578 - Een interview met Freddy Haayen (2003)
Freddy Haayen (1941-2007) was jarenlang een van de meest spraakmakende personen in de Nederlandse muziek business. Hij trad op als talentscout, platenproducer, productmanager, artiestenmanager en directeur – eerst van productiebedrijf Red Bullet (samen met Willem van Kooten), later als directeur van Polydor Nederland, Polydor Londen en Polydor Amerika. Bij het internationale concern PolyGram, eigendom van Siemens en Philips, werd hij in 1978 benoemd tot vice-president. In nauwelijks meer dan een decennium wist Haayen zich in razendsnel tempo omhoog te werken.
In New York maakte hij de ommekeer mee. PolyGram was in 1978 misschien wel het grootste muziekbedrijf ter wereld geworden. Daarna ging het snel bergaf. Het bedrijf wist geen opvolgers te creëren voor mega-bestsellers als bijvoorbeeld de soundtracks van de films ‘Saturday Night Fever’ en ‘Grease’. PolyGram liet in Amerika fabrieken bouwen, maar had na 1978 te weinig successen om die investeringen te gelde te maken. De muziekindustrie raakte sowieso in de problemen doordat steeds meer jongelui hun favoriete muziek gratis op cassettebandjes kopieerden in plaats van de langspeelplaten te kopen.
De topman van Polygram, Coen Solleveld (1920-2014), die vertrouwen in Haayen had, verdween. Ook Freddy kwam in grote problemen. Hij wist in 1980 nog over te stappen naar WEA International, waar hij door Nesuhi Ertegun benoemd werd tot vicepresident. Dat was geen succes. Haayen verdween uit zicht. Terug in Nederland werd hij geholpen door Van Kooten. Zo werd hij directeur van het Nederlandse CNR-bedrijf. Ook dat pakte niet goed uit. Zijn loopbaan bewoog zich steeds in neergaande lijn.
In een eerder artikel liet ik Jerry Voisin aan het woord, die hem vaak terzijde stond.
Freddy Haayen (rechts) met de Golden Earrings (1968)
Voor het tijdschrift Warm Sounds, anno 2003, liet Freddy Haayen zich interviewen door Michel Terstegen. Het lijkt me van belang vast te leggen hoe Haayen op zijn eigen carrière terug keek. Zijn uitspraken lardeer ik met die van Willem van Kooten, vier jaar later bij zijn overlijden.
Van Curaçao naar Nederland
Over zijn afkomst liet hij weten: “Ik ben geboren in Curaçao. Mijn vader was daar financieel directeur bij Shell. Ik kwam naar Nederland voor een opleiding in de architectuur in Delft. Als werkstudent zocht ik een baantje. Via een uitzendbureau kwam ik op mijn drieëntwintigste terecht bij Polydor en ging er werken in het magazijn. Dat was puur toeval, maar ik luisterde wel veel naar muziek en heb zelfs nog op het Haags conservatorium gezeten”.
Bij Polydor in 1964
Polydor, opgezet door Siemens, was in 1964 op eigen benen komen te staan. Ongetwijfeld was men op zoek naar personeel. “Drie weken nadat Polydor was opgericht begon ik. Dat was in november 1964, vlak voor kerst en dus meteen aanpakken: platen in het magazijn ophalen, in een doosje stoppen, factuurtje d’r bij en wegsturen. Soms bracht ik ze lokaal nog zelf weg ook”.
Als je van popmuziek hield luisterde je in Nederland naar de zenders die in de sixties vanaf het water de ether ‘onveilig maakten’. Veronica was Nederlands, Caroline en London (‘big L’) Brits. Haayen: “Ik hoorde op, ik meen Radio London, een plaatje waarvan ik dacht dat het The High Numbers waren, maar wat de debuutsingle bleek te zijn van The Who. Ik ging naar de directeur, de heer [Joop] Buinink, want dat plaatje zat op Brunswick, maar wij hadden hem niet en het was een hit!
Hij ging wat bellen en een paar uur later werd ik weer ontboden en lag er een ticket voor mij klaar om naar Londen te gaan. De groep bleek wel bij Brunswick Engeland onder contract te staan, maar niet bij Polydor (Polydor was namelijk alleen vertegenwoordiger van Amerikaanse Decca-opnamen)”.
