18 1 Daendels
 
 
In 1789 verzetten de Fransen zich tegen het optreden van hun koning, Lodewijk XVI. Toen zijn macht steeds verder beperkt werd, sloeg het koninklijke echtpaar op de vlucht naar het buitenland, maar werd onderweg aangehouden en gedwongen terug te keren naar de hoofdstad. In januari 1793 werd Lodewijk ter dood veroordeeld en belandde de volgende dag al onder de guillotine.
    De nieuwe Franse machthebbers moesten zich nu verdedigen tegen buitenlandse invallen. Maar vrij snel daarna wist Frankrijk zijn invloed uit te breiden buiten de voormalige grenzen. Mede met hulp van Nederlandse patriotten (tegenstanders van stadhouder Willem V die het land uit waren gevlucht en in St. Omer en omgeving een voorlopig onderdak hadden weten te vinden) trokken Franse legers de noordelijke grens over. De Oostenrijkse Nederlanden (België) en het zuidelijk deel van de Republiek (Nederland) werden veroverd en geannexeerd.
   Op 18 januari 1795 wist de stadhouder zijn hachje te redden door op de boot naar Engeland te stappen. De Fransen kregen het vanaf die tijd in onze streken steeds meer voor het zeggen.
 
 
18 2 Willem V naar EngelandWillem V naar Engeland
 
 
Daendels naar Oost-Indië
 
 
De Geldersman Herman Willem Daendels, op 21 oktober 1762 geboren in Hattem, maakte carrière in het Franse leger. Hij speelde een grote rol bij het verdrijven van de stadhouder en het uitschakelen van zijn aanhangers. Onder supervisie van de Fransen ontpopte hij zich weldra als hoogste militair in ons land. Daendels trad op de voorgrond bij twee staatsgrepen in 1798 en als legerleider toen een Britse invasievloot in Noord-Holland anno 1799 landde in een poging de (Franse) bezettingsmacht aan de kant te zetten en het stadhouderlijke bewind te herstellen.
    Daendels raakte in discrediet en leek uit het politieke middelpunt te verdwijnen. De Fransen waren hem echter niet vergeten. Toen Lodewijk Napoleon, de jongere broer van Napoleon (keizer sinds 1804) in Holland door hem in 1806 op de troon gezet werd, kwam hij steeds meer in beeld. De Hattemer, lid van het nieuwe légion d’honneur, was voortdurend aan de zijde van de koning te vinden, tijdens militaire expedities in Duitsland en Den Haag.
    In het voorjaar van 1807 kreeg de koning van Holland van zijn broer opdracht om een sterke man naar Java te sturen om daar de wankelende Franse macht te herstellen. Door de gebeurtenissen in Europa en de groeiende Britse invloed op zee (zeker na de Nederlaag bij Trafalgar) had de koloniale elite zich steeds meer losgemaakt van de Franse invloed. 
 
Napoleon had territoriale ambities in Azië. Hij stuurde de Fransman Charles Decaen die kant uit. Vanaf het eiland Mauritius (Isle de France) probeerde die de zaken naar Franse hand te zetten en stuurde troepen naar Java. Dat was niet genoeg. Napoleon gaf zijn broer in Holland opdracht om in Oost-Indië een volgende stap te zetten. Lodewijk Napoleon (Louis Bonaparte) benoemde Daendels tot gouverneur-generaal en maarschalk.
    Herman Willem wist de overtocht te volbrengen en in zijn eentje de macht te grijpen – een bijzondere prestatie. Op Java werd hij de kleine Napoleon genoemd.
 
 
Daendels op Java
 
 
De elite op het eiland had grote moeite met het optreden van de man die de Fransen hadden gestuurd. Hun nieuwe hoogste chef, maarschalk en gouverneur-generaal, voerde een bewind in zoals dat in het Franse keizerrijk normaal was geworden. Van democratie was geen sprake. Iedereen moest gewoon doen wat hem verteld was. In feite regeerde hij per decreet.
    De Nederlanders, die vóór de komst van Daendels de macht onder elkaar verdeeld hadden, zich onafhankelijk van het moederland opstelden en zich (ten koste van de VOC) hadden weten te verrijken, werden gedwongen zich te schikken. Menigeen verloor zijn bron van inkomsten. Anderen werden op de boot terug naar Europa gezet. Terug in Nederland hadden ze weinig goede woorden over het optreden van Daendels, die weliswaar Nederlander was maar zijn boterham door de Fransen liet smeren. Ze vonden gehoor bij minister Van der Heim, die zich kritisch opstelde ten aanzien van de aanpak van Daendels. 
 
