot 37 graden”.

    Van een van de daar aanwezige geestelijken, pater Buisson, kreeg hij te horen dat hij niet moest klagen. De temperatuur kon in deze streken oplopen tot 41 graden. Buisson had er schik in om hem dat te vertellen.  

    Op Thursday Island kreeg Roussel de kans om zijn talenkennis te demonstreren. In het Spaans predikte hij voor een groep Filippijnen (‘Manillezen’).

 

2 kaart

Van Thursday Island naar Yule Island

 

Een vaste verbinding met Nieuw-Guinea bestond niet. Pas op 20 februari kon Roussel aan boord stappen van een zeilschip, een schoener. Met dat schip had menige missionaris al de oversteek gemaakt. De pater verheugde zich op een snelle overtocht: “De wind was gunstig om ons rechtstreeks naar Yule te brengen”.

    De kapitein van de Wauganui had andere plannen. Hij had orders om eerst koers te zetten naar de uitmonding van de Fly River, waar hij van regeringswege vrachtgoed moest lossen. Dat ging voor.

 

Noodgedwongen legde Roussel zich bij de feiten neer. De reis zou nu wel tien dagen duren. Samen met vier andere passagiers en de kapitein en eerste stuurman werd hij ondergebracht in een ruimte van vier bij vijf meter, die tevens diende als salon, hut, eet- en slaapzaal. Bovendien was er een ‘grote bonte kat, die op dit plekje haar domicilie had gekozen’.

   Vanwege alle beperkingen was het niet mogelijk om de H. Mis aan boord op te dragen. Bovendien zorgde de zee voor nogal wat ongemak, legde hij in een brief aan zijn algemeen overste, Jules Chevalier, vast. Na uit Europa vertrokken te zijn verlangde hij ‘zo spoedig mogelijk zijn dierbare missie te bereiken’. Daar zou hij opgewacht worden en uit zijn lijden verlost.

 

3 Jules ChevalierJules Chevalier

 

In de open lucht

 

Roussel bracht veel tijd in de open lucht door. Ook dat was niet aangenaam. Het dek was beladen met allerlei voorwerpen. Zowel ’s nachts als overdag was hij daar blootgesteld aan stortregens. Als je er wilde slapen kreeg je te maken met een harde en smerige plankenvloer. Het matras bestond uit touwwerk.

   Na die lange reis, die in Tilburg begonnen was en die hem naar de andere kant van de aardbol gebracht had, voelde Roussel zich machteloos. “De kapitein had zijn orders en moest ze ten uitvoer brengen. Zonder heiligen te zijn, ofschoon verlangend het te worden, onderwierpen wij ons aan de verveling van een lang oponthoud en van een te late aankomst”.

   Het weer zat ook al niet mee. Geduldig moest hij het langdurig schommelen op zee ondergaan.

 

Hulp van boven?

 

Toch was er nog hoop op een korte overtocht. Roussel kreeg hulp van boven. “God deed zulk een geweldige wind uit het de juiste richting aanrukken dat wij regelrecht naar Yule Island stevenden – in weerwil van alle pogingen om de wind te beheersen. Om niet door hoge golven te worden meegesleept was de kapitein genoodzaakt om achter een eiland het anker uit te werpen”.

   De schipper bleef zijn best doen. “Bijna de ganse dag wachtte hij een gunstige wind af”.

 

Roussel zette op zijn manier alles in. In stilte bad hij dat de wind ‘op koers’ bleef. Aan de kapitein vroeg hij wat hij dacht te doen als de wind aanhield. In zijn binnenste, bekende hij, waren zijn wensen tegenovergesteld aan die van de kapitein. Maar dat mocht hij niet laten merken.

   Roussel in de brief: “De volgende morgen nog altijd dezelfde wind”.

 

De kapitein ging tot het uiterste. Op zijn bevel lichtten de matrozen het anker. Het laveren bleef evenwel zonder het gewenste resultaat. Het schip raakte buiten koers. “De afwijking bracht ons steeds dichter bij onze eilanden. Als de wind aanhoudt, zei de kapitein teleurgesteld, zijn we morgenavond te Yule”.

