Het is al weer tien jaar geleden dat ik als historicus begon te schrijven over de geschiedenis van de popmuziek. Een aantal van mijn eerste artikelen verscheen in 2010 als hoofdstuk in het boek Money Money Money, uitgegeven door Kees de Bakker, voormalig collega bij platenmaatschappij Polydor en eigenaar van uitgeverij Conserve in Schoorl.
   Het verhaal van Robert Jan Stips, gebaseerd op de biografie op zijn eigen website, schreef ik begin 2008.
 
 
Robert Jan Stips, 22 jaar en beroemd
 
 
 
Toen ik me aan het einde van de jaren vijftig begon te interesseren voor popmuziek was het nauwelijks mogelijk iets van het leven van de artiesten te weten te komen. Langzamerhand veranderde dat. Er verschenen muziekbladen. De kranten gingen over popmuziek schrijven. Radio en televisie besteedden er steeds meer aandacht aan. In de jaren negentig kwam het internet tot ontwikkeling. Popgroepen en popartiesten startten hun eigen website. Op die sites kun je nu soms zeer bijzondere informatie vinden. Over optredens, grammofoonplaten, YouTube-filmpjes, nieuwe en oude artikelen, doorverbindingen naar andere websites en meestal ook een biografie.
   De ontboezemingen van topartiesten hier hebben vaak een totaal ander karakter dan wat ze aan journalisten (moeten) vertellen. Een mooi voorbeeld is ‘Stips City’, de website van Robert Jan Stips.
   Robert Jan Stips leerde ik kennen in 1970. Hij was het meest prominente lid van Supersister. De Haagse popgroep had een hit met ‘She was naked’. Ik vond het meteen heel bijzonder, anders dan alle andere popmuziek van dat moment. Het was voor Robert Jan het begin van een muzikale carrière die tot op de dag van vandaag duurt. De Hagenaar toert momenteel met de Nits door Nederland. Op ‘Stips City’ heeft Stips zelf het verhaal van zijn leven geschreven. In het Engels. Het is een heel persoonlijk en intiem relaas.
 
 
299 1 Stips CityStips City
 
 
Benjamin van het gezin
 
 
Robert Jan Stips werd op 4 februari 1950 in Den Haag geboren als jongste kind van Johannes Stips (1900-1964) en Joke Wubbels (1906-2000). Vóór hem kwamen twee zusjes, Freke (1936) en Hans (1938) en een broer, Wouter (1944).
   Robert Jan, de benjamin van het gezin, groeide op in de Johannes Camphuisstraat. Hij lijkt een wat in zichzelf gekeerd kind te zijn geweest. Op eigen houtje leerde Robert Jan lezen door de tijdschriften van zijn moeder te bestuderen en dan te vragen wat al die letters betekenden. Hij genoot ervan als hij in zijn eentje was en hij vond het heerlijk stiekem naar de meisjes te kijken die aan gymnastiek deden in het zaaltje beneden, dat zijn vader exploiteerde.
 
Johannes Stips kon na de oorlog maar moeilijk wennen aan de gewijzigde omstandigheden. Hij had privé-les Zweedse gymnastiek gegeven en veel van zijn klanten waren er in 1945 niet meer. Moeder Stips-Wubbels moest maar zien de eindjes aan elkaar te knopen. Het gaf daarom nogal wat opschudding toen vader in 1955 zonder overleg een vleugel bij een muziekwinkel om de hoek gekocht had.
   Robert Jan vond het echter prachtig. Als zijn vader Mozart, Chopin of Beethoven op het in zijn ogen gigantische apparaat speelde, zat hij eronder te luisteren en waande zich in een kathedraal.
 
Zoals hij had leren lezen, zo leerde hij ook piano spelen: in zijn eentje, door de toetsen aan te raken, door naar de snaren te luisteren en het geluid langzaam te horen wegebben. Klein als hij was bespeelde Robert Jan de vleugel in het begin van onderen af en hij was zo verrukt van de klanken dat hij steeds meer improviseerde en zelfs eigen liedjes maakte. Hij vergat, zoals hij in zijn autobiografie schreef, om op straat te gaan spelen.
   In 1958 kregen hij en zijn zes jaar oudere broer Wouter thuis samen les van een meisje dat op het conservatorium speelde. Volgens Robert Jan was zijn grote broer veel beter, maar die zette niet door. Hij wel. Toen de familie geen geld meer had om de pianolessen te vervolgen zorgde zijn moeder ervoor dat hij toch les bleef krijgen.
 