In een brief aan Lodewijk Napoleon liet Daendels weten: “Ik heb de ontbinding van de Compagnie [VOC] afgekondigd. Ik heb overal de wapens van de Compagnie vervangen door die van Uwe Majesteit. Uw verjaardag is op 25 augustus op het hele eiland Java gevierd, zelfs in het hof van de [Javaanse] prinsen.
    De oude sultan, die vroeger nooit de woning van de resident kwam bezoeken, heeft nu meegedaan aan de volgende toasts:
    1. Op de gezondheid van Z.M. Lodewijk Napoleon, koning van Holland, de vriend van de Javaanse prinsen, de vader van zijn volk; tevens van het Javaanse volk. Het saluut bestond uit 45 kanonschoten.
    2. Op de gezondheid van Z.M., de grote en onoverwinnelijke Napoleon, keizer van de Fransen, broer van Z.M. de koning van Holland, 45 kanonschoten.
    3. Op de gezondheid van H.M. de koningin van Holland [Hortense de Beauharnais], voorbeeld van deugd en goedheid, 36 kanonschoten.
    4. Op de gezondheid van Z.K.H., de koninklijke prins van Holland, de hoop van al zijn goede en trouwe onderdanen, 36 kanonschoten.
    5. Op de gezondheid van de gouverneur-generaal van Indië, 28 kanonschoten.
    6. Op de gezondheid van Zijne eminentie de Soesoehoenan, of sultan van Mataram, 21 kanonschoten”.
 
 
Ontwikkelingen in Europa
 
 
18 3 Lodewijk Napoleon weg uit HollandLodewijk Napoleon weg uit Holland
 
 
Daendels was in Batavia slecht op de hoogte van de snel op elkaar volgende gebeurtenissen in Europa. Zeilschepen deden er vele maanden over om brieven te bezorgen, als die sowieso hun bestemming bereikten. Vóór het antwoord op een dringend schrijven arriveerde, verstreek er een zeer lange periode. In de tussentijd was er dan weer een totaal andere situatie ontstaan. Hoe kon de maarschalk op Java weten dat de twee Bonaparte-broers ver weg niet meer door één deur konden.
    Begin juli 1810 vluchtte Lodewijk weg uit zijn paleis in Haarlem. Keizer Napoleon besloot het koninkrijk Holland met Frankrijk te verenigen, dat wil zeggen in te lijven.
    Vanuit Mauritius had Daendels gehoord over de nieuwe staatkundige ontwikkelingen. Maar formeel wist hij van niets. Aan Napoleon vroeg hij nadere informatie. Hij liet de keizer weten dat hij blij was voortaan rechtstreeks met de Franse autoriteiten te maken te krijgen. “Het bericht heeft mij veel genoegen gedaan”.
    Maar omdat Java (en de rest van Oost-Indië) nu Frans territorium geworden was, vreesde hij voor een Britse landing op Java. “Het is waarschijnlijk dat de veranderingen, zoals die in Holland worden doorgezet, onze externe vijanden nieuwe hoop zullen geven. Ze zullen ons komen aanvallen”.
    Daendels leek de Britten niet te vrezen. “Laat ze maar komen! Ze kunnen ons bang maken met de kracht van hun wapens, maar Uwe Majesteit kan ervan overtuigd zijn dat ik dit mooie land zal behouden zolang er één druppel bloed in mijn aderen stroomt”.
 
