Nederlandse en Belgische missionarissen trokken anderhalve eeuw geleden naar verre landen om er het ware geloof  te verkondigen. Voor contact met de buitenwereld en het thuisfront waren ze aangewezen op brieven. Maar in menig land bestonden geen brievenbussen of wat dan ook. Als je een brief schreef, moest je zelf maar organiseren dat die verstuurd werd en zijn bestemming bereikte.
    De paters van Scheut (bij Anderlecht in België) missioneerden in het noorden van China, provincies als Xinjiang, Gansu en Binnen-Mongolië. Ze organiseerden hun eigen postdienst. Hun helpers (koeriers) maakten elke maand een reis langs alle missieposten. Ze brachten de brieven mee die ze in een Chinese haven hadden opgehaald. Terwijl zo’n koerier wachtte, probeerden ze die snel te beantwoorden en voegden eraan toe wat ze al eerder geschreven hadden.
    De ingehuurde ‘postbode’ vertrok naar de volgende missiestandplaats totdat hij op zijn maandelijkse toernee tenslotte weer in de haven arriveerde van waaruit hij vertrokken was. Alle post werd bij elkaar gedaan en per boot naar Europa vervoerd, naar de hoofdvestiging van Scheut. Van daaruit vonden de brieven een voor een hun weg naar de betrokkenen. Op die plek werd tevens de post van familie, vrienden, weldoeners enzovoort opnieuw gebundeld en op een schip naar China gezet. Er was dus sprake van een maandelijkse cyclus.
 
 
99 1 reizen Binnen Mongolië Ordosreizen in Binnen-Mongolië (Ordos)
 
 
Jules Anicq
 
 
Jules Anicq (geb. 1869) was een van die paters. Bij zijn overlijden, op 4 januari 1918, omschreef medebroeder Kamiel Crabbe hem als een vurige, intelligente en zeer ijverige missionaris. Op Anicq kon je een beroep doen als er moeilijkheden waren.
    Van de Belgische pater is een aantal brieven bewaard gebleven die hij in China schreef en in België liet bezorgen. Dat soort brieven werd in vele gevallen als belangrijk ervaren en opgeborgen. De familieleden van Scheutist Hubert Kallen bijvoorbeeld hebben vrijwel de hele Chinese correspondentie een volle eeuw voor de vergetelheid gered. Op basis daarvan kon ik op deze website een voor mij boeiend relaas optekenen.
    Het omgekeerde was meestal niet het geval. De correspondentie die vanuit de Lage Landen naar China gestuurd werd is vrijwel altijd verloren gegaan. Is die post vernield tijdens opstanden? Maakten de brieven uit de missie meer indruk dan die uit het thuisland in de missie? 
 
 
Aankomst van Anicq
 
 
In de eerste maanden van 1897 schreef pater Anicq, 27 jaar, zijn eerste brieven naar de familie, soms in het Frans, soms in het Vlaams. Hij bevond zich in een van de gebieden waar Scheut actief was: de Ordos, een Mongoolse woestijnachtige streek langs en ten zuiden van de plek waar de Gele Rivier eerst in noordelijke en na een bocht in oostelijke richting naar zee stroomde. De Chinese Muur fungeerde als de zuidgrens van de Ordos. De Nederlander Ferdinand Hamer trad er als missie-bisschop (apostolisch vicaris) op, de Belg Alfons Bermijn opereerde als missie-overste namens de congregatie van Scheut, officieel die van het Onbevlekte Hart van Maria. 
    Bermijn ving Anicq op toen de Belg in het missiegebied arriveerde. Derhalve verbleef deze vooral in de missiestad die werd aangeduid met Klein Brugge en de omgeving waar de oorspronkelijke bewoners, de Mongolen, met hun vee rondtrokken. Dat was in zekere zin bijzonder. De bevolking van het gebied ten noorden van de Muur bestond meer en meer uit etnische Chinezen die vanwege voedseltekorten uit het eigenlijke China waren weggetrokken.
 
