576 - Wat persoonlijke herinneringen aan het Popgala van 1973
Het verkopen van grammofoonplaten was rond 1960 in Nederland formeel georganiseerd. De platen, vooral singles op 45 toeren en albums op 33 toeren, werden geproduceerd of geïmporteerd door een aantal platenmaatschappijen en verkocht aan een grote groep winkeliers, die je in elke stad, elk dorp kon vinden. Singles en elpees hadden een vaste prijs in de winkel. Een winkelier betaalde in principe tweederde van de verkoopprijs aan de platenmaatschappij, soms minder als hij een grote aankoop deed.
De maatschappijen en winkeliers, verenigd, waren nauw aan elkaar verbonden. Een klein percentage van hun omzet stonden ze af aan de CCGC, de Commissie voor Collectieve Grammofoonplaten Campagne. De CCGC had een beperkt aantal activiteiten. In navolging van de Amerikaanse Grammy Awards kwam men op het idee om Edisons te gaan uitreiken voor de beste platen van het jaar. De CCGC liet ook wel eens een goedkope premieplaat uitbrengen, bijvoorbeeld om het cabaret-repertoire bij het grote publiek onder de aandacht te brengen. Zo’n plaat, met de stemmen van Godfried Bomans, Wim Sonneveld en Toon Hermans, wist een enorme oplage te halen.
In 1960 ook zette men het Grand Gala du Disque op – nadat in 1959 in Amerika een Grammy Awards-avond tot stand gekomen was. Hierbij werd samengewerkt met de AVRO. Die omroep was weldra bereid om een hele avond, die tot na twaalf uur door kon gaan, muziek uit te zenden die (gratis) door de muziekindustrie aangeboden werd. Op zo’n avond werden dan tevens Edisons overhandigd aan de winnende artiesten.
Voor het Grand Gala du Disque werd in eerste instantie 150.000 gulden uitgetrokken door de muziekindustrie. Kennelijk was zo’n investering rendabel, want nagenoeg elk jaar werd er zo’n gala op touw gezet.

Blue Diamonds
Popmuziek (muziek voor jonge mensen) speelde geen vooraanstaande rol in de eerste jaren. Om het jeugdige publiek wel voor zich te winnen was er een Edison voor ‘teenager-muziek’. Die ging in 1961 naar de Blue Diamonds, twee broers, die met hun versie van ‘Ramona’ (uit 1927) de top van de hitlijsten hadden weten te bereiken. Het succes oversteeg de Nederlandse grenzen. Zelfs Amerika deed een beetje mee.
In het Amerikaanse vakblad Billboard meldde Hemmy Wapperom anno 1961: “In the pop category, three American artists were honored: Harry Belafonte (RCA), John Coltrane for his ‘Giant Steps’ disk, and Jack Marshall of Capitol. Other pop awards went to Rita Reys (Philips, Jazz, National); Wim Kan (Cabaret, National, Philips); Ko Van Dijk (acting, National, Pythia); Bakker (Fairy Tales, National, Artone); the Blue Diamonds (Teenage Music, National Decca); and the Dutch Air Force Band (Military Band, National, CNR)”.
Ook klassieke muziek kwam begin jaren zestig aan bod tijdens het Grand Gala du Disque.

Willem Duys
Het Grand Gala kwam in een soort stroomversnelling toen Willem Duys (1928-2011) het namens de muziekindustrie voor het zeggen kreeg. Duys, afkomstig van Phonogram (Philips), liet te veel artiesten overkomen, zodat de rechtstreekse tv-uitzendingen flink uit de hand liepen. Bovendien waren er vrijwel altijd rellen als hij er bij betrokken was. Het Grand Gala werd in 1963 dan ook omschreven als een ‘gerucht makend feestje’ – maar ook als het ‘programma van het jaar’. Een redacteur van de Tijd Maasbode noemde hem de ‘grote Apollo van de platen business’.
Zelf zei Willem erover: “Ik doe niets liever dan dit soort evenementen op touw zetten. Ik ben een fixer, en dan kun je een beetje verwarring wel aan”.
