Zoeken

 
 
Van der Vliet begon met duidelijk te maken hoe de islam zich, ten koste van het christendom, in een eerste jihad verbreidde. “Vrijwel direct na de dood van de profeet Mohammed in 632 overspoelden islamitische legers vanuit het Arabisch schiereiland het oostelijk deel van het Romeinse rijk. In 636 viel Damascus, in 638 Jeruzalem en in het najaar van 641 werd de Egyptische hoofdstad Alexandrië tot overgave gedwongen”.
   In Europa drongen de moslims in het westen (via Spanje) op tot niet ver van Parijs en (via de Balkan) tot vóór de muren van Wenen, met nog een aanval in 1683. Een groot deel van Europa werd islamitisch.
  
 
De slag bij Dongola: christenen weerstaan de moslims in 651
 
 
Ook in Afrika rukten de jihad-strijders ver op. Tot in de Soedan. “De triomfantelijke opmars van de islam werd pas in 651 gestuit aan de zuidgrens van Egyte, in Nubië. Daar lukte het een ministaatje, het christelijk koninkrijk van Makoerië, om de Arabieren in de slag bij Dongola, de hoofdstad van Makoerië, voor het eerst een beslissende nederlaag toe te brengen”.
   Dongola ligt anno 2016 in het noorden van Soedan – 500 kilometer noordelijker dan de hoofdstad Khartoem.
De jihadi’s kwam voorlopig niet verder zuidelijk. “Dit wapenfeit had een niet te onderschatten historische betekenis. Vele eeuwen lang zijn hierdoor de arabisering en islamisering van Afrika ten zuiden van de Sahara (de Sahel-landen) tegengehouden. Historici spreken daarom wel van de ‘Nubische dam’”, aldus Van der Vliet.
 
 
48 2 kaart met Dongola
Dongola op hedendaagse kaart
 
 
Van de ene dag op de andere werd het obscuur christelijke vorstendom aan de rand van het Romeinse rijk een geduchte speler op het internationale toneel. In het Nino-boek is te lezen: “In de zomer van 652 sloten de nieuwe [islamitische] heersers van Egypte met de koning van Makoerië een bilateraal niet-aanvalsverdrag, bekend als de ‘baqt’, dat tevens voorzag in diverse verplichtingen en privileges die voor beide partijen profijtelijk waren. Pas rond 1500 kwam de geschiedenis van de christelijke staten in dit gebied tot een einde en verdween ook geleidelijk het inheemse christendom in de noordelijke Soedan”.
 
 
Archeologische vondsten
 
 
De kennis die we heden ten dage hebben van de verbreiding van het christelijk geloof in de regio ten zuiden van Egypte is voor een gedeelte te danken aan Nederlandse opgravingen in de jaren zestig. Ze vonden plaats in Abdallah Nirqi, een dorp in de buurt van Aboe Simbel.
   Tijdens het werk van archeologen kwam een kerk met muurschilderingen aan het licht. “De vondsten getuigden van een rijke christelijke cultuur die sterk op Egypte was georiënteerd”.     
 
Opvallende wandschilderingen werden na vele eeuwen opnieuw zichtbaar: “Naast de gangbare heiligen van de christelijke kalender ook inheemse koningen en koninginnen met exotisch gehoornde kronen die door Christus of de Heilige Maagd werden beschermd. Of gemaskerde figuren die een wilde dans uitvoerden bij gelegenheid van een Maria-feest”.
 
 
  
Het graf van een aartsbisschop (uit 1113)
 
 
Poolse archeologen deden volgens de hoogleraar in 1993 een opzienbarende ontdekking. Ze vonden het graf van aartsbisschop Georgios die na een leven van ruim tachtig jaar in Dongola begraven was. Achter een wand met de grafsteen van Georgios troffen de onderzoekers de toegang aan naar een ondergrondse grafkamer.
   “Een verrassing was dat die niet één maar wel zeven lichamen bleek te bevatten. Alle zeven behoorden aan mannen van gevorderde leeftijd. Welk dat van de bisschop was, werd niet duidelijk. Evenmin was duidelijk wat de relatie tussen deze zeven mannen was geweest. Misschien waren het kloosterlingen die ongeveer gelijktijdig met Georgios overleden”.
   De archeologen vielen van de ene verrassing in de andere. “De wit-gepleisterde muren van het vertrek waren vrijwel van onder tot boven zorgvuldig beschreven: een voor de christelijke wereld unieke vondst. De goed bewaard gebleven teksten bleken in twee talen gesteld, Grieks en Sahidisch, de zuidelijke variant van het Koptisch, dat een voorname schrijftaal van middeleeuws Nubië was”.
   Pas in 2009 was het mogelijk de teksten op te nemen.
 
 
Teksten
 
 
Recent onderzoek wees uit dat een zekere Johannes de teksten negen eeuwen geleden in de grafkamer had aangebracht. Elk van de vier wanden droeg de begin- en slotregels van een van de vier evangeliën – in het Grieks. Een schat aan gegevens werd gevonden. Te veel om op te noemen.
   Professor Van der Vliet: “We moeten een beroep doen op parallellen uit Nubië zelf, maar ook van elders. In de middeleeuwen was het noordoosten van Afrika (Egypte, Nubië, Ethiopië) nog grotendeels christelijk. Kerkelijk viel dit hele grote gebied onder het patriarchaat van Alexandrië en hoorde het tot wat we nu de Koptisch-Orthodoxe Kerk noemen. Voor een interpretatie zijn we dus niet alleen op Nubische bronnen aangewezen, maar kunnen we ook naar Egyptische en Ethiopische bronnen en praktijken verwijzen”.
 