   Roussel hield zich koest. Hij kwam in de verzoeking te antwoorden ‘Zoveel te beter kapitein’, maar hij wist, zoals hij op papier vastlegde, zijn vreugde te verbloemen.

   Maar hoe dan ook: “De wind blies steeds uit dezelfde richting, de kapitein ging voort de ganse woensdagavond tegen de wind te worstelen en wierp opnieuw het anker uit, om de nacht van woensdag op donderdag achter een eiland door te brengen, ’s Anderendaags, donderdag, alweer dezelfde wind.

   Eindelijk gaf de kapitein zich, zoals hij zei, door de macht der feiten gewonnen. Hij verklaarde dat er overmacht bestond, wijzigde de koers te onzer gunste en stevende met grote spoed naar de kaap van Yule Island”.

 

4 Yule IslandYule Island

 

Yule in zicht

 

Vanaf het zeilschip konden ze Nieuw-Guinea al zien liggen. “In de verte zagen we de hoge bergen en bespeurden de berg Yule”.

   Samen met een andere missionaris, de ervaren pater Toublanc, dankte hij het Heilig Hart vurig dat hen een moeilijke overtocht bespaard had. Het was al moeilijk genoeg – ‘de ongemakken van de zeereis: het stampen en slingeren van het schip, de stortbuien en zonnesteken., de enge, bekrompen hut, het walgelijke voedsel dat ons deed braken’. Het Heilig Hart, schreef hij, bleef zijn goede wil op proef stellen.

 

In zijn verslag aan de algemeen overste in Frankrijk meldde Roussel allerlei details over de strijd van de kapitein van de schoener om de baas te blijven over de koers. Ook mgr Verius, hoorde hij, had soms vreselijke moeite om Yule Island te bereiken. Soms had het vele dagen geduurd voor ze aan land konden gaan.

   De pasagiers waren machteloos. “Men onderwiep zich echter aan de wil van de goede God en een ieder poogde de nacht door te brengen gelijk hij kon: deze op een hoop touw, gene op een kist terwijl hij een schuilplaats in de hut zocht als er een stortbui kwam en wederom naar het dek terugkeerde als zij voorbij was”.

 

Beeldje van Onze Lieve Vrouw onder het roer

 

Opnieuw zochten de in het schip aanwezige missionarissen hulp van boven. Pater Kerselaers had van mgr. Verius vernomen dat die  Onze Lieve Vrouw had aangesteld tot stuurman van het schip (Gordon) tijdens zijn eerste reis naar Nieuw-Guinea.

   Met instemming van Roussel plaatste Kerselaers – in het geheim – een klein beeldje van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart onder het roer. “Daarna begonnen wij te bidden”.

   Na een flink aantal uren besloot de kapitein definitief naar Yule Island te zeilen.

   Roussel was opgelucht. “Ik ik wil niet hier spreken van een mirakel of wonder, maar ik bevestig eenvoudig het feit, terwijl ik Onze Lieve Vrouw, die ons verhoord heeft, vurig dankzeg: de meest gunstige wind stak op, de zuidwesten, die ons onmiddellijk naar het gewenste eiland bracht. Wij voeren tegen de middag de baai binnen en om een uur wierp men het anker uit.

 

Aan land

 

Het was feest! Aan generaal overste Chevalier liet hij weten: “In twee boten zagen wij pater Cramaille en al de broeders van Leo-haven ons tegemoet snellen met nog een menigte Kanakken, die gekomen waren om ons te roeien en ons reisgoed te dragen.

   Ik zal u het toneel niet beschrijven dat plaats greep op de Wauganui als: de omhelzingen, de vragen die gedaan werden, de antwoorden die zich wisselden met de vragen.

   Onze paters en broeders vroegen ons vol belangstelling naar uw gezondheid, onderhielden ons over mgr. Navarre die wij niet het geluk hadden gehad te zien, ofschoon wij elkander op een afstand van slechts vijftig meter [op Thursday Island] voorbij waren gevaren.

 

Herinneringen aan mgr. Verius

 

Het overlijden van mgr. Verius nam een bijzonder plaats in bij de begroeting. “Het gesprek liep vooral over de heilige en betreurde mgr. Verius. Wij deelden hun alles mee wat wij wisten om hen te troosten en te bemoedigen; wij spraken geruime tijd over hem en wij spreken er nog dagelijks over.

