67 - Jozef Israëls naar en in Cordoba (1897)
Jozef Israëls (1824-1911) was een belangrijke vertegenwoordiger van de zogenaamde ‘Haagse School’ met ook Hendrik Willem Mesdag en Anton Mauve. Jozef werd bekend als schilder van landschappen, met name die aan de Nederlandse kust. Op 73-jarige leeftijd maakte hij een verre reis, dwars door Spanje en bereikte zelfs nog het uiterste noorden van Afrika. Van die tocht publiceerde hij in 1899 het boek Spanje. Een reisverhaal.
Voorbereiding
Over het reisgezelschap schreef Josef, dat zoon Isaac (1865-1934) samen met Frans Erens (1857-1935) bij hem binnenstapte en zijn zoon het woord nam: “Ik wil u voorstellen”, zei hij, “mijn vriend mee te nemen, en met ons drieën de reis te aanvaarden”.
Josef was positief: “Dat treft bijzonder. Schilders zien alles naar de uiterlijke schijn en dat moet ook, want dat alleen is hun gebied. Maar het is een voorrecht een filosoof en dichter met ons mee te voeren om de dieper liggende wenken van het voorbijgaande op te vatten en vast te houden”.
Erens had nagedacht. “De jonge heer had een hoop boeken beneden laten liggen en die werden naar boven gebracht”. Onderweg konden ze zich inlezen – boeken over koning Filips de Tweede (‘roi de toutes les Espagnes’), een reisboekje van Théophile Gauthier over een eerdere reis, een bundeltje ‘Lettres sur l’Espagne’, de verhalen over ‘El Cid’ en nog veel meer.
Jozef had zelf een paar reisgidsen bij de hand, eentje van de Fransman Germond de la Vigne en een van een ‘nauwkeurige’ Duitser, Hartleben.
Israëls: “Nu schoven wij alle drie om de tafel. Een grote kaart van Spanje werd er op uitgespreid en met boeken en papieren zaten wij daar, afstanden en hoogten berekenend. Zo reisden wij reeds in onze fantasie over de rivieren en bergen van Spanje tot aan Cadiz, tot aan Marokko en naar Tanger, de meest nabijgelegen stad van het donkere Afrika”.

Met de trein van Toledo naar Cordoba
Het eerste gedeelte werd per koets afgelegd. In Parijs stapte het drietal in een ‘zeer lange en grote trein, die ons tot San Sebastian zou voeren’. Ze bereikten Burgos, Madrid, bezochten het Escorial en door naar Toledo – en vervolgens per trein naar Cordoba – ruim driehonderd kilometer verder.
Niemand had haast, viel Jozef op. “De reiziger niet, de spoortrein in het geheel niet. Stations werden niet afgeroepen. Iedereen wist wel waar hij zich bevond. Bij het kleinste station werd gestopt en lang stil gehouden. Men stapte eruit, sigaretten werden opgestoken en men ging rustig rondkijken. Een vrouw droeg een grote stenen kruik met fris water dat zij al roepend te koop aanbood.
De Nederlanders kregen op zo’n station ook met bedelaars te maken. Een van hen klopte Jozef van achter op zijn schouder.
“Ik keek om en zag een kerel met een grote knuppel in zijn hand voor mij staan”.
De schilder kon niet verstaan wat de ander zei, maar de boodschap was duidelijk: “Hij stak zijn kolossale hand uit om een aalmoes”.
Jozef werd kwaad om zo’n brutaliteit. “Ik keerde hem de rug toe en deed alsof ik iets aan het schrijven was”.
Zo eenvoudig ging dat niet. “Een jongetje dat bij hem stond, schreeuwde mij in duidelijk Spaans in het oor: hij moet wat geld hebben”.
Jozef bleef volhouden dat hij er niets van begreep. Het jongetje zei lachend: “Hij is niet wijs. Laat hem maar gaan”.

Ze hielden bovendien halt in het plaatsje Valdepeñas. Daar kwam, wist hij, de ‘beroemde wijn’ vandaan.
De Nederlanders constateerden met eigen ogen dat ze door naar het zuiden te reizen in een andere klimaatzone terecht waren gekomen. “Hoe verder wij kwamen, hoe meer verscheidenheid. Aloës en cactusplanten versierden de weg met hun brede en wonderlijke vormen, waardoorheen bloemen en grote varens”. Bij de Guadalquivir zagen ze olijfbomen. En voor het eerst: palmbomen, die als ‘giraffen in een oosters woud’ boven de andere bomen uitstaken. In 1897 was het zien van een palmboom blijkbaar een sensatie.
