Zoeken



 
In 2016 zijn er op de wereld nog maar drie grote internationaal opererende platenmaatschappijen meer over: Sony, Universal en Warner. Dat is wel eens anders geweest. Juist bij de opkomst van de rock- en popmuziek in de jaren vijftig waren de meeste grote concerns weinig alert. Vooral Columbia, onderdeel van CBS, liet het in die tijd afweten. RCA Victor was echter zo handig om de jonge artiest Elvis Presley voor enkele tienduizenden dollars los te weken van een van die kleine bedrijfjes, in dit geval Sun Records, die de favoriete muziek van de toenmalige jeugd produceerde. Beide concerns zijn inmiddels door het Japanse Sony opgeslokt.
   De meeste succesvolle jeugdidolen hadden in de jaren 1955 en daarna kontrakten bij tamelijk kleine bedrijfjes. Om maar eens wat te noemen: Little Richard zat bij Specialty, Fats Domino en Ricky Nelson bij Imperial, de Everly Brothers en Johnny Tillotson bij Cadence, de Ventures bij Dolton, Eddie Cochran bij Liberty, Chubby Checker en Bobby Rydell bij Cameo-Parkway, de Shirelles bij Scepter, James Brown bij King, Chuck Berry bij Chess, Crystals en Ronettes bij Philles, Marvin Gaye bij Motown, Duane Eddy bij Jamie, Gene Pitney bij Musicor, Freddy Cannon bij Swan, de Four Seasons bij VeeJay.
   De laatste twee labels (Swan, VeeJay) waren, in tegenstelling tot Capitol, de Amerikaanse tak van EMI, tevens bereid de eerste Britse hits van de Beatles in Amerika uit te brengen.
   In Groot-Brittannië was het anders. In de tijd van Cliff Richard, Shadows, Beatles en Rolling Stones zaten de meeste acts bij EMI of Decca. Maar steeds meer liet ook Pye Records nadrukkelijk van zich horen – met onder meer Donovan, Sandie Shaw, Searchers en Kinks. In 1998 tekende Jim Irvin een en ander op over de geschiedenis van die platenmaatschappij. Om het stuk zo goed mogelijk te kunnen schrijven praatte de auteur met enkele voormalige betrokkenen.
 

Het begin van ‘Pye Records’

 


Dany Douberson

 
In de inleiding van zijn geschiedenisverhaal bevestigde Irvin de suprematie van de twee Britse kolossen. “The music business was dominated by the seemingly unbreachable duopoly of EMI and Decca, both of whom had been operating since the 1920s as manufacturers of radios and gramophones as well as records, which were fragile objects, playing for only three and a half minutes at 78rpm, and quickly ruined by the crude means of reproduction - the thorn, steel or fibre gramophone needle”.
   Hilton Nixon bracht wat verandering teweeg. Hij zette een eigen bedrijfje op, dat hij Nixa Records noemde. Dat was een aanvulling op zijn handelsactiviteiten: het im- en exporteren van grammofoonplaten. Zijn eerste succes had hij volgens de auteur met de Franse zangeres Dany Dauberson (1925-1979), die een Engelstalige versie maakte van ‘Les Feuilles Mortes’. Het chanson uit 1945 werd voor de Engels-talige markt omgedoopt in “Autumn Leaves’.
   In 1952 was ‘Slow Train Blues’ van Eric Winstone een succes voor Nixa.
   Nixon had het niet gemakkelijk in die eerste jaren. In 1953 voelde hij zich derhalve gedwongen in zee te gaan met Pye Electronics, een bedrijf in Cambridge dat radio’s, platenspelers en televisietoestellen produceerde. Nixon verdween weldra bij het nieuwe bedrijf. Een van de nieuwe mensen die de leiding overnamen was Louis Clark, de vader van het zangeresje Petula Clark (geb. 1932). Clark en zijn partner, Alan A. Freeman (1920-1985), hadden eerder platenmaatschappij Polygon opgezet. Petula, de ‘Engelse Shirley Temple’, scoorde in 1951 bijvoorbeeld met ‘May Kway’, wat later met ‘The Little Shoemaker’ en ‘Majorca’. Andere Polygon-successen waren ‘Little Mistakes’ (Gwen Liddel, 1952), ‘La ronde de l’amour’ (Jan Rosol, 1951), en van de populaire crooner Jimmy Young: ‘Vanity’, ‘Because of You’ en ‘Too Young’ (1951), die eerder hits had op het Decca-label.
   Door de fusies kwam er een nieuwe platenmaatschappij, die vanaf 1955 opereerde onder de naam Pye-Nixa.
 