 
Een bijzondere leerling
 
 
Robert Jan moet een bijzonder kind geweest zijn. Toen hij in de tweede klas van de lagere school terecht kwam, werd al snel besloten dat hij intelligent genoeg was om die klas maar over te slaan. Tijdens de kerstvakantie moest hij een paar weken keihard werken, maar ging daarna met succes verder in de derde klas.
   Ook in muzikaal opzicht gebeurde er iets opmerkelijks. Op het jaarlijkse feest voor de leerlingen die van school afgingen zou een jongen spelen op een grote, dure accordeon die hij voor zijn verjaardag gekregen had. De kinderen zouden dan gaan dansen op de muziek.
   Tijdens de repetities bleek echter dat er van het plan niets terecht kwam. Een van de dames, die het feestje organiseerden, had begrepen dat er in een van de lagere klassen een jongetje zat met muzikale aspiraties. Kon dat jongetje, Robert Jan Stips, niet overweg met dat muziekinstrument? Dat kon hij niet, maar zijn oudere zus Hans bezat een kleine trekharmonica.
   Robert Jan probeerde het uit en na wat oefenen speelde hij de dansmuziek tijdens het feest vanachter een gordijn, terwijl de oudere grote jongen zijn apparaat bewoog zonder muziek te fabriceren. Het ging veel beter dan hij gedacht had, noteerde Robert Jan.
 
 
Popmuziek
 
 
299 2 Lovin Spoonful
Lovin’ Spoonful
 
 
Tien jaar oud, maakte hij de overstap van de lagere naar de middelbare school. Na de scheiding van zijn ouders belandde hij op het Grotius Lyceum. In die tijd had hij meer belangstelling voor muziek dan voor het volgen van de lessen. Hij gaf een uitvoering met muziek van Debussy. En hij ontdekte de nieuwe muziek voor de jeugd, de popmuziek van de jaren zestig. Hij kocht 45-toerenplaatjes van de Golden Earrings (‘That Day’), Motions (‘Wasted Words’), Kinks (‘All day and all of the night’), Pretty Things (‘Road Runner’), Byrds (‘Mr. Tambourine Man’) en zelfs een EP’tje – van de Rolling Stones, met daarop ‘The Last Time’ en ‘Play With Fire’.
   Op zijn verjaardag kreeg hij maar liefst 25 gulden. Voor het eerst was hij een staat een echte langspeelplaat te kopen. Wat zou het worden? ‘Pet Sounds’ van de Beach Boys? ‘Rhapsody In Blue’ van Leonard Bernstein? In plaats daarvan kocht Robert Jan Stips een album van The Lovin’ Spoonful. In stereo. Thuis gekomen zette hij de luidsprekerboxen zo ver mogelijk uiteen zodat hij optimaal kon genieten.
   Maar dat bleek niet genoeg te zijn. Robert Jan wilde de groep van John Sebastian nog beter horen. Hij nam een schroevendraaier, maakte de speakers los en hield ze als een super-koptelefoon tegen zijn oren. “Ik had nooit behoefte aan andere drugs dan de drugs van stereo-muziek”, verklaarde hij later.
   Het bureau waar Robert Jan aan studeerde was helemaal volgeplakt met foto’s van popartiesten: de Supremes, Dylan, Beatles, Stones, Searchers, Pretty Things, Animals, P.J. Proby. Er verschenen elpees van de Byrds, de Kinks en Jimi Hendrix, maar ook van Penderecki.
 
