Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen

Hoofdstuk 2

Het China van Hubert Kallen
 

 

Een brief uit de missie van oostelijk Mongolië

 
Mgr. Theodoor Rutjes, bisschop in oostelijk Mongolië, over de zaili-opstand, 9 december 1891:
 
“Ik heb slechts een ogenblik tijd om te schrijven. Bijna al onze christenen zijn bereid tot de marteldood: biecht horen zonder einde, en daarbij ben ik hier bezig voor de veiligheid van de meisjes der Kindsheid zoveel mogelijk zorg te dragen.
   Het eerste bericht over de [zaili]-opstand werd ons gestuurd door een heidense schoolmeester. Hij waarschuwde ons dat een grote bende zich gereed maakte om op onze verblijfplaats af te trekken. Op 14 november [1891] ontvingen wij de tijding, dat Tschao-iang-hiin, een dagreis van ons afgelegen, al was ingenomen. ’s Avonds om 10 uur kwam pater Raymakers mij uit bed halen met de boodschap, dat de opstandelingen in aantocht waren en vóór het morgenlicht bij ons zouden zijn.
   Wij lieten de paarden zadelen, zonden de [Chinese priester]-studenten en de meisjesschool naar christen-families in de bergen, en waarschuwden de Kindsheid. Te paard tussen Abels en Raymakers beloofde ik die nacht, als het Goddelijk Hart ons beschermde, een jaar lang elke eerste vrijdag een heilige Mis te zingen in de kerk van Soeng-choe-tswi-dze (de Pijnbomen).
   Met een zestigtal meisjes uit het weeshuis vluchtten wij Mandchoerije in. Al de christen-vrouwen en kinderen spoedden zich naar de bergen.
   De christen-mannen der streek grepen de wapens en trokken naar de Pijnbomen om onze verblijfplaats te verdedigen, hun eigen huizen aan de Voorzienigheid aanbevelend. Ik had hen verboden te strijden tegen de overmacht: men sprak van duizenden muitelingen. “Zijn er te veel, dan zullen wij vluchten”, antwoordden zij. “Zijn er slechts 2000, die kunnen wij aan”.
 
Na vier dagen hadden wij al onze meisjes der Kindsheid bij ons. Wij hebben ons zeventien dagen schuil gehouden.
   De christenen hadden van onze verblijfplaats een in schijn onneembare vesting gemaakt. Schietgaten waren in de buitenmuren aangebracht. Vlaggen en banieren wapperden op de gebouwen. Kachelpijpen en tonnen, met rode lappen omwonden, vertoonden een menigte kanonnen. Onder Gods bescherming gelukte de list volkomen. De voorhoede der opstandelingen, die tot op een half uur afstand was genaderd, liet zich door het krijgsvertoon afschrikken en trok naar het noorden terug.
   Zodra wij dit in onze schuilhoek vernamen, maakten wij ons gereed naar huis terug te keren. Intussen kwam pater Bruylant bij ons. Hij was ’s nachts met zijn Kindsheid uit Shanhou gevlucht. Hij vroeg karren om de kinderen naar Mandchoerije over te brengen. Daarop kregen wij bericht: ‘Bagou’s missie-residentie verbrand. Kinderen en christenen vermoord’.
   Kort daarna kwam er een brief van de Chinese priester uit Shanhou. Hij was daar teruggekeerd met het leger. Het schijnt dat dit leger ons gered heeft door de oproerlingen van Bagou te weerhouden naar de Pijnbomen te komen.
 
Na zeventien dagen trokken wij weer naar huis. De grote bende opstandelingen was het noorden ingejaagd door de soldaten van Moekden. Hun hoofdman, die naar de keizerskroon [in Peking] dong, is gevat en doodgemarteld. Pater Bruylant is naar Shanhou teruggekeerd om zijn christenen op de kans van het martelaarschap voor ter bereiden.
   Thans zijn hier doopleerlingen aangekomen: één van hen heeft zijn moeder en zijn vrouw zien vermoorden, nadat hij haar luidkeels had horen roepen: “Wij blijven christenen, dood ons!” Zijn kind was verbrand met zijn huis.
   Wat gedragen onze christenen zich braaf! Dat Gods wil geschiede!”
 