Lonnie Donegan, koning van de skiffle, zet Pye-Nixa op de kaart

 


Chris Barber (trombone) Jazz Band, met Lonnie Donegan (links), 1955

 
Het nieuwe bedrijf had hits met ‘Ballad of Davy Crockett’ (Gary Miller) en ‘Young and foolish’ (Edmund Hockridge, 1956). De grote doorbraak kwam echter met Lonnie Donegan. “We had one enormous stroke of luck. We got Lonnie Donegan”, aldus voormalig medewerkster Madeline Hawkyard. Donegan (vernoemd naar blues-artiest Lonnie Johnson) speelde banjo in de band van het populaire dixieland-orkest van Chris Barber (o.a. ‘Ice Cream’ en ‘Down by the riverside’). Barber (trombonist) nam zijn platen op bij Decca Records.
   In 1956 mocht Lonnie Donegan (1931-2002), als onderdeel van de Barber-band, opnamen met skiffle-muziek maken voor Decca. “The Lonnie Donegan Skiffle Group caused a sensation, hitting both the British and American top 10s and selling over a million records”. Het woord skiffle, de naam van de nieuwe muziek, was afkomstig van ‘Skiffle Blues’, eem song van Dan Burley (1907-1962) uit Chicago. ‘Rock Island Line’ van Donegan haalde de top tien in Amerika.
   Lonnie had vijftig Engelse ponden als sessiemuzikant ontvangen voor het maken van die opname. Ondanks het internationale verkoopsucces had de uitvoerende artiest verder niets van Decca te verwachten begreep hij al snel. “Donegan was furious, angrily declaring in the music press that he would never record for the label again”.
 
Alan Freeman van Pye-Nixa greep zijn kans. Hij nam contact op met Dennis Preston, de manager van Lonnie Donegan. Na ‘Rock Island Line’ (op Decca in Engeland, begin 1956), verscheen de skiffle-artiest op 28 april 1956 voor Pye-Nixa met ‘Lost John’ in de Britse top 20 en bereikte er de tweede plaats. Alleen ‘I’ll be Home’ van Pat Boone moest hij vóór zich laten.
   Pye-Nixa had ineens een top-artiest in handen, die bovendien voor die tijd ‘progressieve’ muziek maakte. Wat Donegan deed had nogal wat uitstraling in de geschiedenis van de popmuziek. Veel latere artiesten (inclusief John Lennon, Cliff Richard, Jimmy Page en de Nederlander Hans Vermeulen) manifesteerden zich aanvankelijk met skiffle-muziek.
 

Sandy Coast Skiffle Group met zanger Hans Vermeulen, 1961

 
In zijn (vroege) autobiografie Fijn om jong te zijn (vertaald door Co de Kloet) liet Cliff Richard afdrukken dat het in de jaren vijftig bijna onvermijdelijk was om skiffle-muziek te maken als je je wilde manifesteren. ‘Cliff’ (toen nog Harry Webb) kreeg de kans om zanger-gitarist te worden van de Dick Teague Skiffle Groep. “Als er iets is waar ik niet van hou, dan is het skiffle. Maar het leek me zo’n enorme kans dat ik mijn afkeer vergat. Urenlang ging ik oefenen. Steeds maar weer speelde ik ‘Het lied van de gevangene’ [‘Prisoner’s Song’ van Vernon Dalhart] en drie weken later kon ik in drie verschillende toonaarden spelen. Ik was begonnen. Het was erg leuk en ik deed het met plezier”.
  