 
Java wordt Frans
 
 
Meer dan een half jaar later, op 17 februari 1811, vernam hij per brief dat het koninkrijk Holland had opgehouden te bestaan. Oost-Indië was onderdeel van het Franse keizerrijk geworden. Daendels vernam bij die gelegenheid bovendien dat hem de hoge Franse functie van maarschalk was ontnomen. Voortaan mocht hij zich alleen nog maar generaal en gouverneur-generaal noemen.
    Wat kon hij anders dan zich bij de nieuwe situatie in het verre Europa neerleggen. De volgende dag, organiseerde hij een ‘aanzienlijk festijn voor 180 personen’ waar voor het eerst ter ere en op de gezondheid van ‘onze nieuwe souverein, zijne majesteit keizer Napoleon, plechtig gedronken werd’.
    Daendels ging verder. Op 20 februari, ’s morgens om half acht, riep hij de Raad van Indië in een buitengewone zitting bijeen. In de Bataviasche Koloniale Courant (door Daendels opgezet) was te lezen: “De gouverneur-generaal arriveerde een half uur later in een koets, met zes paarden bespannen en begeleid door honderd dragonders, én adjudanten, secretarissen generaal, zijn griffier, de brigadiers en chefs der generale staven van landmacht en marine.
    Aan de trap van het gouvernementshuis op Molenvliet werd hij ontvangen door de president, de leden en de secretaris van de Raad van Indië, en begaf zich plechtig naar de vergaderzaal. De adjudanten namen plaats achter de stoel van Daendels en deze opende de vergadering met een gebed”.
    Daendels bracht het koloniale bestuursorgaan op de hoogte van het decreet, gedateerd 9 juli 1810 en opgesteld in kasteel Rambouillet, waarbij Napoleon Holland met Frankrijk verenigd had. Vervolgens zwoer hij een eed van trouw en gehoorzaamheid aan Napoleon, ‘de keizer der Fransen, koning van Italië, beschermer van het Rijnverbond en bemiddelaar van het Zwitserse bondgenootschap’. “Zo waarlijk helpe mij God almachtig!”
    Na deze verklaring nodigde hij zijn belangrijkste onderdanen uit hetzelfde te doen – door die eed, waarvan hij het voorbeeld had gegeven, ‘plechtig  en hoofd voor hoofd aan mijn handen af te leggen’.
    Verzet was er niet in Batavia. Napoleon kon, ver weg in Europa, tevreden zijn. “De vergadering hief een ‘Lang leve Zijne Majesteit, de keizer en koning. Lange leve Hare Majesteit de keizerin’ aan. Vijfenveertig saluutschoten volgden”.
 
 
18 4 Bataviasche Koloniale CourantBataviasche Koloniale Courant
 
 
De besluiten volgden elkaar snel op. De Hollandse vlag moest op forten en schepen onmiddellijk door de Franse vlag vervangen worden. Bij alle kerkgenootschappen moest gebeden worden voor de keizer en de keizerin. In het vervolg moest recht worden gesproken in naam van de keizer.
    Java was een stuk van Frankrijk geworden. Per brief liet hij aan Napoleon weten: “Mijn hart voelt zich verlicht als ik eraan denk dat de Hollandse natie, die al zolang onderwerp van medelijden is, nu onderdeel wordt van het grootste volk van het continent en gaat leven volgens de beste wetten”.
 
 
18 5 vlagvlag van keizer Napoleon
 
 
Klachten over Daendels
 
 
Menigeen die zich verzette tegen de Franse aanpak van Daendels op Java moest dat bekopen met een onvrijwillige retourreis richting het vaderland. De ballingen uitten daar uiteraard hun ongenoegen als ze de kans kregen. 
     Charles Lebrun (1739-1824) kreeg een en ander te horen. Na de inlijving had Napoleon hem naar het noorden gestuurd om als een soort interim-manager (luitenant generaal) op te treden en in de gaten te houden wat er in Holland speelde. 
     Minister Van der Heim, die onder Lodewijk Napoleon gediend had en een negatief oordeel had over de aanpak van Daendels op Java, was een campagne begonnen om de ‘maarschalk’ van zijn post te verwijderen. Hij wilde hem bij voorkeur vervangen door J.W. Janssens, afkomstig uit Nijmegen.
     Jan Willem zat verlegen om een goede baan. Hij besefte weliswaar dat hij misschien niet de meest bekwame persoon was voor Indië, maar hij wilde heel graag iets nieuws aanpakken. Zijn Maastrichtse vrouw Anna Balneavis was op 27 april 1810 overleden.
     Met Janssens kon Van der Heim het goed vinden. Janssens lijkt iemand te zijn die zich overal goed kon verkopen. Zo maakte hij in die tijd deel uit van het Hollands gezantschap dat Napoleon in Rambouillet kennis kwam geven van Lodewijks ‘besluit’ om af te treden. Ter plekke had hij op 16 augustus een lang onderhoud met Napoleon over Indische zaken, waarin hij – blijkbaar met succes – de laatste roddels over Daendels overbracht.
     Van der Heim stopte bovendien met het uitbetalen van het Hollandse salaris aan mevrouw Daendels, die in Nederland was gebleven toen haar echtgenoot naar Oost-Indië vertrok.
 
