Als je student geschiedenis bent moet je veel boeken zorgvuldig bestuderen om een goed cijfer voor je tentamen te halen. Zeker in het begin van je studie heb je er geen idee van wat voor vragen er gesteld gaan worden. Je moet nog leren hoofd- en bijzaken uit elkaar te houden.
   Omdat ik in 1997 besloot me speciaal te gaan bezighouden met de geschiedenis van de Europese expansie werd ik geacht het boek Britain’s Imperial Century van Ronald Hyam onder de knie te krijgen. De Britse historicus borduurde voort, besefte ik tijdens de colleges die door H.L. Wesseling als een (goede) schoolmeester gegeven werden, op een ‘klassiek’ artikel uit 1953 van John Gallagher & Ronald Robinson, ‘The imperialism of free trade’.
   Vroeger, op de St. Martinusschool in Maastricht, eerste helft jaren vijftig, was me ingeprent dat een land pas meetelde als het veel en grote koloniën had. In de klas hing nog een wereldkaart waarop je zag hoe ‘groot’ Nederland vóór de Tweede Wereldoorlog was. Toen telden ‘wij’ nog mee. Een latere groep historici hield er een heel andere mening op na. Hoe groter het ‘koloniale rijk’, hoe moeilijker het was om dat goed te besturen. Om nog maar niet eens te praten over de ‘ethische’ kant. Had je wel het recht om overal de baas te spelen?  

Kandy in Britse handen, februari 1815

 
Eén van de alinea’s in het boek van Hyam maakte in 1997 zoveel indruk op me dat die me altijd is bijgebleven. De tekst ging over het einde van het koninkrijk Kandy op Sri Lanka in 1815. Tijdens de ‘Franse Revolutie’ verwierven de Engelsen de suprematie op de wereldzeeën. Bij de zeeslag van Trafalgar in 1805 werd de Franse vloot vernietigd. Bovendien had onze stadhouder Willem V in ruil voor een verblijf in het Kew-paleis (Londen) de Nederlandse koloniën ‘tijdelijk’ aan Groot-Brittannië in beheer gegeven toen hij in 1794 moest vluchten voor de oprukkende Franse revolutionaire troepen. Een van de Nederlandse bezittingen was het eiland Ceylon, dat na enige strijd voortaan Engels werd. De Engelsen deden er later geen afstand meer van.
   De Nederlanders (VOC tot 1800) hadden het eiland nooit helemaal onder controle. Hoog in de bergen lag het koninkrijk Kandy. Maar in 1815 veranderde dat, schreef Hyam. Tijdens een ‘dinner party’ arriveerde er een boodschapper. Britse troepen hadden zonder enige moeite de stad Kandy ingenomen, een einde gemaakt aan de daar gevestigde monarchie en zelfs de koning gevangen genomen.
 


Robert Brownrigg

 
Robert Brownrigg (1759-1833), goeverneur van Ceylon, barstte in huilen uit, schreef de historicus. Zo zeer was hij over zijn toeren. Sir Brownrigg voelde zich een onbeduidende Ierse soldaat. Ierland was in die tijd zelf een Engelse kolonie. Veel kennis van het oosten had de goeverneur niet. Maar hij besefte op dat moment, 19 februari 1815, dat hij geschiedenis gemaakt had. Een onafhankelijk Singalees koninkrijk, niet minder dan 2.357 (!) jaar oud, had opgehouden te bestaan. De Ierse militair was niet zomaar emotioneel geworden!
 
Misschien dacht Brownrigg wel dat Engeland nu de absolute heerser in het gebied was. Dat bleek niet het geval te zijn. De onderdanen van de voormalige vorst kwamen in opstand. Hyam legde uit wat de Britten moesten doen om van Ceylon een idyllisch, vreedzaam Brits eiland te maken.
   “The Kandy revolt of 1817-18 was put down ferociously. Perhaps 10,000 Singhalese died. The British burned and terrorised, starved the population and destroyed houses, crops, cattle and fruit trees. To keep Kandy in permanent subjection the technique was road-building. Previously the kingdom had had only narrow jungle hill tracks.
   Edward Barnes, governor for Ceylon for most of the 1820s, described his policy as ‘first roads, second roads, third roads’. By linking Kandy to every coastal town and [hoofdstad] Colombo to every other town he sealed the fate of Ceylon as effectively as road-building had completed control of the Scottish Highlands after the Jacobite threat of 1745”.
 