In zijn biografie van John Lennon gaf Albert Goldman alle ruimte aan Lonnie Donegan en zijn skiffle-muziek. “The best a British boy could do was follow the lead of Lonnie Donegan. Tens of thousands of British boys banded together. The entertainmnt industry responded with skiffle programs on radio and tv, skiffle contests in theaters, skiffle clubs in cities, and, of course, a profusion of skiffle on records. Skiffle had an enduring effect on John Lennon and the other Beatles.
   In March 1956, John Lennon, aged sixteen, formed his first band, a skiffle group that began with John as singer and guitarist. The Quarry Men did the obligatory hits of Lonnie Donegan – ‘Rock Island Line’, ‘John Henry’ and ‘Don’t you rock me, daddy-o’”.
 
Zanger Hans Vermeulen zette zijn eerste schreden in de popmuziek als lid van wat toen The Sandy Coast Skiffle Group hette. Toenmalig pianist en manager Johan van Boven: “Onze voorbeelden waren de skiffle bands die vooral in Engeland in de jaren vijftig erg populair waren. De muziekstijl was een mengeling van jazz, blues en folk en er werd veel gebruik gemaakt van zelfgemaakte instrumenten zoals de bekende theekist met daarop een bezemsteel en daaraan een snaar. Verder zag je in die bandjes vaak een een ouderwets wasbord, een akoestische gitaar en een kazoo”.
   Er is skiffle-muziek bewaard gebleven van een tv-programma uit 1957 met een groep jonge studenten. De bassist had zijn instrument zelf gebouwd. Een van de skiffelaars was Jimmy Page, die later met Led Zuppelin furore zou maken. De jongelui kwamen, zo was te horen, elke week in het ouderlijk huis van Page bij elkaar om te oefenen met skiffle-muziek.
 
Lonnie Donegan was de koning van de skiffle en hij maakte zijn platen exclusief voor Pye-Nixa. RCA had in die tijd Elvis Presley, EMI regeerde begin jaren zestig met Cliff Richard en de Shadows. Pye zette de Britse teenager-muziek op de kaart met Lonnie Donegan.
   Grote hits voor Lonnie Donegan en Pye-Nixa, om er enkele te noemen, waren ‘Does your chewing gum lose its flavour’ (1958), ‘Battle of New Orleans’ (1959), ‘My old man’s a dustman’ (1960) en ‘Have a drink on me’ (1961).
   Pye-Nixa had nu het imago ‘voorop te lopen’. Dat deed het bedrijf bovendien door snel de onbreekbare 45 toeren-single in Engeland te introduceren. Madeline Hawkyard: “We had publicised them as unbreakable records. We were soon instructed by our board to call them ‘break-resistant records”.
 

  

ATV koopt Pye

 
Het bedrijf was al enkele malen van eigenaar en naam veranderd. Pye Records, zoals de defintieve naam werd, kwam anno 1959 in handen van ATV, een commercieel Brits televisie-station (Associated Television). Lew Grade had er de leiding. Zijn medewerker Louis Benjamin kreeg de supervisie bij de platenmaatschappij. Het waren de dagen van de opkomst van teenager-muziek, die eerder in Amerika een sensatie geworden was.
   Benjamin, afkomstig uit de theater-wereld, had weinig binding met popmuziek. Maar hij wist van wanten. Hawkyard: “He was quicksilver, very fast at making decisions, absolutely marvellous at deals. He was small and dark, quite a pleasant looking man, a conventional dresser - conservative suits - and a fairly heavy smoker, he’d always got a cigarette on. He was very happily married to an ex-dancer and had two daughters”.
 