 
Van der Heim – Lebrun – Janssens
 
 
Al op 22 juli 1810 rapporteerde Lebrun aan Napoleon dat ‘Daendels hier niet kan rekenen op groot vertrouwen en grote achting, maar er zijn vrouw en kinderen en al zijn belangen zijn vastgekluisterd aan die van Uwe Majesteit’.
    Op 31 juli, in een nieuwe brief aan de keizer, schreef hij: “Daendels is een slecht mens, maar wij hebben zijn vrouw en zijn kinderen”.
    Het zegt wel iets van het niveau van Lebrun, of van de cultuur van het Franse keizerrijk in die tijd, om de familie van de gouverneur-generaal van Indië meteen als gijzelaar te zien.
    Het lijkt erop dat Van der Heim Daendels stapje voor stapje onderuit haalde. Op 20 augustus ging hij zelfs zo ver dat hij een vernietigend rapport over Daendels schreef. Had Lebrun daar om gevraagd? Van der Heim kon in zekere zin schrijven wat hij wilde: de koning was gevlucht, Daendels was niet bij de hand om zich te verdedigen, en bij Lebrun vond hij een gewillig oor.
 
Een van zijn grootste verwijten aan het adres van Daendels was dat hij ten onrechte gerapporteerd had dat het in Bantam (Banten) rustig was. Wat is rustig? Wanneer is een conflict onder controle?
    Van der Heim was ‘vergeten’ dat hij kort daarvoor nog in een brief aan Daendels geschreven had: “Alles is hier in volmaakte rust”. Op dat moment legden Franse troepen hun wil op in Holland, zoals de maarschalk dat in Bantam deed.
    Een ander verwijt was dat Daendels brigadier Sandol Roy op Java had afgezet. Hij vertelde er niet bij dat Sandol Roy, opperbevelhebber van het Bataafse leger op Java in 1808, vóór de komst van Daendels, openlijk had verklaard dat hij van plan was de door Lodewijk Napoleon benoemde gouverneur-generaal bij aankomst te arresteren.
    Van der Heim beklaagde zich over de negatieve manier waarop hij een ‘criticus’ als Van Polanen bejegend had, over de vooraanstaande rol die hij Van Braam had toegedacht, en over het in roulatie brengen van papiergeld. Maar hij voegde er niet aan toe dat Daendels had gehandeld conform de instructies en volmachten die hij – ondanks zijn eigen protesten – (toch) van Lodewijk Napoleon gekregen had. Enzovoort, enzovoort.
    Het rapport van Van der Heim was het rapport van een technocraat die geen grip had op zijn gouverneur-generaal en hem met onjuiste en onvolledige feiten verdacht maakte.
 
