Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 27

 

Gedwongen verblijf in Bagou

 

FOTO Kallen

Er is niets meer te krijgen of te kopen.
Hubert Kallen, 4 september 1901

***

Een paar weken nadat Hubert Kallen terug in Shanhou was schreef hij een tweede brief aan zijn familie. Voorbij was het enigszins geregelde bestaan van vóór en in begin 1900, tot hij naar Mgr. Abels in de Pijnbomen moest vluchten. Alleen al de hygiëne.
   “Verbeeldt U dat ik in dit hete seizoen nu nog dezelfde onderkleren aan heb waarmee ik achttien dagen geleden uit de Pijnbomen ben vertrokken. Ik heb geen stof om nieuwe te [laten] maken. Kerk en woning zijn aan alle kanten blootgesteld aan wind, stof en regen. Ik ben begonnen met de nodigste delen van de residentie wat te herstellen: muren recht zetten, deuren en vensters repareren, gaten stoppen, holen toeplakken enzovoort. Het is een verschrikkelijk warreboeltje. Ik ben overbelast van bezigheden, zaken, moeilijkheden en brieven. Ik zit bovendien zonder centen”.
   Ondanks dat was Hubert niet pessimistisch in zijn uitlatingen. “Met Gods hulp hoop ik er mij weer stilletjes doorheen te werken”. Bovendien had hij gehoord dat de keizer weer in Peking verwacht werd. En last but not least: “Een christen heeft mijn dierbaarste aandenken gered en nu teruggebracht, de portretten van vader, moeder en grootmoeder”.
   In zekere zin had pater Kallen het getroffen. “Wij zijn op een goed ogenblik ontsnapt. In de Pijnbomen is het zeer woelig”. Er waren dan ook nauwelijks veilige verbindingen. “Deze week heeft weer een koerier twee dagen in de handen van rovers gezeten. Gelukkig is hij door bemiddeling van heidense vrienden losgekomen”. Maar wat de Chinees bij zich had was verdwenen. “Men stuurde mij heilige olie, een handdoek, een paar sloten met schroeven en medicijnen. De schelmen hebben alles gehouden. Ik heb niets, zelfs geen heilige olie”.
            
Kallen en pater Tchao probeerden er het beste van te maken. Tchao trok erop uit om tot in de verre omtrek bekeerlingen te bezoeken. Als Chinees viel hij natuurlijk minder op dan de blanke Europeaan. Maar Hubert was toch van plan ook zelf wat te gaan ondernemen. Een aantal belangrijke families was tijdens zijn afwezigheid immers van het geloof afgevallen.
   Mensen bleken zich uit opportunisme bekeerd te hebben. Als de tijden minder gunstig waren verzaakten ze hun geloof weer even makkelijk. “Ik ga op reis om in de omtrek christenen te bezoeken. Twee families hebben vorig jaar afgodsprenten opgeplakt. Ze zijn mij komen verzoeken hen weer met de heilige Kerk te verzoenen”.

 

Twee priesters in Shanhou en omgeving 

 

Het district Shanhou was in juni 1901 maar spaarzaam bemand – één Europeaan met een paar jaar ervaring: Hubert Kallen, en een nog niet zo lang geleden gewijde Chinese priester. De pastoor van Shanhou, Jan Uijt de Willigen, was in het Grote Dorp gestationeerd. Natuurlijk was deze op de hoogte van de ontwikkelingen. Aan Henri Raymakers, inmiddels rector van het Nederlandse missiehuis in Vught (Sparrendaal) deed ook hij verslag van de overval op Kallen c.s. tijdens de reis vanuit de Pijnbomen.
   Uijt de Willigen wond zich op over de lakse houding van de nieuwe mandarijn. “Wat deed hij om die belediging [de overval] te wreken? Op de aanklacht, door Monseigneur [Abels] ingediend, antwoordde hij dat hij twee satelieten [helpers] had afgezonden. Wat zo veel wilde zeggen als: ik laat me met de zaak niet in”.
 