Met popmuziek had Duys niet veel: “Mijn persoonlijke smaak is niet verkoopbaar. Mijn grootste bewondering gaat uit naar Peggy Lee. Ik heb in New York eens vijf avonden aan haar voeten gezeten. Maar met haar kan ik hier echt geen zaal vol krijgen. Voor zo’n populaire avond moet ik zo’n beetje aftasten hoe overal de voorkeuren liggen”.
Duys keek in de krant kritisch terug op hoe het dat jaar gegaan was. “Ik heb er meer kritiek op dan wie ook. Maar dan heb ik geen speciale artiesten op het oog, al vond ik sommige ook flut. Je hebt slechte onderdelen in je programma nodig om het goede beter te laten uitkomen.
Wat ik mij als organisator kan verwijten, is dat de avond te lang is geworden. Daar kon ik weinig aan doen. Ik moest de minister plotseling inlassen. Dat was al 12 minuten. Wim Sonneveld nam het dubbele van zijn beschikbare tijd. Dat was hem van harte gegund, want hij werd het succes van de avond.
Sarah Vaughan kwam er onverwacht bij – ja heus onverwacht. Ik ben heel boos op degenen die mij van valse voorlichting hebben beschuldigd. Ik lieg nooit – dus Vaughan 13 minuten, en toen nog Bomans die tegen alle afspraken in 20 minuten te lang doorpraatte. Dat soort verrassingen hoort er nu eenmaal bij”.
Veel artiesten
Jaap ‘Pete’ Felleman wist namens platenmaatschappij Artone Amerikaanse popartiesten als Trini Lopez en de Newbeats tijdens het Grand Gala naar voren te schuiven. In de kranten van die tijd kon je steeds meer lezen over een stortvloed van artiesten in het populaire genre die op zo’n avond achter elkaar optraden, in de hoop eveneens een snelle doorbraak te forceren.

Op 9 september 1965 bijvoorbeeld meldde de Leeuwarder Courant onder de kop ‘Vele artiesten naar Grand Gala du Disque’: “Hoewel de voorbereidingen voor het komende Grand Gala te Amsterdam nog niet geheel zijn afgerond, staat wel vast, dat, behalve een groot gedeelte van de Edison-winnaars, vele bekende artiesten zaterdag 2 oktober in het nieuwe RAI-gebouw zullen schitteren.
Uit Amerika komen de Supremes, drie zingende meisjes die ook onlangs al in Nederland waren, en de zangeressen Wanda Jackson en Keely Smith. Uit Engeland komen de zangeressen Vera Lynn, en Cilla Black, een 22-jarig meisje die al vele keren op de Engelse hitparade heeft gestaan. Engeland is verder vertegenwoordigd door de Caravells, twee zingende meisjes en de bekende Scorpions. De Duitse afgevaardigden zijn Renate en Werner Leismann, Wenke Myrhe en Ronny. Broer en zus Leismann vielen enige tijd geleden op bij de Deutsche Schlagerfestspiele in Baden-Baden, Wenke Myrhe werd bekend met haar ‘Sprich nicht dr’ueber’.
Tenslotte komen uit Italië de achttienjarige Rita Pavone, een zeer populair zangeresje in haar geboorteland, uit Griekenland het in Nederland bekende trio Hellenique en uit Frankrijk de chansonnier-troubadour Enrico Macias”.
Hitweek (1965)
In de persoon van Henk Bongaarts (later bekend als Henk van Dorp) gaf de nieuwe popkrant Hitweek een eigen kritische visie op het Gala: “Het personeelsfeest van de grammofoonplatenmaatschappijen is weer voorbij. Dit keer vond het plaats in de Congres Zaal van het RAI-Gebouw, een gebouw dat toendertijd door een zeer neurotische architect ontworpen moet zijn.
Men werd verzocht om 20.00 uur aanwezig te zijn, wat iedereen, behalve minister Vrolijk, ook lukte.
Hoe het verder die avond toeging heeft u waarschijnlijk wel gezien of gehoord. Graag een paar opmerkingen. Wat men hier op de markt brengt is vaak beneden peil. Een voorbeeld: Bob Bouber en zijn Maskers doen op het toneel duidelijk niet onder voor een groep als b.v. The Unit Four Plus Two, of om de vergelijking nog even door te trekken, Connie van Bergen is op het toneel duidelijk niet minder dan Cilla Black.