 
Lebrun brengt de keizer op de hoogte
 
 
18 6 Charles LebrunCharles Lebrun
 
 
Die zelfde dag nog, 20 augustus 1810, schreef Lebrun aan Napoleon dat men de ‘meest afschuwelijke dingen over Daendels schrijft’. Op 10 september stuurde hij de door Van der Heim vertaalde instructies die Daendels drieëneenhalfjaar eerder naar Indië had meegekregen naar Parijs. Van der Heim beweerde dat hij slechts met grote moeite bij het Secretariaat van de Staat een zeldzaam exemplaar van de relevante stukken had kunnen bemachtigen. Hij had ze zelf niet op kantoor, ze waren nooit bekrachtigd en hij had de indruk dat ze slechts waren gebruikt door leden van de regering in het verre verleden.
    De minister was niet op de hoogte of hij hield zich van den domme. Bracht hij Lebrun op de hoogte van de geheime (mondelinge) volmachten die Daendels van Lodewijk Napoleon meegekregen had?
    Intussen stuurde hij het ene memo na het andere over de situatie in Indië. Daarbij werd hij geholpen doordat toevallig, juist in die tijd, Maurisse en Prediger (afgezette leden van de Hoge Raad van Justitie op Java) en Sandol Roy in ‘Nederland’ arriveerden, die Daendels in Indië op de boot gezet had.
 
 
De benoeming van Janssens als opvolger van Daendels
 
 
Tijdens mijn onderzoek in het Franse nationaal archief vond ik honderden briefjes die Lebrun aan de keizer der Fransen stuurde. Die gingen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Zo vertelde hij Napoleon dat hij op 19 juli 1810 het eerste vaatje haring in ontvangst had genomen; het was nu eenmaal traditie in Holland dat de hoogste gezagsdrager dat deed – en dat was hij. De vissers waren (op zijn initiatief?) ook onderweg naar Parijs om Napoleon zelf van haring te voorzien!
    Op 21 oktober schreef hij, in alle ernst, aan de keizer: “De liquidatie gaat nu beginnen”. Menige hoge ambtenaar moest vervangen worden. Maar Van der Heim was een goede collaborateur. Twee maanden later bevestigde Lebrun: “Er zijn nog verdienstelijke mensen. Holland moet hem erkentelijk zijn”.
    De keizer beloonde Van der Heim met een baantje als prefect.
 
Al eerder deed Lebrun zelf een voorstel om een nieuwe man voor de hoogste post op Java in te zetten. “Er is hier een Franse officier, een brigade-generaal, een broer van Rouget de Lille, de auteur geloof ik van de Marseillaise. Hij zou met Daendels naar Batavia gaan, maar werd tijdens de overtocht gevangen genomen. Ik geloof dat men hem kan vertrouwen”.
    Napoleon reageerde meteen: “Ik weet niet wie de broer van Rouget de Lille is. Ik geloof dat ik een Nederlander ga sturen”. En op 6 september: “Vanwege de taal wil ik – vanuit Saint Malo – Hollandse troepen sturen, een klein bataljon met vier compagnieën van ieder 120 man. Zoek goede officieren voor me uit. Stuur me de correspondentie van Daendels”.
    Op 12 oktober liet de Franse minister Denis Decrès, evenals Van der Heim belast met de marine, aan Napoleon weten: “Generaal Sandol Roy is in Parijs aangekomen en zou Uwe Majesteit graag willen spreken. Hij heeft vijftien jaar in Batavia gediend. Generaal Daendels heeft hem teruggestuurd onder het voorwendsel dat hij te oud is”.
    Een paar dagen later stuurde de keizer Decrès persoonlijk naar Holland, waar hij op 24 oktober bij Lebrun in Amsterdam arriveerde. Op 7 november schreef Lebrun: “Bijgaand een brief van de minister van marine die de nieuwe daden van de gouverneur van Java verafschuwt”.
    Daendels had afgedaan bij de Franse autoriteiten. Hij moest definitief vervangen worden.
 
 
18 7 Denis Decrès 2Denis Decrès, Père Lachaise, Parijs
 
 
Terwijl Decrès in Holland was, arriveerden in Bordeaux schepen met koloniale waren die Daendels gestuurd had. Erbij zaten stapels (duplicaten van) brieven aan Napoleon, Lodewijk Napoleon, Van der Heim en aan de echtgenote van Daendels. De post werd onmiddellijk doorgestuurd naar Parijs en daar vertaald.
    De Franse regering was nu op de hoogte van de laatste stand van zaken. Napoleon gaf opdracht om schepen en lading te confisqueren en zo de beoogde Java-expeditie uit de opbrengst te financieren. De handelswaar bleek voor het grootste gedeelte van Daendels persoonlijk te zijn.
 
