Piet de Leeuw werd op 18 september 1877 geboren in Den Bosch. Op 25 april 1903 vertrok hij als missionaris naar het noorden van China. Meestal reisden de paters per schip door het Suez-kanaal, langs de zuidkust van Azië en dan weer naar het noorden via Saigon, Hongkong en Tianjin. Bij pater de Leeuw ging het anders. Hij stapte op de trein en maakte gebruik van de verbinding die later bekend werd als de Trans Siberië Expres.
   De Leeuw was niet alleen. Twee andere jonge missionarissen, de Vlamingen Ernest Verheyen en Paul De Brabandere, vergezelden hem. Er waren nóg twee paters van de partij: Alfons Hulsbosch en Willem Lemmens. Die waren tijdens de Bokseropstand China ontvlucht en keerden nu terug naar hun missieposten in de Ordos.
 
Na aankomst maakte Piet de Leeuw voor zijn familie een lang verslag van de treinreis. In afleveringen werd het afgedrukt in de Annalen van Sparrendaal, het missiehuis van Scheut bij Vught.
 
 
57 1 Russen
foto uit missietijdschrift
 
 
Aankomst in Rusland
 
 
Om op die manier te reizen moest je het land zien binnen te komen dat nu Polen is. In die tijd hoorde het bij Rusland. Van verwelkomen was geen sprake. Eerder het tegendeel. De paters hadden ’s avonds plaats genomen in de trein van Berlijn naar Moskou.
   “Om half één werden wij uit onze slaap opgeschrikt door een zware basstem. Ik meende dat het de controleur van de trein was. Ik sliep nog half maar zocht naar mijn kaartje. Toen ik mijn ogen wat beter open deed bemerkte ik tot mijn grote verwondering dat het een gendarme was van een paar meter lengte. Hij ratelde tegen ons in het Russisch. We verstonden er natuurlijk geen woord van”.
 
De douanier maakte duidelijk dat ze hun paspoorten te voorschijn moesten halen. De papieren van de missionarissen werden meteen meegenomen. “We kregen geen enkel woord van dank te horen. Na een half uur moesten we uitstappen. We waren bij de douane van Alexandrowo. Zo’n lastige en brutale douane als de Russische heb ik nog nooit meegemaakt. Alles moesten we open maken en uitpakken. Niet een keer, maar drie keer”.
   De Leeuw kwam er naar eigen zeggen nog goed van af. Verheyen had het moeilijker. “Met een ruwe hand doortastte een kerel alle kleren. Gretig opende de man een kistje waar nog zestig sigaren in waren. Ik zag dat hij zin had het kistje in beslag te nemen. Maar pater Verheyen maakte duidelijk dat hij nog ver moest reizen. Daarmee was de bekoring overwonnen”.
   Vervolgens kwamen de boeken aan de beurt. “Verheyen had een Frans werk uit vier delen en een klein Latijns boekje. De douanier opende een van die vier boeken en bladerde het door. Dan schreef hij er een woord op en legde het weg. Het Latijnse boekje onderging hetzelfde lot. Pater Verheyen kon zeggen wat hij wilde. De man verstond geen Frans of Duits. [Ernest] gaf met gebaren zijn ontevredenheid te kennen. Maar de kerel trok doodeenvoudig zijn schouders op en antwoordde ‘Censoer!’ Zijn twee boeken moesten naar Odessa gezonden worden, waar men ze zou onderzoeken”.
 
Verheyen liet het er niet bij zitten. “Toen al ons reisgoed onderzocht was moesten wij aan het loket de paspoorten terug gaan halen. Met het paspoort in de hand trok hij naar een andere beambte. Met veel gebaren deed hij hem verstaan dat hij zijn boeken terug moest hebben. Maar nogmaals werd hij afgewezen met hetzelfde antwoord: ‘Censoer!’
   Verheyen hield voet bij stuk. Dreigend stak hij hem zijn paspoort onder de neus.
   Vreesde de man van hogerhand aangeklaagd te worden? Eensklaps werd hij gedwee en ging met de boeken naar zijn overste. Met vier man tegelijk, al kenden zij geen enkel woord Frans of Latijn, snuffelden ze de boeken door. Van tijd tot tijd wierpen ze een oogopslag op pater Verheyen. Die liet zich niet uit het lood slaan en zag hen met een doordringende blik aan.
   Onverwacht kwam een van hen aangelopen, boog als een knipmes en gaf de boeken terug”.
 