 
Behoefte aan sociaal contact met België
 
 
Kort na aankomst in Klein Brugge liet Anicq van zich horen. In een brief aan toekomstig missionaris Crabbe maakte hij duidelijk behoefte aan menselijk contact te hebben. “Ik wist jandorie niet dat men zoveel plezier kan hebben na een afwezigheid van enkele maanden een gezellig praatje met de goede medebroeders die wij achtergelaten hebben.
    Al die kleine nieuwtjes van Leuven [daar was het opleidingsinstituut] en Scheut – u zult later ook wel ondervinden hoe welkom zij hier zijn. Het is alsof wij ineens wederom in Leuven waren. Daar hebben wij zulke gelukkige jaren gesleten. Ga dus maar voort met zoveel mogelijk te schrijven, hoe meer hoe liever. De kleine bijzonderheden van het huishoudelijk leven zijn de beste”.
 
 
99 2 Klein Brugge kerkkerk in Klein Brugge
 
 
Slapen op het zand van de woestijn
 
 
Jules vertelde over zijn eigen ervaringen. “Ik ben nog vol van de indrukken die ik tijdens mijn reis ontvangen heb”.
    Samen met andere paters had hij in het missiegebied rondgetrokken. Niet altijd kregen ze ’s avonds onderdak. “Een keer of twee vonden we geen plaats om te slapen. Overste Bermijn wist ons te beklappen dat wij het beter vonden om onder de blauwe sterrenhemel te slapen dan onder de zwarte balken van een Chinese herberg. Op het zand [van de Gobi-woestijn]  hebben wij ruim zo goed geslapen als op een goed verwarmde kang [Chinese bed-oven]”.
    In de Ordos kon het ’s nachts stevig vriezen in die tijd van het jaar, tientallen graden onder nul. De paters waren dan ook optimaal ingepakt als ze rondtrokken.
 
 
99 3 kangop de kang kon je slapen
 
 
Onder paters en Mongolen
 
 
In de Ordos waren de oorspronkelijke bewoners nog te vinden. “Op een avond kwamen wij terecht bij een Mongoolse mandarijn [bestuursambtenaar]. Met zijn familie en vrienden was hij aan het kermissen. Op alle mogelijke manieren werden wij verzocht mee te feesten. De kermisvogels hadden terdege bacchus gevierd. Of wij wilden of niet wij moesten ook ‘jenever’ drinken. Na een glaasje of twee bedankten we de heerschappen”.
    Anicq en de zijnen besloten niet verder mee te feesten. “Te veel vriendschap kan lastig vallen”.
 
Jules had het naar zijn zin. “Provinciaal Bermijn is zeer meegevallen. Het is een man waar men veel eerbied voor gevoel als men hem aan het werk ziet. Tevens is hij plezierig gelijk een eerste jonkheid. [Medebroeder] Jan Braam is in de derde hemel. Hij dans en springt van blijdschap omdat wij eindelijk aangekomen zijn”. Minder enthousiast was Jules over Karel Verellen. “Men vreest voor hem”. 
    Verellen was niet bereid of in staat zich te voegen naar hetgeen hem door de missie-autoriteiten werd opgedragen.
 
Over de houding van de Mongolen liet Anicq zich sceptisch uit. “Ze staan ons goed aan. Men zegt dat dit altijd het geval is de eerste jaren, maar dat de goede indruk welhaast veel vermindert. Wij zullen zien”.
    Toen hij op de missiepost arriveerde sprak Jules geen woord Chinees of Mongools. Om enigszins te kunnen functioneren, moest hij beide talen zo snel mogelijk onder de knie zien te krijgen. “Hier is het natuurlijk alle dagen blokken op het Mongools en Chinees. Binnen veertien dagen moeten wij al gewend zijn om biecht te horen, zowel in het Mongools als in het Chinees”.
    Het vak van missionaris was niet altijd een pretje. “Gij ziet dat het hier geen lachpartij is”, liet hij de Belgen weten.
 
