70 - Mount Popa in Myanmar (Birma)
Op 14 december 2005 had ik het voorrecht om te promoveren bij de Universiteit Leiden. Leonard Blussé van Oud Alblas was niet alleen mijn promotor, hij had mij bovendien aangesteld als zijn rechterhand bij het geven van een aantal colleges en zelfs bij het afstuderen van studenten. Toen ik eerder werkzaam was in de muziekbusiness had ik er niet het minste idee van dat ik het nog eens zou brengen tot een dergelijke status bij een universiteit als die van Leiden.
Een van de colleges waar ik intensief bij betrokken was, ging over de geschiedenis van Zuidoost Azië: landen als Vietnam, Indonesië, Laos, Cambodja, Thailand (Siam) en Birma (Myanmar). In de media werd Myanmar afgeschilderd als een ‘rijk van het kwaad’. Er was een militaire dictator (Than Shwe, r. 1992-2011), die het volk onder de duim hield en Aung San Suu Kyi, bijna een ‘heilige vrouw’, haar vrijheid ontnomen had, terwijl ze in feite aan het hoofd van een democratische regering had moeten staan.

Als cadeau voor mijn promotie bood Greetje me een reis aan naar een ver land. In eerste instantie zouden we naar Zuid-Afrika gaan. Maar toen de planning daarvan problemen opleverde, besloten we een rondreis door Myanmar te maken. We wilden wel eens persoonlijk meemaken wat het betekende om op diverse plekken in dat land te vertoeven.
Menigeen was verontwaardigd dat we die kant opgingen. Een land met zo’n dictatuur, daar ging je toch niet heen, was de boodschap. De mensen met die mening schrokken er niet voor terug om naar Cuba, China of Iran te reizen, waar de democratie evenmin hoog in het vaandel te vinden was. Een vorm van selectieve verontwaardiging, vond ik.
Vervoer
Op 6 januari 2006 vlogen we naar het verre oosten. Rechtstreekse vluchten naar een pervers land als Myanmar waren vanuit Nederland om morele redenen stopgezet. Om er te komen moest je om te beginnen naar Singapore en pas van daaruit naar Rangoon (Yangon), tot voor kort de hoofdstad van het land. Het werd dus een lange, een zeer lange reis.
Eenmaal gearriveerd bezochten we eerst Rangoon en vlogen vervolgens naar Bagan (Pagan), het gebied dat bezaaid was met boeddhistische tempels. Vanuit Bagan maakten we bovendien een uitstapje. Dat gebeurde op donderdag 12 januari. Zoals gebruikelijk reisden we met z’n tweeën in een busje met chauffeur en ook nog een regionale gids. Achteraf vreselijk luxueus, maar dat was gebruikelijk voor ons, rijke westerlingen. Na een paar dagen wist je – bij wijze van spreken – niet beter.
De gewone Birmezen verplaatsten zich met z’n allen in een groot open voertuig. Wie dat niet kon betalen – Myanmar was een arm land – maakte gebruik van een ossenwagen, een soort huifkar met twee ossen ervoor. Langs de onbegaande en doorgaande weg was er een zandpad, waar de dieren zich (met begeleiders) in kolonne voortbewogen. Het begrip tijd had hier een andere betekenis dan bij ons.
Nog anderen liepen gewoon – op blote voeten.
De mensen waren er niet minder vrolijk om. Er werd gekletst, gelachen en gezwaaid. Ze waren op weg naar een boeddhistisch festival, dat van de Volle Maan.
lopen...
Uitstapje naar Mount Popa
In het reisverslag verslag, ter plaatse opgesteld, schreef ik: “We reden tussen de velden door, velden met sesam, pinda’s, katoen, bananen en wat al niet meer. Het land was arm maar er was volop voedsel, in elk geval in deze regio – dat was duidelijk.
Regelmatig moest onze chauffeur tol betalen, soms omdat die formeel geheven werd. Op andere plaatsen langs de weg werd gecollecteerd voor de bouw van een nieuwe pagode, een boeddhistische tempel.
We realiseerden ons dat er militaire kazernes waren. Bij zo’n complex noteerde ik op een bord in het Engels: ‘Only when there is discipline, will there be progress’. Elders een bord in twee talen: ‘Our three main national causes. Non disintegration of the [Birmese] Union – our Cause! Non-disintegration of the National Solidarity – Our Cause! Perpetuation of national sovereignty – Our Cause!’.
De machthebbers waren kennelijk beducht voor het uit elkaar vallen van de ‘Union of Myanmar’”.