 
299 3 Pretty Things Scheveningen
Pretty Things
 
 
Robert Jan wilde eerst archeoloog worden, maar nadat hij naar een concert van de Pretty Things in Scheveningen was geweest, had hij een nieuw ideaal: popmuzikant worden. Met onder anderen drummer Marco Vrolijk, de zoon van de minister die toen verantwoordelijk was voor het cultuurbeleid in Nederland, begon hij een bandje. De repetities waren op zolder bij de minister thuis.
   Robert Jan speelde piano, mondharmonica en hij zong. Hij werkte ook mee aan het kinderballet ‘Morgenstond’. Van het geld dat hij daarmee verdiende kon hij zijn eerste orgel kopen. De groep, die Provocation heette, werd zelfs uitgenodigd om samen met het kinderballet te komen spelen in de tuin van paleis Soestdijk, op Koninginnedag. Dat gaf tevens een golf aan publiciteit, tot in het buitenland toe.
 
 
Supersister
 
 
Na een tijdje waren de vaste leden van de groep behalve Robert Jan en Marco: Ron van Eck op bas en Sacha van Geest op fluit. Dick Zwikker, een student in de economie, werd de manager.
   In zijn levensbeschrijving schreef Stips dat hij door de tijdgeest gegrepen werd. Ze gingen underground en alternatieve muziek spelen en traden op met lichtshows, actie-schilders, dichters en dansers. Robert Jan zelf liet zich muzikaal inspireren door de Soft Machine. In Den Haag werd een alternatief festival georganiseerd, onder de naam ‘Sweet OK Supersister’. Het festival ging niet door maar het leverde de groep wel een nieuwe naam op: Supersister. Robert Jan begon nog een studie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, maar als popmuzikant voelde hij zich eerder een spion dan een leerling.
 
Tijdens een jam-sessie in een underground-club werd de groep ontdekt door Peter Sjardin, een lid van de toen bekende Groep 1850. Sjardin attendeerde zijn manager Hugo Gordijn op de muzikale kwaliteiten van Supersister. Hugo, die het label Blossom Records begonnen was, besloot de Hagenaars een singletje te laten opnemen. Producer werd Hans van Oosterhout, de beruchte ex-zanger van de Kick.
   Dat was echter makkelijker gezegd dan gedaan. Supersister had alleen maar lange nummers, die soms een half uur duurden. Er waren langzame en snelle stukken. Tijdens een repetitie in Voorburg werd één kort nummer uit al dat repertoire gefabriceerd. In de auto naar het volgende optreden ontstond de tekst van ‘She was naked’.
   Niemand nam de plannen een 45-toeren plaatje te maken ook maar in het minst serieus. Leuk voor familie en vrienden, dat was de insteek toen Supersister in maart 1970 op een viersporenmachine twee nummers in de GTB-studio (Jan van Nassaustraat, Den Haag) op de band zette. Maar ‘She was naked’ kwam verder dan de huiselijke kring.
 
Ik [HK] kan me nog goed herinneren dat Hugo Gordijn en Hans van Oosterhout het plaatje op het Piet Heinplein kwamen presenteren. Razend enthousiast was ik en het duurde niet lang of Supersister werd door Polydor gecontracteerd.
   De Haagse platenmaatschappij had het goed gezien: Radio Veronica pakte het nummer meteen op. Diskjockey Tom Collins maakte er zijn persoonlijke hittip van. Op 30 mei kwam ‘She was naked’ de Veronica top 40 binnen en bereikte de elfde plaats. In een serieuze bui vertelde Stips later aan een journalist: “De taak van Supersister was het schoppen tegen heilige huisjes. Wij wilden het publiek als het ware een betere smaak geven. We wilden infiltreren in de bestaande verhoudingen en smaken”.
 
 
299 4 Super Sister
 
 
Dankzij de onverwachte klassering in de top 40, en dat nog wel met een heel bijzonder nummer, kreeg de groep alle kansen zijn idealen te realiseren. Als een van de weinige Nederlandse acts mocht Supersister tijdens het Kralingen-popfestival (het ‘Nederlandse Woodstock’) op het hoofdpodium optreden.
   Stips en de zijnen werden een veelgevraagde live-band. Ze waren vooral populair bij een publiek van intelligente studenten. Een van hun meest gevraagde bühne-liedjes, ‘Wow’, stond bekend als ‘het intelligente nummertje’.
   “One special phenomenon”, schreef Robert Jan in zijn autobiografie, “became the ‘Vietnam Festivals’, organised to demonstrate against the US politics and war actions in Vietnam.
   These festivals became more and more popular and Supersister being one of the first groups to support this form of protest, playing free for the purpose, was asked more and more often, until it became clear that most Vietnam festivals were used to get bands playing free for a paying audience with more an economical than a political motivation”.
 