De Leeuw maakte duidelijk dat iedereen zo behandeld werd. “De andere reizigers waren er niet beter aan toe. Er waren er die grote koffers bij zich hadden. Deze werden één voor één uitgepakt. Alles werd op de grond gelegd en nauwkeurig onderzocht. De mensen konden klagen zo hard zij wilden, daar stoorden zij zich niet aan. Ze gingen gewoon hun gang”.
   Midden in de nacht waren ze uren opgehouden.
 
 
Warschau
 
 
De trein ‘stoomde’ langs de Weichsel naar Warschau. Vóór de Scheutisten de Russische stad binnenreden ontdekten ze een stukje levende geschiedenis. “Wij zagen de versterkingen die door Napoleon ingenomen waren tijdens zijn rampzalige Russische krijgstocht. Aanstonds waren wij zelf aan het praten over krijgskunst en dapperheid. Het leek wel alsof de generale staf van Napoleon aan het redeneren was over aanvallen en gevechten”.
 
In de regio rond Warschau, vonden de missionarissen, was het maar een armzalige boel. “De huizen waren laag, het volk slordig en vuil. Dit gedeelte van Rusland maakte op ons de indruk dat het in zeer veel opzichten achterbleef bij de andere landen van Europa. In bijna geen enkel dorp zagen we een huis van steen. De boeren zagen er ellendig uit. Op veel plaats zagen wij hen, met vrouw en kinderen, barrevoets het land bewerken. Het was fatsoenlijk koud. Ze hoefden het dus niet te doen om fris te blijven”.
 
 
Mis-treinen
 
 
Vanzelfsprekend waren de missionarissen geïnteresseerd in de verkondiging van het katholieke geloof in ‘Polen’. “De dorpen waren zeer klein: een kerk met twintig à dertig huizen. De kerken, zelfs op de kleinste plaatsen, leken vanuit de verte heel mooi te zijn – allemaal koepelkerken. Dikwijls zag men vanuit de trein alleen een kerk en een kerkhof – en een half uur verder enige huizen: het dorp”.
   Verheugd constateerde De Leeuw dat er een mooie regeling getroffen was voor plekjes zonder religieus gebouw. “Voor de dorpen die geen kerk hebben loopt zondags een zogenaamde mis-trein. Deze trein heeft een wagon waarop een altaar om te mis te lezen. De trein rijdt van het ene station van het andere. Ter plekke wordt dan de mis gelezen voor het volk, dat uit de omliggende dorpen naar het station komt toegestroomd. U ziet hieruit dat het volk zeer godsdienstig is”.
 
 
Moskou
 
 
57 2 Kremlin
foto uit missieblad
 
 
De regio vóór Smolensk en Moskou deed de Bossenaar sterk denken aan de provincie waar hij was opgegroeid. “De streek is bijna hetzelfde als bij ons in de Peel. Hier en daar een klein, armoedig dorpje. Soms een fatsoenlijke hoeve te midden van enige weilanden waarop enige kudden vee”.
 
Op het station van Moskou, 28 april 1903, werden de paters opgewacht door de consul van België. “Hij bood ons zijn diensten aan, hetgeen ons zeer aangenaam was”.
   De consul liet iedereen in huurkoetsjes plaats nemen en begeleidde hen naar een hotel. “Wij hotsten over de keien. De straten van Moskou zijn erbarmelijk. Men klaagt altijd over de miserabele keien van Den Bosch. Maar ik kan u zeggen dat die nog honderd procent beter zijn dan in Moskou. Wij moesten ons dikwijls goed vast houden om niet uit het rijtuig te vallen”.
   In Moskou werd het gezelschap opnieuw geconfronteerd met de harde hand van de overheid. “Het eerste dat wij in ons hotel ondervonden, was wederom de Russische dwingelandij. We waren juist binnen. Nog vóór we de tijd hadden om een kamer te vragen werd ons om onze paspoorten gevraagd. Die moesten naar de politie om gevisiteerd te worden”.
 
De paters bleken op een speciaal moment in de stad te zijn. In die tijd was Sint Petersburg de hoofdstad van het tsarenrijk. Maar toevallig bevonden Nicolaas II en zijn vrouw Alexandra zich in het Kremlin. Die plek was dan ook niet te bezichtigen. Maar om die reden was het wel druk. “Vele boeren waren met hun paard naar de stad gekomen. Bij het Kremlin was er geen doorkomen aan”.
   De vijf priesters waren wel in staat hun plicht te doen: het opdragen van de mis. “We waren al vroeg op pad om een katholieke kerk te zoeken. In Moskou zijn er maar twee, een voor de Polen en een voor de Fransen, tegenover wel vijftig Russische. Het viel niet mee omdat men de kerken van buiten niet van elkaar onderscheiden kan.
   Na een goede wandeling vonden we eindelijk de Poolse, waar we met drieën direct klaar konden komen. De twee anderen trokken toen naar de Franse, die niet ver van de Poolse gelegen was”.
 