   Hoe toch kan men zijn gedachtenis vergeten als men te midden zijner werken leeft, als wij alles zien wat hij verricht heeft met mgr. Navarre, die wij bewonderen en over de snelle vorderingen van wiens missie wij een en al verbazing zijn.

   Terwijl wij over mgr. Verius spraken, beklommen wij de kleine heuvel waarop de schone kleine kapel, te klein helaas om het aantal gelovigen van Leo-haven te bevatten; het huis der zusters ter linker-, dat der paters terrechterzijde, en de menigvuldige aanhorigheden, gebouwd zijn, welke ten dienste der paters en zusters aan weerskanten zijn bijgevoegd en die in een groot vierkant een heerlijk met kokosbomen en bananen beplant veld omsluiten, dat in de toekomst een rijke oogst belooft”.

 

Wachten op mgr. Navarre

 

5 mgr. NavarreMgr. Navarre

 

“Bij onze aankomst werden onze ogen niet minder getroffen door de nieuwe bouw, die door onze broeders wordt opgetrokken tegenover het huis der paters, en die tot aartsbisschoppelijk paleis zal dienen voor mgr. Navarre, bij zijn terugkomst; want zijn kleine kamer, benevens die van mgr. Verius, zijn ons tot nader order in gebruik afgestaan.

   Ons eerste bezoek gold natuurlijk Onze Lieve Heer. Met welk een ontboezeming des harten bedankten wij Hem voor de gelukkige overtocht, ons geschonken.

   Onze ogen ontmoetten ook weldra het bevallige beeld van Onze Lieve Vrouw van het H. Hart, dat van de H. Jozef, de taferelen der Gelukzalige Margareta Maria en van de H. Franciscus van Sales, geschilderd door mgr. Navarre zelf.

   Wij baden vurig, niemand werd vergeten, zelfs niet mijn dierbare kinderen van het klein liefdewerk. Onze edelmoedige weldoeners hadden een voornaam deel in dat eerste gebed dat wij op Nieuw-Guinea stortten, en zij zullen steeds hun deel hebben in onze gebeden en werken, daar dit het enige middel is, waardoor in ons bereik ligt om hen te belonen voor hun giften en voor de al datgene, wat zij ons voor de missie van Nieuw-Guinea geschonken hebben”.

 

Heilige Mis voor de Kanakken

 

Roussel mocht de eerste zondagsmis opdragen in Leo-haven. Gedetailleerd beschreef hij hoe het er toeging. “Om half negen werd er geluid voor de hoogmis. De Kanakken, mannen, vrouwen en kinderen, die al een uur wachtten bij de huizen van de paters en de zusters, zwegen bij het luiden van de klok en gingen twee aan twee en hand in hand naar binnen.

   De mannen plaatsen zich links, de vrouwen rechts. Omdat de kapel te klein was, bleven moeders met kleine kinderen buiten onder een tent, die voor de deur van de kerk opgezet was”. De plechtige dienst mocht immers niet door kindergeschreeuw ‘ontsticht’ worden.

   Roussel was vol lof over het bidden van de Kanakken – in de eigen taal. “Het geschiedde met een bewonderenswaaridige eenheid en regelmatigheid”. Zijn voormalige Tilburgse leerlingen zouden hen benijden, was zijn conclusie.

 

Appèl

 

6 KanakkenKanakken

 

Tijdens de H. Mis nam pater Cramaille het initiatief. Eerst wat je kunt omschrijven als de huishoudelijke mededelingen. Daarna – vanuit een ‘groot schrijfboek, dat alle namen van de parochianen van Leo-haven bevat’ – het appèl. Roussel: “Ze zijn talrijk. De pater noemde de Kanakken – de een na de ander – bij de naam. Ieder antwoordde: ‘ik ben hier’ of ‘ik ben present’”.

   Broeder Jozef tekende op wat er gezegd werd. “Als hij de naam ontmoette van een parochiaan, die de vorige maal afwezig was, vroeg hij hem naar de reden. De Kanak deelde hem beknopt mee: of hij was ziek geweest, of zijn vrouw en kinderen waren ziek en hij had ze moeten verplegen”.