Nog even terug naar zaterdag j.l.; wat artiesten zoals Ronny, Wencke Myrhe en een Wanda Jackson presteerden, was en is nu nog steeds niet na te vertellen. Zeer dankbaar maak ik daarom even gebruik van gegevens uit het programmaboekje. Wencke Myrhe: ‘Van Stavanger tot Hammerfest heeft ze het land veroverd’. Wanda Jackson: ‘Soleert binnenkort 20 weken in Las Vegas’ (God behoede Las Vegas).
En wat staat er over ons aller Ronny? – een dikke Duitser met de allerellendigste ‘act’ die ik ooit gezien heb – Nogmaals er staat: ‘Een stem zo relaxed als een cowboy op een lome, warme zomerdag’.
Maar hoe komen we volgend jaar tot een echt platenfeest. Mag ik heel voorzichtig een paar suggesties doen?”
Volgens Henk moesten de directeuren niet zelf de artiesten uitzoeken, maar dit werk overlaten aan hun medewerkers. Dan zouden bovengenoemde misgrepen voorkomen konden worden.

1967: geen gala
Geleidelijk aan werd het er niet eenvoudiger op om een succesvol Gala te organiseren kon je op 17 juni 1967 in de Telegraaf lezen. Dat jaar ging het Gala niet door.
Peter Fock van platenmaatschappij Bovema: “Er komen weinig nieuwe sterren bij en de gevestigde artiesten kunnen daardoor steeds meer geld vragen. Zij verdienen momenteel zo veel geld, dat zij zich niet meer druk maken om nog meer geld te verdienen. Zij zijn bijna niet meer in het vliegtuig te krijgen en zelfs als je zegt: ‘je krijgt honderdduizend gulden voor een optreden in Nederland’, komen ze nog niet. Ze hebben al geld genoeg”. Pogingen om Tom Jones, Dusty Springfield of Julie Andrews te engageren waren mislukt.
Bij het CCGC, inmiddels onder leiding van Piet Beishuizen (opnieuw ex-Phonogram), was men tot de conclusie gekomen dat er een nieuwe opzet moest komen.
Impresario Jacques Senf (1946-2019), betrokken bij de Golden Earrings en organisator van allerlei beatfestijnen, liet een ander geluid horen – voor geval hij zo’n gala op poten mocht zetten. “Je lacht je dood als je hoort welke mensen allemaal naar Nederland kunnen komen. De platenmaatschappijen hebben namen genoeg. Ik ga me niet, zoals de CCGC, doodstaren op een man als Frank Sinatra, want die man komt toch nooit naar Nederland. Dat is helemaal niet belangrijk ook. Er blijven genoeg andere mensen over”.
In die tijd kon je je afvragen in hoeverre een steeds kostbaarder wordend Grand Gala nog wel zin had. Er waren steeds meer amusementsprogramma’s bijgekomen. Bovendien had Nederland nu twee televisienetten. Door de aantrekkingskracht van radio Veronica kon je nieuwe (pop)muziek soms snel en met weinig kosten aan de man brengen.
Af en toe zorgde een Grand Gala-optreden alsnog voor een sensatie. Dat was – weet ik uit ervaring – bijvoorbeeld het geval in het voorjaar van 1969. Polydor had de Duitse orkestleider James Last weten over te halen om een album te maken op basis van Nederlandse volksliedjes. Het optreden met die liedjes sloeg in als de spreekwoordelijke bom. Van ‘James Last op Klompen’ werden in korte tijd honderdduizenden exemplaren verkocht. Bovendien kreeg de hele catalogus van de artiest een geweldige duw in de rug, die nog jaren voortduurde. Vrijwel al z’n albums haalden de gouden status, zo niet meer.

Kosten stijgen, succes blijft uit
Het succes van Last was een uitzondering, zo bleek nog eens in 1972. De kosten van zo’n avond waren inmiddels opgelopen tot wel 600.000 gulden. Optredens werden aangekondigd van Hildegard Knef, Herman van Veen, John Woodhouse, Rod McKuen, Gilbert O’Sullivan en Lenny Kuhr. Johnny Cash zou midden in de nacht de grote uitsmijter zijn. Dan zou hij veertig jaar worden en dat in de Amsterdamse RAI vieren met een tv-optreden. Cash reisde met onder anderen June Carter en Carl Perkins de wereld rond na een jarenlange inzinking, zoals een redacteur van de Tijd liet afdrukken. Hij werd een ‘gouwe ouwe’ genoemd.
