Er zijn van die songs die op den duur uitgroeien tot klassiekers in de popmuziek. Ik [HK] heb bijvoorbeeld al geschreven over ‘The Locomotion’, ‘Sea Cruise’, ‘Blue Moon’, ‘Kansas City’ en ‘Stand by me’.
    Nog zo’n klassieker is ‘Susie Q’, een song van Dale Hawkins uit de jaren vijftig. Zonder ‘Susie Q’ was Creedence Clearwater Revival, de groep van John Fogerty, (in 1968) misschien nooit doorgebroken. Van het nummer zijn talloze versies, van bekende artiesten als de Rolling Stones, Johnny Rivers, Lonnie Mack, Johnny Winter, José Feliciano, Roy Buchanan, Everly Brothers en Tony Joe White. Maar ook menig ander bandje had het nummer tijdens optredens op zijn repertoire staan.
 
 
377 1 John Fogerty en Dale Hawkins
 
 
 
In de loop der tijden zijn diverse artikelen gepubliceerd over Dale Hawkins (1936-2010) en zijn ‘Susie Q’, vaak met nogal wat ‘halve waarheden’. Totdat in 2008 bij de Universiteit van Mississippi het boek Shreveport Sounds in Black & White verscheen, met daarin onder meer een goed-gedocumenteerd hoofdstuk van dertig pagina’s, ‘The Making of Dale Hawkins’, geschreven door David Anderson en Lesley-Anne Reed, die bovendien zelf met de artiest herinneringen opgehaald hadden aan het einde van zijn leven. Ook spraken ze met zijn broer Jerry.
 
 
Shreveport, Louisiana
 
 
Niet voor niets was het artikel onderdeel van een boek over Shreveport, een stad in Louisiana, op korte afstand van Texas en Mississippi. Voor de vroege popmuziek was radiostation KWKH in Shreveport van belang. De zender met een groot bereik zond vanaf 1948 het programma ‘Louisiana Hayride’ uit. Artiesten als Hank Williams, Faron Young, Johnny Horton, Lefty Frizzell, Jim Reeves, Johnny Cash en niet te vergeten Elvis Presley lieten zich vanuit de stadsgehoorzaal (Municipal Auditorium) horen.
    Door die uitzendingen kon Shreveport zich meten met twee stations in Nashville, Tennessee: WSM (Grand Ole Opry) en WLAC, dat nogal wat ‘zwarte muziek’ de ether in stuurde. 
 
 
Dale Hawkins
 
 
Dale werd als Delmar Hawkins op 22 augustus 1936 geboren: niet in Shreveport maar in Goldmine, een flink eind er vandaan in de omgeving van Mangham, eveneens in die zuidelijke Amerikaanse staat. Het gezin was eerder vanuit het noordwesten van Arkansas naar die omgeving getrokken om er op het land te arbeiden. Zwart en blank werkten er naast en met elkaar om katoen te plukken.
    Volgens Del had hij een flinke muzikale achtergrond. “All the family were musicians. It was in the genes”. Diverse familieleden brachten met een orkestje blanke plattelandsmuziek. Neef Ronnie Hawkins, een jaar ouder dan hij zelf, was in Huntsville, Arkansas, geboren. Hij maakte later carrière met zijn eigen groep, de Hawks. In zijn jongste jaren was Del echter een uitzondering op de regel. Muziek betekende niet veel voor hem in die tijd.
Vader Hawkins, eveneens Delmar geheten, was niet alleen bassist maar ook alcoholist. Omdat hij als muzikant niet genoeg had weten te verdienen was hij op het land gaan werken. Zijn huwelijk was geen succes. Al snel verdween hij uit het gezin.
    Delmar junior: “I never saw my daddy that I can remember until ‘Susie-Q’ was a hit [in 1957]”.
    Na de scheiding van zijn ouders verhuisde moeder Estelle met haar kinderen terug naar Mangham, waar ze werk vond in een nabijgelegen wapenfabriek toen Amerika eind 1942 in oorlog kwam met Japan. De kinderen werden opgevoed door diverse familieleden.
    Op hoge leeftijd maakte Del duidelijk dat hij er allerlei soorten muziek hoorde, zowel in de kerk als in de horeca. “My grandfather was a marshal in the parish. So I got to go with him on Saturday nights and got to hear music on ‘both sides of the door’”. Maar het idee om ook zelf muziek te maken kwam niet bij hem op.
 