De missionarissen waren ervan overtuigd dat ook de nieuwe Chinese mandarijnen louter pro forma hulp boden. Dat bleek keer op keer. “Enige dagen geleden werd een christen op een markt vastgegrepen en vreselijk mishandeld. Hij werd aan een paal vastgebonden. Iedereen mocht hem naar willekeur komen slaan. De ongelukkige zal wel de marteldood sterven. Ter plekke is er een garnizoen van vijftig man, waarvan niemand iets gedaan heeft om de christen te verlossen”.
   Er waren nog meer voorbeelden. “Al is de vrede in Peking getekend, hier is allesbehalve vrede. Zeker is hier de plaatselijke mandarijn de schuld van alles. Want hij doet niets om de schuldigen te straffen. De bevelschriften van de keizer, die opdracht geven priesters en christenen te beschermen, laat hij eenvoudig op zijn kamer liggen in plaats van ze aan te plakken. In het geheim steunt hij de schuldigen, dat is zeker. Onze koeriers worden nog dikwijls aangehouden en onderzocht. Als men er in slaagt de brieven te vinden moeten ze dat misschien met de dood bekopen”.
 
Hubert Kallen had zijn voormalige pastoor desondanks per brief op de hoogte kunnen brengen. “‘De tranen kwamen mij in de ogen toen ik alle verwoesting aanschouwde’, schreef deze over. ‘Slechts twee dagen na ons vertrek [in juni 1900] werden de bewakers, die wij hadden achtergelaten, uiteengedreven door de soldaten van de Mongoolse koning. Ze namen bezit van onze residentie. Zogenaamd om die te bewaken maar in werkelijkheid om te kunnen plunderen. In een paar dagen tijd was dan ook alles weggehaald of vernield. Wat geen waarde had werd verbrijzeld, bijvoorbeeld de beelden van de Heilige Harten van Jezus en Maria. Het altaar, de kandelaars, al ons misgewaad is meegenomen, verscheurd of verbrijzeld. Onze boeken werden op straat geworpen of verscheurd. Gelukkig dat onze christenen er nog enige gered hebben’”.
   Ook aan Uijt de Willigen bracht Kallen het onderwerp afvallige christenen ter sprake. Wie niet afviel werd uit zijn huis verjaagd. Daarna werd alles geplunderd, het huis in brand gestoken. “Hier en daar tussen de bouwvallen hebben de christenen enige huisjes of liever hutjes gebouwd. Ze verblijven er voorlopig in afwachting dat wij hen hulpmiddelen komen verschaffen”.
 
De Chinezen rekenden er dus op dat de missie met aardse middelen, geld en goederen, over de brug zou komen. Maar in de brief aan zijn medebroeder gebruikte Kallen wellicht andere woorden. “Op een paar uitzonderingen na hebben de christenen de zware beproeving doorstaan. De Boksers hebben de huizen en kerken kunnen verwoesten. Maar ze hebben het geloof niet kunnen wegnemen uit het hart van onze bekeerlingen”.

 

Orde op zaken

 

In een nieuw schrijven aan zijn familie, gedateerd 14 juli 1901, was Kallen positiever over het Chinese bestuur dan zijn medebroeder. “Dankzij de goede maatregelen van onze mandarijn schijnt de rust hier dag aan dag toe te nemen”.
   Hubert wekte de indruk dat zijn bekeerlingen en zelfs de afvalligen op dat moment niets liever wilden dan zich opnieuw aan het gezag van de katholieke kerk onderwerpen. “De christenen zitten vol blijdschap dat ze weer eens vrijer kunnen ademen en eens tot hier kunnen komen om hun priester te zien. Ik ben er een week uit geweest. Op mijn reis heb ik wankelenden weer recht op hun benen gezet en hun hart vol nieuwe moed voor de toekomst gepompt. Het is nog al hard voor die arme schapen een heel jaar verstoken te zijn geweest van de priester, de heilige sacramenten, goede vermaningen en heilzame aansporingen”.
   Zouden die Chinezen dat echt gevonden hebben?
 