 
Jagen als ontspanning
 
 
Er was in de missie wel gelegenheid om te ontspannen, bijvoorbeeld met jagen. “Van tijd tot tijd springen wij te paard, doen een galopke in de pleinen [de vlakte] of wagen een schot”.
    Medebroeder Engel Verstraeten was een uitgesproken liefhebber van de jacht. “Hij is de felste die onder de zon loopt. Als er gesproken wordt over haas of patrijs is Engel niet meer tegen te houden. Zijn kaken worden hoogrood. Zijn ogen blinken en schieten stralen. Gij zoudt zeggen, hij gaat alles vermoorden. Soms zien wij hier of daar een haas. Daar moet onze koene jager op af. Als hij iets geschoten heeft komt hij van verre triomfantelijk op ons af. Met beide armen zwaait hij in de lucht en met al zijn kracht roept hij ons: ‘Ik heb ze liggen – twee ganzen en een snep!’”
 
Met hun wapens (Winchester-geweren) maakten de Europeanen indruk in de omgeving. “De Mongolen weten dat de nieuwe bakshi’s [missionarissen] op een afstand van tien li’s [vijf kilometer] een man kunnen doodschieten. Vandaag nog is een mandarijn van verre gekomen om die wonder-geweren te zien”.
    De regionale bevolking besefte blijkbaar dat de uit Europa overgekomen paters door middel van moderne wapens in militair opzicht superieur waren. Heel wat Mongolen en Chinezen sloten zich bij de Europeanen aan omdat ze er voordeel bij dachten te hebben. De westerlingen beschermden hen bijvoorbeeld tegen willekeur van de overheid, herendiensten en tempelbelasting. In ruil daarvoor moesten ze overgaan tot het katholieke geloof.
 
 
99 4 geweer op de kamer van missionarisgeweer aan de muur van missionaris (Hubert Kallen)
 
 
Fort Klein Brugge
 
 
De eigen postbode nam meer brieven mee die Jules voor België bestemd had. In een Franstalig schrijven vertelde hij over zijn verblijf in Klein Brugge. “Vous serez peut-être étonnés de voir cette lettre dâtée d’un château fort ou d’une citadelle.
   Là vous trouverez une grande résidence, belle, spacieuse avec une belle église en briques et un établissement de la Sainte Enfance sans compter une grosse ferme avec toutes les dépendences.
    Venez y sans crainte car le tout est entouré d’une grande muraille crenelé de deux à trois mètres de large sur douze de haut, de plus, nous sommes protégés en autre par une triple longé de murailles en terre”…
 
De plek van waaruit de missionarissen de omliggende bevolking probeerde te bekeren, was niet voor niets behoorljk defensief ingericht. Al eerder hadden er in de streek moordpartijen plaatsgevonden met vele slachtoffers. 
    “Nous prenons nos précautions. Klein Brugge est situé sur un coin de la Mongolie où les mahométans et les révoltés chinois ont fait ci plus d’une fois des ravages épouvantables et c’est pour épargner tout aux chrétiens qu’aux misionnaires et aux enfants de la Ste Enfance la visite de ces gradins là que nous nous sommes solidement établis ici, entourés de fortifications qui peuvent défier des armées entières”.
 
Een tante werd evenmin vergeten. Maar het moest wel snel gebeuren, want de bode werd elders verwacht: “In allerhaast schrijf ik een woordje of twee want ik heb weinig tijd. De koerier gaat binnen een uur vertrekken en ik heb nog een hele hoop te schrijven. Ten anderen, ik heb naar huis een nogal lange boterham gezonden en gij zult nogal werk hebben om die op te knabbelen.
    Wij zijn het hier reeds lang geheel en gans gewoon en zijn voor goed aan het blokken op Mongools en Chinees. De koffers zijn geheel goed toegekomen over een dag of twee. Niets gebroken, uitgenomen een klein flesje Lourdeswater”.
    Nogal wat missionarissen reisden via Lourdes naar China. Ze lieten de kans niet voorbij gaan om water uit de bron van Lourdes mee te nemen.
 