Myanmar, Birma, besefte ik nog eens, was lang niet altijd één natie geweest. Het was een verzameling van staten, volkeren, die eerst door onderlinge oorlogsvoering, later door de Britten, met geweld verenigd waren. Militairen waren er na de onafhankelijkheid al tientallen jaren in geslaagd om al die ‘stammen’ onder één republiek bij elkaar te houden.
Olie en Chauk
Als brave toeristen genoten wij van de natuur en het uitzicht. Er was evenwel meer in de hand. In het verslag: “Onze reisgidsen maakten er geen melding van, maar in de streek werd al sinds 1866 olie uit de grond gehaald. Dat gebeurde eerst door de Britse ‘Burma Oil Company’, had ik ontdekt. Op het internet had ik foto’s van hedendaagse indrukwekkende boortorens gevondent. Toen we het gebied doorkruisten werden we daar niet op geattendeerd”.
Het viel mij op dat het een drukte van jewelste was in Chauk, aan de Irrawaddy-rivier, 45 kilometer ten zuiden van Bagan. Toen ik aan onze gids naar de reden vroeg kreeg ik als antwoord dat het een stadje van handelaren was. Het woord olie kwam niet over haar lippen. Waren de kazernes er om de olieproductie veilig te stellen?
Meer vragen dan antwoorden.
Olie in Chauk
Salay (Sale)
Vanuit Chauk trokken we door naar het plaatsje Salay (Sale). Onze gids bracht ons naar een klooster van teakhout, op houten palen. Een rijke Birmees, hoorden we, had de bouw in de jaren 1882-1892 voor zijn rekening genomen. Het klooster was een kopie van het huis van de toenmalige kroonprins in Mandalay, de stad die van 1861 tot de annexatie door de Britten in 1885 als hoofdstad van het Birmese rijk gefunctioneerd had.
Het klooster, konden we constateren, was intussen door de monniken verlaten en omgedoopt tot een museum. In dat voormalige klooster – Youqson (of Yokesone) Kyaung – zagen we onder andere oude pali-teksten onder glas. Het houten gebouw was weliswaar goed overdekt, maar opzij van alle kanten open en in de regentijd valt in Birma het water met bakken naar beneden. Daarom waren de open steunbalken aan de kopse kant voorzien van allerlei figuren zodat ze niet door konden rotten.
Aan de buitenkant waren diverse verhalen in hout uitgebeeld, waaronder dat van de liefde van de vorst voor een gewone vrouw. Door het houtwerk kreeg je tevens een mooi beeld van hoe de kunstenaar zich het hofleven voorstelde.
In een winkeltje bij het museum werd Birma (uit 1950) van de Britse historicus D.G.E. Hall (1851-1979) aangeboden.

Salay was niet door ons geselecteerd. Maar we waren er nu toch – op weg naar Mount Popa – en er was nog veel meer te zien. De ‘beroemde Birmese dichter’ U Pon Nya (1807-1866) had immers in Salay geleefd, hoorden we. Een van zijn creaties, ronde figuren zonder armen en benen, maar toch volwaardige mensen, was uitgebeeld in de tuin van de Nan Paya-tempel.
In het complex vonden we bovendien een grote boeddha die in 1888 tijdens een gigantisch hoosbui in Bagan de Irrawaddy-rivier was afgedreven en in Salay, 36 kilometer zuidelijker, weer was opgevist. Het beeld was hol en heel licht, in tegenstelling tot de zware beelden van baksteen die we eerder gezien hadden.
Onze vrouwelijke gids wees ons niet op een kleine tentoonstelling op slechts enkele meters afstand van de boeddha. Daar werd met veel foto’s verslag gedaan van het bezoek van een hoge militair in groen legerkostuum aan deze tempel”.
Naar Mount Popa
Het uitstapje vanaf Bagan was bedoeld om ons naar een bijzondere plek te brengen: Mount Popa. Voorlopig reden we nog door een grote vlakte. Om ons heen zagen we heuvels en bergen. En dan onverwacht een vreemde berg, het einddoel van deze dag. De berg rees als een soort puist recht omhoog uit het vlakke land. De weg werd nu steiler. Onze chauffeur had soms moeite om het busje door de bochten te manoeuvreren.

Mount Popa
Bij aankomst in het dorp aan de voet van Mount Popa (‘popa’ was een oud pali-woord voor bloem, las ik later) was het lunchtijd. We werden in een van de plaatselijke restaurants aan een lange tafel gezet. Naast ons had een grote groep Amerikaanse studenten plaats genomen. De jongens en meisjes waren afkomstig van Lafayette College in Pennsylvania. Ze maakten een toer door Birma om de ontwikkeling van het land en het boeddhisme te bestuderen.