Toch kon ook Stips zich niet onttrekken aan de machinaties van de muziekindustrie. Het veelvuldig draaien van Supersister op radio Veronica, vond hij, was waarschijnlijk gerelateerd aan een zakelijke overeenkomst die hij gemaakt had met Willem van Kooten, programmaleider bij het muziekstation, maar tevens eigenaar van een muziekuitgeverij.
 
 
‘Alles’ bereikt en 22 jaar oud
 
 
In deze jaren ging nagenoeg alles volmaakt met de carrière van Robert Jan Stips en zijn groep. De recencies van de twee albums in die tijd waren unaniem lovend. Nadat Fred van Wijnen van het Algemeen Dagblad op 24 november 1970 het album ‘New Morning’ van Bob Dylan had afgeserveerd met de woorden “Hij kan beter z’n mond houden, zijn rol is uitgespeeld” liet hij zijn lezers weten dat op ‘Present from Nancy’ van de ‘vrij onbekende Nederlandse groep Supersister interessante klanken te beluisteren waren’. Stips en de zijnen hadden het ‘muzikaal duidelijk in de vingers zitten’ en het debuutalbum was een ‘hoogtepunt in de Nederlandse popmuziek’.
   Zelfs Lex Harding, de meest populaire diskjockey van Nederland geworden omdat hij door platen te draaien van Pink Floyd en Zappa voor de ‘progressieve richting’ gekozen had, liet zich door de klanken van de Hagenaars meeslepen: “Die muziek pruim ik wel”, tekende een redacteur van het blad Muziek Expres op uit zijn mond.
   Vanuit Engeland reageerde niemand minder dan de beroemde pop-pionier en diskjockey John Peel vol enthousiasme.
 
 
299 5 John Peel
John Peel
 
 
Een jaar later, op 21 oktober 1971 was in het Rotterdams nieuwsblad te lezen dat het er met de kwaliteit van de Nederlandse popmuziek niet zo best voorstond. Maar dat gold zeker niet voor Supersister dat na ‘Present from Nancy’ opnieuw een uitstekende plaat gemaakt had. “Robert Jan Stips (orgel en piano), die de nummers schreef op ‘To the Highest Bidder’ blijft het zwaartepunt in de groep, met een verbluffende explosie van kunnen en kennis”, aldus de krant. Complimenteuzer kon het bijna niet. De groep eindigde dan ook hoog in de populariteitspolls.
   Hun derde plaat, ‘Pudding en Gisteren’ bestond grotendeels uit muziek die speciaal gecomponeerd voor en uitgevoerd was bij een uitvoering van het Nederlands Dans Theater tijdens het Holland Festival. Deze keer derhalve een wat hoger dansniveau dan van een kinderballet. De plaat werd onmiddellijk bekroond met de Edison voor de beste Nederlandse popplaat van het jaar 1972.
   Een verzamelalbum van hun singles, verschenen in de serie Superstarshine van Polydor, met ‘het intelligente nummertje’ als extraatje, werd een echte bestseller. “Deze versie, met een lange, droogkomische aankondiging door Stips, groeit uit tot een waar cultfenomeen. Je kunt in die tijd geen feestje bezoeken zonder het nummer te horen”, is op de website van het Nationaal Pop Instituut te lezen.
   Robert Jan had in korte tijd ‘alles’ bereikt: hits in de top veertig, succesvolle en prestigieuze optredens, prima verkopen van albums, lovende kritieken en een Edison. En hij was pas 22 jaar.
 