Pye International

 
Met de komst van Benjamin werd Pye een echte platenmaatschappij, zou je kunnen zeggen. Het bedrijf zette bijvoorbeeld een internationale afdeling op, die Pye International genoemd werd. Benjamin, van joodse afkomst, wist goede contacten in Amerika te leggen. In dat land werden veel kleine platenmaatschappijen door ‘(voormalige) joodse vluchtelingen uit Europa’ gerund.
   Pye wist bijvoorbeeld de rechten te verwerven van het Amerikaanse Chess (uit Chicago), met opnamen van Chuck Berry, Bo Diddley, John Lee Hooker en Howlin’ Wolf.  Op Pye International verschenen Berry-hits als ‘Memphis Tennessee’, ‘Nadine’, ‘No particular place to go’ en ‘You never can tell’. Het Britse succes van Chuck Berry had een uitstraling naar andere Europese landen en beïnvloedde tevens de koers van de popmuziek.
   Bo Diddley had – dankzij Pye – hits in Engeland met ‘Pretty Thing’ en ‘Hey Good Looking’. Howlin’ Wolf wist de Britse hitlijsten te halen met ‘Smokestack Lightnin’’, eveneens op Pye.
   Grote Chess-hits waren er in Engeland bovendien voor Clarence ‘Frogman’ Henry met ‘But I do’ en ‘You always hurt the one you love’.
 

 
Pye wist nog meer internationale labels aan zich te binden. King Records met James Brown, die voor Pye in Engeland hits maakte met ‘I got you’ en ‘It’s a man’s man’s  man’s world’. Colpix Records (van Columbia Pictures) had in Amerika een nummer één met ‘Blue Moon’ van de Marcells. Die bijzondere versie van de Rodgers & Hart oldie (uit 1934) bereikte ook in Engeland op Pye International de hoogste klassering. Een andere Colpix-hit was ‘Swinging on a star’ van Big Dee Irwin (en Little Eve).
 
Louis Benjamin wist zelfs Frank Sinatra met zijn eigen platenmaatschappij Reprise Records binnen te halen. Dat was uiterst prestigieus. “Pye press officer Jack Bradley sent out gold-edged invitations to a gala reception for the UK launch of Reprise to be held in the Ballroom of the Carlton Tower Hotel on October 17, 1961.
   Sinatra wasn’t present but he sent a light-hearted greeting on tape, which was played at the 6.30 opening (and quickly vanished into someone’s personal collection). Soon afterwards, Sinatra came over to meet the Pye team and record an album, ‘Great Songs From Great Britain’, which included songs by Ivor Novello and Noel Coward and was produced by Alan A. Freeman and Tony Hatch”.
   Bij Pye leerden ze dat Frank meer dan een stevige whiskey-drinker was.
 