   Vervolgens was het woord aan pater Toublanc, die Roussel vanaf Sydney gezelschap gehouden had. Hij was langdurig uit de running geweest. “Hij verhaalde hen van zijn ziekte, van zijn herstel en dat hij weer terug is gekomen om hen nog meer te beminnen, om zich geheel aan hen toe te wijden”.

   Toublanc probeerde indruk te maken. “In grote boeken hebben wij gelezen dat wij wonden kunnen genezen”. Ook kondigde hij aan dat paters cadeaus hadden meegebracht.

 

Een essentieel onderdeel van zijn toespraak, die Roussel niet verstond, was het overlijden van mgr. Verius in 1892. “Hij sprak over zijn heilig afsterven, over de grote liefde die hij hun toedroeg, hoe hij tot in zijn laatste uur aan hen dacht en hoe hij gevraagd had, hen missionarissen te zenden”.

   Volgens Roussel luisterden de arme wilden vol stomme aandoening. Uit meer dan één, schreef hij, zag hij een traan vloeien. De pas aangekomen missionaris hield het ook zelf niet droog. Hij besefte dat hij gekleed was in het misgewaad waarin Verius zijn eerste H. Mis in Nieuw-Guinea had opgedragen. “Dit alles droeg er toe bij mijn ontroering nog te vermeerderen”.

 

De missie had alles goed georganiseerd. Na de preek – terwijl Roussel doorging met de H. Mis – werd gezongen door de aanwezige broeders en zusters. Na de mis werden de lofzangen in het Kanaks door allen met vervoering gezongen. Men bad opnieuw enige gebeden waarna allen twee aan twee heengingen, als vormden zij een processie: de vrouwen richtten zich naar de kant der zusters, de mannen naar die der paters”.

 

Begroeting in het teken van mgr. Verius

 

Na de mis was er tijd ingeruimd voor een wat meer informele ontmoeting. “Alle wilden wensten de nieuw aangekomenen te begroeten, hun de hand te drukken en enigen hunner die meer aan de missie gehecht waren, hen te omhelzen. Allen wilden meer bijzonderheden vernemen omtrent de dood van mgr Verius.

   Tot dusverre had men hun gezegd dat hij overleden en begraven was, zoals men pater Janet, broeder Rintz en zuster Berchmans had begraven; maar zij geloofden het slechts ten halve en vroegen onophoudelijk of hij niet zou terugkeren, of zij hun nooit weer zien zouden.

   Wij moesten hen dus opnieuw verzekeren, dat monseigneur dood was en, om hen hiervan te overtuigen, toonden wij hun de foto van Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid op zijn praalbed.

 

7 Verius praalbed

Welk een toneel had er toen plaats! Een dodelijke stilte heerste; iedereen verdrong zich om het portret te zien; wij hadden er onderscheidene uitgedeeld om aan hun alleszins gewettigde belangstelling te voldoen: zij beschouwden het een wijle, doch wendden daarna de ogen af en wilden dan niet meer zien. Zij spraken geen woord, en kwamen eindelijk opnieuw de foto bezichtigen; ik heb er zelfs gezien, die er hun lippen op drukten.

   Eem Kanak op leeftijd, Racuma, kon zich nog herinneren: “Vader Verius was mijn kind; ik heb hem het eerste te Roro [Leo-haven] ontvangen; ik heb zijn baard zien groeien, en nu is hij gestorven!”

 

Roussel en anderen moesten hun bekwaamheid  nog maar bewijzen. “Zullen deze missionarissen zo goed zijn als hij? Zullen zij zo edelmoedig zijn als hij? Zullen zij onze beschermers zijn als hij? Hebben zij gelijk hij, in grote boeken gelezen? Zullen zij onze wonden helen?”

   Kennelijk was het verstrekken van Europese geneesmiddelen van belang geweest bij het bekeren van de bewoners van Yule Island.

   Roussel was ervan overtuigd dat Verius zijn werk van boven zou voortzetten. “Monseigneur zal van de hoogte des hemels, waar hij thans zijn welverdiende beloning geniet, gewis niet ophouden hen te beminnen, hen te zegenen en te beschermen. Moge hij ook aan de missionarissen, die na hem komen de zeldzame deugden schenken, die hem eigen waren en hun voornamelijk met zijn toewijding en grote liefde voor de zielen bezielen”.