***

 

China in neergaande spiraal

 
De negentiende eeuw staat niet bekend als de gouden eeuw van de Chinese geschiedenis. De macht van de regerende Qing-dynasty taande. Steeds weer braken er opstanden uit die niet alleen het land ontwrichtten maar ook onvoorstelbare hoeveelheden slachtoffers veroorzaakten. Door droogte en andere natuurrampen was er in sommige provincies weinig of geen oogst. Een infrastructuur om gebieden waar honger heerste te hulp te komen ontbrak. Desondanks groeide de bevolking snel. Het overheidsapparaat was op die groei niet berekend en paste zich onvoldoende aan.
   De komst van de Europeanen droeg meer dan een steentje bij aan de afbraak van de Chinese samenleving. De Britten handelden in opium. Wie er eenmaal mee begon als gebruiker was al gauw zo verslaafd dat hij niet meer zonder kon. De import van kostbare opium was een grote aanslag op de Chinese schatkist. Bovendien werkten de verslaafde Chinezen minder efficiënt. Het is dan ook geen wonder dat de Chinese overheid een einde probeerde te maken aan de import van deze drug. Zo kwam er tot twee maal toe oorlog, eerst in 1839, daarna nog eens in 1856. De Europeanen stuurden moderne oorlogsvloten naar het verre oosten. Eerst alleen de Britten. In 1856 deden de Fransen mee.
   De Chinezen moesten steeds het onderspit delven. Als gevolg daarvan wist het Westen de Aziaten enkele vernederende (‘ongelijke’) verdragen op te leggen. Hierin werd onder meer vastgelegd dat de Europeanen op Chinese bodem niet onder de Chinese wetgeving vielen. Bovendien kregen ze formeel de gelegenheid hun religieuze (christelijke) ideeën te verbreiden. China lag vanaf 1860 ineens helemaal open voor de katholieke missie.
 

Opleving katholieke geloof

 
Het katholieke geloof beleefde na de Franse Revolutie en Napoleon een geweldige opleving. De Franse koningen van het huis van Bourbon brachten het ‘ware geloof’ terug in het land. Vooral op het Franse platteland voelden heel wat jongelui zich bovendien geroepen naar verre streken te trekken om er het christendom te verkondigen.
   Hun activiteiten werden ondersteund door de stichting van de Propagation de la Foi (1822, ‘Voortplanting des Geloofs’) en de Sainte-Enfance (1843, Heilige Kindsheid). Rome sanctioneerde het Franse optreden. De twee Franse organisaties zorgden voor de financiering van de missie in de hele wereld. Nederlands missiegeld ging eerst naar Parijs en Lyon om van daaruit over de aardbol verdeeld te worden. In Frankrijk besloot men in hoeverre een missie-bisdom (apostolisch vicariaat) in aanmerking kwam voor geldelijke ondersteuning.
   China had een bijzondere belangstelling bij katholiek Europa. In het keizerrijk woonden immers honderden miljoenen ‘heidenen’ (potentiële bekeerlingen), meer dan in welk ander land ook. De Kindsheid richtte zich aanvankelijk zelfs uitsluitend op China. Daar werden kinderen door hun ouders immers te vondeling gelegd, verkocht of gewoon gedood omdat ze te veel waren. Vooral meisjes moesten het ontgelden.
   Bij de Propaganda Fide in Rome (het ‘ministerie van missie’ in het Vaticaan) was men verheugd over het succes van de Britse en Franse troepen in China. De ongelijke verdragen, die in 1860 van kracht werden, gaven de Kerk een unieke kans om een gigantische groep mensen voor het katholieke geloof te winnen. Vanuit Rome werd een oproep gedaan op de geestelijke stand om snel gebruik te maken van wat nu mogelijk geworden was.
   Hoewel de hiërarchie van de katholieke Kerk inmiddels hersteld was in Nederland (1853) was ons land formeel nog steeds zelf een missiegebied. Uit ons land was voorlopig dan ook niet veel te verwachten op het terrein van de missie in China en andere landen.
 