Naar Kandy in 2012

 

 
In 2012 maakten Greetje en ik met Kras-reizen een tocht door een gedeelte van Sri Lanka. Op 20 september reisden we per bus van Dambulla naar het zuidelijker gelegen Kandy. De afstanden op het eiland waren in kilometers aangegeven, terwijl het verkeer zich nog op een Britse manier voortbewoog, dat wil zeggen aan de linkerkant van de weg. Als de chauffeurs zich tenminste aan de regels hielden, hetgeen lang niet altijd het geval was. Veel wegen waren opgebroken om, zo leek het, hersteld en zo mogelijk flink verbreed te worden.
   De regering onder leiding van president Rajapaksa had de Tamil Tijgers in 2009 eindelijk verslagen. Legerchef Fonseka was een held. Zo populair werd de generaal dat hij het in de verkiezingen durfde op te nemen tegen de zittende president. Dat kon je in zo’n land beter niet doen. Fonseka belandde achter de tralies en Rajapaksa regeerde door. Eén van de manieren om Sri Lanka te ‘verenigen’, of beter: onder controle te krijgen, was het in gang zetten van een goed wegennet tussen het zuiden en de verslagen Tamils in het noorden. Rajapaksa volgde dus dezelfde tactiek als de Britten twee eeuwen geleden.
   De toeristen, wij dus, moesten zorgen voor de financiering van de nieuwe verbindingen. Maar mede door de oorlog (interessante steden als Jaffna en Trincomale waren jarenlang niet bereikbaar) en de alles verwoestende tsunami (26 december 2004), gecombineerd met de zware economische crisis in Nederland en andere westerse landen, kwam dat maar langzaam op gang.
 
Manju, onze reisleider, vermeed elke verwijzing naar de politiek. Een tank op een rotonde had hij bij navraag ‘niet gezien’. De naam van de president, die werkelijk overal, op elke hoek van de straat, lachend op billboards afgebeeld stond, kwam in de bus geen enkele keer over zijn lippen. Als het moest sprak hij over de regering.
   Ik kon niet nalaten hem onder vier ogen toch nog wat vragen te stellen. Vrijwel alle borden waren in de taal en letterschrift die wij, Nederlanders, niet konden lezen. Maar eentje had ook wat Engelse woorden. In 2012 was een ‘opinion poll’ georganiseerd. Het land, las ik, moest eensgezind zijn, verkondigde Rajapaksa en zijn partij, de United People’s Freedom Alliance (UPFA): “Let’s proceed as one nation”, kon je tenminste lezen. Dat was belangrijk voor de toekomst. Uiteraard onder leiding van Rajapaksa zelf. De president, vertelde Manju toen ik er nadrukkelijk om vroeg, had nog drie jaar te gaan voor de volgende verkiezingen. Het was, maakte hij nu duidelijk, een corrupt bewind waarin de hele familie van de president een rol van betekenis speelde.
 


President Rajapaksa (september 2012)

 
Onderweg van Dambulla naar Kandy gebruikten we de lunch. Op advies van de reisleider bestelden we bhirijana. Op de prijslijst stond 700 roepies vermeld. Bij het afrekenen werd echter 900 in rekening gebracht. Niet bijzonder veel, een euro was 172 roepies waard. Maar toch. Andere mensen bij ons aan tafel hadden een soortgelijke ervaring. Toen Greetje elders in het restaurant naar de menu’s keek zag ze de andere kaarten. Dat was toch geen stijl, vonden we. Manju werd erbij gehaald om de zaak recht te trekken. Volgens hem zou hij hier nooit meer met een gezelschap terug komen.
 