 
299 6 Supersister
Supersister (vlnr Marco Vrolijk, Ron van Eck, Robert Jan Stips, Sacha van Geest)
 
 
Leven na de dood van Supersister
 
 
In 1973 was het ineens afgelopen met de zo creatieve formatie. “Stips en Van Eck zijn het zat om steeds met hetzelfde materiaal langs de bekende zalen te trekken en willen muzikaal gezien een andere kant op. Marco Vrolijk en Sacha van Geest verlaten de band”.
   Herman van Boeyen en Charley Mariano namen de opengevallen plaatsen in en onder leiding van de Britse producer Georgio Gomelski begonnen de opnamen van een jazz-achtig en hoog-gegrepen album. “De plaat ‘Iskander’ heeft niet het succes wat ervan verwacht wordt. De oorspronkelijke fans hebben er duidelijk moeite mee. Veel mensen vinden de nieuwe sound blijkbaar te moeilijk”. De typische humor en het spontane van Stips waren verdwenen. Korte tijd later, na nog meer personeelswisselingen, bestond Supersister niet meer.
   Robert Jan Stips ging door. Wat was het alternatief? Hij werd gedurende korte tijd lid van de Golden Earring. Hij werkte mee aan het project ‘Spiral Staircase’ van Sacha van Geest. Hij maakte het soloalbum ‘Nevergreens’. Hij werd lid van de groep Sweet d’Buster. Hij produceerde succesvolle albums van Gruppo Sportivo. Hij werkte samen met dichter Bart Chabot. Hij begon een nieuwe groep, Transister. Hij werd lid van de Nits. Hij begon een nieuwe groep, Stips. Hij ging samenwerken met Freek de Jonge. Hij richtte Supersister opnieuw op in 2000: de groep speelde voor het eerst in de VS (Los Angeles), maar ook in Amsterdam (Paradiso), Tilburg, Groningen en Den Haag. Hij werd opnieuw lid van de Nits, maar ging tevens soloconcerten doen. En zo gaat het door tot de dag van vandaag.
 
 
299 7 Nits
Robert Jan Stips (rechts) met Nits
 
 
Succes met of zonder hitlijsten
 
 
In 1997 bereikte Robert Jan Stips voor het eerst in zijn leven de bovenste plaats van de Nederlandse hitparade. Niet als componist, niet als zanger, maar als de toetsenman achter Freek de Jonge, opnieuw in een ‘intelligent nummertje’. Het heette ‘Leven na de dood’.
   De tekst luidde ondermeer: “Of je christen, zen-boeddhist bent, islamiet of jood, er is leven, er is leven na de dood. Rij dus rustig door oranje en geef extra gas bij rood. Er is leven, er is leven na de dood. Volgens m’n vader in de hemel is het alle dagen feest. En m’n vader kan het weten, want die is er geweest. Heb je je doodsangst overwonnen, wordt het alle dagen feest. Dus vandaag maar vast begonnen, voor je ’t weet, ben je er geweest. Na de dood, (na de dood), na de dood, (na de dood). Er is leven, er is leven na de dood”.
   Freek de Jonge, toen 53 en zes jaar ouder dan Robert Jan Stips, becommentarieerde zijn succesnummer tegenover NRC-journalist Henk van Gelder: “Het was een nummer van Bob Dylan, met de titel ‘Death is not the end’. Het was Dylan in zijn hevige christelijke tijd en het had een wat sombere strekking: nou ja, we zitten nou eenmaal in dit aardse tranendal, maar het eeuwige leven wacht ons.
   Ik las een interview met Keith Richards, die vertelde hoe het de Rolling Stones verging toen ze net ‘Satisfaction’ hadden gemaakt – hoe groot de druk van de platenmaatschappij was om met nieuwe hits te komen. Zo werkt die machinerie nu eenmaal. Iemand als Brian Wilson van de Beach Boys is er zelfs aan ten onder gegaan. Eigenlijk is een hit het ergste wat een creatief mens kan overkomen. Ik heb meer te doen. Rustig aan”.
 