Joop Buinink
The Who
De Britse groep kwam op een bijzondere manier bij Polydor onder contract. Haayen: “Ik kwam bij Who-manager Kit Lambert [1935-1981] die voor die deal geen geld wilde hebben, maar een 35mm Siemens filmprojector. Ik belde naar Nederland met het goede nieuws voor een contract van drie elpees in ruil voor een projector. Bleek zo’n geval 300.000 mark te kosten! In 1965! Na veel vijven en zessen is er toen ‘ja’ gezegd en zo werd The Who de eerste band waar ik een contract mee afsloot.
Bij een tweede trip heb ik hun debuutoptreden in Den Haag geregeld. Toen kwam ik ook in de studio terecht met hun producer Shel Talmy [1937-2024] en ik vond dat helemaal te gek; een beetje meedoen met het mixen en zo”.
Pete Townshend (Who) en Kit Lambert
In 2007 schreef Willem van Kooten op zijn eigen website: “Ik ontmoette Freddy voor het eerst in 1964, denk ik, bij Polydor op het Piet Heinplein in Den Haag. Hij studeerde architectuur in Delft, was muziekgek, en waar kon je dan beter terecht voor een studentenbaan dan bij een platenmaatschappij. Polydor, dat de muziekdochter van Siemens was, en eigenlijk Deutsche Gramophon heette, dreef op Archiv, het beroemde klassieke label, en ook op Freddy Quinn (‘Junge Komm Bald Wieder’). Maar het vertegenwoordigde ook Verve, het label van Norman Granz, JATP, van Ella en Oscar Petersen, en Jimmy Smith, en dat was het label en de muziek waar we beiden warm voor liepen.
In 1964 kreeg ik een Amerikaanse persing van ‘I Can’t Explain’ van, een onbekend, vermoedelijk Amerikaans bandje, The Who in handen, dat ik fantastisch vond. De Nederlandse rechten bleken bij Polydor te zitten, maar dat wist niemand daar. Wij van Radio Veronica draaiden het veel. Freddy vond het ook fantastisch, ging er achteraan, de Who bleek een Engelse band te zijn, en zo kwam het dat de volgende Who plaat, ‘Anyway Anyhow Anywhere’ op 17 juli 1965 de Top 40 binnenkwam. Omstreeks die tijd haalde Haayen, zoals ik hem altijd noemde, de Who voor het eerst naar Nederland voor 750 gulden, voor een optreden in Club 192 in Scheveningen, de club van Jacques (‘Japie’) Senf en Jan van Veen. Met de nachtboot kwamen ze, en ze speelden op van de Earrings geleende spullen als ik het wel heb”.
The Who in Den Haag
Polydor in 1965
Polydor, dat de Nederlandse distributierechten van Siemens had mogen overnemen, stond nog helemaal in de kinderschoenen. Het kon, bij wijze van spreken, alleen maar beter worden. Haayen in 2003: “Polydor, het eerste jaar. Het was een wat stoffige maatschappij, kun je wel zeggen. Wat Frans repertoire, veel Duits, Freddy [Quinn] ... Met MGM gebeurde helemaal niets maar met Verve wel – jazz!
Voor mijn opleiding in Delft was ik assistent van een professor en ging vervolgens in februari met een grote groep studenten mee naar Egypte. Maar niet nadat directeur Buinink mij gevraagd had om na de reis terug te komen voor een vaste aanstelling. Dat vond ik erg leuk en op 1 maart 1965 ben ik begonnen.
Dat was niet waarvoor ik gestudeerd had, maar er zijn zoveel mensen die niet doen waarvoor ze gestudeerd hebben. Bovendien zat op dat moment niemand te wachten op mensen in de architectuur. Officieel was ik nu hoofd product management, dat wil zeggen dat ik alle labels onder mij had, behalve de klassieke”.