Het Gala van 1972 had niet het resultaat waar men in de muziekindustrie op rekende. Lezers van het Algemeen Dagblad stuurden negatieve brieven. Een lezer vond het ‘geldverspilling’. “Op enkele uitzonderingen na vond ik het niveau helemaal niet uniek – integendeel”. Een andere lezer vond dat presentator Willem Duys onvoldoende achter de artiesten stond die hij juist moest ‘verkopen’.
Op 30 maart schreef Henk van der Meyden onder de kop ‘Geen succes’: “Ik hoor dat het laatste Grand Gala du Disque commercieel niet het succes is geworden dat de platenmaatschappijen, die dit zeven honderd duizend gulden kostende programma financierden, ervan verwacht hebben. De platenverkoop heeft geen enorme sprongen gemaakt na de uitzending. En dat is toch de opzet van dit dure feestje.
Johnny Cash, de grote ster van het gala, blijkt het ondanks de galapromotie niet te doen in ons land. Alleen het zangeresje Helen Reddy bleek doorgebroken te zijn.
Er doen in de platenwereld dan ook geruchten de ronde dat men het Grand Gala of totaal wil veranderen of wil stoppen. Ik geloof ook dat de formule van nu verouderd is. Een gala, dat tot half twee duurt, was vroeger een attractie, maar nu is het voor velen alleen maar vervelend urenlang naar zangeressen te kijken. Het Grand Gala is niet meer die aantrekkelijke etalage voor de platenindustrie die het vroeger was”.
Johnny Cash in Nederland, februari 1972
Een nieuw idee
CCGC-directeur Beishuizen zat met zijn handen in het haar. Hoe moest het nu verder? Hij koos voor een Hollandse aanpak – een commissie van notabelen uit de muziekindustrie, waar ik zelf blijkbaar ook deel van uitmaakte. Ik was nogal onder de invloed van al die kopstukken en hield voorlopig mijn mond. Maar creatieve ideeën hoorde ik niet.
Het duurde dan ook enige tijd voor ik het lef had om met een voorstel te komen. Door mijn werkzaamheden bij Polydor (vanaf 1969) had ik geconstateerd dat goede albums van rockgroepen het steeds beter deden. Een nieuw marktsegment met veel groeimogelijkheden, zo kwam het mij voor. Ik was zelf direct betrokken bij elpees als ‘Deja Vu’ van Crosby, Stills, Nash & Young, ‘Tommy’ van de Who, ‘Sticky Fingers’ van de Rolling Stones, ‘Woodstock’, ‘The Turning Point’ van John Mayall enzovoort.
Waarom niet een avond georganiseerd met veelbelovende ‘progressieve’ artiesten? Volgens mij hoefde zo’n programma niet eens zoveel te kosten, wist ik op basis van mijn ervaring als hoofd van de Polydor-promotie.
Toen ‘iedereen’ zijn zegje gedaan had, opperde ik het idee heel voorzichtig, bang om af te gaan in het illustere gezelschap.
Enigszins tot mijn verbazing werd het idee meteen opgepakt; zelfs meer dan dat. Tegen het einde van de sessie was ik namens de Nederlandse muziek business benoemd – gebombardeerd, was een beter woord – tot producer van een nog nader te organiseren Popgala. Ik wist niet wat me overkwam.
Aan de slag
Om waar te maken wat ik bij de commissie had aangezwengeld ging ik aan de slag. Allereerst was het zaak een omroep te vinden die enthousiast was over het idee van een ‘gala’ met popmuziek. De Vara leek me een stuk geschikter dan de traditionele Avro. Een afspraak maken met Joop Koopman, chef tv-amusement, bleek geen probleem.
Meteen, tijdens een eerste gesprek, liet hij weten positief te zijn over het opzetten van een popgala met live muziek. De condities waren min of meer gelijk aan die van een gewoon gala. De omroep zou zorgen voor alle technische faciliteiten inclusief decors, de muziekindustrie voor de muziek. Ik stelde voor om Egbert van Hees de beeldregie te laten doen en Peter Bronkhorst verantwoordelijk te maken voor de geluidsregistratie. Egbert en Peter had ik leren kennen als uitermate bekwaam.