 
57 3 Nicholaas II en Alexandra
Alexandra en Nicholaas II
 
 
De Leeuw had zo zijn mening over de manier waarop de inwoners hun geloof beleefden. “De Russen zijn over het algemeen zeer godsdienstig – indien men ten minste naar het uiterlijk oordeelt. Als ze een kerk, kapel of beeld voorbij gaan, maken ze een knie-buiging en wel drie kruistekens. Iedereen die onder de poort van de Zaligmaker doorgaat doet dit met ontbloot hoofd. In zeer veel stations ziet men een beeld of muurschildering van Christus met het evangelie-boek”.
   Een Dominicaan, die de Poolse kerk bestuurde, nodigde de reizigers op het ontbijt uit. De Leeuw vroeg hem naar de godsdienstige gevoelens van het volk.
   “Hij antwoordde dat die godsvrucht enkel bestond uit uitwendige betoningen. Maar het hart was niet doordrongen van het ware geloof. Dat vindt men alleen in de katholieke kerk”. Het volk liep zijn priesters gewoon voorbij, hoorde Piet, zonder hen te groeten, zelfs zonder op hen te letten.
 
 
Naar de Oeral met de Transsiberiaanse trein
 
 
De Belgische consul zag er persoonlijk op toe dat de paspoorten bij het vertrek in orde waren om later Rusland te verlaten. “Het schijnt dat het somtijds even moeilijk is om uit Rusland te komen als om er in te geraken”. En toen was het tijd om plaats te nemen in de ‘Transsiberiaanse trein’.
   “Toen ik nog in Den Bosch was hoorden we verschillende verhalen over die trein”, schreef hij aan zijn familie. “U wilt vast weten hoe het nu in elkaar zit. Er is geen verschil tussen eerste en twee klas. Alleen de deuren en de kussens verschillen. Bovendien zijn de coupés van de eerste klas voor twee personen, die van de tweede klas voor vier. De trein bestaat uit vijf wagons, één eerste klas, twee tweede klas, een restauratie- en een bagage-wagen. De wagon eerste klas bevat zestien personen, de tweede klas twee en dertig zodat er tachtig personen in de trein plaats kunnen nemen. Ook is er een badkamer, waarvan iedereen tegen betaling van twee gulden gebruik kan maken. In iedere wagen is ook een toiletkamer”.
   Er was nog iets heel bijzonders: “De trein is met elektrisch licht verlicht. ’s Avonds kan men zijn tijd doorbrengen met lezen. Als men gaat slapen, draait men het licht uit. Dan blijft nog een klein blauw lampje branden. Dat hindert niet voor de slaap en geeft licht genoeg om zijn weg te vinden”.
 
De luxueuze trein reed opvallend langzaam. “Hoogstens 25 mijl per uur”. Een mooie gelegenheid om eens goed naar buiten te kijken. “Op verschillende plaatsen lag er [op 30 april] nog zeer veel sneeuw. De streken die wij passeerden waren zeer armoedig. De huizen waren meestal van stro of bestonden slechts uit een dak. Enige huizen waren van balken gebouwd”.
   Gelukkig waren er ook nu volop kerken. “Het dorp Voerkovo was zeer mooi gelegen en bezat een prachtige kerk. Zoals ik al eerder schreef zijn de kerken over het algemeen erg mooi en talrijk. In dorpen met honderd huizen zagen we twee tot drie kerken”.
 
 
57 4 trein
foto uit missieblad
 
 
De vijf paters uit Nederland en België naderden langzaam het uiterste oosten van het eigenlijke Rusland. Op 1 mei 1903 reden ze over de grote Wolga-brug. “Die heeft een lengte van meer dan 1.400 meter. Ze bestaat uit dertien bogen die elk een spanning van 205 meter hebben”.
   ’s Avonds arriveerden ze in Samara. “In de verte zagen we al het Oeral-gebergte dat zich tegen de horizon aftekende. We hadden tijd genoeg om van al die schoonheid te profiteren. De trein reed zo langzaam dat een van mijn medereizigers opmerkte dat men gemakkelijk op de langs de lijn liggende heuvels kon springen, en weer in de trein terug”.
 