Het toeval wilde dat Freddy zijn entree maakte tijdens de start van wat later aangeduid werd als de sixties. Die begonnen niet meteen in 1960, maar, zou je kunnen zeggen, in 1964. In dat jaar traden zowel de Beatles als de Rolling Stones in ons land op, in Hillegom, Blokker en op Scheveningen. Heel wat Nederlandse bandjes voelden zich geïnspireerd om ook dat soort nieuwe muziek te maken.
Haayen: “In die tijd begon het allemaal een beetje in Den Haag te rommelen. Op 13 april 1965 was ik gevraagd door manager Jacques Senf om eens te komen kijken naar een optreden van The Golden Earrings op de Pier in Scheveningen. Hij had tegen de jongens gezegd dat ik directeur van Polydor was. Ik ben gaan kijken en vond ze hartstikke goed en wilde wel een contract met ze afsluiten, maar wist zelf amper van toeten noch blazen. Ik stapte naar de directeur met het verhaal dat ik een band wilde opnemen, waarop hij zei: ‘Maar je bent toch geen producer?’
Ik antwoordde: ‘Nee, maar ik kan het toch horen?’ En het was goed!”
Haayen greep de kansen die hem geboden werden met beide handen aan. Hij bleef hem altijd dankbaar: “Die man is zo ongelooflijk belangrijk voor mij geweest; de reden dat ik in deze hele business terecht ben gekomen”.
Golden Earrings
Willem van Kooten bevestigde veel van hetgeen Haayen eerder aan Terstegen verteld had. Hij tekende een mooi plaatje van hoe het in die tijd toeging. “Den Haag was de plaats waar de nieuwe muziek borrelde, dankzij de aanwezigheid van vele Indische bandjes. En ook de plaats van het Rolling Stones concert van 8 augustus 1964 in het Kurhaus.
Freddy raakte geboeid door de Haagse beatscene – zo heette dat toen – kwam in contact met de Golden Earrings, herkende het aanwezige talent en overtuigde Polydor directeur Joop Buinink ervan om de band onder contract te nemen. Hij kreeg een budget, benoemde zichzelf tot producer – wat een nieuw vak was toen, en ook voor hem de eerste keer –, ging repeteren, en in de voorzomer van 1965 werden de eerste vier titels opgenomen in de Phonogramstudio in de Honingstraat in Hilversum.
Ik was uitgenodigd om daar te komen kijken en luisteren en ik trof de band aan in Veronica T-shirts, in de studio. Freddy was van meet af aan niet alleen een groot talentscout, en producer, maar ook een groot marketingman.
‘Please Go’, één van die vier titels, werd de eerste single en de eerste hit, in september 1965, en zo is het gekomen. Dat was het begin van een grote carrière voor zowel Golden Earring als wel Freddy Haayen. En van een omslag bij Polydor, waar hij bleef hangen. Z’n studie – waar hij bijna mee klaar was – zou hij niet afmaken”.
Freddy had zijn eigen interpretatie gegeven: “Met Arie Merkt, de voormalige drummer van The Dutch Swing College Band, zijn we in augustus de Phonogramstudio ingegaan en hebben gelijk de single en de LP opgenomen. Op 12 september [1965] kwam ‘Please Go’ uit. De tweede single moest ‘Lonely every day’ / ‘Not to find’ worden, dat was al opgenomen en vastgesteld. Maar ‘Not to find’ is geen Engels, dus dat moest een ander nummer gaan worden.
In plaat daarvan stelde ik voor om meteen maar voor een nieuwe single naar Engeland te gaan, waar we op 6 januari 1966 ‘That Day’ hebben opgenomen. Dus besloot ik dat ‘Lonely Every Day’ niet door ging.
Dat was, vond Freddy, nog maar het begin. “Ik heb toen al die Nederlandse bands binnengehaald: Hu & The Hilltops, The Shoes, Incrowd, later The Sandy Coast en Earth & Fire, noem ze maar op”.
Haayen, Buinink, Hendrix
Freddy zou ook betrokken geweest zijn bij het Polydor-contract met Jimi Hendrix. “Ik was met Buinink in Engeland. We waren met Kit Lambert in de studio van Mickie Most wezen kijken, waar Jimi Hendrix bezig was met producer Chas Chandler. Ik vond dat geweldig, echt helemaal top. Kit Lambert had hem onder contract op Track en ik wilde hem voor Polydor tekenen.