Het meeste werk liet de Europeaan over aan assistent Tchao. “Er zijn hier nog plaatsen waar mijn verschijning niet raadzaam zou zijn. Mijn Chinese confrater brengt [daarom] overal hulp en troost. Voor hem is het gemakkelijk overal door te geraken. Nauwelijks is hij van de ene reis terug of hij vertrekt weer naar elders”. China was door de geallieerden ‘bevrijd’. De aanhangers van het geloof van het westen moesten immers weer bij de les gebracht worden. Dat was zijn kijk op de recente ontwikkelingen.
   Kallen kon om ook andere redenen niet weg. “Hier in de residentie is het tegenwoordig uiterst druk en het is mij onmogelijk het huis te verlaten. Metselaars en timmerlieden kloppen om het allernodigste weer enigszins te herstellen. Langzamerhand begint het een na het ander weer wat aanzien te krijgen. De gaten in daken en muren worden aangevuld. Het aanbrengen van vensters en deuren maken weer kamers van onze woonkotten. Vanuit het half-omgerukte torentje zendt het kerkklokje weer zijn ijzeren tonen door de vallei om de verdrukte christenen ter tempel te roepen en hier in gebeden wederzijdse troost en moed te putten”.
   Er was nog slechts één groot probleem. “Er ontbreekt mij een tabernakel om de Goede Jezus blijvend te herbergen. Een tabernakel is gauw gemaakt. Maar ik kan nergens aan een slot komen – en zonder slot geen tabernakel. Daarom moeten wij het voorlopig met een geringe tegenwoordigheid van Onze Zoete Zaligmaker in het Allerheiligste doen”.
   De missionaris had waarschijnlijk vurig om hulp gebeden. “Moge Hij mij weldra een slotje toezenden. Dat is voor het ogenblik het toppunt van mijn wensen”.
 
Kallen werkte bovendien aan de toekomst van het district. “Een weeshuis van de heilige kindsheid is inmiddels hersteld. Ik heb er de vijftien overgebleven kinderen samen met drie zusters in geplaatst. De kern is er dus weer. Langzamerhand zal het zaadje weer tot een grote boom aangroeien”. Intussen was hij druk in de weer om de andere kinderen in Shanhou terug te brengen zodat ze op den duur katholieke gezinnen onder leiding van de paters zouden stichten. Zo kon het ware geloof zich steeds verder in China verbreiden. Sommige kinderen waren de afgelopen maanden door heidenen opgevoed. “Weldra zal ik ze terug eisen”.

 

Opnieuw autoritair gedrag

 

Kallen gedroeg zich weer even autoritair als in de eerste maanden van het jubeljaar, lijkt het. Europese en Japanse militairen hadden in Peking de klok immers teruggedraaid. “Bijna dagelijks zijn er onophoudende bezoeken, van mandarijnen en tribunaalmannen, van soldaten, burgerwachten en burgemeesters. Iedereen komt om het laatste nieuws te horen”.
   Zoveel wist hij waarschijnlijk ook niet, behalve dat de vrede onder militaire druk getekend was of zou worden. Mensen die iets te verliezen hadden kozen ogenschijnlijk eieren voor hun geld. “Een week geleden kwamen twee rijke venten naar hier gehobbeld, ieder in een prachtig karretje gezeten. Ze hebben zich als catechumenen laten opschrijven. De mandarijn van een ander district wil hun enige duizenden onzen zilver afpersen. Hij moet geld hebben voor de schadevergoeding [aan de Europeanen] van de oorlog”.
   Door zich te bekeren, door zich onder de ‘bescherming’ van de missionaris te plaatsen, hoopten die rijke Chinezen dus minder of geen  ‘belasting’ te hoeven betalen.
 

27 2 rijke bekeerlingen

Rijke bekeerlingen (let op gebonden voeten van vrouwen)
foto gemaakt door Hubert Kallen, aangeleverd door Henri Houben
 