 
Muziek op de radio
 
 
In hun artikel benadrukten de twee auteurs keer op keer de aantrekkingskracht van de goed te ontvangen radiostations WLAC (Nashville), WNOE (New Orleans) en KWKH (Shreveport) die de luisteraars kennis lieten maken met zowel blanke country & western als zwarte rhythm & blues muziek.
    “Powerful 50,000-watt clear channel stations had started to play with some regularity the ‘race’ music put out by the growing number of independent record labels intent on exploiting the expanding market for rhythm and blues”.
    Dat soort klanken moet Del zeker gehoord hebben als hij thuis naar de radio luisterde. Maar dat deed hij waarschijnlijk slechts in beperkte mate. In plaats daarvan trokken Del en Jerry, zijn broer, vanuit het kleine Mangham liftend rond door het noorden van Louisiana, niet ver van de grens met Arkansas. Enkele optredens van een bluegrass groep met Lester Flatt en Earl Scruggs maakten zo’n indruk dat hij dat veel later nog navertelde.
 
 
377 2 KWKH
advertentie voor radio KWKH (jaren dertig?)
 
 
Naar de omgeving van Shreveport
 
 
Hun moeder vond in Luther Diffey een nieuwe echtgenoot: een militair die gewond maar met eretekenen uit de Tweede Wereldoorlog was teruggekeerd. De veteraan bracht niet veel geld in het laatje. Estelle ging opnieuw aan het werk om de kost voor het gezin te verdienen. Dat deed ze in een café met een jukebox, waar Del eind jaren veertig de nieuwste grammofoonplaten hoorde. “Hawkins claims to have huddled around the jukebox for hours at a time in an idle haze”.
    Estelle vond dat ze te weinig haar eigen leven kon bepalen zo dicht bij haar familie. Daarom besloot ze in gezelschap van haar man, Del, Jerry en een onlangs-geboren (half)zusje, Linda, naar elders te verhuizen: Bossier City bij Shreveport – aan de overkant van de Red River. Del was niet ouder dan veertien jaar. Ondanks dat ging Estelle voor de tweede keer aan het werk in de wapenfabriek. Daarvoor moest ze elke dag zo’n vijftig kilometer heen en terug met de bus reizen.
    Moeder Hawkins werkte om haar gezin overeind te houden. Breed hadden ze het zeker niet. “The entire family - Estelle, Luther, brother Jerry, and new half-sister Linda - lived in the Bossier Housing Projects, a place so dismal, in Del’s opinion, that it could not have signified the family’s frail economic status any more poignantly.
    Quarters were cramped and noisy - suffocating even - and money remained tight, with Estelle’s job appearing to have been the family’s primary source of income”.
 
 
Del Hawkins in Bossier City
 
 
Estelle wilde haar kinderen een goede opleiding geven. Ook dat was aanleiding geweest om te verhuizen. Aan Del was het echter niet besteed. “He gave his studies at Bossier High School a half-hearted chance, no doubt because one reason his mother chose to settle in Bossier City was so that her children could attend better schools than they could in Mangham.
    But he soon began skipping his classes and spent most of his time earning a few bucks delivering newspapers and bagging groceries at the local Pack ’N’ Sack store, all the while planning his getaway.
    ‘I didn’t like school, man’, he later confessed, ‘so after I had got two pay checks’ from the Pack ’N’ Sack, amounting to ‘ten, twenty dollars’ at most, ‘I ran away from home’”.
 