Scheut

 
België daarentegen was sinds de officiële onafhankelijkheid in 1839 een katholiek land. Het was dan ook niet vreemd dat onze zuiderburen eerder dan wij zelf reageerden op de missionaire oproep. Theophile Verbist (Antwerpen, 12 juni 1823), aalmoezenier van het Belgische leger en algemeen directeur van de Heilige Kindsheid in België, trad op als de stichter van de missie van Scheut (eigenlijk: missie van het Onbevlekt Hart van Maria, C.I.C.M.,1862), die zich voorlopig uitsluitend richtte op China.
   Omdat de belangstelling in België tegenviel, deed Verbist een beroep op de noorderburen, om mee te doen. Scheut werd zodoende een Belgisch-Nederlandse organisatie.
   Onder druk van Rome trokken de eerste paters van Scheut, onder wie Verbist, al in 1865 naar het missiegebied dat hen door Rome was toegewezen. Dat noemden ze ‘Mongolië’. In werkelijkheid ging het om een gigantisch stuk land ten noorden van de Chinese Muur, dat zich vanuit het oosten uitstrekte tot in de streek die tegenwordig Xinjiang (‘nieuw land’) heet en waar regelmatig moslim-opstanden uitbreken.
   De eerste missionarissen van Scheut, drie Belgen en de jonge Nederlander Ferdinand Hamer, vestigden zich in het bergdorpje Xiwanzi op enkele dagreizen ten noorden van Peking. Het missiegebied namen ze in een paar stappen over van de Franse Lazaristen en de paters van de missie van Parijs (M.E.P., Missions Etrangères de Paris, ‘Vreemde Missiën’).
 
De missionarissen van Scheut, die door Rome nogal onvoorbereid naar het hoge noorden van China gestuurd waren, wisten aanvankelijk niet goed hoe ze hun bekeringswerk moesten aanpakken. Een knecht die ze uit België hadden meegebracht, lieten ze een bierbrouwerij opzetten. Overste Verbist zond de jonge Nederlander in oostelijke richting om, samen met de Chinese priester Lin, op verkenning uit te gaan. Een jaar later trok de Belg Alois Van Segvelt eveneens naar het oosten om er de leiding op zich te nemen. Het duurde niet lang of hij kwam door ziekte te overlijden. Toen overste Verbist eveneens naar het oostelijk deel van het missiegebied van Scheut trok werd ook hij door de (vlek)tyfus geveld.
   In de missie werken, bleek, was niet zonder risico’s. Misschien wel een kwart van de Europese paters in oostelijk Mongolië hield het slechts kort vol.
 

Twee culturen

 
Elk jaar kwamen er nieuwe jonge priesters uit België en Nederland om te proberen de Chinezen te bekeren. Veel bewondering voor wat de bevolking van het keizerrijk vond hadden ze niet. Met materiële middelen (grond, werkgelegenheid, juridische bescherming, belastingvoordeel, geneesmiddelen, schooltjes, wapens enzovoort) wisten ze een en ander te bereiken.
   Diegenen die zich niet ‘bekeerden’ hadden meestal weinig sympathie voor de ‘barbaren uit het Westen’ met hun rare religieuze ideeën en weinig respect voor de Chinese cultuur. Ze zagen de Europeanen als indringers, bemoeials. Als het aan hen lag moesten ze zo snel mogelijk weer verdwijnen. Er waren dan ook tal van incidenten, zoals het bloedbad van Tianjin (1871), waarbij religieuzen en andere westerlingen door de Chinezen vermoord werden. De Chinese overheid, de zogenaamde mandarijnen, moesten zich echter aan de ‘ongelijke verdragen’ houden. Hun sympathie lag in veel gevallen natuurlijk bij de eigen bevolking.
   De regering in Peking was evenwel steeds meer machteloos tegen het einde van de negentiende eeuw. Europeanen, Japanners en Amerikanen drongen vooral vanaf 1890 op. China moest zijn invloed in Korea en Taiwan prijsgeven. Grote stukken land aan de kust kwamen per ‘verdrag’ in handen van de buitenlanders. Er was zelfs sprake van een verdeling van China door de grootmachten zoals die ook elders in de wereld, bijvoorbeeld in Afrika, had plaatsgevonden. De Europeanen waren superieur omdat ze de beste wapens hadden. Ook brachten ze een snelle communicatie met telegraaf en spoorlijnen met zich mee.
  