Was dat even een buitenkansje, bedacht Hubert. “Het zou de mooiste vangst zijn die wij ooit gedaan hebben. Want die beide heren zijn geletterden en hebben verscheidene graden. Daarbij zou zulk voorbeeld in de streek nog veel navolging verwekken. Onze eigen mandarijn is [ook] geneigd om christen te worden”. Kallen was op hoog niveau bezig. En dus moest hij op hoog niveau inzetten. “Ik heb de Heilige Maagd met dit zaakje belast”.
   Wie in deze mooie tijd niet wilde meewerken moest daarentegen boeten. Dat gold met name voor de rechterhand van de Mongoolse koning. “U weet dat de eerste minister de schuld is van de brand in [het missiedorp] Chanweull, van de verwoesting hier en van al wat gebeurd is. We zijn begonnen met dat oneerlijk heerschap eens bij zijn oren te vatten. De onderkoning van Jehol heeft [al] een afgezant gestuurd om de zaak te onderzoeken. Dan kan alles [geld, schadevergoeding] in der minne geregeld worden. De onder-prefect en de afgezant van Jehol zijn al twee maal hier geweest. Zij zullen die deugniet wel eens doen aftobben en zo een deel van zijn euveldaden doen herstellen. De vlegel wil van sapeken [geld] tellen echter nog niet goed horen”.
   Wie in China niet wilde luisteren moest maar voelen, was de mening van Kallen. “Aan de onderkoning heb ik bericht gezonden. Hij zal binnenkort wel een aanhoudingsmandaat afsturen. Wij zullen dat mannetje [de minister] eens in de kooi steken”.
 
Het leek wel of de opstand van 1900 nooit had plaatsgevonden. Westerlingen als Hubert Kallen voelden zich machtiger dan ooit. De Chinese autoriteiten handelden volgens zijn wensen. ‘Peking’ danste immers naar de pijpen van Europese diplomaten.
   “Ik sta hier nu op goede voet met alle militaire overheden van de streek. Zij hebben mij een garnizoentje van vijftig soldaten gegeven om mij en de residentie te beschermen tegen alle mogelijke of onvoorziene aanvallen of onlusten. Ze zijn ingekwartierd op een kwartier van hier, in een heidens dorp. Zo heb ik er geen last van. Dagelijks komt een hoofdman, vergezeld van twee soldaten, naar hier om te vragen of er mij iets belieft. Als ik uitga kan ik zoveel soldaten vragen als ik wil om mij te begeleiden. Ziedaar nu hoe de medaille gekeerd is. De Heilige Maagd wordt er voor bedankt!”

 

Niet overal orde

 

Kallen ontving dus bescherming van soldaten. Blijkbaar was die nodig zich te kunnen verdedigen tegen anderen in zijn onmiddellijke omgeving. Niet iedereen was immers even positief over het optreden van de Europeanen. Dat gold trouwens niet alleen voor Shanhou maar ook voor de omgeving van bisschop Abels. “In de Pijnbomen is de toestand gespannen. Een christen die even de neus buiten het dorp had gestoken werd gevangen genomen, wreed gefolterd. Misschien is hij al vermoord”. De bevolking was dus nog niet overal ingenomen met de aanhangers van de paters. 
 
In een brief aan zijn broer Denis, veertien dagen later, ging Hubert verder door op deze zaak. Omdat het bij Abels niet veilig was deden bekeerlingen zelfs een beroep op het tweetal in het verre Shanhou. “In een christenheid in de omgeving van de Pijnbomen was een zieke vrouw. Onmogelijk daar een priester te halen. Daarom kwam men ons verzoeken die zieke te gaan bedienen. Pater Tchao stond meteen klaar. Maar nu begonnen de poppen te dansen. Bij het terugkomen werd hij onderweg door rovers opgepakt. Als losgeld vroegen ze onder andere dertig Mauser-geweren en duizenden cartouchen”.
   Nu moesten die beschermers maar eens laten zien wat ze voor een vertegenwoordiger van het katholieke geloof konden doen. Kallen: “Onmiddellijk stuurde ik bevel aan alle civiele en militaire mandarijnen. Daarbij zond ik koeriers naar alle richtingen aan Jan en alleman. In één woord: ik spande zoveel paarden aan de wagen als ik maar kon. De mandarijnen hadden geen ander middel dan bemiddelaars (oude rovers, halve rovers en lieden van dat soort) te sturen om mijn makker vrij te krijgen”. Kallen begreep waarom. “Wanneer soldaten op rovers afgaan worden gijzelaars eerst gedood”.
 