 

Varkensstaarten en andere cadeaus

 

Tijd voor de Europese cadeautjes. “De nieuw aangekomenen gaven een kleine versnapering aan hun trouwe parochianen. Een uitdeling van tabak had plaats, en de opperhoofden kregen enige varkensstaarten die dokter Audibert bij ons vertrek uit Marseille had gegeven en waarmee wij die mensen het grootste plezier aandeden”.

   Roussel legde het uit: “Zij vonden ze schhon en kostbaar. Ze bevestigden ze aan de oren op de wijze van parels en briljanten. Met warmte bedankten ze ons voor de onderscheiding, die wij hadden weten te maken tussen hen en hun eenvoudige onderdanen. De goede dokter ontvange daarom hier de dankbetuigingen waarop hij zozeer aanspraak heeft! Hij zal ons, door ons een flinke hoeveelheid varkensstaarten te zenden, rijk maken, daar wij door middel van deze verschillende voorwerpen bij de wilden kunnen kopen: hun arbeid, hun bananen, vis, kokosnoten, enzovoort”.

   Varkensstaarten – een statussymbool. “Voor de wilden heeft een varkensstaart evenveel waarde als een varken. Zij redeneren aldus: ‘die of die draagt varkensstaarten aan de oren. Bijgevolg moet hij rijk zijn daar hij zoveel varkens heeft kunnen doden om in het bezit te komen van die staarten’”.

   Roussel besefte: “Als wij hun [de opperhoofden] varkensstaarten geven, bieden wij hun weliswaar de gelegenheid een kleine leugen te zeggen met betrekking tot hun fortuin”.

   Was dat wel zo vroeg hij zich af. “Zijn zij wel eenvoudig genoeg om zich op die wijs te laten beetnemen? Ik twijfel er wel enigszins aan, want onze goede Kanakken schijnen veeleer slim, en de kleine jongens die ons omringen, die zo goed het altaar bedienen en in onze blikken lezen al wat ons ontbreekt, tonen voldoende dat zij niet zo stompzinnig zijn als sommige reizigers hebben willen verklaren”.

 

Roussel eindigde zijn brief als volgt: “Wij genieten een goede gezondheid en zijn allen bereid, een ernstig begin te maken met de studie der Kanakse taal, om spoedig het evangelie te verkondigen aan deze volkstammen, die dringend om missionarissen verzoeken.

   Gisteren nog kwamen wilden uit bet binnenland die reeds onze komst vernomen hadden, een missionaris vragen. Dat onze talrijke scholastieken zich haasten bij ons te komen; er is plaats voor allen!”.

   Er was volop ruimte voor nog veel meer paters in Nieuw-Guinea, beklemtoonde hij.

 

Kort verblijf

 

De brief die Roussel kort na aankomst schreef, bleek tevens zijn afscheidsbrief te zijn. Niet veel later ontving men in Tilburg het bericht dat de pater overleden was.

   In het tijdschrijft van de congregatie maakte een redacteur meteen een vergelijking met de vroege dood van Mgr. Verius. Die had begrepen dat hij en zijn helpers ‘de vruchten van hun arbeid niet konden oogsten, maar de goede God wil ons gebruiken als fundamenten aan het gebouw dat Hij in de zielen van deze arme zwarten zal optrekken’.

   Zo was het. “De dood van de Eerw. Pater Eugenius Roussel heeft het opnieuw bewezen. Nauwelijks in het land der belofte aangekomen werd hij reeds opgeroepen om het loon voor het zo heldhaftig gebracht offer van al wat hem dierbaar was, te komen ontvangen. Hij zou de tijd niet hebben de taal zijner geliefde wilden te leren, veel minder dezelve te onderwijzen, maar zijn kostbare dood zal niettemin een nieuwe bron van zegen zijn voor de zwaar beproefde missie van Mgr. Navarre. Ook het verlies van de betreurde pater Roussel zal tot Zijn meerdere eer en glorie in Nieuw-Guinea doen strekken”.

 

8 Roussel RIP

Harry Knipschild

6 juli 2026

 

Clips

* Herinnering aan de katholieke missie op Yule Island

  • Raadplegingen: 237