In de teksten speelden zowel Maria als magie een belangrijke rol. In een van haar gebeden sprak Maria haar angst voor de dood uit. Wat voor reden kon iemand als Maria hebben om bang te zijn voor het hiernamaals? Zij was immers de moeder van niemand minder dan Jezus Christus!
   “Die angst is algemeen menselijk, want sterven is een ongewisse oversteek naar een andere wereld, aan ‘gene zijde’. In de oudheid en de middeleeuwen werd deze overgang voorgesteld als een gevaarlijke reis, met bedreigingen door demonen en door een rivier van vuur waar de ziel in werd ondergedompeld”.
   Een vagevuur?
 
 
48 3 teksten
gevonden teksten (foto uit boek)
 
 
Maria
 
 
In haar gebed, zoals afgebeeld in Dongola, vroeg Maria aan God bescherming op die reis. “Verwijder voor mij alle struikelblokken alsook de demonen met de veranderlijke gezichten. Open voor mij de poorten van de gerechtigheid, opdat ik daar door binnen ga en de naam verkondig van mijn God. Laat de rivier van vuur, waarin zowel de rechtvaardigen als de zondaars worden beproefd, voor mij tot bedaren komen”.
   Hier geen Petrus dus met zijn sleutels bij de poort van de ‘hemel’. Ook geen Styx, de rivier waar de veelkoppige hond Cerberus de Griekse onderwereld bewaakte.
   “De voorstelling van een vuurrivier, die alle doden moesten oversteken en van demonen met afschrikwekkende gezichten die de ziel van de overledene belaagden, was wijdverbreid in het Egyptische christendom van de oudheid en kennelijk ook in Nubië. De doden in de grafkelder van bisschop Georgios keken naar het oosten, de traditionele gebedsrichting, en maakten daardoor als het ware het gebed van Maria tot het hunne”.
 
 
Maria Hemelvaart (feestdag: 15 augustus)
 
 
Maria speelde nóg een rol op deze plek. “In de lange tekst op de zuidwand stond de lijkwade centraal, waarin Maria begraven werd. Die lijkwade was door Jezus zelf meegebracht uit de hemel en hij zelf begroef er zijn moeder in”.
 
De Leidse hoogleraar herkende het tafereel. “Een variant van deze oorspronkelijk vooral verhalende tekst maakt, als het ‘gebed van de linnen doeken’, nog heden ten dage deel uit van het begrafenisritueel van de Ethiopische christenen. Het heeft zijn plaats in het begin van het ritueel, wanneer de overledene nog in zijn of haar eigen huis wordt gewassen en met nieuwe kleren bekleed om hem of haar gereed te maken voor de laatste reis.
   Dat juist Maria ook hier weer centraal staat, wordt begrijpelijk wanneer men bedenkt dat zij naar een nog altijd christelijke opvatting met ziel en lichaam ten hemel is opgenomen. De rooms-katholieke en Grieks-orthodoxe kerken vieren dat op 15 augustus, in veel landen [tot voor kort ook bij ons, HK] een openbare feestdag. Meer dan enige andere heilige is Maria dan ook de patrones van een zalige dood”.
 
 
48 4a wandschilderingen
gevonden wandschilderingen (foto uit boek)
 
 
Vergelijkingen
 
 
Jacques van der Vliet trok de vergelijking door tot in onze tijd. “Nog tot ver in de twintigste eeuw maakte een lange ‘magische’ tekst, die zich tegelijk voordeed als een gebed van Maria, deel uit van de Ethiopische dodenritus – de zogenaamde ‘band van de rechtvaardiging’, die in karakter zeer veel overeenkomsten vertoonde met het ‘magische’ gebed van Maria op de noordwand van het graf in Dongola”.
   Die tekst kon volgens hem als een soort amulet in het graf worden meegegeven in de vorm van een rol van perkament. De grafkelder was als het ware zelf een soortgelijk amulet dat de dode omgaf als een geschreven ritueel dat op de gevaarlijke reis naar een andere wereld bescherming bood, was een (wellicht voorzichtige?) conclusie.
 
In het artikel werd niet alleen een link naar het tamelijke recente verleden gemaakt, maar tevens naar lang vervlogen tijden: “Onweerstaanbaar dringt zich de vergelijking op met het oud-Egyptisch dodenboek. Ook dat was een verzameling rituele teksten, die de overledene ter bescherming werd meegegeven. In noordoostelijk Afrika kon de beveiliging van de overleden mens opvallend gelijke vormen aannemen”.
 
Van der Vliet eindigde zijn interessante bijdrage aan het jubileumboek met de woorden: “Gezien in een breder godsdienst-historisch verband was de grafkelder van de bisschop misschien niet zo uniek als hij vanuit een christelijk perspectief op het eerste gezicht wel leek”.
 
Harry Knipschild
21 mei 2016, 9 november 2017
 
48 5 Dongola in onze tijd
Dongola in onze tijd
 
 
Dit artikel werd eerder gepubliceerd op de website www.katholiek.nl
  
Clips