Alle autoriteiten, je kon het zo gek niet bedenken, waren voor de paters Kallen en Tchao in de weer. Zelfs de eerder genoemde Mongoolse minister. Die probeerde zo wellicht weer in een goed blaadje bij de missie te komen. De geestelijken hadden overigens een eigen verklaring voor hun handelen, “Zestig grote mannen waren bijeen om een dienst aan de kerk te bewijzen. Dat was zeker door bijzondere hulp van de Heilige Maagd aan wie ik dagelijks de heilige mis opdraag en wier bijstand dagelijks meermalen werd aangeroepen”.       
   Omdat iedereen zich inspande kwam Tchao vrij. “Natuurlijk konden de rovers tegen zulke stroom niet op. Ze lieten hun gevangene los. Deze face heeft nogal opzien gebaard in de streek”. Ondanks dat was Kallen niet helemaal tevreden. “Wij zijn toch twee paarden kwijt en de heilige olie. Met de andere onkosten kost mij dat grapje weer 700 à 800 francs”.
   Wie zich niet met de katholieke kerk verbond kreeg echter méér te verduren, merkte Hubert op in de brief aan zijn broer. “Drie dagen geleden heeft, niet ver van hier, een rijke vent een losgeld van 300.000 ligaturen (= 150.000 francs) moeten geven”.

 

Te weinig aandacht voor hygiëne?

 

Alvorens zijn brief van 28 juli 1901 af te sluiten maakte de missionaris melding van een voorval. “Op een van mijn uitstapjes heb ik een grap gehad. Ik moest een rivier oversteken die gezwollen was vanwege de regen. Halverwege kwam het water tot aan de buik van het paard. Omdat het zo heet was dacht de vlegel dat een half bad niet genoeg was en dat een heel bad nog profijtelijker zou zijn. De domme deugniet ging plat liggen. Natuurlijk lag de ruiter er naast. Ik was zo nat als een kat die uit de Maas komt gekropen. Alles was nat – beddegoed, kleren om te veranderen, alles.
   Gelukkig was ik maar een paar stappen van de woning van een christen. De boeren leenden mij een paar kleren. Dankzij de hete zon waren alle stukken een paar uren later opgedroogd. Bij het uitkleden merkte ik dat ik mijn horloge kwijt was. Na anderhalf uur zoeken en vissen is die terug gevonden. Zij gaat nu nog!”
   Anders dan in eerdere brieven maakte de pater geen melding van het gebrek aan hygiëne. Hij trok zomaar de kleren van een Chinese boer aan. Hoe zat het met de ‘springdiertjes’ midden in de zomer? Was hij inmiddels gewend aan de manier waarop de Chinese boeren leefden?
 
In de brieven van de paters vind je blijvend toespelingen op dat soort zaken. Jozef Jansen bijvoorbeeld, met wie Kallen samen naar Oost-Mongolië gereisd was, deed verslag van een missietocht. Hij wilde vertrekken uit een katholiek dorp. “Mijn gastheer kwam mij zijn eigen winterkleed aanbieden dat in zes maanden niet meer van zijn lijf geweest was. Het zat vol luizen. Ik moest al mijn welsprekendheid aanbieden om hem te overtuigen dat ik genoeg gekleed was. ‘Anders’, zei ik, ‘zou ik met genoegen uw jas aannemen’”.    
 
De manier waarop Hubert Kallen de zaken naar zijn hand wist te zetten leverde hem veel lof op bij zijn medebroeders. In de brieven die ze op hun beurt naar het thuisfront zonden kon je de echo ervan terugvinden.
   Jozef van Eygen, uit Neeritter in Nederlands Limburg, gaf op 11 augustus 1901 vanuit de Pijnbomen nog wat extra informatie in een brief aan zijn familie.
   “Een paar weken geleden had men een Chinese collega van pater Kallen om een bediening verzocht. Hij gaf zich [onderweg] uit als een wandelende geneesheer, welk ambt nogal in ere is in China. Op de terugweg werd hij door rovers aangehouden en heeft hij enige dagen met hen moeten rondtrekken. In het begin mocht hij nog te paard zitten, maar later moest hij te voet mee. Hij is er nog goed van afgekomen.
   Dat is vooral te danken aan bekende roversoldaten. Roversoldaat, een vreemd woord voor U, maar hier dagelijks gebruik. Dat zijn mannen die, na enige jaren rover gespeeld te hebben, door een mandarijn als soldaat worden aangenomen. U kunt wel denken wat voor soldaten het zijn. Maar toch kunnen zij niet dulden dat op hun grondgebied iemand geplunderd wordt die in nauwe betrekking staat met de Europeanen. Zij weten wel dat in zulk geval meer leven [stampij] gemaakt wordt bij de mandarijn dan wanneer het een gewone Chinees betreft”.