Alvorens in Kandy te arriveren zouden we nog een ‘kruidentuin’ bezichtigen. Die waren er volop in deze omgeving. Wij hielden halt bij de Regent Spice Garden. Het duurde even voor het personeel kwam opdagen. In plaats van een interessante bezichtiging kregen we niet veel meer dan een verkoopverhaal in de hoop dat we peperdure zalfjes tegen alle mogelijke kwalen zouden aanschaffen, van snurken tot stress, vergeetachtigheid, aambeien, spataderen enzovoort.
   De man die aan het woord was begon zijn presentatie met de woorden dat hij geen businessman was. Toch was geld het enige waar het om draaide. Je werd er al snel een beetje lacherig van, om het positief onder woorden te brengen. Veel omzet was er niet. Terecht hoorde ik dat deze ‘bezichtiging’ uit het Kras-programma geschrapt diende te worden. Dit soort middeltjes kon je ook bij het Kruidvat aanschaffen. Ik moest denken aan Paul McCartney en Michael Jackson die in 1983 een hit hadden met ‘Say Say Say’ en dat als de kwakzalvers Mac en Jack in een clip uitbeeldden.
 
Het laatste stuk van de weg naar Kandy reden we volledig in het donker. Maar veel auto’s en bussen reden nog zonder licht op de niet van straatverlichting voorziene weg. Vooral overheidsbussen bezondigden zich aan dat euvel. Dat wilde niet zeggen dat ze om die reden vaart minderden. Van onze chauffeur werd, zeker in het donker, dan ook heel wat stuurmanskunst gevraagd. De man was katholiek en had goed zichtbaar een rozenkrans als bescherming bij zich.
   Later op de avond zaten we aan de dis. Een orkestje met drie akoestische gitaren en een trommel bracht muziek in Zuid-Amerikaanse stijl voor bezoekers uit diverse (mogelijke) landen met liedjes als ‘La Bamba’, ‘Cotton Fields’ (Beach Boys), ‘Wooden Heart’ (Elvis), ‘Yesterday’, ‘Take me home country roads’ (John Denver) en ‘Una Paloma Blanca’ van George Baker.
 

Naar het paleis

 
We zaten hoog in Kandy. En dat terwijl Kandy zelf al hoog gelegen was. Ons ‘Hilltop Hotel’ was met een gewone touring car niet bereikbaar. Het laatste stuk werd de groep Kras-reizigers in een klein busje gepropt en daarna ging het, met wat scherpe bochten, zo ongeveer recht omhoog. Je was blij als je heelhuids kon uitstappen. Vanaf de ‘hilltop’ had je natuurlijk wel een fraai uitzicht op de omgeving. Op één gebouw was met goed leesbare letters de naam ‘Don Bosco’ aangebracht.
 
Op 22 september bezochten we het koninklijk paleis, dat 197 jaar daarvoor door Britse troepen ingenomen was. Onderweg passeerden we een islamitische internationale school, Al-Imran. Voor ‘creative frontiers’ was als wervende tekst aangebracht.
   Vanuit de hoogte konden we bovendien de Bogambara-gevangenis goed bekijken. Het gebouwencomplex, met een lege ruimte en witgekalkte muren met wachttorens eromheen was niet zo groot, zeker als je bedacht dat er vijfduizend mannen opgesloten zaten. Van de reisleider hoorden we dat de gevangenen met z’n twintigen in één kamertje moesten slapen. En van airconditioning op deze hete plek was geen sprake.
   De gevangenis was een bijna anderhalve eeuw oud bouwsel van de Britten. In deze omgeving, het oude centrum, zag je wel meer herinneringen aan de voormalige koloniale overheersers. Zo was er nog een oude Britse tennis-vereniging uit 1878, de Kandy British Garden Club. We hoorden dat je er ondanks het klimaat altijd correct gekleed moest zijn. Eventueel kon je er binnen wat lenen - en dan zag je er weer pico bello uit, alsof je in good old England was.
   Bij het paleis was een stuwmeer, een kilometer of vier lang. Eendjes zag je er niet. Er zwommen vissen, maar ook krokodillen. Geen zwemwater voor mensen dus.
 


