Ida Pfeiffer (1797-1858) was de dochter van een rijke koopman uit Wenen. Historicus Wolf Kielich beschreef in Vrouwen op ontdekkingsreis (1986) de avonturen van deze geëmancipeerde dame op diverse plekken in de wereld. Ida was onder meer in Damascus, Rio de Janeiro, Tahiti, Ceylon, Bombay en Bagdad.
   “In 1852 hoorde zij op Sumatra van het voor de Bataks heilige Tobameer, dat nog geen Europeaan had mogen zien. Daar wilde zij heen, ook al kon niemand haar zeggen waar het meer precies lag en hoe zij er kon komen”.
 
 
65 1 Tobameer kaart
 
Pfeiffer was zich bewust van de gevaren van een reis naar de heidense kannibalen in de omgeving van het meer. “Met een gevolg van meer dan twintig personen”, citeerde Kielich uit een boek van de avonturierster, “vertrok ik het oerwoud in. Het grootste deel ging na vijf kilometer terug. Zij reikten me bij het afscheid de hand en wensten mij een gelukkige reis. Allen beschouwden deze als een groot waagstuk, wezen naar hun hals en gaven mij tevens hun vrees te kennen, dat men mij zou kelen en dan opeten.
   Ofschoon deze pantomime niet zeer aanmoedigend was, kwam bij mij echter geen ogenblik de gedachte op om van de reis af te zien”.
   Ondanks onvoorstelbare problemen drong Ida Pfeiffer steeds verder door in het gebied dat nog nooit door een blanke betreden was. Maar het Tobameer wist zij niet te bereiken. In een vallei, die volgens de bevolking nog maar vijftien kilometer van het meer verwijderd was, stuitte zij op een leger van met lansen en kapmessen gewapende mannen. “Onderhandelingen mochten niet baten. Verder gaan zou een zekere dood betekenen”.
 
 
65 2 Ida Pfeiffer
Ida Pfeiffer
 
 
Zending onder de Bataks
 
 
Een jaar later, in 1853, had bijbelvertaler Herman Neubronner van der Tuuk wél succes. Historicus Wim van den Doel stelde in zijn standaardwerk Het rijk van Insulinde (1996) vast: “Het scheelde niet veel of hij had het niet na kunnen vertellen. Bij het meer ontmoette Van der Tuuk namelijk de heilige religieuze leider van de in verschillende stamverbanden levende Bataks, de singa mangaradja, die in hem een aardige maaltijd zag.
   ‘In het ogenblik toen enige heren bezig waren met mondlikking over de lekkersten [in mijn gezelschap] te spreken, kreeg ik de heilzame raad mij met mijn pistolen zo dicht mogelijk naast Zijne Hoogheid te schuiven en hem bij de minste beweging van een zijner aanbidders bij de kraag te pakken en een vuurmond voor zijn heilige mond te zetten’”.
 
De Nederlandse overheid, aldus Van den Doel, gebruikte protestantse zendelingen bij het vestigen van het koloniale gezag in dit soort onveilige en onbeschaafde gebieden. Vrijwel zonder uitzondering maakten die deel uit van het Duitse Rheinische Missionsgesellschaft.
 
De Nederlandse regering trad behoedzaam op in Indië. “De angst was vooral dat zendelingen in conflict zouden komen met islamitische geestelijken en daarmee opstanden zouden veroorzaken”.
   Bij het Tobameer was daar weinig sprake van. Het verbreiden van het christendom ging evenwel gepaard met vallen en opstaan. “Onder de bezielende leiding van de door Van der Tuuk opgeleide Ludwig Nommensen slaagden zendelingen er vanaf 1861 in vele Bataks tot het christendom te doen overgaan”.
   Geheel zonder gevaar ging dit niet. “Niet-christelijke radja’s probeerden, soms met geweld, de zendelingen tegen te werken, terwijl het Nederlands gouvernement lange tijd weigerde troepen in de Bataklanden te stationeren. Pas in 1878 trokken soldaten van het Indische leger het gebied binnen.
   Het werk van de zendelingen werd hierna een stuk eenvoudiger”, aldus de Leidse historicus.
 