“Onze nieuwsgierigheid had een toppunt bereikt”, legde hij vast. Dat kwam onder meer omdat Heinrich Heine de ‘dom’ in een van zijn gedichten verwerkt had.
Wandeling naar de dom
Wie als tourist naar Cordoba gaat, zal vrijwel zeker een bezoek brengen aan de kathedraal, een omgebouwde moskee. Tijdens de bezoeken die Greetje en ik er gebracht hebben, moest je in een lange rij staan om tegen betaling binnen te komen. Cordoba was een grote stad geworden – met meer dan 300.000 inwoners en veel horeca.
In 1897 was het nog niet zover. “Om vanuit hun hotel in het gebouw te komen (de ‘dom’ in hun jargon) moesten ze zich eerst over ruime landweg verplaatsen – tussen bouwvallen, neergezakte huizen en gevallen marmerblokken. “In de omgeving ontmoetten wij niemand. Wij konden bijna geen woningen ontdekken, waar mensen woonden. De bewoonde straten in de stad [met toen 50.000 inwoners] hadden een Arabisch karakter. “Op een plein, dat door enige hoog-gebouwde huizen omringd was, werd markt gehouden, zonder beweging of drukte echter. Stil Arabisch zaten daar, in witte bournous [mantels] gewikkeld, de koopvrouwen met zorgvuldig gedekt hoofd en blote voeten, naast grote manden met allerlei vruchten en gevogelte. Het was voor ons een voorproefje van de moren en arabieren die wij zouden ontmoeten”.
Cordoba rond 1900
Het ‘wonder van Cordoba’
Opnieuw kwamen ze bij een open ruimte. Totdat ze arriveerden bij het ‘wonder van Cordova’: ‘de grote, moskee, tempel of dom voor ons’. Op toeristen was kennelijk niet gerekend. “Het zag er verlaten uit. Wij liepen eens hier, dan eens daar, om naar binnen te gaan. Eindelijk vonden wij een ingang’.
Frans Erens had zich voorbereid. Zijn medereizigers wees hij erop dat deze stad en deze tempel nogal eens van ‘beheerders veranderd’ was. Jozef noteerde wat hij vernomen had: “De Romeinen, de Gothen hebben hier reeds hun hoofdtempel gehad. Toen de stad in handen van de moren viel [anno 711], vatte een der kaliefen het plan op om op dezelfde plaats [als de Sint Vincentius-kerk] een moskee te stichten zoals nergens te zien was”
Het bleef er niet stil. “Aardbevingen, oorlogen, vooral godsdienstijver, hebben de plek geteisterd. De een brak af, de ander bouwde er bij”.
tekening van Israels
Om de ‘dom’ binnen te komen, liep het drietal langs een ‘laan van oranjebomen’. Binnen, constateerde de schilder, ‘is het een verwarrende opeenhoping van zuilengangen. Men meent nergens een weg te vinden. Langzaamaan gewent het oog zich en men merkt ruimere gangen, die een weg door dit labyrint aanwijzen”.
Door verder te lopen ontdekten de Nederlanders een ‘ruime plaats’. Israëls: “Zuilen, gewelf, alles is weggebroken. Hier is een bidkoor en hoogaltaar opgesteld. Kaarsen branden, wierook brandt”. Ze beseften dat ze niet meer in een voormalige moskee maar in een katholieke kerk beland waren.

Cordoba nu
Helemaal getroffen hadden ze het niet. “Er werd vreselijk gehamerd en geklopt aan de gewelven van het gebouw”. Van de architect vernam de schilder: “U kunt niet begrijpen hoe dikwijls hier wat te herstellen is – hier wat te schragen, daar nieuwe stenen in te zetten of soms geheel en al weg te breken. Dat het niet op de grond zal storten”.
De man legde uit: “Stormen en onweer doen dit kolossale gebouw veel ondergaan”. Fluisterend voegde hij eraan toe: “Er is eigenlijk geen geld genoeg om alles te doen, wat dit wonder van de bouwkunst der moren tot zijn recht zou doen komen”.
Een korte rondleiding door de architect, die misschien hoopte op een schenking uit het rijke Hollandse noorden, had een prikkelend effect.
Israëls stelde zich voor hoe het gebouw tijdens de islamitische bezetting geweest was. “Denk je eens in hoe hier ’s avonds voor het maarif [maghrib] gebed duizenden lampen brandden. Tapijten werden uitgespreid voor de biddende moren, waarvan er hier honderdduizenden woonden. Men kan zich dan een begrip vormen welk een aanblik deze samenkoppeling van zuilen onder die lange en zwaar-gewelfde wanden moet geboden hebben”.