 

Kallen naar Bagou

  

In de brieven die Hubert Kallen schreef sinds hij in Shanhou terug was, kwam het tekort aan financiële middelen steeds aan de orde. De missionarissen stelden de Chinese overheid aansprakelijk voor de schade die hen door de niet-bekeerde bevolking was toegebracht. Met flinke herstelbetalingen konden ze hun missie opnieuw inrichten met kerkjes, weeshuizen, schooltjes en woningen. Dat zou bovendien hun prestige ter plekke aanzienlijk verhogen. Het geld, door de overheid te betalen, moest natuurlijk door de ‘heidenen’ worden opgebracht. Als je je bekeerde ontving je, wie heidens bleef betaalde – dat was de boodschap.
   Om de financiële hulp sneller tot stand te brengen waagde Kallen het een reis te maken naar Jozef van Hilst in Bagou, schreef hij op 15 augustus vanuit die stad. “Pater Van Hilst had de onderkoning van Jehol al twee keer bezocht. Ik wilde vernemen hoe het met de schadevergoeding van onze arme christenen stond. Ik heb immers vierhonderd christenen zonder huis of kluis, zonder brood en vol nood. Het wordt meer dan tijd dat hun recht gedaan en bijstand verleend wordt.
   Mijn confrater zat een maand lang in Jehol te koekeloeren. Hij wachtte er een gunstig antwoord af van de onderkoning. Maar die was weinig inschikkelijk. De onderkoning had al officiële bevelen ontvangen van [minister] Li Hongzhang  en de Franse gezant. Hij deed echter niets liever dan de zaken op de lange baan te schuiven. Altijd dezelfde chinezerij: proberen of er met uitstel geen afstel te verkrijgen is”.
   Van Hilst wachtte in Jehol, Kallen in Bagou. “Na twee weken ontving ik van mijn Chinese onderpastoor Tchao het volgende briefje: ‘Blijf voorlopig maar in Bagou. U zou hier in Shanhou veel te groot gevaar lopen. Alle rovers zijn weer van het oosten overgekomen. Het krioelt hier van bandieten’”.

  

Gevechten bij Shanhou, Bagou en elders

 

Er was dus voorlopig geen weg terug voor pater Kallen. Hij zat vast in Bagou liet hij Lanaken weten. “Na twee maanden weer mijn residentie bewoond te hebben ben ik voor de tweede keer verbannen. En nu maar hopen dat die geen jaar zal duren, gelijk de eerste. Na dat eerste briefje volgden de roverstijdingen zich onophoudend op, de een nog zwarter dan de ander”.
   Waar waren al die beschermers dan gebleven?
   “U weet dat er bij de residentie in Shanhou veertig soldaten gelegerd waren om ons en de kerk te beschermen. Op zekere avond ontving ik bericht dat zij het tegen de rovers niet meer konden keren. Ze trokken zich terug naar de hoofdplaats van de onderprefectuur om die te helpen verdedigen. De Chinese priester met onze geweren en kardoezen namen ze mee”.

 

 

27 1 Chinese soldaten met mandarijnen en missionaris Jaak De Groef

 Chinese soldaten met twee mandarijnen en Scheutist Jaak De Groef
foto gemaakt door Hubert Kallen, aangeleverd door Henri Houben
 