 
299 8 leven na de dood
top 40, 6 september 1997
 
 
Spits staat achter Stips
 
 
Robert Jan Stips is geen Freek de Jonge. Hij is een begenadigd muzikant. Wat kan hij anders dan doorgaan met muziek maken? Dit jaar is hij weer betrokken bij de Nits, het muzikale geesteskind van Henk Hofstede. En zoals altijd zijn de perskritieken meestal zeer positief. In het Leidsch Dagblad prijst Fred Hoogendoorn de Nits om de ‘bovengemiddeld mooie popliedjes’ op de ‘verrassend uitbundige’ nieuwe cd. “Er zit weer venijn in de Nits”, constateert hij.
   In een recensie van een optreden in het Oude Luxor Theater in Rotterdam stelt Hans Belder dat de Nits een eigen plaats in de internationale poparena innemen. Dat komt onder meer door de hang naar absurdisme en de surrealistische klanken van Robert Jan Stips. Ze zouden de hitlijsten dan ook niet meer nodig hebben.
 
Frits Spits, Nederlands meest geprezen platendraaier bij de publieke omroep, heeft daar een heel andere mening over. “Nederlandse groepen van naam hebben tegenwoordig moeite om aandacht te krijgen van de Nederlandse popzenders”, schrijft hij in de Krant met een Mening. “Behekst door doelgroeppolitiek en leeftijdsfobie wordt er vooral nog gekeken en geluisterd naar wat hip en trendy is. De kwaliteit van de muziek lijkt geen hoofdrol te spelen”.
   Spits informeerde bij de platenmaatschappij hoe het met de belangstelling zat voor de cd ‘Doing the Dishes’ bij de belangrijkste popzenders (3FM, 538 en Q-music). “Ik hoorde dat geen van deze zenders ook maar op enig moment één liedje heeft gedraaid. Dat vind ik verbijsterend”.
 
 
***
 
 
Waar is de tijd gebleven dat ‘She was naked’ de doorbraak voor Robert Jan Stips betekende, omdat het gewoon een apart, een gek, een intelligent nummertje was? Geef ons vrede, dona nobis pacem…
 
 
Harry Knipschild
23 maart 2008, 30 juni 2017
 
Clips
 
* Zweedse gymnastiek, 1954
* Rolling Stones, Play With Fire, 1965
* Pretty Things, Road Runner, 1966
* Lovin' Spoonful, Summer in the city, 1966
* Nits (Robert Jan Stips, accordeon), In the Dutch mountains, 1987
* Supersister, No tree will grow
* Freek de Jonge, Robert Jan Stips, Leven na de dood, 1997
* Supersister (reünie), Intelligente nummertje, 2000
* Robert Jan Stips aan het woord, 2003
 
Literatuur
Fred van Wijnen, ‘Supersister: oorspronkelijk’, Algemeen Dagblad, 14 november 1970
 ‘Lex Harding: Lekker in het gehoor liggende muziek is popmuziek!’, Muziek Expres, april 1971
‘Supersister, To the Highest Bidder’, Rotterdams Nieuwsblad, 21 oktober 1971
‘Supersister is dood. Lang leve Supersister?’, Nieuwsblad van het Noorden, 13 juli 1973
Jim van Alphen, ‘Geslaagde happening. Idee van ex-Supersister-musici leidt tot bonte sessie in Paradiso’, Parool, 17 februari 1975
Theo Stokkink, Pop Handboek. 52 Continuing Popstories, Bussum 1977
Henk van Gelder, ‘Freek de Jonge over ‘Leven na de dood’’, NRC, 29 september 1997
Jan Vollaard, ‘Supersister is nog altijd van zeldzaam grote klasse’, NRC 2 december 2000
‘Fluitist van Supersister overleden’, NRC, 2 augustus 2001
Robert Jan Stips, autobiografie op website ‘Stips City’, 18 april 2007 gedownload
Hans Belder, ‘Nits zichtbaar gretig, absurd en vrolijk’, Algemeen Dagblad, 11 januari 2008
Fred Hoogendoorn. ‘Er zit weer venijn in de Nits’, Leidsch Dagblad, 3 februari 2008
Frits Spits, ‘Popzenders verzaken’, De Krant met een Mening, maart 2008
Supersister, biografie, Website Nationaal Pop Instituut, 21 maart 2008