Het apostolisch vicariaat van Oost-Mongolië

 
De missionarissen van Scheut die in het noorden van China opereerden waanden zich veilig door de Europese grootmachten die zo nodig militair in actie konden komen. Langzaam maar zeker sloten zich Chinese families bij het ‘geloof van het westen’ aan. Die zagen wellicht een betere toekomst als ze op het juiste paard gokten. Van de westerlingen viel in hun ogen op den duur meer te verwachten dan van de eigen overheid, die trouwens bestond uit Manchus, een groep allochtonen die in de zeventiende eeuw vanuit het noorden China was binnengevallen, de macht gegrepen hadden en de Qing-dynastie opgezet hadden.
   Een gedeelte van de Chinese bevolking kwam in de negentiende eeuw in opstand tegen die heersende dynastie. Rustig was het niet in die jaren. Op diverse plekken trokken bendes door het platteland en plunderden waar ze maar konden. Vaak waren het mannen die door de erbarmelijke omstandigheden al hun bezittingen kwijt geraakt waren. Een sociaal vangnet in China bestond niet. Behalve als je je aansloot bij de missionarissen die grond kochten en missiedorpen (christenheden) opzetten met landbouwgrond er om heen.
   Als je je bekeerde en leefde zoals de paters het voorschreven was je uit de nood. Maar welke Chinees wilde nou leven als een ‘vurige christen’? Elke dag de heilige mis bijwonen in de kerk? Biechten? Ter communie gaan? Gehoorzaam zijn aan een paus in Rome, enzovoort...
 
De missionarissen van Scheut trokken zich van het voorlopig beperkte succes van hun operaties weinig aan. Elk jaar arriveerden er weer jonge Belgische en Nederlandse priesters. In 1883 werd het apostolisch vicariaat Mongolië in drie delen opgesplitst: het midden, met Xiwanzi als bisschoppelijke residentie, het westen en het oosten.
   De bisschoppelijke residentie van oostelijk Mongolië kwam helemaal in het oosten te liggen. De Missie van Parijs (M.E.P.) had er een missiepost in Soung-Chou-Tsouei-Tzeu (volgens de spelling in die tijd) en stond die in 1883 af aan Scheut. De residentie werd vanaf die tijd meestal aangeduid met Onze Lieve Vrouw ten Pijnbomen, of kortweg: de Pijnbomen.
   De Pijnbomen was een belangrijk centrum voor de Scheutisten in oostelijk Mongolië. Andere centra waren Guandong in de omgeving van het keizerlijk woud, niet ver van de stad Jehol (nu: Qengde) en de ‘Zwarte Wateren’, noordwestelijk ten opzichte van de Pijnbomen.
   De Nederlander Theodoor Rutjes (geb. 1844, Duiven) was sinds 1883 de eerste bisschop van Oost-Mongolië. Tijdens zijn ambtsperiode maakte hij in 1891 een opstand van de zaili mee. Heel wat christenen kwamen ten westen van de Pijnbomen om het leven, onder wie ook de eerder genoemde Chinese priester Lin. Daarna leek het opnieuw rustig te zijn.
 