 
Het missiedistrict, waar Kallen de verantwoordelijkheid voor had, lag dus opnieuw open. Maar de mensen die er woonden hadden, lijkt het, andere zaken aan het hoofd. Behalve rovers bevonden er zich ook soldaten die door de Russen uit Mandchoerije verdreven waren. “Tegen de zin van de bevolking kwamen ze er een onderkomen zoeken. De rovers hadden het vooral op die soldaten gemunt. Het was een spelletje van rovers tegen stropers. De dag na het vertrek van de Chinese priester werd dicht bij onze residentie een slag geleverd door vierhonderd soldaten tegen een paar honderd rovers”.
   De soldaten leken sterker te zijn. “Toen de rovers op de vlucht gedreven waren, gingen de soldaten, voldaan over zichzelf, een flink middagmaal gebruiken. Maar dat lekker papke ging hun zuur bekomen.
   De rovers riepen hulptroepen bij elkaar. Ze sloten de soldaten in en overvielen hen. De kolonel werd met honderd van zijn mannen in de pan gehakt. De andere soldaten, onder wie veel gewonden, ontkwamen slechts met de meeste moeite. De rovers maakten heel wat wapens buit”.
   Kallen had weinig medelijden met de militairen die zich bij hun collega’s in de hoofdplaats wisten te voegen. “Het zijn dezelfde soldaten die verleden jaar Mgr. Guillon, drie priesters, twee zusters en duizend christenen vermoord en verbrand hebben. De helft heeft reeds zijn knoken laten liggen. Boontje komt om zijn loontje!”
   Door al die mannen, die met elkaar vochten, bleef de missiepost van Kallen natuurlijk niet gespaard werd Kallen per koerier medegedeeld. “Iedere dag gingen er naar de residentie. Zo hebben ze mijn kamer nog eens opgeruimd. Enige zaken die ik onlangs gekocht had hebben ze meegenomen. Tot nu toe is de kindsheid met rust gelaten. Goddank. Er zijn daar maar een twintig kleine kinderen van rond de tien jaar. Ze worden er bewaakt door een paar brave zusters op leeftijd”.

 

Vast in Bagou

 

Kallen zat vast in Bagou. Hij kon geen kant op. “Ik kan mijn gedachten maar niet van mijn residentie en mijn arme christenen afwenden. Men zegt dat de granen dagelijks verschrikkelijk verwoest worden. Die wrede bandieten kijken naar niets en dan te bedenken dat het boerenzonen zijn. Waar ze halt houden jagen ze hun dieren de sorgo en vogelzaadstukken in. Het is om fatsoenlijke mensen woedend te maken van toorn en verontwaardiging”.
   Van oogsten zou maar weinig terecht komen in Shanhou. In de komende koude winter zou er te weinig voedsel zijn op zijn missiepost.
   Terwijl er niet ver van Shanhou en Bagou een soort burgeroorlog woedde zou Hubert Kallen, wist hij, eigenlijk feest moeten vieren. “Heden vieren wij het patroonsfeest van onze dierbare congregatie. Maar het is niet fel plezierig voor ons”.
   Wat deed een Europese priester terwijl duizenden soldaten en rovers elkaar bevochten?
   “Met drieduizend man omringden de rovers de hoofdstad. De belegerden konden het niet lang volhouden. De levensmiddelen waren al lang uitgeput door het verblijf en onderhoud van 1.500 soldaten. Er waren bovendien geen patronen meer over. De soldaten hadden acht fatsoenlijke kanonnen maar nog slechts enige bommen”.       
   De soldaten en inwoners sloegen op de vlucht. De rovers plunderden wat er te plunderen viel. “Zo staan de zaken nu. Wie weet wat er nog gaat voorvallen? Op het platteland kunnen drieduizend goed gewapende mannen hun roof- en woelingslust de vrije teugel laten vieren”.
 
Intussen was ook pater Tchao even in Bagou opgedoken. “Hij is alweer vertrokken om de toestand te gaan verkennen en zo mogelijk onze geweren en kardoezen hierheen te halen. Er is slechts een vonkje nodig om [ook hier] het wrede vuur van de vervolging aan te steken. Maar volgens Gods wil en onder de hoede van de Heilige Maagd”.
   Kallen deed wat hij kon. Maar wat betekende een eenzame missionaris in het gigantische berggebied van Oost-Mongolië? “Van hier hebben we brieven naar Jehol en Peking gestuurd om enige duizenden soldaten te vragen de rust te komen herstellen”. Meer dan ooit besefte Hubert dat zijn toestand netelig was. “De volgende dagen kunnen wij geen mis meer doen, bij gebrek aan wijn. Wie weet wanneer wij weer miswijn krijgen”.