De teenager trok begin jaren vijftig doelloos rond door Texas, een periode die hij zich later niet meer wenste te herinneren. Wel liet hij weten dat hij genoeg had van Bossier City, die grauwe omgeving waar hij een paar centen verdiende met inferieure baantjes. Bovendien wilde hij zijn moeder ontlasten.
    “He hitchhiked to Houston and worked ‘odd jobs, and whatever it took’ to eat, before he ran out of money and headed back home. On another occasion, he lit out for Dallas, a new Social Security card in hand, and lined up an ‘actual job’ at a department store before the local police picked him up ‘underage, on the streets, hungry’ and packed him back home before he ever worked a day”.
 
 
Bij de marine
 
 
Wat deed een puber die niet wist wat hij met zijn leven aan moest? Hij meldde zich in 1953 bij de marine. Om er geaccpteerd te worden vervalste hij zijn geboortejaar, door 1936 in 1935 te veranderen. Eervol ontslagen maar teleurgesteld kwam hij al in juni 1954 terug in Bossier City. Aan boord van een marine-schip bij San Francisco was hij gewond geraakt. Thuis gekomen werd hij diverse maanden in een ziekenhuis verpleegd.
    Vandaar zou hij weer terug moeten naar het oude leven. “From the window of his hospital room he had a clear view of the Bossier Housing Projects where he had lived with his family just the year before, and where he would return at the end of the summer once his back healed”. Het was om moedeloos van te worden.
    Del, christelijk opgevoed, besefte dat hij zijn leven voortaan zin moest geven. “Desperate for some direction, he looked to the heavens and pleaded for an answer. ‘I got on my knees for three, four months’ in prayer, he remembers, ‘begging God for a way out of the projects’”.
 
Voor het eerst overwoog Del de mogelijkheid om iets met muziek te doen – al had hij er geen idee van waar hij toe in staat was, vertelde hij aan het eind van zijn leven. “I knew that I could hear things, and I could put things together. I wanted to do it, but I never saw myself doing it”.
    Aangemoedigd in die richting werd hij zeker niet. Hij kon beter studeren voor een degelijke baan. “Hawkins instead felt pressure from his mother Estelle to complete his education and take a more conventional path to a comfortable middle-class life”.
    Ondanks financiële ondersteuning vanuit de Amerikaanse strijdkrachten kwam er van naar school gaan niets terecht.
 
 
Werk in een muziekwinkel
 
 
377 3 Stan Lewis
Stan Lewis
 
 
In de omgeving waar Del woonde was volop amusement. Militairen van de Barksdale Air Force Base zochten hun vertier in de Bossier Strip, met tal van uitgaansgelegenheden. Twee muzikanten, Sonny en Al Jones, hielpen hem een beetje op weg. Hun zus Billie Jean was getrouwd geweest met Hank Williams en nu met Johnny Horton, twee country & western-sterren.
    De jongeman, 19 jaar, mocht helpen in de winkel van Stan Lewis, waar de grammofoonplaten verkocht werden die te horen waren op het veelbeluisterde radiostation KWKH, dat zowel country als R&B muziek de ether in stuurde.
    Een populair programma, ‘Stan’s Record Review’, elke avond op de zender te horen, werd door de winkelier gesponserd. Lewis, eigenaar van Stan’s Record Shop, was bovendien in de weer met jukeboxen, runde een postorderbedrijf en trad als regionaal distributeur op voor Chess en andere platenmaatschappijen.
    De eigenaar van Chess, Leonard Chess, die vanuit Chicago opereerde, reisde regelmatig naar het zuiden om er zijn producten aan de man te brengen. Een van zijn bestsellers op dat moment was Chuck Berry die met ‘Maybellene’ in heel Amerika was doorgebroken. Vanzelfsprekend bezocht hij het radiostation en Stan Lewis, zijn distributeur in dat gedeelte van Louisiana. De twee konden het goed met elkaar vinden.
 