 
99 5 Lourdes

 
Brieven aan tante
 
 
Heel wat brieven die Jules Anicq maandelijks aan zijn tante schreef zijn in een speciaal dossier van Scheut terecht gekomen. Daarin is de correspondentie van de missionarissen met ‘leken’ opgeborgen. Dat soort brieven hebben een andere toon, een meer profaan karakter, dan die van geestelijken onder elkaar. 
 
Op 20 mei 1897 liet Jules aan zijn tante weten dat hij op het punt stond een tocht naar de bisschop [Hamer] sin Sandaoho [bij de bocht van de Gele Rivier] te maken. Maar liefst twee maanden zou hij door de woestijn trekken. “Dat rijden in de open, zuivere lucht, maakt u zo gezond als een bliekske. Ik word zo struis als een dragonder. Wij worden echte mannen”.
    De taal had hij nog niet onder de knie. Hij deed zijn best. “Het gaat stillekens vooruit. Voorgoed beginnen wij te klappen. Maar gemakkelijk gaat het nog niet. Dikwijls draait ons geklap op een pantomime uit”.
    Jules maakte zijn tante duidelijk dat in zijn regio koude winters en hete zomers elkaar snel afwisselden. Lente en herfst bestonden er nauwelijks. “Het wordt hier even zomer. De zon kan lelijk branden. Maar de zomer duurt niet lang. Als gij dit briefke [een paar maanden later] zult ontvangen zal het hier wederom al aan het vriezen zijn”. 
    Vergeefs had de jonge pater uitgekeken naar een brief van zijn tante. “De koerier heeft mij een beetje teleurgesteld omdat hij geen brief van u meebracht. Ik houd er nogtans veel van dat gij elke vier weken iets schrijft al was het maar een paar lijnen. Zelf heb ik nog geen vijf minuten tijd, maar ik wil de koerier niet laten vertrekken zonder u tenminste te zeggen dat alles goed gaat en dat ik u niet vergeet. Geen dag laat ik voorbij gaan zonder een gebed te storten voor mijn tante”.
    De brief sloot hij evenwel vrolijk af: “Aan het werk! Als gij mij jandorie niet schrijft zal ik u eens een rammeling [komen] geven”.
 
 
Ziek rond de jaarwisseling
 
 
Een jaar nadat hij in het binnenland was gearriveerd, had pater Anicq een ervaring die in de missie zeker niet ongebruikelijk was. Hij werd ernstig geveld door de bacteriën en virussen die er in omloop waren. Een behoorlijk percentage van de missionarissen, misschien wel een kwart, overleefde die periode niet – Jules Anicq wel.
    Toen hij weer opgeknapt was deed de missionaris verslag. Aan zijn ouders en zusters schreef hij op 1 februari 1898: “Hoe is het met de gezondheid?”
    Het antwoord gaf hij zelf: “Toen wij terugkwamen van een reis naar Sandaoho [de verblijfplaats van bisschop Hamer] vonden wij de hier de helft van de kinderen van onze Heilige Kindsheid met de zweetziekte liggen. Hier is geen tyfus of borstziekte zoals in andere missies, maar alleen saarlantine [roodvonk] en zweetziekte”.
    Anicq werd besmet met het virus dat de soms dodelijke ziekte veroorzaakte. “Door naar de kinderen te gaan zien heb ik ook een stuk van die ziekte opgedaan. Op 22 december [1897] moest ik in mijn nest. Ik gevoelde geen pijn, alleenlijk koorts en ging zweten, dag en nacht. Mijn kamer was vervuld met een geur. Dat was geen keulenwater [eau de cologne].
    De vierde dag begon het tweede bedrijf, het zeveren. Ik wilde gaan dolen, buiten lopen. Maar gelukkig was er altijd een Mongool bij mijn bed-oven. Hij hield me tegen”.
 