Krokodil met scherpe tanden in meer Kandy (september 2012)

 
In ons reisboekje, Sri Lanka Insight Guide, was aardig wat opgenomen over de ‘tempel van de tand’ en het koninklijk paleis. “De tempel van de tand was oorspronkelijk slechts een deel van het uitgestrekte paleiscomplex waar de koningen van Kandy resideerden; veel gebouwen die bewaard zijn gebleven staan her en der verspreid rond de tempel, inclusief de audiëntiezaal”. Niet het paleis zelf maar de tempel was dus het centrale punt geworden.
   “Aan de rand van het meer staat het sereen aandoende witte complex van de tempel van de tand (Dalada Maligawa), de belangrijkste boeddhistische tempel van Sri Lanka. Hier wordt de tandrelikwie bewaard, een van de heiligste voorwerpen uit het boeddhisme, die niet alleen pelgrims uit heel Sri Lanka trekt, maar ook uit de rest van Azië. De tempel is een belangrijk symbool van de Singalese identiteit – van oudsher had degene die de relikwie in handen had het recht om het land te regeren, zodat het bezit ervan zowel een politieke als een religieuze lading had”.
   Geen wonder dus dat de tempel een onderdeel van het paleis was tot begin 1815.
 
Bij heel wat religieuze symbolen kun je vraagtekens zetten. Zo ook bij de tand van Boeddha. Feiten veranderen in legendes en mythes. In de Insight Guide was het goed te lezen. “Boeddha werd na zijn dood gecremeerd, maar zijn volgelingen wisten enkele stoffelijke resten uit het vuur te redden, waaronder een tand. Deze werd acht eeuwen lang in India bewaard, tot hij in handen dreigde te vallen van militante hindoes. Volgens een legende wisten zij zich van de tand meester te maken, maar mislukten pogingen om hem met een voorhamer te verpulveren. Alleen de hamer brak in stukken. Hierop gaven de hindoes de relikwie terug aan de boeddhisten”.

  
Tand komt in bezit van boeddhisten (paleis Kandy, september 2012)
 


  
Na heel wat omzwervingen kwam de tand terecht bij het Singalese vorstenhuis. Maar: “In de zestiende eeuw eeuw viel de tand in handen van de Portugezen. Zij brachten hem over naar Goa, waar hij in het bijzijn van de Portugese onderkoning, een bisschop en tal van hoogwaardigheidsbekleders werd verpulverd. De Portugezen verbrandden het stof en wierpen de as in zee. Dat zou het einde van de tand hebben betekend. Maar [opnieuw] volgens de legende vormde de as zich op de zeeboden weer tot een tand, die door zijn eigen wonderbaarlijke kracht terugvloog naar Sri Lanka. Tenslotte kwam hij in 1592 in Kandy terecht”.
   Zoals Alva zijn bril op 1 april 1572 verloor, raakte de koning in 1815 de ‘legendarische’ tand kwijt. “De Britten onderzochten de relikwie en stelden vast dat het inderdaad een tand betrof – zij het dat deze 5 cm lang was en meer op de tand van een krokodil dan van een mens leek”. Legendes en mythes zijn echter niet uit te roeien, ze horen bij het leven. “De Britten zagen over het hoofd dat de voetafdruk op Adam’s Peak [een berg op Sri Lanka], die ook van Boeddha zou zijn [HK!], maar liefst een meter is”.
 
Een vreemde redenering, vond ik. Zo stapelde je de ene mythe op de andere. Maar het werkte. Het was een enorm gedrang om de tempel van de tand, het huidige centrale punt van voormalige koninklijke paleis, binnen te komen.
   Vanzelfsprekend moesten we onze schoenen uitdoen om in de nabijheid van het heilige voorwerp te mogen komen. Bovendien moesten we duizend roepies betalen. Omdat we westerlingen waren was dat het dubbele van het kaartje van de andere bezoekers. Uit handen van de reisleider ontvingen we, of we wilden of niet, een paarse bloem om een stukje verder te ‘offeren’. Onbewust waren we tot boeddhistische pelgrims gebombardeerd en droegen zo bij tot de verering van een tand die waarschijnlijk uit de bek van een krokodil gehaald was.