Del Hawkins luisterde veel naar de platen die op KWKH te beluisteren waren. Evenals andere blanke jongelui werd hij steeds meer gefascineerd door rhythm & blues. De covers die van dat repertoire met blanke artiesten als Pat Boone gemaakt werden, vond hij maar niets al waren ook die te koop in Stan’s Record Shop. “An increasing number of white teenagers discovered the original records over the airwaves, black R&B vocal groups began ‘crossing over’ and staking their own claim to the popular music charts”.
    Het lijkt erop dat Del eindelijk een soort vastigheid in het leven gevonden had. Hij kende alle R&B-hits uit zijn hoofd. Als de mensen in de winkel kwamen en niet goed wisten wat de titel was van een plaat die ze wellicht wilden kopen, kwam Del met zijn kennis van zaken op de proppen. Van achter de toonbank zong hij het liedje voor. “Hawkins really heard his own voice for the first time - heard that it was capable of evoking both a brazen energy and newfound sense of confidence”.
 
 
Succes als zanger in de winkel
 
 
De positieve reacties van de klanten waren voor hem aanleiding om ook elders te gaan zingen. Gelegenheid was er genoeg. “The entire Ark-La-Tex region was scattered with venues, large and small, where aspiring musicians could test out both their material and their ability to cut it onstage - which is what Hawkins set out to do in late 1955 and early 1956”.
    In het begin durfde Del niet in Shreveport of de directe omgeving op te treden. Daar was hij te verlegen voor. Verder weg, in Plain Dealing, stond hij echter wel op de planken, begeleid door bassist James Kirkland en de eerder genoemde Sonny Jones, die hij op de Bossier Strip had leren kennen. “Del started out playing rudimentary versions of Chuck Berry’s ‘Maybellene’ and a handful of the latest rock-and-roll hits for patrons at the rink - where, on Saturday nights, instead of skates, the teenagers preferred to hop around in their dancing shoes”.
 
 
377 4 Elvis in Shreveport
Elvis Presley in Shreveport (met Scotty Moore, D.J. Fontana en Bill Black)
 
 
Op die manier ontstond er een rock-a-billy groepje zoals dat ook bij Elvis Presley het geval was. Die liet zich in dezelfde periode begeleiden door gitarist Scotty Moore en bassist Bill Black.
    “Hawkins, Jones, and Kirkland formed what was essentially a crude, stripped-down rockabilly trio, right down to their black pants, their blue suede shoes, and the turned-up collars and rolled-up sleeves of their white shirts. ‘You know we went in, we had one amp, had two microphones’”.
    De respons op zijn optreden was van dien aard dat Del Hawkins het idee kreeg om van het zingen ooit zijn beroep te maken. “The teenage girls all crowded around me”, liet hij zich ontvallen. In het boek over Shreveport kon je lezen: “It was something he had never quite felt in any of the nearly twenty years of his life”.
 
Van het een kwam het ander. Begin 1956 legde Del kontakt met de zestienjarige James Burton, die nog op school zat, maar zich tevens ontpopte als gitarist. Samen met James en andere jongelui maakte hij opnamen in een nieuw studiootje, Mira Smith Ram Recording Studio. Del werkte ook met drummer D.J. Fontana, een neef van de winkelier.
 
 
377 5 James Burton
James Burton
 
 
Eerste single: ‘See you soon baboon’
 
 
Del kreeeg steeds meer ambities om het te maken. Als kenner van het rhythm & blues-repertoire, dat hij in de winkel verkocht, was hij weg van ‘I’ve got my eyes on you’, een bekend nummer uit 1954 van de Clovers. Die song bouwde hij tijdens optredens om tot een nieuw liedje, met een eigen beat. Daar moest een plaat van gemaakt worden. Het nieuwe liedje bleef echter nog een tijdje op de planken liggen.
    De jonge artiest riep de hulp in van zijn baas, Stan Lewis, die goed kontakt had met Leonard Chess, van Chess Records. De platenmaatschappij met Chuck Berry in de hoofdrol schoof op dat moment een nieuwe blanke rock & roll-artiest naar voren, Bobby Charles. Diens single heette ‘Later Alligator’ en werd goed verkocht in Shreveport.
    Een landelijke hit werd het echter niet. Dat was de schuld van Bill Haley, die beroemd geworden was door zijn versie van ‘Rock around the clock’ en vervolgens ‘Later Alligator’ ombouwde tot ‘See you later alligator’.
    Chess Records dolf het onderspit. Maar niet helemaal. De muziekuitgeverij van Leonard Chess, Arc Music, die eigenaar was van ‘Later Alligator, verdiende mee aan de versie van Haley.
 