Buinink vroeg zich af hoe ik dat moest aanpakken. Buinink schreef toen in een bar het hele contract uit op een servetje. Ik rolde dat op, en ging daar de volgende dag zaken mee doen”.
Robert Stigwood – Bee Gees, Cream
Naar eigen zeggen was Haayen overal bij betrokken. “Constant kreeg ik platen toegestuurd die ik moest beluisteren. Daar zat op een gegeven moment ‘Spicks & Specks’ van The Bee Gees bij, uit Australië. Ik pikte die plaat er gewoon uit. Die jongens kwamen naar Engeland toe en daar moest een manager voor gezocht worden. Ik zorgde ervoor dat zij via de grote man van Polydor Engeland Doug Morris in contact kwamen met Robert Stigwood, die zelf ook Australiër was.
Stigwood had ook een eigen platenlabel, Reaction, waar The Cream op zat en dat vond ik ook helemaal te gek. En zo kwamen we bij hem terecht. Polydor was toen echt een company in wording, allemaal heel erg spannend. Maar vergeet niet: ik werkte me echt het lazarus: studio’s in en uit, promotieactiviteiten ondernemen, reizen over de hele wereld, dit en dat... ik sliep vaak niet meer dan drie, vier uur op een dag”.

Atlantic
Haayen zou er tevens voor gezorgd hebben dat Atlantic Records in Nederland overstapte van Bovema naar Polydor.
Haayen: “Ik hoorde dat Nesuhi Ertegun naar Nederland kwam. Hij was de broer van Ahmet, de directeur van Atlantic, en Nesuhi beheerde het repertoire wereldwijd. Op dat moment vond ik Atlantic eenvoudigweg het beste label in de wereld. Toevallig wist ik dat deze man verzot was op voetballen, dus ik belde hem op en nodigde hem uit voor de wedstrijd Nederland-West Duitsland die de volgende avond zou plaatsvinden in de Kuip, een topper! Ik liet hem zelf in mijn auto naar het Feyenoord-stadion rijden en we hadden goede plaatsen op de eretribune. Ik kon daarna gewoon niet meer stuk!
Na afloop gingen we naar het Hotel des Indes waar hij logeerde en begonnen over muziek. Ik liet hem merken dat ik volledig op de hoogte was van de Atlantic-catalogus en toen kon ik het zo krijgen [in plaats van Bovema, dat Atlantic in die tijd distribueerde].
Ik ging me er volledig voor inzetten dat Atlantic ook op de radio gedraaid zou worden. Ik vertelde het goede nieuws aan de Veronica-jongens Willem van Kooten en Jan van Veen met wie ik vanaf het begin goed bevriend was. Jan van Veen, die vlakbij woonde, heeft toen nog een hele avond Atlantic-platen gedraaid”.
Ingrepen bij de Earrings
Haayen benadrukte bovendien zijn rol in de veranderingen van de samenstelling van de Haagse Golden Earrings”: “Rinus [Gerritsen] is zo’n ongelooflijke bassist en George [Kooymans] heeft zo’n gigantisch talent. Die twee: daar moest iets mee gebeuren, iets waardoor iedereen neer zou gaan. De ontbrekende schakel was Barry Hay en die heb ik bij de Earring gehaald. Ik wist Rinus over te halen om eens naar The Haigs te komen kijken. Wij naar De Kroon vlakbij het Centraal Station, want daar speelden ze.
Rinus gaf toe dat het een goeie gozer was, maar voor mij was hij gewoon een Earring! Ik moest dat als manager aan de toenmalige zanger Frans Krassenburg vertellen. Dat was heel erg, maar hij begreep het!
Later begreep [drummer] Jaap Eggermont het ook en dat was nog veel moeilijker. Maar daar had ik meteen een job als producer voor: de eerste plaat die hij maakte, ‘Spooky’s Day Off’ van The Swinging Soul Maachine werd meteen een tophit. Zijn opvolger Sieb Warner was op de bühne helemaal te gek, maar als persoonlijkheid paste hij niet bij de Earring.