  

 Tand zorgt voor regen (paleis Kandy, september 2012)

  
Binnen werd ons uitgelegd dat de verering na 1815 nog tot wonderen geleid had, zoals het beëindigen van regenloze periodes. In andere religies gebeurde trouwens hetzelfde. In periodes van grote droogte (en dus gevaar voor de oogst en het hoognodige voedsel) baden de katholieken soms negen dagen lang (een noveen). De Chinezen hadden houten ‘regengoden’, beelden van hout of brons die ze door hun stad droegen als het te lang droog bleef.
   De Belgische missionaris Jan-Baptist Steenackers maakte zo’n ‘processie’ mee. In 1896 schreef hij: “Ik sprak van een omgang, waarin het beeld van Loengwang, doorgaans van brons gemaakt, door zijn priesters wordt rondgedragen ten einde regen te bekomen. Die processies, welke gewoonlijk met veel lawaai en geraas gedaan worden, zijn somtijds zeer koddig. Het gebeurt dikwijls dat Loengwang, als hij de deur van een rijkaard voorbijtrekt, beveelt daar te blijven stilstaan. Dat bevel geeft hij te kennen met zichzelf zo zwaar te maken, dat vier sterke mannen hem niet meer op hun schouders kunnen dragen. De afgod krijgt slechts zijn eerste gewicht weer, wanneer de rijke koopman een milde fooi heeft afgedokt, waarmee de bonzen [priesters] eens flink op zijn gezondheid zullen teren en smeren”.  Zo werd de droogte gebruikt om rijke mensen van hun geld te verlossen.
   Dat het vereren van de tand zijn vruchten in periode van droogte afwierp werd met allerlei illustraties in het voormalige paleis uitgebeeld. Daarbij waren ook de eerder genoemde Britse goeverneurs Brownrigg en Barnes nadrukkelijk in beeld gebracht. De inwoners van Ceylon hadden zich bij de overheersing door het verre Londen moeten neerleggen. Maar alleen zij beschikten over de tand van Boeddha! De relikwie was in zekere zin in plaats van de koning gekomen.
   De Tamil Tijgers begrepen het belang van het boeddhistische symbool. In 1998 lieten ze voor de tempel een bom ontploffen. Een groot deel van de voorgevel werd verwoest. Ter plekke was dat in een fotoreportage te zien. Ook zag je er o.a. een VOC-document en een Boeddha-beeld, afkomstig uit Birma.
 
De tijd om alles goed te bekijken was beperkt. Want de tijd voor de officiële verering van de tand, de ‘puja’, was aangebroken. Drie mannen verschenen ten tonele, twee met trommels en een die luidruchtig op een blaasinstrument steeds dezelfde melodie ten gehore bracht. De muziek had, vond ik, ten doel alles en iedereen op te winden, de mensen op te zwepen. In de tijd dat wij er rondliepen, drie kwartier, schetterden en schaterden de opzwepende klanken aan een stuk door.
   Er maakte zich een opgewonden gevoel van de toegestroomde menigte meester. Ineens werd het een gedrang, getrek en geduw. Daar was de muziek blijkbaar voor ingezet. Als je een trap omhoog ging en dan naar de bovenkant van de ingang van een ‘binnenhuisje’ liep, keek je tussen het gedrang uit op een gouden en sierlijk iets waarin zich de tand zou bevinden. De tand zelf, aldus de Insight Guide, ‘wordt alleen aan de belangrijkste bezoekers getoond’. Daar hoorde ik niet bij. Dus was het voor mij onmogelijk de ‘echtheid’ te verificiëren.
   Terwijl ik me in het gedrang overeind probeerde te houden, hetgeen lukte, keek ik uit op wat waarschijnlijk het afspelen van een dvd was van de dalada processie. Daarin zag je hoe de tand vereerd werd, onder andere met olifanten die moesten bukken om door een poort te komen. Het evenement deed me denken aan de semana santa, de goede week in Spanje, waarin beelden op een min of meer identieke wijze in de steden werden rondgedragen. Ook dan moesten de dragers bukken om door een poort (ingang van de kerk) door te gaan.