Del Hawkins lied zijn eigen song even voor wat die was en kwam op het idee een antwoordplaat te maken op de topper van Bill Haley en z’n Comets. In die tijd kon dat een hit opleveren. Zo was ‘Work with me Anny’ van Hank Ballard in 1955 met succes omgetoverd in ‘Dance with me Henry’ door Georgia Gibbs.
    Een jaar later zette Del, aangemoedigd door Stan Lewis, de hit ‘See you later alligator’ om in ‘See you soon, baboon’. In Shreveport werd er snel een opname van gemaakt en Lewis trok Leonard Chess, die tevens als uitgever commercieel belang had bij het liedje, over de streep.
 
 
377 6 Leonard Chess
Leonard Chess, midden,  met vlnr Willie Dixon, Chuck Berry en Muddy Waters (boven)
 
 
In het boek over Shreveport was een en ander te lezen achter de machinaties in de platenindustrie anno 1956. Om te beginnen betrok Chess een bekende discjockey bij het project. Dat was Gene Nobles, werkzaam bij de zender WLAC in Nashville. “Chess made three decisive moves before the disc was sent to the pressing plant. His first move was to add a novelty touch to both the beginning and end of the song in the form a ludicrous ‘Tarzan’ ‘ape call’ - the trademark of Gene Nobles, the influential disc jockey on WLAC, the 50,000-watt clear channel station that blasted R&B records from its Nashville base.
    Nobles used the ‘ape call’ (supplied by his engineer George Karsch) on his nightly radio show - one of the most important shows in the nation for turning new rhythm-and-blues records into hits”.
 
Om airplay te krijgen had Chess bij ‘Maybellene’ van Chuck Berry een gedeelte van de auteursrechten toegespeeld aan disckjockey Alan Freed, wiens naam dan ook op het label van de hitsingle werd afgedrukt.
    Bij ‘See you soon, baboon’ gebeurde hetzelfde. Op het label vond je behalve Arc als muziekuitgeverij als componisten de namen van Stan Lewis, de zakenman uit Shreveport, en Eleanor Broadwater, echtgenote van discjockey Gene Nobles. Del Hawkins, die de nieuwe versie gemaakt had, werd op het label niet vermeld!
    Bovendien had Chess een fout gemaakt. Per telefoon had Del zijn naam moeten opgeven. Maar Chicago, de thuisbasis van Chess, lag een eind van Shreveport. Door een slechte telefoonverbinding verscheen de naam Dale Hawkins op de plaat. Zo kwam Del aan zijn artiestennaam.
    Maar hij had zijn eerste plaat op de markt. “I was trying to get in the door, and that’s the reason I wrote the song”, legde hij later uit.
 
 
377 7 See you soon baboon
 
 
Tweede single – ‘Susie Q’
 