 
65 3 Hermann Neubronner van der Tuuk
Hermann Neubronner van der Tuuk
 
 
Kapucijnen aan het Tobameer
 
 
Nederlandse Kapucijnen – een orde in 1528 voortgekomen uit de Franciscanen (minderbroeders) – kregen in de twintigste eeuw eveneens de taak om het christendom bij het Tobameer aan de man te brengen.
   Eén van hem was Theo van den Acker, op 30 september 1907 geboren in Herpen (bij Oss in Noord-Brabant). Als Kapucijn ging de missionaris door het leven onder de naam pater Marianus.
   In een gesprek met Carolijn Visser, schrijfster van reisboeken, legde de pater tientallen jaren later uit dat zijn verblijf bij het Tobameer niet vanzelfsprekend was. “Vóór 1923 wilde de Nederlandse regering geen ‘dubbele zending’, geen protestantse en katholieke zending in bepaalde gebieden toelaten, omdat dan de orde en rust zou worden verstoord. Van enige oecumene was toen geen sprake. Integendeel!
   Pas in 1934 kreeg de katholieke kerk, die al jaren op Noord-Sumatra werkzaam was, permissie om te gaan missioneren in de Batak-landen. Ik was de derde missionaris die zich er vestigde, en wel te Balige aan het Tobameer”.
 
 
Pater Marianus op Sumatra
 
 
Samenwerken met de Duitse ‘ketters’ lag meer dan gevoelig. “Begin 1937 verhuisde ik naar Lintong ni Huta, een kleine ongezellige kampong op de hoogvlakte van Toba. Daar woonde al een Duitse zendeling, de heer Behl.
   Op advies van de Nederlandse bestuursambtenaar, die evenals ik erg benieuwd was of hij mij wel zou ontvangen, en hoe, besloot ik hem een beleefdheidsbezoek te brengen. Door een boy liet ik hem een briefje bezorgen”.
   Het afgeven van die boodschap bracht heel wat discussie te weeg. “Daar de heer Behl toevallig vergaderde met zijn kerkbestuur, wilde men weten wat er in die brief stond. Toen de zendeling vertelde dat ik bij hem op bezoek wilde komen, ontstond onenigheid. Sommigen waren van mening dat zoiets niet kon. Dat kwam niet te pas! Hun herder moest de pastoor niet ontvangen”.
 
Er waren ook andere meningen. “Enkele leden beriepen zich op de adat. Het zou tegen hun adat zijn zo’n bezoek af te wijzen. De adat won het van het geloof”.
 
 
Missionaris en zendeling maken kennis met elkaar
 
 
Van den Acker: “Ik kreeg een kort schrijven terug waarin stond dat ik welkom was”.
 
De protestanten voelden zich blijkbaar superieur. “De katholieken waren trots op hun pastoor die dat aandurfde, terwijl de protestanten er weinig of geen waardering voor konden opbrengen”.      
   De missionaris trok desondanks de stoute schoenen aan. “Onder grote belangstelling ging ik naar het huis van de zendeling. Ik klopte op de deur en de zendeling deed mij open. Ik nam mijn tropenhelm af en stak mijn hand uit om hem te begroeten.
   Tot mijn verbazing schudde hij mijn hand niet en zei mij in het Duits hem te volgen. Op zijn kamer ging hij achter zijn bureau zitten en wees mij een plaats aan de andere kant van het bureau. Voordat ik ging zitten, stak ik hem weer de hand toe en nu met succes”.
 