  

Dringen om de tand te zien

Er was niet alleen lawaai, opwinding, zweet, gedrang enzovoort. Menige boeddhist hield de handen devoot gevouwen en nam een biddende houding aan op deze centrale plek in het koninklijke paleis.
   Wij, Nederlanders op bezoek, werden voortgeduwd naar een klein kamertje waar je even mocht kijken naar een gouden boeddha-beeld. En naar een bibliotheek in een andere ruimte, met ‘heilige boeken’ op palmbladeren geschreven. Zouden die niet snel vergaan? Nee. Prof. dr. Willem van der Molen, verbonden aan het KITLV, vertelde me onlangs dat dit soort documenten het in de tropen vaak veel langer uithouden dan bedrukt of beschreven papier en microfilms. Ze kunnen vele eeuwen meegaan.
   In de bibliotheek bevonden zich tevens ‘gewone’ papieren boeken. Daarin waren steeds twee jaartallen te zien, westerse en niet westerse, zoals 1941/2484 en 1999/2543.
   Na het bezoek aan het voormalige paleis konden we onze schoenen weer aantrekken om over de hete plavuizen te lopen. Vanaf de bewaarplaats voor slippers keek je uit op een glazen kas waarin kaarsen gebrand werden. Je zag meer van dat soort plekken op het eiland. Binnen was een verblijf op blote voeten in de extreme hitte nauwelijks mogelijk.
 

Nederland en Kandy

 


VOC-document in paleis Kandy
 

 
Nederlanders geven vaak hoog op van de eeuwenoude vriendschap met Ceylon. Ad van Schaik publiceerde onlangs Sri Lanka, een dictionnaire amoureux. In dat reisboek tal van verhalen over oude banden. Kandy komt in zijn boek niet voor. Zoals ik in het paleis niet meer aantrof dan een VOC-document. Over de betekenis van de relatie VOC-Kandy schreef Jur van Goor in De Nederlandse koloniën.
   Kandy en de VOC, aldus Van Goor, werkten samen om de Portugezen in de zeventiende eeuw van het eiland te verdrijven. “In 1602 riep de vorst de hulp in van Joris van Spilbergen, de eerste Nederlander die de oostkust van het eiland bezocht. Het volgende bezoek van een Nederlandse vloot liep door het gedrag van de dronken Nederlandse gezant Sebald de Weert minder goed af. In 1638 sloot Adam Westerwoldt een verdrag met Rajasingha II met het oog op een gezamenlijke strijd tegen de Portugezen. De vorst beloofde de Nederlanders te betalen in kaneel voor de kosten die zij zouden maken bij het veroveren van de Portugese forten. Zij zouden ook de vrije handel en het kaneelmonopolie krijgen”.
   In 1656 viel Portugees Colombo. Daarna kwamen de conflicten tussen de VOC en Kandy. “De rekening was volgens de vorst veel te hoog waardoor hij niet in staat was tot aflossing van de schulden. De Nederlanders behielden daarop de veroverde forten als onderpand”.
   De spanning bleef. “De VOC hield zich aan de opvatting dat zij in de kustgebieden het gezag uitoefende namens de vorst van Kandy, die als opperheer werd erkend. De vorst ontving jaarlijks een gezantschap met bijzondere geschenken in ruil waarvoor hij de Nederlanders toestond in zijn gebied het kaneel te schillen en een vrijgeleide voor het transport van olifanten door zijn gebied verleende. Met het bestuur in de Nederlandse gebieden bemoeide hij zich alleen bij hoge uitzondering, bijvoorbeeld wanneer het boeddhisme bedreigd leek te worden”.
   In 1766 zette de VOC een nieuwe stap. “Een VOC-leger veroverde Kandy en verwierf de kuststrook in eigendom. Vanaf dat ogenblik was het niet langer nodig bij de jaarlijkse audiëntie in Kandy voor de koning te knielen. Kandy werd steeds afhankelijker van de Compagnie voor zijn externe contacten”.
   Het waren evenwel de Britten, die een einde aan de monarchie van Kandy maakten in 1815. De tempel van de tand overvleugelde de rest van het vorstelijk onderkomen.
 