Koopman reageerde positief op mijn wensen. Bovendien stelde hij Karin Meurs aan als contactpersoon namens de omroep. Weldra zaten we aan tafel om de plannen vorm te geven.
In die tijd woonde ik in Voorburg, op de Spinozalaan (265). Op enkele honderden meters afstand van mijn flatwoning bevond zich een sporthal, waar ik regelmatig vertoefde. Waarom niet van daaruit werken? De zaal was ruim, er was volop parkeerruimte en ik kon er zelf heen lopen.
Wim Bosman, manager van de Sandy Coast, een succesvolle popgroep, en op allerlei terreinen actief in de gemeente Voorburg, bood aan om mee te doen. Hij was bereid om alle zaalactiviteiten voor zijn rekening te nemen. Wie bij de opnamen aanwezig wilde zijn, zou een betrekkelijk klein bedrag aan entree moeten betalen – 15 gulden voor de eerste, 25 gulden voor de tweede dag. Voor de artiesten (en pers) was er een gezellige foyer en kleedkamers waren er genoeg in het sportcomplex. De zaalhuur en andere voorzieningen konden uit de verkoop van de kaartjes opgebracht worden. Dat scheelde in de kosten voor het popgala.
Een van de technische problemen, die we moesten oplossen, was de indeling van de zaal. Besloten werd om in de lengte van de sporthal twee podia te bouwen, een aan de ene kant en een aan de andere kant. Die indeling zou het mogelijk maken om van de ene groep naar de andere te switchen.
Van Hees, Koopman, Beishuizen, Knipschild, Van den Hoek, Meurs, Bosman
Vertegenwoordigers van de platenmaatschappijen werden uitgenodigd om passende artiesten aan te bieden. Iedereen zou aan zijn trekken komen. In die tijd had ik goede contacten met het impresariaat van Paul Acket in Den Haag (Theresiastraat). Theo van den Hoek, medewerker van Acket, nodigde ik uit om de contracten voor zijn rekening te nemen. In principe zou elke act hetzelfde bedrag als gage ontvangen, 3.600 gulden als ik me goed herinner.
Alleen voor de hoofdact was meer geld uitgetrokken. Alles bij elkaar kwamen we op een begroting van ongeveer 100.000 gulden, niet gering natuurlijk, maar aanzienlijk minder dan wat een traditioneel gala aan investeringen vereiste.
Als het aan mij had gelegen, zouden we Lex Harding (Lodewijk den Hengst) uitnodigen om de presentatie voor zijn rekening te nemen. Lex was, vond ik, het gezicht van moderne popmuziek op albums. Een medewerker van zeezender Veronica vragen was echter not done. Een ‘piraat’, dat kon niet, hoorde ik. Daar had ik me maar bij neer te leggen. In plaats daarvan nodigden we, met enige overmoed, ex-Beatle Ringo Starr uit. Die stond immers bekend als een vlotte geestige prater.
Het programma
Om alle groepen voldoende ‘ruimte’ te geven besloten we om de optredens op 9 en 10 maart in Voorburg vast te leggen. In de week erop volgend kon Egbert van Hees dan een montage maken van wat het meest geslaagd was. De uitzending van het popgala zou gedurende een flink aantal uren plaatsvinden op 16 maart 1973.
In het maandblad Muziek Expres, uitgegeven door Paul Acket, kon je begin februari lezen wie gecontracteerd waren: Roxy Music, The Faces, Ry Cooder, Eagles, J.J. Cale, Rory Gallagher, Chi Coltrane, Stevie Wonder, Super Sister, Casimir Lux en Livin’ Blues. Dat was nog niet het definitieve programma – er werden, zoals gemeld, nog onderhandelingen gevoerd met de Kinks, T-Rex, Slade, Dr. Hook en anderen.
Het zag er, vond ik, mooi uit.
Het ‘voorlopige’ programma
Maar zo simpel was het niet. Een aantal weken voor ze zouden komen, lieten diverse artiesten het onverwacht afweten. Een poging om T-Rex (de groep van Marc Bolan) definitief over de streep te trekken – ik vloog naar Hamburg om hem na een concert aldaar te spreken – leverde slechts een negatieve reactie op. Bolan wilde niet, liet hij me in Duitsland weten – niet op een vriendelijke manier.