 
 Omdat ‘See you soon baboon’ niet het gewenste resultaat opleverde duurde het een flink aantal maanden voor er een tweede single van Dale Hawkins verscheen. Chess had geen haast.
    Intussen kreeg hij wel alle kansen om overal op te treden op de Bossier Strip en elders. Gitarist James Burton werd een vaste begeleider. Bovendien deed hij zijn best om ook zijn eigen nummer op de plaat te krijgen. Samen met James wist hij er in de studio van radio KENT een demo van te maken.
    De auteurs van het hoofdstuk over Hawkins benadrukten steeds dat de opname begon met het geluid van een koe-bel. Dat vonden ze een geweldige gimmick. In hun tekst lieten ze achterwege dat ‘Hello Mary Lou’ (1961), de hit van Ricky Nelson, op dezelfde manier begon, een opname waarbij James Burton eveneens een dominante rol speelde.
    Stan Lewis was enthousiast over de demo. Hij kreeg Leonard Chess zo ver dat die de kosten van een echte opname voor zijn rekening wilde nemen. Daarvoor gebruikten ze opnieuw de studio van een radiostation, dit keer KWKH, de populaire zender in Shreveport die ’s nachts niet in de lucht was. Het was 14 februari 1957.
    In een andere hoofdstuk in het boek over Shreveport wist Randy McNutt te vermelden dat de titel van het eigen nummer van Dale Hawkins niet voor niets ‘Susie Q’ was. Die was hem ‘aanbevolen’ door de betrokkenen. Zowel Stan Lewis als Leonard Chess hadden een dochter die ‘Susie’ (Susan) heette. Ronnie, jongere broer van van Stan Lewis, mocht op de koe-bel slaan. Ronnie had eerder al mee mogen spelen met het groepje van Del.
    Het resultaat mocht er in elk geval zijn. “As the final version of ‘Susie-Q’ faded out with a series of scattered blues riffs, Hawkins and Burton would never be same. Whether or not the record sold a single copy, they each had completed their apprenticeship and produced their first masterpiece, one that, in its own quirky and primitive way, made a commanding musical statement”.
    Zes of zeven keer hadden ze het die nacht geprobeerd. De laatste versie was de definitieve.
 
 
Een hit voor Dale Hawkins
 
 
377 8 Gene Nobles
Gene Nobles
 
 
In tegenstelling tot de snelle aanpak bij ‘See you soon baboon’ (dat moest ook wel, vanwege Bill Haley) duurde het enkele maanden alvorens Leonard Chess in actie kwam. Pas in mei kwam de single ‘Susie Q’ in roulatie. Nu werd Dale Hawkins wel als componist vermeld – maar opnieuw samen met Stan Lewis en de echtgenote van discjockey Gene Nobles die hij waarschijnlijk nooit ontmoet had.
    De plaat sloeg in eerste instantie aan bij de zwarte bevolking. “Indeed, consistent with Hawkins’s love of rhythm-and-blues, ‘Susie-Q’ first caught on with black radio listeners who pushed the record into Billboard’s R&B Top 10 by mid-June”.
 
Leonard Chess besefte dat hij een hit in handen had. Handelen was geboden. “Chess ordered Hawkins out on the road to promote the record at record hops and local television programs, beginning in May with an appearance in Washington, D.C. on disc jockey Milt Grant’s daily teen dance show.
    For these events, Hawkins had to undergo yet another transformation. Forced to perform without a live band, he adopted the role of eighteen-year-old teen idol, ‘Dale Hawkins’, lipsynching to the record in front of young teenagers – a far cry from his gigs on the Bossier Strip”.
    Del kwam in de vaart der volkeren. “In July, he traveled to New York to perform at Harlem’s Apollo Theater (where he was one of the first white singers to appear at the venue) and on Alan Freed’s Big Beat television show.
    On August 7, he lip-synched ‘Susie-Q’ on Dick Clark’s American Bandstand, the hitmaking show broadcast out of Philadelphia that had just started to air nationally the week before”.
   
‘Susie Q’ kwam niet hoger dan op nummer 29 in de hitlijst van Billboard. De reden: “For a record to reach the Top 10, it has to be selling and playing over the airwaves in all the major urban markets at the same time. But ‘Susie-Q’ became popular one market at a time, as Hawkins ‘had to break it city by city’”. De single verbleef derhalve negentien weken in de Hot 100.
   