 
99 6 Anicq JulesJules Anicq
 
    
Als je de brief van Anicq las kwam je tot de conclusie dat de Belg niet in bed wilde blijven liggen om daar te herstellen. De pater sloeg naar eigen zeggen wild om zich heen. “De Mongool moest vervangen worden door een felle beer van een vent”.
    Dat was niet genoeg. Hij gedroeg zich nog erger dan de duivel, schreef hij. “Ik stak mij onder mijn deken. Als mijn bewaker in zijn ruststoel aan het insluimeren was, sprong ik op, viel hem op het lijf en gaf hem een rammeling die hij nog lang zal onthouden”.
    Dagenlang werd Anicq bewaakt door Europese medebroeders, Chinezen en Mongolen. Vier weken later, was hij pas hersteld van de ‘zweetkoorts’. Achteraf kon hij lachen wat hij in die weken gedaan had. Dat had hij van de andere paters moeten horen. “Toen ik bij mij zelven kwam, vertelde meneer Bermijn dat kerstdag, nieuwjaarsdag al lang voorbij waren. Zelf meende ik dat ik slechts een slechte nacht overgebracht had”.
 
Anicq moet behoorlijk vermagerd zijn in die vier weken. Daarna verwerkte hij heel wat voedsel. “Hele dagen sta ik aan de deur van de keuken. Onze kok heeft haast geen tijd om te ademen – altijd maar biefstukken, stukken schapenvlees gereed maken, koeien melken om mij te laten melk zwabberen”.
    Begin februari was Jules weer aardig hersteld. “Ik ben alle dagen aan het wandelen en rijd paard”. 
    Zijn familie hoefde niet ongerust te zijn. “Ik heb u de waarheid gezeid, gelijk zij is. Bij mijn vertrek uit België heb ik u gezeid dat ik u geen katten in zakken zou verkopen. Als ik gezond ben, zeg ik het. Ben ik niet gezond, ik zeg het u ook. 
    Alles is nu over. Alleenlijk ben ik nog flauw van al die biefstukken”.
    Anicq had de grote vuurproef doorstaan, die alle missionarissen moesten verwerken. In zekere zin was hij immuun geworden. “De Mongolen waren benauwd dat hun missionaris de wereld bedankt zou hebben en er van onder zou trekken. Ze zijn blij dat hij er door is. Want in het begin is het nodig een grote ziekte te doen. En nu die ziekte voorbij is, heb ik ze niet meer te verwachten. Ik ben geacclimatiseerd. Eind goed al goed”.
 
 
Aan het werk in de Mongoolse missie
 
 
In een volgende familie-brief, die hij dateerde op 22 februari 1898, bevestigde Jules dat hij volledig hersteld was. Hij had een reis van dertig kilometer door de woestijn gemaakt. Aan de eettafel was de pater niet terughoudend. “Mijn ontbijt: een koppel eieren in de melk geklopt, drie boterhammen en nog een schotel pap om te eindigen”. Een paar uur later had hij alweer honger.
 
Nadat hij de beginners-ziekte te boven was gekomen, werd Anicq meteen ingezet in de missie. “Ik ben volop aan het werk. Alle dagen vier keer preken – dat is geen klein bier. 
   Ik moet u een keer uitleggen hoe dat hier gaat. 
   Gij moet weten, onze Mongolen zijn meestendeels nieuwe christenen [bekeerlingen], dat wil zeggen halve wilden, in het heidendom opgebracht. Om van die ruwe naturen goede en deugdzame christenen te maken, moet er dus nogal aan geschaafd, gekapt en gekerfd worden”.
   De Mongolen kregen les in de catechismus en de tien geboden. “Dat moet hun met lepels ingegoten worden, ingestampt om het zo te zeggen”.  
 