‘Just a little bit of peace in my heart’ is een van de mooiste nummers die George ooit geschreven heeft. We gingen naar Londen waar hij de demo heeft opgenomen. Ik bedacht dat er een orkest bij moest komen en zorgde voor het contact met Frans Mijts die het arrangement schreef. Zo is het toen in één keer opgenomen. Voor de eindmix zijn bepaalde partijen gewoon weggelaten, het was zo’n gigantische productie geworden”.
In 2007 zag Willem van Kooten de ontwikkelingen in een groter perspectief. “We waren min of meer gelijke geesten wat betreft onze passie voor het ontdekken, opnemen en beroemd maken van Hollandse nieuwe bands. De juiste infrastructuur was aanwezig in 1965: Veronica, de Top 40, de Rolschaatsbaan, de Marathon, Club 192, Scheveningen in de zomer, noem maar op. En Freddy Haayen, Paul Acket, Jacques Senf, Cees van Leeuwen, Jan van Veen, ze waren er klaar voor en ter plekke..
Ritchie Clark en the Ricochets werden de Motions – met Robbie van Leeuwen, the Golden Earrings, Hu and the Hilltops, The In Crowd, Sandy Coast, the Shoes, the Subterraneans, Livin’ Blues, Earth and Fire, en niet te vergeten, Bojoura . En in der haast zal ik er nog wel een paar vergeten zijn. Let wel, allemaal Freddy Haayen producties, en in de meeste gevallen ook Haayen ontdekkingen, behalve the Motions. Hoewel Haayen ook producer was van de solo hits van Rudy Bennett, de Motions-zanger. De Gouden Eeuw van de Hollandse muziek kon beginnen. En begon, en hoe. Maar wel in en vanuit den Haag. Amsterdam droomde nog”.
Garretsen en Red Bullet
Het moge duidelijk zijn dat Freddy Haayen boordevol ambities zat. Een botsing kon bijna niet uitblijven. Na het vertrek van Buinink en het aantreden van Evert Garretsen volgde de explosie. “Op een gegeven moment ben ik een managementopleiding bij Phonogram International gaan volgen. Er kwam een nieuwe directeur bij Polydor, de heer Garretsen. Hij kon het slecht met mij vinden. Ik kwam met alle hits, maar hij vond dat er ook andere producers moesten komen. De contracten tussen al die artiesten en Polydor waren echter alleen geldig als ik ze zou produceren, iets wat de artiesten overigens zelf hadden bedongen!”
Joop Buinink had dat blijkbaar geaccepteerd, of hij realiseerde het zich niet.
Het leek erop dat Haayen bij PolyGram aan de kant gezet zou worden in 1968. Maar dat gebeurde niet hoorde Terstegen in 2003. “Ik kreeg het idee voor Red Bullet. Als productiebedrijf en muziekuitgeverij zou dat exclusief voor Polydor en Phonogram gaan werken. Zij waren beide voor 60% eigenaar van Red Bullet, Willem en ik ieder voor 20%. Als platenproducer was ook Peter Koelewijn aangetrokken en voor televisieproducties Bob Rooyens. Zo kon ik alle bands blijven produceren nadat ik in 1968 bij Polydor was vertrokken.
Later hebben we ook wel producties afgeleverd voor Negram en Relax. Op ‘I see your face again’ van The Sandy Coast zing ik zelfs nog de hoge stem die Hans Vermeulen niet kon halen.
In de muziekuitgeverij behartigden we ook andere de belangen van The Bee Gees, Jimi Hendrix en Atlantic Records. Dat werd echt een gigantisch succes. Red Bullet bestaat nog steeds en is nu volledig in handen van Willem van Kooten”.

Willem van Kooten moet al kort na een eerste ontmoeting met Freddy Haayen onder de indruk gekomen zijn van zijn werkkracht. “In de loop van 1966 en 1967 ontstond bij Haayen en mij het idee om de zaken meer structureel aan te pakken. We keken met jaloerse blikken naar Engeland, dat de wereld veroverde met z’n bandjes, en dat wilden we ook. Met Hollandse bands natuurlijk. We droomden van een onafhankelijk – van de multinationals dan – productiehuis dat z’n eigen gang kon gaan, z’n eigen bands onder contract kon nemen, produceren, promoten, en liefst wereldberoemd maken.