Ook zonder toeschouwers ging het er niet vriendelijk aan toe. “Behl begon het gesprek met te zeggen dat ik niet welkom was. Het volk begreep zo’n bezoek niet”.
   De pater was niet van plan te zwijgen. “Had ik dat begrepen dan was ik niet gekomen. En als het volk dat niet begrijpt, dan spijt mij dat voor u. Maar dan hebt u het volk verkeerd opgevoed. Het Batakse volk is zeer gastvrij”.
 
In een nogal vijandige sfeer kwam een principiële discussie op gang. Behl zou gezegd hebben: “Wat komt U eigenlijk in de Batak-landen doen? Het Woord Gods is al gebracht”.
   De katholiek had zijn antwoord klaar: “Inderdaad, het Woord Gods is al gebracht. Maar niet het juiste, niet in zijn volheid”.
   De zendeling was nu echt geïrriteerd. “U moet goed weten dat waar u komt, ik ook kom”.
   Van den Acker was het op dat punt met hem eens. “Mijnheer Behl, dat waardeer ik. U moet uw plicht doen en ik de mijne”.
 
De pater en de dominee gingen niet als vrienden uit elkaar. Behl maakte na een half uur een einde aan het gesprek. “Het is vandaag de Dag des Heren, en daarom zullen wij het niet lang maken”.
   Pater Marianus had naar eigen zeggen gereageerd met de woorden: “En zeker geen ruzie maken”.
 
Hij was nog niet uitgesproken. “Mijnheer Behl, mag ik u vragen om uw schoolkinderen te zeggen dat ze mij niet najouwen en dat uw ouderlingen vooral eens ophouden met allerlei praatjes over ons pastoors te verspreiden”. Van den Acker overhandigde hem, alvorens te vertrekken, een door hem in inheemse taal uitgegeven boekje, De waarheid over de katholieke kerk. “Ik nodigde hem uit voor een tegenbezoek, maar daar is hij nooit op ingegaan”.
 
 
65 4 Batak dorp begin 20ste eeuw
Batak-dorp, begin twintigste eeuw
 
 
Kerkelijke tegenwerking
 
 
De kerkelijke messen waren geslepen. Toen de pater timmerlieden wilde inschakelen om een garage en wc te bouwen bij het huisje waar hij woonde, verbood de dominee dat. “Die lui kwamen mij zeggen dat ze niet door mochten werken”.
 
Van den Acker liet niet met zich sollen. Hij vroeg met succes om hulp bij het Nederlands gezag op Sumatra. “Samen met een controleur ging ik naar het huis van de zendeling. De controleur verbood de heer Behl nog bezwaren te maken. De regering in Batavia [nu Jakarta], de gouverneur-generaal zelf, had mij permissie gegeven om hier te wonen en te werken”.
 
Kennelijk was er een menigte van ‘inboorlingen’ aanwezig bij de vermaning die de zendeling moest incasseren. De pater greep zijn kans en speelde er op in. “Mijn onnozele opmerking aan het adres van de heer Behl dat ik die garage en wc toch moeilijk op het dak van mijn huis kon laten bouwen, wekte de lachlust van de samen gedromde Bataks op. En... als je de lachers op je hand hebt, dan heb je het gewonnen!”
 
De protestantse bekeerlingen bleven tegenwerken, vertelde de missionaris aan de auteurs van het boek En nog steeds hebben wij twee vaderlanden. Op avontuur in Nederlands-Indië. “Voor onze kerkdienst kwamen we samen in een huurhuis of een vrij primitieve loods. Je was aangewezen op de grond van particulieren. Heel wat protestanten waren ertegen en zodoende heb ik in korte tijd twaalf processen moeten voeren voor het districtsgerecht om aan bouwterrein te komen. Ik kan me wel indenken dat menige ambtenaar niet enthousiast was over die dubbele zending”.
 
 
65 5 Tobameer
Tobameer
 
 
Pastoors beter dan dominees bij Tobameer?
 