Onderwijs in het katholieke geloof vond met name plaats in de ijskoude wintermaanden. “Dan hebben de Mongolen toch niets anders te doen dan met hun tenen te spelen”.
   In alle vroegte werden de bekeerlingen gewekt. “Dan wordt op de schijf [Chinese gong] geklopt. Alleman moet naar de kerk komen om het morgengebed en de Heilige Mis bij te wonen”.
   Afwezigheid werd niet geduld. “Als nieuwe mannen in hun nest blijven, zenden wij er een vent achter. Als het zijn moet, gaan we de luierikken zelf met een ferme stok uit hun pijp kloppen”.
   Na de mis waren de vrouwen aan de beurt. “Ze komen op mijn kamer en daar wordt er gepreekt”.
   Overdag gaf Jules een uur godsdienstles aan de jongens en een uur aan de meisjes. In de avond luidde de gong opnieuw, nu voor het avondgebed. Vervolgens moesten de Mongoolse mannen zich bij hem vervoegen om eveneens in het Europese geloof onderwezen te worden.
   Anicq: “Zie me daar een zitten op mijn tapijt, als een keizer, omringd door een hoop Mongolen. Wat nog erger is: een troep Mongolinnen met hun kinderen op de rug gebonden. Gij begrijpt wel dat die snotbekken van kleine snakkers op zekere ogenblikken allesbehalve aangename toehoorders zijn”.
   
 
Aardse en eeuwige leven
 
 
Vervelen was er niet bij voor een missionaris. “Ander werk: paardenkeuringen, bestuur van de boerderij, bouwen van huizen, rekeningen. Gij zult wel zien dat wij hier niet op onze sokken naar de hemel gaan”.
   De paters waren ervan overtuigd dat ze na het aardse tranendal eeuwig verblijf in de hemel zouden houden. Op hun opofferingen volgde de beloning in het hiernamaals.
 
Helemaal werd het aardse leven echter niet vergeten. In hun brieven naar huis voegden de missionarissen boodschappenlijstjes toe. Anicq was geen uitzondering. In zijn brief van februari 1898 kwam hij met nogal wat wensen voor de boerderij, onderdeel van zijn missiepost: “1e een pak vlienderbloemen, 2e een pak lindebloemen, 3e een pak blauwe bloemen voor de keelpijn. ’t Is voor mij niet zulle, maar voor mijn Mongolen, 4e twijn, een bolleke of drij, witten en zwarten, 5e een klein pakje erwetenzaad, 6eeen klein pakje andijviezaad, 7e een klein pakje rode kolen, 8e een klein pakje savoien, 9e een klein pakje bloemskool. Gij ziet dat ik een boer geworden ben hier”, voegde hij eraan toe.
   Jules was nog niet uitgevraagd. De weeskinderen, die hij onder zijn hoede had, konden ook wel iets gebruiken: “Voor de kinderen van mijn H. Kindsheid zou ik geerne hebben - 10e een schone gekleurde gommen speelbal. Gij weet wel van die St. Niklaasballen (kaatsbal). Hoe meer kleuren eraan geplakt zijn, hoe beter. 11e twee raketten met pluimskens er bij, 12e een stuk of drij blikken fluitjes van 15 centiemen, 13e een goedkoop klein werkdoosje met schaar. Als ’t kan zijn een gekleurd doosje, 14e een gekleurde blikken top die van ’s zelfs met ne keer op te winden afspringt en draait. Het gij nog ander speelgoed, zendt maar op”.
   En toen moest hij stoppen. De koerier stond op het punt te vertrekken en de brief moest mee. “De tijd ontbreekt, de komplimenten”. 
 
 
99 7 blikken fluitjesblikken fluitjes
 
 
Die eerste brieven gaven mijns inziens een aardig inkijkje over het begin van de missie-activiteiten van zo’n Belgische missionaris in het noorden van China in die tijd. Hem stond nog een zwaar leven te wachten, met veel beproevingen, maar – na het neerslaan van de Bokseropstand door geallieerde troepen uit Europa, Amerika en Japan – ook kansen om de missiezaken voortvarend aan te pakken. Jules Anicq kon nog twintig jaar mee, tot zijn overlijden in 1918.
 
 
99 8 kaart

 
 
Harry Knipschild
25 januari 2022