                       

Brief van Jozef Hoogers

 

Hubert Kallen was niet de enige missionaris die met zijn handen in het haar zat. Pater Jozef Hoogers, uit het Limburgse Horst, liet in een brief van 21 augustus 1901 vanuit de Pijnbomen eveneens weten hoe precair de toestand van de missie in Oost-Mongolië was. “Hier rondom ons is alles haat, wraak en bedrog. Pater Van Hilst is in Jehol bij de onderkoning. Pater provinciaal [Louis van Dijck] in Peking. Op aandringen van de Franse gezant trachten wij enige schadevergoeding los te krijgen voor de arme christenen die have en goed verloren hebben om hun geloof en leven te kunnen behouden. Tot nu toe is echter nog niets vereffend en geen enkele schuldige gestraft”.
   Afspraken met mandarijnen hadden weinig betekenis. “Hier in ons district is reeds de derde mandarijn sinds verleden jaar. Hij is hier geweest en schijnt ons goed gezind”. Maar hoe lang zou zo iemand blijven?
   Hoogers herhaalde nog eens van de aanval op Kallen c.s. tijdens hun reis van de Pijnbomen naar Shanhou en van het vasthouden door rovers van Tchao. “Rovers zijn tegenwoordig volop meester. Niet meer met troepen van twintig à dertig, maar met hele legers trekken zij rond. Onlangs moest pater Tchao alsook onze confrater Kallen uit hun residentie vluchten naar Bagou, omdat ze weer door rovers bedreigd waren en geen wapens ter verdediging hadden. Wij durven niet verder te gaan wandelen dan tot aan de rivier. De gehele streek is uitgeplunderd”.

           

Tweede ballingschap

 

Op 4 september zat Kallen nog steeds vast in Bagou. Vanuit de standplaats van Jozef van Hilst stuurde hij een brief aan Henri Raymakers. Hij omschreef het verblijf aldaar als zijn ‘tweede ballingschap’. “Ik ben hier al zes weken”.
   Kallen herhaalde aan de rector van Sparrendaal wat hem de laatste maanden allemaal overkomen was en de gevechten in de streek. De gevolgen waren duidelijk: “Er is niets meer te krijgen of te kopen”.
   Wat konden Kallen en Tchao anders doen dan er maar het beste van te maken? “Driemaal stuurden we brieven naar Peking. Eindelijk beginnen de soldaten te komen. Deze week moeten keizerlijke troepen afkomen.
   Onder de hoede van de Heilige Maagd hoop ik aanstaande zondag naar Ta-zeu-keoe te vertrekken. Ik zal daar eerst enige zaken met de mandarijnen trachten te regelen, hen soldaten vragen en dan teruggaan. Voor hoelang? Dat weet ik niet. De rovers zijn te talrijk en te goed bewapend. Zij zijn wel zeven à achtduizend man sterk. Alzo zijn ze een voortdurend gevaar en veroorzaken veel oproer, wat ons zeer hindert in onze missiewerken. Ons leven is in Gods handen. Onze Lieve Vrouw, die mij zo dikwijls heeft bijgestaan, zal ook nu niet doof blijven voor onze gebeden”.
   Maar als er niets meer te krijgen of te kopen was en er nauwelijks geoogst kon worden, wat moesten de mensen dan eten de komende maanden als de temperatuur weer zou zakken tot enkele tientallen graden onder nul?

  

Harry Knipschild
14 juni 2014 - 4 maart 2016

 

Wil je het volgende hoofdstuk (28, 'Het einde, 8 januari 1902') lezen, klik dan hier.
 
Wil je vanaf het begin (1, proloog) lezen, klik dan hier.

 

Literatuur

Jozef Jansen, brief 12 mei 1900, Missiën in China en Congo, september 1900, 502
Jan Uijt de Willigen, brief 21 juni 1901, Annalen van Sparrendaal, 1901, 233
Jozef van Eygen, brief 11 augustus 1901, Annalen van Sparrendaal, 1901, 281
Jozef Hoogers, brief 11 augustus 1901, Annalen van Sparrendaal, 1902, 11
Hubert Kallen, brief 4 september 1901, Annalen van Sparrendaal, 1901, 285