Hun aanpak paste goed, zo kon ik hun begeleider vertellen, in het nieuwe beleid van president George W. Bush (r. 2001-2009). De president had immers verklaard dat de Amerikanen zich veel meer moesten gaan verdiepen in het wel en wee, en de taal, van allerlei verre landen.
Apen op Mount Popa
Vanuit het restaurant zagen we op straat, en op de rotsen, een flink aantal apen. Toen we, zoals op alle ‘heilige plaatsen’ blootsvoets, over de 777 trappen omhoog klauterden, werden we bij voortduring omgeven door deze dieren, die zoveel op mensen lijken. Ze krijsten, ze bestastten elkaar op alle plekken, ze vlooiden, ze zoogden waar we bij waren en ze waren niet uit onze buurt weg te krijgen.

Behalve door apen zou Mount Popa ook bevolkt worden door geesten (‘nat’), hoewel die tijdens ons bezoek onzichtbaar bleven. Om die reden werd de heilige berg dan ook wel als de ‘Olympus van Myanmar’ aangeduid.
De Birmezen, werd ons bijgebracht, geloofden in de aanwezigheid alom van nat. In dit geloof konden ze uiting geven aan allerlei gevoelens: angsten, behoefte aan bescherming en bijstand in moeilijke omstandigheden.
Bij terugkomst las ik in een artikel van Bénédictine Brac de la Perrière, ‘The Cult of the thirty-seven Lords’ (IIAS Newsletter) dat de ‘nat’ een creatie zou zijn van koning Anawratha (1014-1077), een eigen bewerking van het boeddhisme zoals dat in India beleefd werd. De koning van Bagan zou persoonlijk een rijk van geesten gecreëerd hebben en dat aan zijn onderdanen opgelegd hebben. Alle 37 nat hadden van hem een eigen plaats gekregen.
Bij het artikel van de Fransman was ter illustratie een foto van enkele nat-figuren afgedrukt (in zwart wit). Nadat wij enkele honderden treden omhoog geklauterd waren, kwamen we in een zaaltje en daar stonden de beelden van Brac de la Perrière: veelkleurige gedaantes op een rijtje naast elkaar, met op een bordje op hun buik in voor ons onleesbare Birmese letters hun naam. In hun handen of in hun kleren was papieren geld door bedevaartgangers gestopt.

Nat – geesten
De Lonely Planet van Myanmar, die we bij ons hadden, gaf een andere oorsprong van de nat. Ze werden een overblijfsel genoemd van het animisme, een geloof in allerlei geesten uit de tijd dat het boeddhisme nog niet geïntroduceerd was. Die geesten waren toegeschreven aan heuvels, bomen en meren. Het woord nat was volgens het reisboek afkomstig uit India: ‘natha’ betekende daar ‘heer’ of ‘beschermer’.
In de beginjaren van zijn koningschap wilde Anawaratha juist een einde maken aan het vereren van nat. Hij liet nat-tempels zelfs met de grond gelijk maken. Zijn onderdanen vereerden hun geesten daarna gewoon thuis. De koning zou begrepen hebben dat hij er niet aan kon ontkomen de nat een zekere plaats in zijn ideologie te geven. Hij plaatste daarom 36 beelden in ‘zijn’ nationale heiligdom, de Shwezigon (in Bagan). En hij voegde er zelfs nog een 37ste nat aan toe, Thagyamin, nota bene een hindoe-godheid, die hij uitriep tot ‘koning van de nat’.
De koning zou het slim gezien hebben: Indra, waar Thagyamin op gebaseerd was, had in de boeddhistische mythologie namens het hindoe-pantheon eer betoond aan de boeddha.
En zo kon Anawratha, koning van Bagan, als koning van een theravada-boeddhistisch bewind onbelemmerd macht uitoefenen.
Het verhaal van de ‘nat’ begon ineens wat ‘logischer’ te worden. Maar het bleef moeilijk om zo een-twee-drie door te dringen tot de ‘ziel’ van de Birmese cultuur.
Koning Anawratha
In het reisverslag schreef ik: “De verklaringen voor het verschijnsel van de Birmese geesten, zoals we die uit de mond van gids Nandar hoorden, waren niet meer dan het navertellen van mythische verhalen. Maar ook zij legde een verband met Anawratha en de uit het zuiden meegevoerde koninklijke familie.