De mannen die een wereldreis maakten om het ware christelijke geloof te verbreiden, maakten nu ook kennis met andere ideeën, religieus en niet-religieus. De Kirgiezen die ze in Khimel zagen waren moslims. “Het is een rondtrekkend volk. Men vindt ze zelfs tot in Sint Petersburg”.
   In die streek had bovendien het socialisme, het communisme, wortel geschoten. “Hier zijn de politieke dromen der socialisten verwezenlijkt. In verschillende dorpen bestaat er geen eigendom. Alles wat er is in het dorp, zoals het land, paarden, ploegen enzovoort, behoort aan de gemeenschap. De boeren bewerken samen de grond met paarden en gereedschappen van de communiteit. ’s Avonds krijgt ieder het nodige voor zijn huishouden”.    
 
      
De Siberische koude in
 
 
Na Samara reden ze met hun trein door de Oeral. “Het hoogste punt was 4.000 voet. Hier stond ook de grenspaal tussen Europa en Azië. We riepen Europa een laatste vaarwel toe. Onwillekeurig begonnen we het ‘Lied van Scheut’ te zingen: ‘Naar Mongolië, waarvoor wij zijn geboren’.
   De Russische trein reed nog door tot aan het Baikal-meer. Intussen was het buiten (in mei!) flink aan het vriezen. Bij het meer ontdekten ze nog eens goed dat de spoorlijn een militair karakter had. Niemand minder dan de minister van Oorlog reisde er rond. Toen die een stelletje paters ontwaarde was hij meteen op zijn hoede. De missionarissen zouden wel eens spionnen kunnen zijn.
   “De minister scheen ons niet goed te vertrouwen. Hij stuurde ons een van zijn mannen, om te vragen waar wij vandaan kwamen. Op ons antwoord, dat wij Belgen en Hollanders waren, vroeg hij ons direkt of wij aanleggers van spoorwegen waren”.
 
Met de boot (Angora) moest het gezelschap het meer over. “Alhoewel het zeer koud was bleef ik op het dek. Ik wilde zoveel mogelijk genieten van het schouwspel. Met een donderend geraas brak de boot door de ijs-schollen heen. De weg was weldra open gebroken. Maar door de hevige koude waren de schollen, zodra de boot voorbij was, weer aan elkaar gevroren. De boot schoof op die ijsschollen, die een dikte hadden van een halve meter. Krakend zonken de schollen in de diepte weg. Na enige ogenblikken kwamen ze, verpletterd tot ijsnaalden, weer te voorschijn”.
   Aan de andere kant van het meer stapten de geloofsverkondigers over op een nieuwe trein. Die reed verder door Siberië, het gebied dat de Russen veroverd hadden.
 
 
57 5 Angora
het schip (Angora), foto missieblad
 
 
Rusland uit
 
 
Aan het einde van de lange tocht, in Mandchoerije, hoefden de paters niet eens hun paspoorten te laten zien. Het Chinese gebied was tijdens de Bokseropstand door Russische troepen ingenomen. Grote groepen Chinezen waren aan het werk gezet om de spoorlijn te verlengen. Russische soldaten, kozakken, hielden toezicht.
   “Men had ons gezegd dat hier de douane was. Wij hadden dus alles weer uitgepakt om te laten onderzoeken. We stonden al een kwartier in de trein te wachten zonder dat we een beambte zagen. Tenslotte gingen we in het station zien waar de beambten te vinden waren. Van een tolkantoor was echter niets te bespeuren. Enige gendarmen zaten rustig een borreltje te drinken. Ze gunden zich echter de moeite niet om de trein te visiteren. Wij konden alles rustig weer inpakken zonder door iemand gestoord te worden”.
 
De Russen speelden duidelijk de baas. “In de dagbladen schrijft men dat Mandchoerije nog aan China behoort. Misschien in naam. In verschillende stations zagen we hoe de kozakken de Chinezen bij de staart trokken en met de karwats afranselden. We keken uit op grote Russische forten, bewaakt door de kozakken. Een eerste stap, zou men zeggen, tot inpalming van Mandchoerije”. In 1904 zou een oorlog tussen Rusland en Japan echter een nieuwe wending aan de geschiedenis van de streek geven.
 
 
***
 
 
Hoe dan ook, Piet de Leeuw was heel Rusland doorgereisd. Korte tijd later bevond hij zich in Xiwanzi, de hoofdplaats van Scheut in China. Op 29 juni 1943, veertig jaar later, overleed hij in dat verre land.
 
 
Harry Knipschild
6 juli 2014, 23 juli 2018
 
Dit artikel werd eerder geplaatst op www.katholiek.nl