Olifanten en meer in Kandy en omgeving

 
Het bezoek aan Kandy bleef niet beperkt tot het paleis. We maakten een rit door de stad. Overal zag je borden voor particulier onderwijs. En dan te bedenken dat onze reisleider trots verteld had dat scholen tot op het hoogste niveau (en ziekenhuizen) gratis waren. Blijkbaar voldeed het kosteloos staatsonderwijs toch niet helemaal. Er was een girls school, een grammar school, een school voor ‘Spoken English’. Op een groot bord las ik: “French, English, GRC, Hindi, Japanese, German & Com/bio/math. Tutes, revision, workshops, preparatory, exams. Excels with the best tutors in Kandy”. Je kon je meteen opgeven.
   Het voorlopige eindpunt van de stadsrit was een soort wereldwinkel: Darshana Lanka Arts & Crafts. Er was een jumelage met zo’n winkel naast de Westerkerk in Amsterdam. In de koffiekamer hingen posters van ‘Aida’ (Elton John) in het Circustheater (Scheveningen) en van Hertog Jan, Limburgs bier. Bij de ingang lagen tweedehands boeken, waaronder het bekende ‘Alles went behalve een vent’.
   Een volgende stop, voor het maken van foto’s, was bij een brug in de moslimwijk van de stad. Het was vrijdag, de heilige dag voor de aanhangers van de islam. Nogal wat winkels waren hier dan ook gesloten. In het ondiepe water waren mannen aan het wassen, en zichzelf aan het wassen. Dat deden ze onder meer omdat ze om half één naar de moskee zouden gaan. Vrouwen in hoofddoeken waren er wel, maar niet zo veel als je misschien zou verwachten.
   Ook hier een grote en hoge billboard voor voor onderwijs. De organisatie noemde zich KRIS, Kandy Royal International School.
 
We maakten een lange rit langs de rivier. Onderweg zag ik tientallen borden met het opschrift ‘spice garden’. Dat moest een lucratieve business zijn. De rit eindigde in een dorp waar een ‘weeshuis voor olifanten’ gevestigd was. Dat was tegelijkertijd, of juist wel, een toeristische trekpleister.
   Dat bleek al uit de toegansprijs. Ook hier was die verschillend voor de eigen bevolking en voor de westerlingen. De ‘foreigners’ moesten 2.000 roepies betalen, plus een extra bedrag voor het meenemen van een camera, het voeren van de dieren enzovoort. De gewone mensen hoefden slechts 500 roepies neer te leggen, was in het Engels te lezen. De ‘gasten’ hadden een eigen ingang. Een man die het volle tarief betaalde vroeg om een foldertje. Met moeite haalde de man achter het loket dat voor hem te voorschijn. Bij het andere loket, niet in het Engels maar in het Singhalees, stond niet 500 maar 100 afgedrukt.
   Op een andere plek in de omgeving, de botanische tuin, moest je als westerling 1.100 roepies fourneren. Voor niet-westerlingen gold 50 roepies. Wij betaalden dus 22 keer zoveel.
   Hoe zouden buitenlandse bezoekers reageren, vroeg ik me af, als wij zoiets als standaard-procedure zouden invoeren bij bijvoorbeeld het Anne Frank-huis of Van Gogh-museum in Amsterdam?
 

 
Op het terrein van het ‘weeshuis’ liepen tientallen olifanten rond. Je kon ze vanaf niet meer dan een paar meter afstand gadeslaan. Tussen de dieren en de mensen bevond zich dan alleen een stapeltje stenen. Bang hoefde je niet te zijn. Een oppasser was aanwezig met een stok en de olifanten maakten een tamme indruk. Er liepen heel wat kleintjes rond die met elkaar aan het stoeien, spelen of vechten waren. De hele kleintjes werden gezoogd (met een zuigfles) waar je bijstond.
   De lunch gebruikten we aan de rivier. Om in het restaurant te kunnen komen moest je je entreebewijs tonen. Tijdens de maaltijd kwam een dertigtal olifanten, groot en klein, in gezelschap van een flink aantal begeleiders aansjokken. Enkele dieren hadden kettingen om de poten zodat ze niet konden lopen zoals ze wilden. De tocht voerde het ondiepe water in.  Zoals verwacht gebruikten de dieren hun slurf om de rug nat te spuiten. Een paar oudere olifanten deden niet mee. Hun ruggen bleven onder een laag zand bedekt. Het was, alles bij elkaar, een mooi gezicht.
 