Op 16 november 1810 besloot Napoleon definitief om Janssens naar Java te sturen. Het jaarsalaris van Janssens stelde hij vast op 500.000 franc (400.000 gulden), driemaal zo hoog als dat van Daendels, maar wel te halen uit de Indische kas.
    De volgende dag schreef Jan Willem vanuit Hotel des Etrangers in Parijs, waar hij op zijn benoeming zat te wachten, aan Decrès, zojuist terug uit Amsterdam: “Ik zit boordevol erkentelijkheid voor dit bewijs van goedheid van mijn Souverein. Ik smeek Uwe Excellentie mijn oprechte dankbaarheid aan de voeten van Zijn Troon te leggen, en de verzekering dat ik mij zal inspannen alle plichten die zo’n belang met zich meebrengt te vervullen”.
    Wat public relations betreft liet Janssens weinig aan het toeval over.
 
Twee dagen later bezorgde Decrès de vanuit Indië verzonden correspondentie van 26 mei van Daendels bij de keizer, met daarin onder meer: “Ik hoef niet vervangen te worden zolang de situatie zo kritiek is. Deze kolonie mag niet in handen van de Engelsen komen”. 
    Op 24 november 1810 schreef de Franse minister Decrès, namens Napoleon, de formele ontslagbrief aan Daendels. Hij legde het accent op de mogelijk slechte gezondheid van de gouverneur-generaal. “De Keizer heeft zich op de hoogte gesteld van uw correspondentie, met name uw brieven aan de koning. De koning had aan uw brief van 30 november van vorig jaar een onaangenaam gevoel overgehouden. De slechte staat van uw gezondheid was voor hem aanleiding u een opvolger te sturen. Hij was van mening dat het goed voor u was u na enkele jaren in het slechte klimaat van Java wat rust te gunnen”.
 
Op verzoek van Decrès stuurde Napoleon nog een vriendelijk bedankbriefje. Kort voor het vertrek van Janssens naar de Oost schreef hij: “Ik heb de brieven gelezen die uw schepen mij gebracht hebben. Tevens heb ik kennis genomen van uw brieven aan de koning van Holland. Ik ga een groot aantal soldaten, ambtenaren sturen, met wapens en munitie. Ik heb ruim zestig handelsexpedities op het oog en alle koloniale waren die zullen komen heb ik vrijgesteld van douanerechten. Ik schrijf deze brief om te getuigen van mijn tevredenheid. Ik ken uw talenten en uw ijver voor mijn dienst”.
    De volgende dag, na beëdigd te zijn als gouverneur-generaal voor de gebieden ten oosten van Isle de France, het territorium van Charles Decaen, vertrok Janssens naar Indië. Voor alle zekerheid benoemde Napoleon een Fransman, Jumel, als militair opperbevelhebber, en een andere Fransman, Perrin, als hoogste ambtenaar van Financiën.
    Het lot van Oost-Indië bleef zo onder Frans toezicht.
 
 
Daendels in Indië, voorjaar 1811
 
 
Wat er in Europa gebeurde kreeg, zoals eerder aangegeven, pas maanden later zijn vervolg in het oosten van Azië. In februari 1811 werd Daendels formeel op de hoogte gebracht van het verdwijnen van Lodewijk Napoleon, de man die hem met veel volmachten naar Java gestuurd had om daar een bestuur in Franse stijl op te zetten. 
    Onwetend van het vervolg, zijn ontslag en de opvolging van Janssens in november 1810, ging hij door met zijn aanpak. Alle prioriteit gaf hij aan de verdediging van het eiland tegen de verwachte aanval van de Britten vanuit India. Wie onvoldoende meewerkte moest de consequenties ondervinden. 
 