Hubert Kallen

 
Eén van de jonge priesters die in Oost-Mongolië belandden was Hubert Kallen, op 31 maart 1871 geboren in de Nederlandse stad Roermond. Het gezin nam een pachtboerderij over in het Vlaamse Lanaken, over de Belgische grens bij Maastricht. Hubert volgde een priester-studie, eerst in Sint Truiden, later in Luik. Op 18 juni 1895 werd hij priester gewijd.
   Hubert voelde zich geroepen missionaris te worden. De missie van Scheut had zijn werkterrein inmiddels flink uitgebreid. In China waren er de (huidige) provincies Gansu, Qinghai en Xinjiang bijgekomen. Bovendien had algemeen overste Van Aertselaer de taak op zich genomen om koning Leopold II missionair te steunen in de Kongo (Afrika). Kallen zou vooral voor dat gebied interesse gehad hebben. Misschien wel om die reden sloot hij zich bij Scheut aan.
   Het was echter niet aan hem om te bepalen waar hij de rest van zijn leven als pater zou doorbrengen. Scheut stuurde hem in 1897 naar Oost-Mongolië. Hubert Kallen was op dat moment 26 jaar.
   In hoofdstuk drie zullen we hem vanaf zijn vertrek in Scheut volgen op zijn reis naar China.
 

Verantwoording en aanpak

 
De komende hoofdstukken, die als feuillleton één voor één op deze website geplaatst zullen worden, zijn het resultaat van het onderzoek dat ik in 2013 heb kunnen doen, vooral op basis van de brieven die Hubert Kallen aan zijn familie schreef tijdens zijn reis en zijn verblijf in China. Henri Houben, een lid van de familie, heeft ze vorig jaar verzameld. Stukken uit die brieven werden in enigszins bewerkte vorm opgenomen in de Maas- en Kempenbode, een regionale krant. Ook vond ik zelf artikelen van en over Hubert Kallen in diverse missie-tijdschriften.
   De teksten heb ik hertaald. Tegelijk heb ik veel woorden van die tijd laten staan om de sfeer waarin Hubert Kallen opereerde zo goed mogelijk in stand te houden. Het verhaal is nagenoeg chronologisch opgebouwd. In de volgorde van de brieven heb ik nauwelijks veranderingen aangebracht. Als dat toch gebeurde was het om de belevenissen van de jonge Limburgse missionaris logisch en levendig te houden.
 
Het leven van Hubert Kallen in China heb ik in de eerste helft van 2014 zo kunnen schrijven omdat die gebaseerd is op mijn eerdere missie-publicaties, onder andere mijn Leidse proefschrift (2005) over Ferdinand Hamer die voor Scheut aanvankelijk door Theophile Verbist als missionaris vanuit Xiwanzi naar oostelijk Mongolië gestuurd werd, in 1878 bisschop van Gansu (en omgeving) werd en in 1889 eveneens als bisschop in westelijk Mongolië (Ordos) – totdat hij in 1900 tijdens de Bokers-opstand vermoord werd.
   Degenen die de tekst hebben meegelezen en van commentaar voorzien, Henri Houben, Greetje Suman, Liesbeth Douma en, last but not least, Frans Hamer, ben ik zeer dankbaar.
 
Harry Knipschild
15 november 2014

Het eerste hoofdstuk, de proloog, vind je hier.
Het volgende, derde, hoofdstuk ('Vertrek uit Scheut, op weg naar Marseille'), vind je hier.

  
Literatuur
Tijdschrift Missiën in China en Congo (uitgegeven dooor Scheut), vanaf 1889
Jonathan Spence, Op zoek naar het moderne China, Amsterdam 1991
Harry Knipschild, Ferdinand Hamer 1840-1900. Missiepionier en martelaar in China, Leiden 2005
Harry Knipschild, Soldaten van God, Amsterdam 2007
  


Kaart van het huidige China, met missiegebied Oost-Mingolië (blauw, met rode pijl aangegeven)




Detail van missiekaart Oost-Mongolië uit 1890
Shanhou, links onder, rood onderstreept, aangegeven als Pei-tzeu-chan-heou
De Pijnbomen, rechts boven, rood ondersteept, aangegeven als Soung-chou-tseou-tzeu
Missieposten zijn onderstreept, een rood bolletje met kruis geeft een kerkje of kapel aan