Dat leidde tot de oprichting van Red Bullet, dat 1 april 1968 van start ging, na moeizame gesprekken en onderhandelingen met grootaandeelhouder PPI [Philips Phonografische Industrie], in Baarn, de voorloper van Phonogram International [en PolyGram].
Dat kwam vooral doordat we van mening waren dat we ook een management tak – voor onze eigen artiesten – moesten hebben, en een televisie-productieafdeling, samen met Bob Rooyens wilden beginnen. Dat gebeurde ook. Zo nam Bob voor ons op het legendarische optreden van Aretha Franklin in het Concertgebouw in 1969.
Zo wilde ik een eigen uitgeverij, en dat werd Dayglow Music. Allemaal noodzakelijke elementen om succesvol te worden, in onze ogen. Dat zagen de platenbazen van PolyGram niet zitten. Vandaar dat het zo lang duurde. Red Bullet was de eerste in zijn soort, wereldwijd denk ik zelfs – met dit soort dingen en z’n tijd ver vooruit. Vandaag de dag, in het multimediale tijdperk, is dit allemaal normaal.
Zo werden we management- en boekingskantoor van Golden Earring, de Shoes enz, onder leiding van Rob Gerritsen [broer van Rinus]. Freddy en Peter Koelewijn waren de huisproducers, Cees Schrama werd hoofdmuzikant. Onze producties werden uitgebracht en gedistribueerd door Polydor en Phonogram in Nederland. In de rest van de wereld zorgden we zelf voor passende maatschappijen.. De eerste release, eind maart al, was ‘Kom uit de Bedstee m’n Liefste’ van Egbert Douwe (Rob Out). Met een nummer 1 beginnen, een single die meer dan 100.000 stuks verkocht en dus ruim goud werd, wat een droomscenario. Maar geen toeval, want zorgvuldig gepland zo”.
Die eerste single was een productie van Peter Koelewijn, niet van Freddy Haayen. “Freddy was er niet op kantoor, op de startdatum, 1 april 1968. Hij was in Amerika, de eerste release en de eerste tour van Golden Earring daar voorbereiden. Hij was in de studio, of op reis. Jarenlang. En niet zonder
succes. Zo regelden we een eigen label, in New York, onder de vlag van Perception Records. Dat label noemden we Dwarf Records, naar de kabouters die Amsterdam toen onveilig maakten”.
(Swinging Soul) Machine op Dwarf Records
Freddy terug bij Polydor in Den Haag (en Rijswijk)
Willem van Kooten opereerde vanuit zijn kantoor in Hilversum. Hij had weten te bereiken dat de muziekuitgeverij van Red Bullet, Dayglow, zijn privéonderneming was. Freddy had internationale ambities, te beginnen in Nederland, waar hij na de komst van Garretsen bij Polydor moest verdwijnen.
Haayen: “Bij Polydor was na Garretsen de heer [Rob] Oeges aangetreden en toen ook hij vertrok werd ik gevraagd. Op 1 augustus 1971 werd ik directeur van Polydor-Nederland maar had daarvoor wel, vanwege belangenverstrengeling, mijn aandeel in Red Bullet van de hand moeten doen, uitgezonderd de Earring.
Het ging daarna snel bergopwaarts met Polydor. Rond 1974 waren we zelfs de grootste maatschappij van Nederland dankzij ABBA, de Atlantic toppers en met ‘Radar Love’ wereldwijd”.
Dat was niet helemaal waar. Atlantic was in 1974 overgestapt naar Negram in Haarlem. Freddy had nauwelijks een aandeel in de exploitatie van ABBA en ‘Radar Love’ zag hij niet als een mogelijke single toen die in de studio was opgenomen, zonder dat hij als producer functioneerde.