Een voorbeeld. Toen het Molukse eiland Ambon in 1810 door de Engelsen bedreigd werd stuurde hij een van zijn beste officieren, de Franse kolonel Filz, die kant uit. Met nauwelijks bloedvergieten gaf deze zich echter over. 
    Dat had hij beter niet kunnen doen. Bij terugkomst werd Filz, tot voor kort een vertrouweling,  gearresteerd en ter dood veroordeeld. De executie moest duidelijk maken dat Indië niet voor Frankrijk verloren mocht gaan. Aan het thuisfront, de al verdwenen koning van Holland, liet hij weten: “De krijgsraad heeft kolonel Filz ter dood veroordeeld omdat hij Ambon zo laks heeft overgegeven. De executie heeft op het exercitieterrein plaatsgevonden in het bijzijn van acht- tot negenduizend soldaten van het garnizoen en van de mobiele divisie in Batavia. Dit verschrikkelijke voorbeeld was noodzakelijk in een kolonie waar de militaire toestand vroeger veracht en vernederd werd”.
    Over de executie van zijn tot voor kort dierbare ondergeschikte liet hij in de krant afdrukken: “Hij trad de dood gelaten tegemoet, en behield een blijkbare bedaardheid van geest tot het laatste ogenblik”.
 
 
18 8 FilzJean Philippe François Filz (1771-1810)
 
 
Daendels was niet van plan om Indië over te geven aan de Engelsen. Iedereen, vriend en vijand, wist waar hij aan toe was. In afwachting van de invasie bracht hij de verdediging van het eiland in een opperste staat van paraatheid. Het koloniale leger, voor een groot deel bestaande uit door hem op de slavenmarkt gekochte mannen (troupes noirs), kon hij snel verplaatsen over de door hem opgezette ‘grande route’ (grote postweg). In het gebied tussen de haven van Batavia en het militaire hoofdkwartier liet hij alle vervoer verwijderen. Het water daar liet hij stilleggen omdat hij begreep wat de consequenties van stilstaand water (malaria-muggen) waren voor degene die door het gebied moest trekken.
 
 
Janssens lost Daendels af
 
 
Twee maanden na de transitie van Java tot een Franse kolonie, op 27 april 1811, hoorde Daendels van de aankomst van de compagnie onder leiding van generaal Jumel, die Napoleon en Decrès vanuit Frankrijk hadden georganiseerd. Op 16 mei droeg hij zijn zaken over aan Jan Willem Janssens en verliet de bij elkaar gekomen Raad van Indië. Het lijkt alsof de opvolging een sober karakter had. “Dadelijk begon de gewone behandeling van zaken door een rekest van zekere Chinezen ter tafel te brengen, alsof er niets bijzonders was voorgevallen was”, is in de teksten van een latere archivaris te lezen.
    Weldra stapte hij op de boot, die hem naar Europa (Frankrijk) terugbracht. 
 
 
Franse verslagen
 
 
Napoleon werd op de hoogte gehouden van hoe het gegaan was. Aan de Franse vloot waren enkele auditeurs verbonden om verslag te doen. Ze waren unaniem van mening dat Daendels de Franse belangen goed behartigd had. “Overal in deze kolonie waait de Franse vlag. Daendels heeft de verandering met voorzichtigheid en wijsheid doorgevoerd”. 
    Een van hen schreef op 11 juni 1811, dus op zee: “Ik heb het mooiste land van de wereld gezien. Niemand in Europa heeft hier een idee van. Daendels heeft in korte tijd grote dingen tot stand gebracht. In tijd van oorlog was hij helemaal op zichzelf aangewezen. Hij heeft het gezag hersteld, zonder hulp uit het buitenland een leger opgebouwd en grote wegen aangelegd zodat communicatie, transport van troepen en munitie mogelijk is van het ene eind van het eiland naar het andere [ruim 1000 kilometer]”.
    Een jonge luitenant-ter-zee was helemaal lyrisch in een schrijven dat naar Napoleon gestuurd werd. “Bij onze aankomst in dit land vonden wij de Franse vlag op alle forten. Generaal Daendels had iedereen de eed van trouw laten zweren op de keizer en dat is heel plechtig gegaan. U kunt zich niet voorstellen hoe actief deze generaal is en wat hij voor de dienst van de kolonie gedaan heeft.
    1. Vóór hem was er geen verbinding tussen Batavia en Soerabaja over land of heel moeilijk. Hij heeft een grote weg opengebroken waar hij op vaste afstanden gastverblijven heeft laten bouwen, waar men paarden vindt om van rijtuig te wisselen.
    2. Bij het fort Soerabaja konden drie jaar geleden geen boten aan land komen. Nu varen er schepen van 300 ton tot bijna een mijl de rivier in.
    3. Door zijn inspanningen is er een prachtig militair hospitaal gebouwd, heel goed onderhouden, heel gezond.
    4. Een mooie fabriek geeft aan 2.000 man werk om wapens te smeden, hout te bewerken, zeilen te weven, masten te maken, allemaal voor de marine.
    5. Er is een muntgebouw waar men 80.000 munten per maand slaat, zodat het de inwoners van Java, die geen zilver meer hebben, niet aan geld ontbreekt.
    6. Twee gigantische forten, het een met 40 kanonnen, het ander met een dozijn, om de haven te verdedigen.
    7. Een citadel, Fort Louis, om de haven te verdedigen en voorzien van 120 kanonnen, is op een zandplaat verrezen.
    8. Een kleine vloot om de kust te verdedigen en jacht te maken op de piraten.
    9. Een leger van 25.000 man, met discipline, Europese kleding en goed betaald.
    Daendels vertrekt naar Frankrijk op het corvet la Sapho, maar hij laat de kolonie zó achter dat die niet hoeft te vrezen voor de aanval van de Engelsen”.
 