Haar hoofdpersoon was Theinggyi (ook Mae Wanna genoemd), de zuster van koning Manuha. Die zou uit Bagan gevlucht zijn en op Mount Popa beland om er te mediteren. Ze werd verliefd op prins U Byatta, een geadopteerde zoon van koning Anawratha. De prins verwekte twee zonen bij de zus van de Mon-koning en werd volgens Nandar later door zijn vader naar Bagan teruggehaald”.
Een slippertje van een jongeman?
Door ons bezoek was nog eens duidelijk geworden hoe belangrijk de rol van koning Anawratha was in de Birmese identiteit. Hij was de grondlegger van de Bagan-dynastie. de vader van groot Birma, van Myanmar. Hij wist allerlei volkeren onder zijn gezag te brengen en bedreigingen van buiten te weerstaan. Het was dan ook geen wonder dat een vermaarde Birmese regisseur (Sin Yaw Maung Maung) in die tijd bezig was met de verfilming van het leven van koning Anawratha de Veroveraar. De cast bestond uit 37 (!) nieuwe acteurs, precies evenveel acteurs als er ‘nat’ waren.
We baanden ons een weg tussen al die apen – en verkoopsters van cola – door. Trede na trede, 777 treden. Enigszins buiten adem bereikten we de top van Mount Popa, de ‘heilige berg’.
Een bord bovenop de berg maakte ons duidelijk dat we ons niet zo zeer op de Mount Popa bevonden, maar op Taung Kalat (‘berg van de knots’), ruim 800 meter boven de zeespiegel. Boven op de berg waren enkele boeddhistische tempeltjes gebouwd – dus geen gezellig terras waar je van het prachtige uitzicht kon genieten. De bouwactiviteiten waren van tamelijk recente datum, werd ons uitgelegd. Minder dan een eeuw geleden was dit nog een kale rots. Erg ‘gezellig’ was het er niet, hoog boven op een puist midden in het Birmese landschap. Al pratende gingen we weer naar beneden. We liepen langs een boeddha die zijn leerlingen les gaf.
Alle religies hebben ook een economisch karakter. Vele tientallen winkeliers, zo niet meer, hadden stalletjes met koopwaar ingericht. Als we het waagden even in hun richting te kijken werden we niet meer losgelaten. Een verkoper van boeddhistische rozenkransen, van geurig sandelhout vervaardigd, zou zijn product eeuwig lekker blijven ruiken. Zoniet, dan konden we altijd terugkomen om te ruilen. Wij noteerden: winkel nummer 18. Je wist maar nooit”...
Logeren
Ook die dag logeerden we luxueus – in het Mount Popa Mountain Resort. Het hotel was nieuw. Bij de receptie zag ik een plaquette met de datum van de opening: 9 februari 1998. De opening was verricht door generaal Maung Maung Aye, ‘commander in chief of the army’ en ‘vice-chairman’ van de SLORC, State Law and Order Restoration Council – de tweede man in het land, meteen na dictator Than Shwe. Bij ons in Nederland, bedacht ik, worden hotelcomplexen meestal niet door generaals geopend.
Maung Maung Aye
Bij het onderzoek voor dit artikel vond ik op het internet dat de militair in 1962 geboren is en nog steeds aan de touwtjes trekt (in tegenstelling tot Than Shwe). De generaal zou een essentiële rol gespeeld hebben bij de militaire coup van 2021, waarbij Aung San Suu Kyi uit de politiek verwijderd werd. In het westen staat hij bekend om zijn harde optreden tegen demonstranten en minderheden. Hij wordt beschuldigd van ernstige oorlogsmisdaden.
Het resort was eigendom van de Woodland Group of Companies in Rangoon (Yangon). Op het internet was er snel achter te komen dat het bedrijf sterke banden had met het regime.
In 2006 probeerde Birma zo veel mogelijk toeristen uit het westen aan te trekken. Zeventig procent van de gasten zou volgens een artikel in de Myanmar Times al afkomstig zijn uit landen als Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje, mede dankzij activiteiten als ‘horse riding, trekking, bird- and butterfly watching, swimming and golf’.
hotelkamer
Voor één nacht hadden Greetje en ik de beschikking over een prachtige bungalow van roodbruin teakhout: een houten villa op palen. Vanaf het terras keken we uit op de groene bergen in de omgeving, en op een vreedzaam meertje met een eiland erin. Een plek om, bij wijze van spreken, nooit meer te verlaten. De kamers waren voorzien van luxe artikelen, zoals badjassen voor de gasten. Voor geval je die uit hebberigheid mee wilde nemen, was er een zogenaamde souvenir-list. Zo werd je geacht voor een kleine toeristische kalender tien dollar te betalen, om over andere artikelen maar niet te spreken.