 
Over hoe een zendeling als Behl de komst van een missionaris als Van den Acker ervaren heeft wordt in het boek geen mededeling over gedaan. Wél over hoe de pater over zendelingen in het algemeen dacht. “Ze waren niet erg ontwikkeld. Het waren, eerlijk is eerlijk, vrome en hard werkende mensen. Ze bedoelden het heilig maar zonder een brede kijk. Wij, pastoors met onze gymnasiale opleiding, gevolgd door drie jaar filosofie, vier jaar theologie en een praktijkjaar in het preken, konden hen pakken en zakken.
   Gewapend met hun Batakse bijbel en kerkgeschiedenis, vergezeld door de nodige ouderlingen en omringd door een massa nieuwsgierigen kon het er hard aan toe gaan bij het openen van een nieuwe statie. Maar al heel gauw bleek dat hun bijbelkennis uiterst gering was. Ze kenden een massa teksten van buiten, maar inhoud en context ontgingen hun”.
 
De katholieken pakten het beter aan, wist hij. “Een katholiek kamponghoofd ging op een koninginnedag voor een lagere protestantse ambtenaar staan en zeggen dat hij namens de paus van Rome en miljoenen katholieken over de hele wereld sprak. En wanneer de stoet soms voor een Duitse zendeling moest defileren, dan zwaaiden onze katholieken niet het zendingsterrein op, maar liepen rechtdoor, luid zingend: ‘Maria, wees gegroet’. Tot ergernis van de zendeling natuurlijk. De oecumenische gedachte was ver”, herhaalde pater Van den Acker nog eens.
 
Toch leerden de missionarissen, gaven ze toe, veel van de zending in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog, toen de Japanners ingrepen en het voortaan anders toeging. De paters beseften dat de Duitse zending al ruim vijftig jaar met succes bij het Tobameer werkzaam was.
 
Van den Acker gebruikte in de nieuwe tijd wijze woorden. “Toen zeiden we helaas nog: ‘Leer van uw vijand’, Nu zeggen we: Leer van uw vrienden’. Goddank”.
 
Harry Knipschild
17 juni 2016, 8 december 2018
eerder verschenen op www.katholiek.nl
 
 
Literatuur
 
Wolf Kielich, Vrouwen op ontdekkingsreis. Avonturiersters in de negentiende eeuw, Amsterdam 1994 (1986)
H.W. van den Doel, Het rijk van Insulinde. Opkomst en ondergang van een Nederlandse kolonie, Amsterdam 1996
Carolijn Visser, Sasza Malko, En nog steeds hebben wij twee vaderlanden. Op avontuur in Nederlands-Indië, Amsterdam 2001
 
 
Toevoeging
 
 
65 6 Pater Marianus
Theodorus van den Acker, op latere leeftijd
 
 
Theodorus van den Acker, pater Marianus, overleed op 31 mei 1998 in Tilburg. Hij werd op het kloosterkerkhof, Korvelseweg 165, begraven.
   Bij die gelegenheid legde men vast dat hij het Japanse concentratiekamp overleefd had. Vanaf 1947 werd de pater overste van de missie bij het Toba-meer. Als hoofdverantwoordelijke bezocht Van den Acker zijn medebroeders en stimuleerde hen om bij alle drukke werkzaamheden aan het gebed voorrang te geven. De dagelijkse gebeden vertaalde de pater in het Toba-Bataks.
   In 1975 keerde de Kapucijn terug naar ons land. In Veghel, Breda, Zevenaar, Lobith en Tilburg oefende hij het bejaardenpastoraat uit. In die tijd schreef pater Marianus over de positie van de Batakse vrouw en verzamelde gegevens over zijn interneringsperiode.
    De laatste jaren van zijn leven werd de Brabander ziek en afhankelijk. “Op Eerste Pinksterdag sliep hij vredig in. Hij had de goede strijd gestreden”.
 
De voormalige missionaris werd bedankt voor zijn inzet voor het Rijk Gods. “De Heer zal het een eer vinden jou nu in zijn gezelschap te vinden”.
 
8 december 2018