Op 1 november 1811 deed Daendels verslag in Frankrijk. Minister Decrès ontving hem en rapporteerde vervolgens aan Napoleon, terug van een bezoek aan het ingelijfde Nederland: “Ik heb zojuist een onderhoud met Daendels gehad. Na zijn vertrek heb ik zijn antwoorden meteen op papier gezet. Wij hebben fouten gemaakt”.
    De Fransen, lijkt, waren alsnog tot de conclusie gekomen dat de Hattemer het aanzienlijk beter gedaan had dan zij eerder verondersteld hadden. Een jaar later trok hij met Napoleon mee naar Rusland en belandde er lange tijd in Modlin, nu Pools gebied.
    Hoe zou Janssens het aanpakken?
 
 
Java in Britse handen
 
 
Janssens was anders dan Daendels. Hij vond dat de maatregelen van Daendels disproportioneel waren. Belangrijker dan het in stand houden van een verdedigingslinie zag hij het als zijn taak de Javanen voor zich te winnen. Hij reduceerde de troepenmacht en verplaatste zijn hoofdkwartier. Op 4 juni bepaalde de nieuwe gouverneur-generaal dat de op bevel van Daendels vernielde bruggen en het stil liggende water weer in de oude staat teruggebracht moesten worden. Zijn broodheer vergat hij echter niet: op 15 augustus 1811 hield het Franse leger nog een parade ter gelegenheid van de 42ste verjaardag van Napoleon, keizer van de Fransen en dus ook van het geannexeerde Nederland. In Europa konden ze trots op hem zijn.
 
 
18 9 JanssensJan Willem Janssens
 
 
Het pakte anders uit dan Janssens voor ogen had. Nog vóór de parade waren de Britten met de door Daendels voorspelde invasie begonnen. Het nieuwe beleid kwam hen goed uit. Van weerstand was dan ook weinig sprake. Binnen enkele weken was de situatie uitzichtloos geworden. Op 17 september bevond de gouverneur-generaal  zich te Salatiga, op de weg tussen Semarang en Soerakarta. Vanuit zijn hoofdkwartier daar gaf hij volmacht aan H.M. de Kock om zich aan de Engelsen over te geven.
    Nog vóór Daendels verslag kon uitbrengen aan minister Decrès was Frans Indië overgegaan in Britse handen.
 
 
Harry Knipschild
29 december 2021
 
Bovenstaand artikel is een afgeleide van veel archiefonderzoek, dat in 2000 leidde tot de eindscriptie ‘Een Bataaf in Batavia, 1808 – 1811. Herman Willem Daendels en zijn Franse connectie’, aan de universiteit Leiden. De scriptie is in de bibliotheek aldaar te raadplegen. Ik studeerde af bij prof dr Leonard Blussé en prof dr Femme Gaastra.