De platenmaatschappijen, onder de vleugel van het CCGC, reageerden gelaten. Ze hadden ook andere groepen, van mindere statuur, in de aanbieding, vaak afkomstig uit Nederland. Hans Kellerman bood me bijvoorbeeld Long Tall Ernie & the Shakers aan.
In de loop van de maand zag het er somber uit. Heel wat interessante acts waren afgevallen. Ik besloot nog een laatste poging te wagen met een trip naar Londen. Freddy Haayen, directeur van Polydor, bood een helpende hand. In Engeland wisten we de Who (als top of the bill) te contracteren (tegen betaling van 10.000 gulden, ze zouden met een eigen vliegtuig komen), evenals Gary Glitter, de prominente performer van glitter-muziek. Bill Curbishley, manager van de Who én de Faces, bood alle medewerking aan. Zijn geluidsman zou – zonder extra kosten – gedurende twee dagen de supervisie over een van de twee podia voor zijn rekening nemen, beloofde hij. Met zo’n vorstelijk aanbod was het programma alsnog gered.
Ringo Starr liet het als presentator op het laatste moment eveneens afweten. Een tweede poging mijnerzijds om Lex Harding de presentatie te laten doen, stuitte opnieuw op een veto. Besloten werd om Willem van Kooten (Joost de Draaijer) in plaats van Starr aan te wijzen, enigszins tegen mijn wens in.
Entreebewijs voor Brigitte Lehmann
9 en 10 maart
Op het laatste moment, vrijdag 9 maart, liet Roxy Music, die hoog op mijn lijstje stond, het alsnog per telegram afweten. Frontman Bryan Ferry had last van zijn keel, zo werd het uitgelegd. Daar had ik me maar bij neer te leggen.
Tegen het eind van de ochtend kwam alles in beweging. De omroep arriveerde met diverse trucks op de Spinozalaan. Decors en andere apparatuur werden opgesteld. De zaal van de sporthal liep tegen het einde van de middag vol met muziekliefhebbers. Alle (resterende) artiesten kwamen mooi op tijd opdagen. Tijdens de repetities ’s middags hadden we alleen last met Chi Coltrane, een artieste die kort daarvoor doorgebroken was en alle aandacht opeiste. Omdat de repetitietijd voor haar op een vervelende manier uitliep, kwamen we in de knel met Super Sister, de groep van Robert Jan Stips.
De opnamen ’s avonds leverden geen problemen op met de artiesten. Maar wel met de geluidsman van de Who en de Faces. Die had er na verloop van tijd geen zin meer in, liet hij weten. De volgende dag zou hij niet meer beschikbaar zijn, hoorden we. Paniek dus bij de organisatie. Ons kwam ter ore dat de man een liefhebber van elektrische treintjes was. Midden in de nacht trokken enkele medewerkers van Wim Bosman de stad in. Ze slaagden erin met wat van dat speelgoed terug te komen en hem tevreden te stellen. Daarmee was de tweede dag van de opnamen alsnog gered.
Op zaterdag waren er dan ook geen problemen meer. Aan het einde van de avond gaf The Who een perfecte show. Het zat erop. Op 16 maart kon er uitgezonden worden.
Daarna over tot de orde van de dag. Op zondag 11 maart gaf David Cassidy, een van ‘mijn’ artiesten, een concert in de Doelen (Rotterdam). Ook daar werd ik verwacht…
Het resultaat
Ik kan me nog goed herinneren dat ik binnen het beloofde budget gebleven was. Het programma met al die artiesten had niet meer dan 90.000 gulden gekost. In hoeverre het had bijgedragen aan de verkoop van popelpees was niet vast te stellen. Zelf was ik vooral enthousiast en tevreden met het optreden van de Eagles en het resultaat ervan. Het duurde niet lang of de Amerikaanse groep, die (evenals Crosby, Stills, Nash & Young, Flying Burrito Brothers en de Byrds) country en rock op een originele manier met elkaar vermengde, werd razend populair in ons land. In hoeverre dat aan het Popgala lag, was moeilijk vast te stellen. Maar hoe dan ook, de opgang van popalbums in de jaren zeventig ging gestaag door.
