Terug naar hoofdinhoud

139 - Togo tijdens de Eerste Wereldoorlog (1916)

 

Later dan de Portugezen, Spanjaarden, Engelsen, Nederlanders en Fransen, hadden de Duitsers koloniale ambities. Pas onder het bewind van Wilhelm II (r. 1888-1918) manifesteerde het Duitse keizerrijk (1871-1918) zich nadrukkelijk in verre landen.

    De Duitsers waren wat Afrika betreft (onder meer) actief in Togo, dat ze Togoland noemden. De Nederlands-Duitse missie van Steyl (SVD) hield er zich bezig met het bekeren van de ‘inlanders’. In het begin van de Eerste Wereldoorlog kwam er snel een einde aan de bemoeienis van de Duitsers met het land tussen Ghana (Goudkust) en de Ivoorkust in het westen en Benin (Dahomey), Nigeria en Kameroen in het oosten. Franse en Britse troepen wisten Togo al in augustus 1914 te onderwerpen; dat wil zeggen van de Duitsers over te nemen.

 

Missie in Togo

 

De Duitse capitulatie had ook gevolgen voor het functioneren van de Duitse katholieke missie. Franz Wolf, op 2 februari 1876 geboren in Borbeck (nu onderdeel van Essen), was op 19 september 1896 toegetreden tot de SVD, op 5 februari 1899 tot priester gewijd en op 16 maart 1914 op 38-jarige leeftijd benoemd tot apostolisch vicaris (missiebisschop) van Togo. In Steyl bij Venlo ontving hij een paar maanden later de bisschopswijding: vanaf 28 juni 1914 mocht hij zich bisschop van Byblos noemen. Wolf was de eerste bisschop van Duits Togo.

 

1 Togo

Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) was Wolf niet in staat naar het hem toegewezen Afrikaanse missiegebied af te reizen.

    In een artikel dat in april 1916 gepubliceerd werd in het maandblad Katholieke Missiën, verzuchtte hij: “Ver van mijn missieveld verwijderd, heb ik thans reeds anderhalf jaar hier in Europa doorgebracht. De vreselijke wereldoorlog woedt nog maar altijd voort, zodat er nog geen vooruitzicht voor mij bestaat om spoedig naar de missie terug te kunnen keren”.

    De nieuw-gewijde Duitse SVD-bisschop kon, zoals afgedrukt werd, ‘nog niet naar zijn zwaar beproefde missie en was genoodzaakt, de tijd van zijn gedwongen oponthoud tot voordeel van de missie te besteden’. Hij deed dat onder meer met het schrijven van een artikel: ‘Hoe ziet het er thans met de missie in Togo uit?’

 

De lezers van Katholieke Missiën kon hij enigszins gerust stellen. “Togo is nu ruim anderhalf jaar in handen van de Fransen en Engelsen. Vreesden wij in het begin niet zonder reden voor het leven van paters, broeders en zusters, thans kunnen wij dienaangaande tenminste gerust zijn. De openbare orde, voor zoverre men daarvan bij een bezetting door vijandelijke troepen kan spreken, is hersteld”.

    Wolf voegde eraan toe: “Op twee na konden allen, die in de missie werkzaam waren, in Togo blijven: éen pater en éen broeder werden als krijgsgevangenen weggevoerd”.

 

2 Franz WolfFranz Wolf

 

Missie in de knel

 

Als gevolg van de oorlogshandelingen waren de missie-activiteiten wel in de knel komen te zitten. “De werkzaamheden, die vroeger in het jaarlijks verslag zo verblijdende vruchten aanwezen, hebben natuurlijk veel geleden”. Details bleven uit. “Statistieke gegevens van hetgeen wij bereikten, kan ik u helaas nog niet voorleggen”.

 

Wolf deed zijn best: “Ik wil trachten in het kort de staat van de missie te schetsen, zoals hij volgens de ingekomen berichten schijnt te wezen”.

    Doordat aan de Duitse SVD-missionarissen beperkingen waren opgelegd, kwam er van bekeringen en het handhaven van het katholieke geloof niet veel terecht. “Ze kunnen hun bediening bij de christenenen en catechumenen niet meer uitoefenen als vroeger, ofschoon het toch juist nu bijzonder noodzakelijk was. Vele plaatsen mogen zij niet eens bezoeken. Daarom is helaas te vrezen, dat vele christenen onverschillig zullen worden”.

 

De nieuwe bisschop citeerde uit brieven die hem sinds augustus 1915 onder ogen gekomen waren. “Haast een jaar geleden kwam de tijding: ‘In onze werkzaamheden zijn we erg beperkt, maar het gaat toch nogal. De inboorlingen weten natuurlijk niet, wat ze over de toestand moeten denken en wat ze moeten doen en laten. Bij al die warboel hebben onze christenen zich over het algemeen goed, ja zelfs voorbeeldig gedragen. Uitzonderingen zijn er weliswaar ook’”.

 

Britten in Togo

 

Over de houding van de Britten was Wolf gematigd tevreden, zo bleek uit een brief van een half jaar later. “Er zijn ook hier wel verschillende dingen, die het leven lastig maken en het missiewerk belemmeren; dat is echter door de oorlogstoestand als van zelf gegeven. Ik moet eerlijk bekennen: de Engelse ambtenaren, vooral de commandant, zijn zeer tegemoetkomend. Wanneer ze ons zelfs meer moeilijkheden in de weg legden en ruwer behandelden, zouden we nog tevreden kunnen zijn”.