Het katholieke gedeelte (ong. 1900)
Weer buiten
Het bezoek had de drie bezoekers tot nadenken gestemd. “Wij kwamen niet in een opgeruimde stemming naar buiten. Al die oude pracht, de stenen monumenten van vervlogen grootheid maakten ons stil en nadenkend”.
In het zonlicht was Cordoba anders. Ze liepen weer over een zandpad terug. Een palmboom stond midden op de weg. Een bruine jongen hield een stel zwarte geiten bij elkaar. “Het gewone leven heeft een bekoring waarbij de schoonste kunstwerken in het niet zinken”. Bij hun hotel troffen ze straatjongens en allerlei volk aan. Hun conclusie: “Er waren dus nog mensen in Cordoba”.
Feestmaaltijd
De Nederlanders troffen het. Een Spaanse generaal was op bezoek bij zijn familie. Een groepje soldaten zorgde voor passende muziek. Er was dan ook een vrolijke drukte in de eetkamer, de comedor. “Alle gasten waren reeds aangezeten”. De buitenlandse bezoekers waren welkom.
De generaal zat aan het hoofd van de tafel. “Het was een kloeke, dikke Spanjaard met grote, grijze snorren, kort grijs haar en donkerbruin gelaat – zijn familie naast en tegenover hem”.
Jong en oud was van de partij. Israëls zag een stokoude gebogen man, misschien wel de vader van de generaal. “Hij lachte van de pret, maar kon de soep moeilijk over het witte servet (om zijn hals gebonden) in de diep liggende mond brengen.
De schilder bekeek het gezelschap. Hij zag jonge mannen en vrolijke meisjes met hoge kapsels versierd en andere gasten, reizigers in jachtenue, die wat er op tafel stond nauwkeurig bezichtigden.
Het was ‘pot luck’ eten, geen menu à la carte. De eerste gang bestond uit soep. Daarna volgde wat wij in onze tijd een soort paella noemen: een grote schotel rijst, met Spaanse peper en slakken met huisjes en krakende schelpen, alles door elkaar gestoofd.
De Hagenees was onzeker. “Ik keek er lelijk tegen aan en wist niet hoe te eten”.
Een verkoopgesprek
Israëls keek om zich heen. Hij herkende zijn tafelgenoot. “Een fijn gekleed heer. ’s Morgens had ik hem al met veel drukte het hotel op en neer zien lopen – met hoge kaplaarzen, een waaiende Spaanse mantel en met een hoge puntige vilthoed op”.
De man bleek Engels te kunnen spreken. “Grijp maar toe”, hoorde Jozef. “U zult zien dat het niet zo erg is. U zult hier wel moeilijkheden hebben, maar ik geloof dat ik u en uw gezelschap van goede dienst kan zijn”.
Daar bleef het niet bij. De Spanjaard legde meteen zijn visitekaartje op tafel. “Een kaartje met een kroontje boven zijn naam, met de titel ‘Markies van Guaranja’.
Jozef was verbouwereerd en wist niet hoe hij moest reageren. “Zeer vereerd dankte ik”. Hij vond het evenwel niet nodig zelf zijn kaartje te tonen.
Hij had ook geen tijd om dat te voorschijn te halen, noteerde hij in zijn reisboek, want zijn tafelgenoot zette het gesprek ongevraagd voort met de woorden: “Ik ben een Spanjaard, maar ik bereis de hele wereld. Ik spreek Engels, Frans, alles wat men maar wil. Ik ben thuis en bekend in alle hotels”.
De man maakte duidelijk dat Jozef overal in Spanje een speciale behandeling zou krijgen als hij diens naam noemde. “Met mijn naam zult u overal beter bediend worden. U zult het zien!”
De schilder kreeg nauwelijks de kans om te reageren. “Ik mompelde iets”.
De markies hield het initiatief. Hij riep een bediende en fluisterde hem iets in het oor. “Vergenoegd wreef hij zich in de handen. Mijn reismakkers keerden zich nieuwsgierig om”.
De bediende kwam terug. Hij droeg een blad met daarop vier glazen en een fles, met spinrag omwonden. Of ze wilden of niet, de Nederlanders kregen te horen: “Dit is de Valdepeñas, de krachtigste wijn van Europa. Ik lever ze aan al de grote personen in Frankrijk en Engeland”.
De man haalde een zakboekje te voorschijn en liet de namen zien van allerlei hooggeplaatste personages.
Spaanse wijn
Zo kwam de aap uit de mouw. Hij was er op uit om wijn te verkopen. De markies liet weten dat Holland een soliede land was. “Ik zou er gaarne mee in betrekking staan. Mijn boekje is open. Het is een vrolijke dag. Laat ik maar dadelijk een aardige ‘commissie’ [bestelling] noteren”.