Eagles op het Popgala
Het waren goede tijden voor de muziek business, totdat allerlei punkgroepen (vooral de Sex Pistols) de platen business op z’n kop zetten. Een negatieve ontwikkeling aan het einde van de jaren zeventig was de ontwikkeling van het kopiëren door middel van cassette-apparaten. De Nederlandse politiek maakte bovendien een einde aan de bestaande orde in de retail met vaste prijzen in de winkels. Nieuwe muziekverkopers gingen buiten de industrie om zelf popalbums van elders importeren. Pas met de komst van de compact disc schoot de omzet van de muziek business weer omhoog.
Plannen om het Popgala te herhalen werden niet gerealiseerd. In plaats daarvan was er in 1974 weer een nieuw Grand Gala du Disque bij de AVRO, dit keer geproduceerd door Freddy Haayen. De presentatie werd opgedragen aan Willem van Kooten en Willem Duys. De kosten van het vier uur durende spektakel bedroegen veel meer dan een half miljoen gulden. Onder de optredende artiesten veel Nederlandse artiesten, zoals Thijs van Leer, Jan Akkerman, Euson en Cornelis Vreeswijk, maar ook Georges Moustaki uit Frankrijk, Dawn met Tony Orlando uit de VS en jazzpianist Oscar Peterson.
Blijkbaar was er onvoldoende succes, want het was de laatste keer dat er een Grand Gala tot stand kwam. Van gezamenlijke activiteiten in de branche kwam jarenlang niets meer terecht. Pas toen het heel slecht ging met de popmuziek in het begin van de jaren tachtig, werd er opnieuw actie ondernomen. De Platentiendaagse werd opgezet, opnieuw met een tv-‘gala’, waar Timi Yuro dankzij haar interpretatie van ‘Hurt’ veel indruk op het platenkopend publiek. Maar dat is een ander verhaal.
Harry Knipschild
21 februari 2025
Clips
* Popgala - achter de schermen
* Terugblik in De Wereld Draait Door
Literatuur
‘Grand Gala du disque komt op televisie’, Parool, 17 oktober 1960
Henk van der Meyden, ‘Het dure gala-feest, Telegraaf, 22 oktober 1960
Hemmy Wapperom, ‘Grand Gala du Disque’, Billboard, 9 oktober 1961
Henk Huigen, ‘Grand Gala du Disque met 300 medewerkers, Nieuwe Leidsche Courant, 1 oktober 1962
‘Willem O’Duys, grote Apollo van de platenbusiness, Tijd Maasbode, 19 oktober 1963
‘Veel artiesten naar Grand Gala du Disque’, Leeuwarder Courant, 9 september 1965
Henk Bongaarts, ‘Grand Gala du Dusque’, Hitweek, 7 oktober 1965
‘Topartiesten halen wordt te moeilijk’, Telegraaf, 17 juni 1967
‘Veel artiesten op Grand Gala’, 6 januari 1972
‘Gouwe Ouwe op Grand Gala’, De Tijd, 23 februari 1972
J. Leeuwenburgh, ‘Grand Gala’, Algemeen Dagblad, 2 maart 1972
Henk van der Meyden, ‘Geen succes’, Telegraaf, 30 maart 1972
‘Ringo zal VARA-Popgala presenteren’, Leeuwarder Courant, 2 maart 1973
‘Popgala met grote namen in Voorburgse Vliegermolen’, Leidsch Dagblad, 2 maart 1973
Willem-Jan Martin, ‘Amusant popfestijn in de Vliegermolen’, Trouw, 12 maart 1973
‘Popgala ’73 wordt een groot TV-spektakelstuk’, Limbuergs Dagblad, 15 maart 1973
Gertjan van Ommen, ‘Popgala geen onwelkom veschijnsel op de buis’, De Tijd, 16 maart 1973
Rob Bakker, ‘De producer van het Popgala Harry Knipschild: Binnen een uur kan het programma totaal veranderen’, Veronica, 17 maart 1973
‘Grand Gala: ruim vier uur muziek’, Nieuwsblad van het Noorden, 15 februari 1974
- Raadplegingen: 472