Coen Solleveld (1977)
Freddy heb ik evenwel als een uitstekende directeur ervaren. Zijn enthousiasme werkte aanstekelijk. Een groot succes was de overeenkomst die hij (met speciale toestemming van Coen Solleveld, de ceo van PolyGram) tijdens de oliecrisis wist te maken met Wim Kan en zijn manager. Polydor betaalde een kwart miljoen gulden om diens eerste oudejaarsavond tv-conference op de plaat te mogen zetten – zonder verdere royalties. Van het album werden meer dan 250.000 stuks verkocht, minder dan een gulden dus per album.
Het moet voor Haayen bevredigend geweest zijn dat hij na zijn vertrek op het Haagse Piet Heinplein een paar jaar later als directeur onthaald werd. In Rijswijk (Verrijn Stuartlaan 36) liet hij anno 1973 een nieuw en ‘modern’ pand bouwen.

Haayen International
De internationale droom van Freddy Haayen werd werkelijkheid. In een luxueus hotel op Schiphol, met honderden gasten, werd afscheid van hem genomen. Er was ‘zuurkool met vette jus’ en veel alcohol, kan ik me herinneren. Hotelkamers waren gereserveerd. “In november 1974 vertrok ik uit Nederland om president-directeur van Polydor-Engeland te worden. In augustus 1978 kondigde de volgende grote uitdaging zich aan.
Toen ik in Amerika aangesteld werd, lag Polydor daar helemaal op z’n reet. Maar met mijn komst leek het wel of iedere plaat een hit werd; volkomen bizar. ‘Reunited’ van Peaches & Herb, ‘I will survive’ van Gloria Gaynor, 10 CC, U.K. Alles wat ik daar deed lukte gewoon. Op 29 april 1979 had ik zeven platen in de top 15 van Billboard staan. Ik werd vervolgens aangesteld als vicepresident van Polydor-International en overzag het gigantische succes van ‘Saturday Night Fever’”.
Volgens Jerry Voisin in het eerdere artikel deed Haayen het goed in Engeland. Vooral zijn overeenkomst met EG (Roxy Music) was prestigieus. In Amerika had hij minder ‘geluk’. Zijn rol bij de door hem aangehaalde voorbeelden was niet zo groot als hij leek te veronderstellen. Het woord ‘overzag’ is misschien wel eerlijker.
Weg bij Polydor
Zoals eerder aangegeven, de loopbaan van Freddy Haayen kwam in zwaar weer. Dat was stom pech. Het ging uitermate slecht in de muziekbusiness, vooral bij PolyGram. Haayen beschikte over onvoldoende financiële middelen om in talent en marketing te investeren. Het leek erop alsof zijn dagen snel geteld waren.
Een kwart eeuw later, in 2003, omschreef hij het vervolg van zijn loopbaan als volgt:
“Ik kreeg allerlei aanbiedingen. Ik ben uiteindelijk bij PolyGram weggegaan nadat ik een waanzinnig aanbod kreeg om voor WEA te komen werken. Op 75 Rockefeller Plaza in New York werd ik de baas van WEA over de hele wereld. Dat heb ik twee jaar gedaan.
In 1982 kwam de heer [Jan] Timmer van Philips langs, die vond dat ik terug moest komen bij PolyGram. Hij stelde mij aan om 21 Records te doen; daar werden miljoenen ingestopt. De eerste plaat die ik uitbracht was ‘Planet Rock’ van Afrika Mambata & The Soul Sonic Force dat wereldwijd een enorm succes was.
Eind 1987 kwam ik terug in Nederland en kort daarop raakte ik betrokken bij een nieuwe holding die zich vooral met video en bioscopen ging bezighouden. Zo werd ik weer bouwkundig ingenieur en heb ik in 1995 een bioscoop in Scheveningen gebouwd.
Vanaf eind 1992 ging het weer geweldig met The Golden Earring dankzij het succes van ‘The Naked Truth’. In januari 1995 hadden ze nog opgetreden op de internationale vakbeurs de Midem. En toen kreeg ik te horen dat mijn eerste vrouw kanker had en verlegde ik mijn prioriteiten om voor haar te kunnen zorgen.