Jozef was naar eiggen zeggen ‘op dit punt ervaren’. Hij liet zich niet overbluffen en had snel een antwoord klaar: “Meneer de markies, weet u dan niet dat wij in Holland alleen maar water drinken” – en eventueel een ‘bittertje’.
De man wist ogenschijnlijk niet wat hem overkwam. Hij werd rood van drift. “Dit is mij nog nooit overkomen”, zou hij gezegd hebben. “Toen het dessert werd opgedaan, was hij reeds weg. Wij waren vol verbazing en vrolijkheid over de edelman”.
Een landgenoot
De reizigers hadden nog een bijzondere ontmoeting aan tafel. Een van de gasten verhief zich plotseling met een glas rode wijn. In goed Nederlands zei hij: “Mag ik de heren welkom heten in Spanje?”
Volgens Jozef waren ze ‘geëlectriseerd’. Ze stonden op en klonken met hun landgenoot. Na het dessert – ‘met al zijn kleuren en versierde schotels’ – schudden ze elkaars hand.
Na het vertrek van de generaal en daarmee ook het getrompetter van de militairen kwam het tot een gesprek. De man was inmiddels tot goede vriend gebombardeerd. Zo snel kan het gaan tijdens een reis. “Mijne heren”, zou hij gezegd hebben, “neemt het mij niet euvel dat ik me bij u aangesloten heb”.
Hij legde uit: “Als men vijf jaar geen woord Hollands gehoord heeft, is het een ongekend aangrijpend gevoel, dat u bij het horen daarvan overloopt. Ik dacht dat Holland mij niets meer was. Heden overmant mij het idee dat ik hier nog zo lang blijven moet”.
De Nederlander, een Rotterdammer, zat eveneens in de wijnhandel. “Hij gaf ons zijn kaartje. Hij was agent van een groot handelshuis dat hier in de bergen wijnen exploiteerde”.
Opnieuw kwam er een visitekaartje te voorschijn. Deze keer legde ook Israëls het zijne op tafel.
Tot in Spanje toe was hij blijkbaar bekend. “U bent toch de schilder niet?” kreeg hij te horen.
Jozef wilde kennelijk incognito blijven. “Nee”, zei ik. “Ik ben zijn oom. Dit is mijn zoon en hier iemand van zijn goede vrienden”.
De agent dreef de zaak niet op de spits. “Hoe kan ik ook zo gek zijn. De schilder is lang zo oud niet, maar het is toch familie”.
Het Spaanse eten werd al snel weer onderwerp van gesprek, zoals dat vaak gebeurt tijdens reizen en vakanties. “Men zet het hier als lekkernij voor. Ik ben het reeds gewoon – de schotels met olie, waar pootjes en levertjes van kippen in zwemmen, en die krakende schotels met met rijst. Voor ons is het moeilijk genieten. Het is hier prachtig, maar geen ware Hollander wordt ooit in een ander land werkelijk burger”.
De man werd sentimenteel. “Als ik eraan denk dat ik koud en hongerig bij mijn moeder in Rotterdam aan huis kwam, dat er dan op tafel een grote schelvis met een grote bak dampende aardappels stond. En zij zat daar”...
Het werd emotioneel, noteerde Israëls. “Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn en veegde zich de ogen af”.
Het Wilhelmus in Cordoba
Toch werd het nog gezellig. “De fles werd spoedig ontkurkt. Er stond een piano in ons vertrek. Onze gemoedelijke Hollander ging daaraan zitten en speelde het Wilhelmus, dat het door het hotel klonk”. De stemming zat er goed in. ‘Wien Neerlands Bloed’, het toenmalige officiële volkslied, volgde en ‘Al is ons prinsje nog zo klein’.
Jozef: “Wij zongen luidkeels mee. Onder het gepraat en gelach dronken wij Margaux-wijn. We spraken over Holland en zijn bewoners. Nooit waren wij in ons eigen land zulke uitbundige vaderlanders geweest dan hier in dit oude Spanje, in het verre Cordoba”.
Israels schrijft het zelf op
De volgende dag gingen ze nog met z’n vieren op pad. De nieuwe vriend bracht hen bij deftige huizen, oude en nieuwe woningen door elkaar gebouwd. Ze bezochten bovendien bijna vergane oudheden, alvorens in de loop van de dag verder te trekken naar een nieuwe halteplaats: Sevilla.
Harry Knipschild
7 augustus 2025
Clips
Andere reisverhalen over Spanje:
23. De romantiek van het Alhambra
- Raadplegingen: 1046