 

3 Lome

 

Lome (de ‘hoofdstad’ aan zee) was door de Britten overgenomen. Om die reden ging het daar goed, wist hij te melden aan de hand van enkele voorbeelden, zoals over het aantal communies. “Zondag na Hemelvaart naderden 160 christenen de Heilige Tafel”. De achtergebleven missionarissen hadden niet te klagen over het katholieke onderwijs. Dat werd druk bezocht in het Engelse deel van Togo.

    Toch moest hij constateren: “De meeste scholen moesten worden gesloten, meestal wegens geldgebrek”. Bij een school in Lome was het aantal leerlingen wel met 150 jongens verminderd. Voor hem was het duidelijk waarom dat het geval was. Het waren bekeerlingen van wat verder weg, die het onderwijs hadden weten te combineren met werken voor de blanken in Lome. “Vele uitheemsen, die vroeger bij blanken in dienst waren, zijn naar huis teruggekeerd”.

    De jongelui uit Lome zelf lieten zich nog steeds door de paters onderwijzen. “Er ontbreekt geen enkele.      Dat is een goed teken én voor onze jongens zelf én ook voor het Engels bestuur alhier. Dit heeft ons in Lome, wat school en missiewerk betreft, niet tegengewerkt”.

 

Fransen in Togo

 

Over de Fransen, die inmiddels in een ander gedeelte van Togo macht uitoefenden, was hij een stuk negatiever. “Hun houding ten opzichte der missie is allesbehalve vriendelijk.

    Dieper landwaarts in schijnen de missionarissen nog wel wat meer vrijheid te genieten, maar in het zuiden, vooral in Anecho [aan de kust] en omstreken, ziet het er treurig uit. De buitenstaties mogen door de paters reeds sinds het uitbreken van den oorlog niet meer worden bezocht.

    Op de hoofdstatie worden de paters sinds maanden in hun huis gevangen gehouden. Ze mogen niet uitgaan dan naar de kerk. Zelfs niet eens een stervende mag de priester gaan bezoeken zonder uitdrukkelijk verlof, dat voor ieder geval opnieuw gevraagd moet worden bij de commandant, die drie kilometer daarvan verwijderd, in Sebe woont”.

    In Europa waren de Duitsers en de Fransen in hevige oorlog met elkaar.

 

Gezondheid

 

Hoe zou het in Togo gaan met de vertegenwoordigers van de Europese missie?

    Wolf: “Met de gezondheid van de missionarissen gaat het Goddank nog al. Voor velen is echter een herstel van krachten dringend nodig. Twee zusters, die erg ziekelijk waren, hebben een paar maanden geleden met toestemming van de Engelsen de reis naar Europa aanvaard. Een Engels geneesheer begeleidde hun tot Engeland en nam edelmoedig de zorg voor haar op zich. Ze zijn zonder ongeval in Steyl aangekomen”.

 

4 zustersDuitse zusters in Togo

 

Hoop op een betere toekomst

 

Wolf, de eerste bisschop van Togo, voelde zich machteloos. “Het is onmogelijk te zeggen, hoe het een missionarishart aandoet, wanneer hij, na zestien jaren werkens in zijn geliefde missie, thans, als nieuwbenoemd bisschop, uit de verte vol zielsleed moet aanzien, hoe de vrucht van al ons zwoegen gedurende zovele jaren op het spel staat. Alleen de hoop op de toekomst houdt ons staande”.

 

De toekomst zag er door de oorlog voor de missie niet roodkleurig uit, moest hij constateren. Om te beginnen was er een tekort aan geld. “In de meeste maanden gedurende de oorlog zijn verreweg niet genoeg giften ingekomen, om daarmee slechts in de lopende behoeften van het levensonderhoud der missionarissen, hoe bescheiden en beperkt ook, te kunnen voorzien”.

    De Duitsers waren bovendien nauwelijks in staat om zelf voor de missie in Togo te gaan werken. “Vele van onze vroegere vrienden in Duitsland zijn ten oorlog getrokken, menigeen is reeds gesneuveld. Anderen, die ons graag hadden geholpen, konden met de beste wil niets afstaan, omdat ze zelf in nood zijn of hun kostwinner hebben verloren”.

 

Wat bleef er nog anders over dan zich rechtstreeks te richten tot God. Veel bidden dus. Wolf was dankbaar voor het beetje hulp dat er nog doorsijpelde. “Tot mijn groot genoegen moet ik zeggen dat vele vrienden ons trouw gebleven zijn. Ze hebben hun giften gestuurd als anders of zelfs nog meer, met het oog op de dringende nood. Aan al deze edelmoedige, grote en kleine gevers en geefsters, betuig ik hier mijn diepst gevoelde dank”…

 

Voor de Duitsers zou het in Togo niet meer goedkomen tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Franz Wolf werd doorgestuurd naar het oosten van Nieuw-Guinea, waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam te overlijden.

 

5 Wolf cv

Harry Knipschild

26 maart 2026

 

  • Raadplegingen: 346