Van Ceylon naar Sri Lanka

 
Ook historicus Roelof van Gelder heeft het eiland bezocht. In 1984 schreef hij er een artikel op de achterpagina van het NRC over de herinneringen aan het Nederlands bewind. Van Gelder was vooral in zijn nopjes over het VOC-fort in de havenstad Galle, ten zuiden van Kandy. Daar zag je, zoals we later tijdens de rondreis ook zelf constateerden, Nederlandse kerken en graven.
   “Om het kaneel-monopolie, afgedwongen van de koning van Kandy te effectueren, hielden de Nederlanders een ring van forten om het hele eiland in stand. Zo konden ze de uitvoerroutes controleren op smokkelaars en bovendien eventuele aanvallen van buiten afslaan. Van deze forten zijn er nog ongeveer dertig over. Een deel ervan heeft zelfs in de Tweede Wereldoorlog weer dienst gedaan toen Ceylon een geallieerde basis was en [Lord Louis] Mountbatten [1900-1979] zijn hoofdkwartier gevestigd had in de botanische tuin van Kandy”.
   Het paleis van de vertegenwoordiger van de Britse monarchie in de tuin zag er anno 2013 nog steeds aantrekkelijk uit. Maar de naam Ceylon was inmiddels vervangen door Sri Lanka. Na de koning van Kandy had ook het Britse vorstenhuis zijn macht op het eiland verloren. Maar de thee die de Britten er geïntroduceerd hadden heeft nog steeds de naam ‘Ceylon’. Waarschijnlijk omdat hij dan goed verkoopt. Sri Lanka-thee klinkt (nog) niet.
 
Muziek uit het westen is gebleven. Althans voor westerse toeristen. Ook de andere avonden tijdens ons verblijf in Kandy was er steeds weer eem nieuw orkestje dat langs de tafels liep. Zo hoorden we ‘Dancing Queen’ en ‘I have a dream’ van Abba. Vaste nummers waren ‘Una paloma blanca’ en ‘Take me home country roads’. Op een avond mocht je roepen wat je wilde horen. Elvis Presley! Het orkest bracht ‘Teddy Bear’. Everly Brothers! En zo luisterden we op het verre tropische eiland met een groepje Kras-reizigers, hoog in de bergen, naar ‘Let it be me’ dat de Fransman Gilbert Bécaud in 1955 samen met Pierre Delanoë als ‘Je t’appartiens’ gecomponeerd had.
 
Harry Knipschild
5 augustus 2013

Clips 

* Paul McCartney & Michael Jackson, Say Say Say 
* Geschiedenis van de tempel van de tand
* Kruidentuin, Sri Lanka
* 'Gezellig uit eten met entertainment in Kandy', Sri Lanka
* Take me home country road, Sri Lanka
* Take me home country road, Sri Lanka, 2013
* Olifanten in omgeving Kandy
* President Rajapaksa, Kandy, 2013
     
Literatuur
Roelof van Gelder, ‘Nederlandse sporen op Sri Lanka. Kaneel en Compagnie’, NRC, 29 oktober 1984
Ronald Hyam, Britain’s Imperial Century 1815-1914. A study of empire and expansion, Londen 1993 (1976)
Jur van Goor, De Nederlandse Koloniën. Geschiedenis van de Nederlandse exzpansie 1600-1975, Den Haag 1994
Ad van Schaik, Sri Lanka. Een dictionnaire amoureux, Soesterberg 2011
Hans Wismeijer en Marijke Sarneel (red), Insight Guide Sri Lanka, Zeewolde 2012