Dat gegeven werd aanvankelijk niet helemaal serieus genomen en op een zeker moment kwam George naar me toe met de mededeling dat hij de indruk had gekregen dat ik verkeerde deals voor de band had afgesloten en te veel geld aan hem had verdiend. Op 14 februari 1995 was ik na bijna dertig jaar manager af. De relatie was helemaal verbitterd, helaas, want het waren mijn kinderen. Ik heb vreselijk veel van ze gehouden.
Ik heb toen ruim drie jaar voor mijn vrouw gezorgd, de rest was onbelangrijk voor mij. Allerlei bijbaantjes als adviseur bij Sony heb ik toen aan de kant geschoven. Zij was... mevrouw PolyGram!
Mijn zoon Rick is nu general-manager van MCA International in Los Angeles, waar Doug Morris als vicepresident ook werkzaam is. Ik zelf heb investeringen lopen in onroerend goed en zit weer in het management van nieuwe companies die opgericht worden en zich bezig gaan houden met nieuwe manieren van distribueren en exploiteren van muziek.
Ik overzie wereldwijd de distributie van video’s van The Who en Led Zeppelin. Ik heb daardoor nog altijd contact met The Who. En dat zijn allemaal leuke dingen”.
Willem van Kooten kijkt terug in 2007
Bij zijn overlijden in 2007 tekende Willem van Kooten op: “Freddy nam afscheid van Red Bullet in 1971. Een internationale carrière lokte. Hij werd eerst directeur van Polydor Nederland, en 2 jaar later van Polydor Engeland. En weer een paar jaar later van Polydor, Inc, Polydor USA. Steeds verhuizen met vrouw en zonen Rick en Danny. Maar zijn vrouw Anneke volgde hem blijmoedig, overal, en zorgde altijd, waar dan ook, voor een gastvrij onthaal..
In 1981 – Freddy was inmiddels vicepresident van Warner Records International, standplaats New York – werd hij gegrepen door het Europese succes van ‘Stars on 45’. Geen enkele platenmaatschappij wilde die plaat in de USA en Canada uitbrengen, geen enkel van z’n eigen Warner labels zelfs, maar hij zorgde ervoor dat een klein Florida label, Radio Records, dat gedistribueerd werd door Warner, ‘Stars on 45’ uitbracht. En inderdaad, het werd nummer 1 daar, en daarna in Mexico en de rest van Zuid Amerika. En de rest van de wereld volgde.
Dat bracht Freddy op het idee om weer voor zichzelf te beginnen, ditmaal in New York. Dat werd 21 Records, en hij maakte onder meer van ‘Twilight Zone’ van Golden Earring een top 10 hit daar. Mede dankzij het toen nog prille MTV, dat de ‘Twilight Zone’ video ontelbare malen uitzond. Freddy kende de directeur goed, zag de potentie van MTV, en wij zorgden voor een topvideo bij een topcompositie van George Kooymans.
Freddy Haayen in 1985
21 records werd desondanks niet het grote succes waarop hij hoopte. Daarna besloot hij terug te keren naar Nederland, waar hij eind jaren 80 directeur van CNR werd, en z’n eigen productiemaatschappij JAWS bestuurde.
We verloren elkaar min of meer uit het oog. Twee weken geleden belde hij me plotseling. Hij had Jeroen van der Boom zien optreden bij een instore in Free Recordshop in Leidschendam, waar hij woonde inmiddels. Freddy had ontdekt daar dat Jeroen van der Boom op Red Bullet zat, en daar was hij trots op, en dat wilde hij me meedelen. En ook dat hij Jeroen een fantastische artist vond. Het was een ouderwets aangenaam gesprek, dat het laatste zou zijn dat ik met hem zou voeren.
Een groot producer/platenman is onverwacht heengegaan. Een bijzonder man, zoals ze niet meer gemaakt worden. Die z’n dromen najoeg, en veel daarvan in vervulling zag gaan. Ik zal hem missen. Rick en Danny sterkte toegewenst door de hele Red Bullet familie, en mij in het bijzonder”.
Harry Knipschild
1 december 2025
Clips
* Golden Earrings, Just a little bit of peace in my heart
* Rinus Gerritsen aan het woord
- Raadplegingen: 258