In dit hotel werd de Birmese munt, de kyat, niet als betaalmiddel geaccepteerd. Alleen nieuwe Amerikaanse dollars waren geldig, en dan nog alleen in kleine coupures. Van een biljet van 50 dollar werd niet teruggegeven.
Vanaf het daar aanwezige zwembad keek je uit op de berg met de 777 treden, die we een paar uur eerder beklommen hadden.
Op de kamer hadden we televisie. We zagen Roger Federer en Marat Safin op de Australian Open. Jack Straw, de Britse minister van Buitenlandse Zaken onder Tony Blair, verklaarde dat definitief bewezen was dat Iran in de fout gegaan was met het ontwikkelen van nucleaire energie. Een week later zou in Londen een bijeenkomst zijn, waarbij ook China van de partij was.
Bij het verlaten van de bungalow – voor de avondmaaltijd – durfden we de deur van het terras niet opten te laten. Stel je voor dat er apen zouden binnenvallen. Maar toen we buiten plaats namen merkten we dat we bedreigd werden door een andere diersoort: mieren, die zich bij het minste ‘zoet’ in een mum van tijd voort wisten te planten. We zaten prachtig en de keuken was van hoge kwaliteit. Het Myanmar-bier en de thee smaakten best.
Van Mount Popa naar de boot in Bagan

Uitzicht op Mount Popa
In het luxueuze resort werden we bij het ontbijt zelfs bediend. Betalen deed je in dollars. Op een bord bij de weg naar beneden werd aangegeven dat het streng verboden was hout te kappen in het naburige bos. De regering, vernamen we, maakte zich bijzonder druk voor de herbebossing van Myanmar. Voor elke boom die verdween moest er minstens één nieuwe aangeplant worden. De omgeving moest groen gemaakt worden. Dat werd overal aangegeven, soms ook in het Engels.
Bij terugkomst in Nederland bezocht ik de website van Milieudefensie. Hoe zouden de milieu-activisten op de ontwikkelingen in Birma reageren, vroeg ik me af.
In een artikel (van 2001) werden de activiteiten van IHC Caland veroordeeld. Het artikel had vooral een politieke, een ‘rode’ lading: aan het milieu van het land was nog geen derde van de inhoud besteed.
Van de herbebossingsactiviteiten in Birma werd door Milieudefensie op zijn website geen melding gemaakt. Wel vond ik er een verslag van de blokkering in maart 2005 door Milieudefensie van het bedrijf Worldwood in Bleiswijk dat teakhout uit Birma importeerde. De bezetters hadden rode kleding aan. Op een foto was een spandoek van het Burma Centrum Nederland in beeld gebracht. Het artikel had als kop: ‘Kappen met Birma’. De aanpak was echter niet (!) gericht tegen het kappen van het teakhout als zodanig, maar tegen de Birmese junta.
We waren op weg naar Bagan. Van daaruit gingen we over de Irrawaddy een kleine cruise maken naar het meer noordelijk gelegen Mandalay.
In de omgeving van Bagan maakten we een stop bij een bosje van palmbomen. We kregen er een demonstratie van hoe de Birmezen met het milieu omgingen. De palmboom werd volledig gebruikt. Er ging werkelijk niets verloren.
Het sap werd met een bakje opgevangen en twee uur (in)gekookt; dan kwamen een soort suikerklontjes te voorschijn. Het vuur werd gestookt met takken van de bomen. Van het sap werd ook whiskey en pure alcohol gemaakt. Op deze ‘primitieve’ manier, zonder enige machine, duurde het tachtig minuten voor een liter alcohol tot stand kwam.
Langs de weg was bovendien ruimte gemaakt voor een os die de hele dag langzaam in een cirkel rondliep. De sporen van zijn activiteiten waren op de grond goed zichtbaar. In het midden hing een bak waarin door zijn rond-draaiende beweging olie uit pinda’s van het land geperst werd. Wat overbleef werd aan de os als voeding gegeven. Zo bleef – ervaarde ik het – de natuur in evenwicht in dit deel van de wereld.

Om elf uur in de ochtend bereikten we de haven van Bagan. We stapten aan boord van de Pandaw, het schip dat ons over de rivier in noordoostelijke richting naat Mandalay zou brengen.
Harry Knipschild
23 april 2026
Clips
* Salay
* Myanmar
- Raadplegingen: 265