 
Het vervolg
 
 
Diverse personen met wie Dale Hawkins werkte brachten het verder in hun leven. DJ Fontana (1931-2018) zat weldra achter het drumstel bij Elvis Presley. Ook James Burton, de gitarist op ‘Susie Q’, kwam bij de ‘king’ terecht, nadat hij eerst Bob Luman en Ricky Nelson terzijde had gestaan. In Shreveport is zelfs een monument voor hem opgericht.
    Stan Lewis (1927-2018) wist zijn business steeds verder uit te breiden. In 1964 zette hij zijn eigen platenmaatschappij Jewel Records op. Een van zijn successen was ‘Judy in disguise (with glasses)’ van John Fred & His Play Boy Band, op nummer 1 in 1968. In 1973 had zijn onderneming tweehonderd mensen in dienst. Lewis hield de concurrentie met de grote concerns vol tot in 1983.
 
Met ‘Susie Q’ was ook de carrière van Dale Hawkins niet afgelopen. Met de opvolgers ‘La do dada’, ‘A house, a car and a wedding ring’ en ‘Class cutter’ bereikte hij opnieuw de hitlijsten. Bovendien wist hij op andere manieren eveneens succesvol in het vak te blijven. Hawkins presenteerde artiesten op de Amerikaanse televisie, produceerde hits als ‘Western Union’ (1967) van de Five Americans. Hij was tevens zakelijk betrokken bij de loopbaan van onder meer Bruce Channel, Michael Nesmith, Harry Nilsson en de Gentrys.
 
 
377 9 Dale Hawkins
 
In tegenstelling tot heel wat andere artiesten wist Del zijn succes goed te verwerken, is in het hoofdstuk van David Anderson en Lesley-Anne Reed te lezen. “Hawkins had achieved the goals he set for himself during those late-night prayer sessions in his hospital room after returning from the Navy in 1954.
    Free, most importantly, from the stifling hopelessness in which he had grown up, and with a couple of hit records to his credit, Dale Hawkins, the musician, had followed his own route to success, one less dependent on his southern rural childhood and more on his experiences in urban Shreveport and Bossier City in the 1950s.
    One could even argue that his failures to make it in the ‘straight’ life – his dissatisfying jaunt through business school in 1954 and the nondescript jobs that followed - inspired him to pursue a career in music more than anything he ever saw or heard as a child.
    But more than just a profession or a paycheck, Hawkins made the music, and especially his own interpretation of black rhythm-and-blues, his identity.
    Still skinny, awkward, and unpolished off-stage, but feverish and in-control onstage, Hawkins headed out on the road in late 1958 in a brand new station wagon, hand-picked backup band in tow, to see if the sound he had constructed within the musical milieu of north Louisiana would garner success outside of it”.
    Popmuziek, aldus de opmerkelijke conclusie van het tweetal in het boek dat uitgegeven is door een Amerikaanse universiteit, had zin gegeven aan het leven van Delmar Hawkins.
 
 
Harry Knipschild
13 oktober 2019
 
Clips
 
* Clovers, I've got my eyes on you, 1954
* Elvis Presley, Lousiana Hayride, KWKH, 1954
* Dale Hawkins, See you soon baboon, 1956
* Dale Hawkins, Susie Q, 1957
* Five Americans, Western Union, 1967
* John Fogerty, Susie Q, 1997
* Ronnie Hawkins en Dale Hawkins, 2006
* Stan Lewis overleden, 2018
* Louisiana Hayride, KWKH
 
 
 
Literatuur
 
Bill Millar, ‘Dale Hawkins’, New Kommotion, 1977
Bill Millar, ‘Dale Hawkins – The Shreveport Tornado’, Ace Records, september 1998
Kip Cornell, Tracey E.W. Laird (red.), Shreveport Sounds in Black & White, Jackson 2008
Bryce Berman, ‘Shreveport music business icon Stan Lewis passed away at 91’, Offbeat Magazine, 17 juli 2018
‘Dale Hawkins R.I.P.’, 13 februari 2010, website This is my story, zj
Gary James, interview met Dale Hawkins, website Gary James, zj