Albums

 
De tijden dat de Britse ‘koek’ verdeeld werd tussen EMI en Decca was duidelijk voorbij aan het begin van de jaren zestig. Het bedrijf zette steeds nieuwe activiteiten op. Omzet maakte je niet alleen met hits op 45 toeren. Albums (hi-fi, high fidelity – later stereo) werden steeds belangrijker.
   Benjamin wist in Amerika contact te leggen met Dave Miller, de man die in 1953 de eerste hit (‘Crazy Man Crazy’) met Bill Haley gemaakt had. Op het label Somerset produceerde Miller easy listening albums onder de naam ‘101 Strings’. De opnamen werden meestal in Duitsland gemaakt.
   Pye kwam op het idee om die goedkoop op de markt te brengen. Het idee van een budget-album was geboren. Om zich daarmee te positioneren op de Britse platenmarkt zette het bedrijf labels als ‘Marble Arch’ en ‘Golden Guinea’ op.
   ‘Golden Guinea’ was de (lage) prijs van de eerste serie budget-albums. Uit het verhaal dat Jim Irvin over de geschiedenis van Pye Records schreef, zou je kunnen opmaken dat Benjamin nogal wat weerstand ondervond van zijn baas, Lew Grade. Toen de eerste goedkope albums op Golden Guinea verschenen huurde het bedrijf sandwich-mannen met borden waarop achtereenvolgens de letters G-O-L-D-E-N-G-U-I-N-E-A waren afgebeeld.
   Benjamin nodigde Grade uit om zelf in Oxford Street te komen kijken naar het effect dat de mannen met hun borden op het winkelend publiek zouden hebben. Pye had de mannen vooruit betaald. Dat was een misrekening. Het geld was meteen in alcohol omgezet. Daardoor kwam er van dee straat-marketing weinig terecht. Lew Grade liet zich in zijn nieuw-aangeschafte Rolls Royce door Oxford Street rijden. “His enthusiasm was quickly dashed. He was dismayed to see GONDLE UGNI weaving unsteadily along the pavement, ‘A’ asleep in front of [warenhuis] Selfridges, ‘I’ standing on a traffic island swigging from a bottle of cheap gin and ‘E’ relieving himself in the doorway of [platenwinkel] HMV. ‘I think I’ve seen enough’, grumbled Lew and demanded to be driven back immediately”.
   In het duurdere album-repertoire deed Pye het goed met Sounds Orchestral. Na de hitsingle ‘Cast your fate to the wind’ maakte het orkest, geproduceerd door John Schroeder, jaar in jaar uit bestsellers in eigen land.
 

Eigen producties

 

 
Pye pakte bovendien het lokale repertoire stevig aan. Een van de eerste artiesten die het goed deden was Emile Ford uit West-Indië. In plaats van een contract te tekenen bij EMI, zette de zanger zijn handtekening onder een overeenkomst met Pye Records. In 1959 bereikte hij met de Checkmates de bovenste plaats van de hitlijst met een pop-uitvoering van het tientallen jaren oude ‘What do you want to make those eyes at me for’. Andere hits volgden: ‘On a Slowboat to China’, ‘You’ll never know what you’re missing till you try’ en ‘Counting Teardrops’.
   Ook het inmiddels wat oudere meisje Petula Clark kreeg nieuwe kansen bij Pye. De voormalige Polygon-zangeres had in de jaren vijftig regelmatig op de hitparade gestaan. Haar grote doorbraak kwam in 1961 met de nummer één-hit ‘Sailor’. Bovendien maakte Pye voor haar een overeenkomst met Warner Brothers/Reprise voor de Amerikaanse markt. De nieuwe aanpak leverde successen als ‘Downtown’, ‘My Love’, ‘This is my song’ en ‘Don’t sleep in the subway’ op.
 


Tony Hatch, Petula Clark en Louis Benjamin

 
In het populaire repertoire scoorde het bedrijf ook met een nieuwe jazz-band, min of meer de opvolger van Chris Barber. Vooral 1962 was een goed jaar voor Kenny Ball and his Jazzmen. Het orkest bereikte de top tien met ‘Midnight in Moscow’, ‘March of the Siames Children’, ‘Green Leaves of Summer’ en ‘Sukiyaki’.
   Het grote Engelse teenager-idool in de jaren rond 1960 was Cliff Richard, een artiest van EMI. Pye deed mee in de race om meer van dat soort jongens van de grond te krijgen. Een van due zangers was Joe Brown. De eerste singles op Pye kwamen niet verder dan de onderkant van de hitlijsten. Maar met ‘A picture of you’ was het goed raak in het voorjaar van 1962. Daarna volgden ‘It only took a minute’ en ‘That’s what love will do’. De platen van Brown verschenen op het Piccadilly label, dat voor nieuw talent opgezet was. Vaak waren het producties die Pye kocht van onafhankelijke producers, meldde Jim Irvin in zijn geschiedenisverhaal. Een andere pop-act in die tijd was de Brook Brothers, een soort Engelse Everly Brothers. Met ‘Warpaint’ wisten ze in 1961 de top tien de bereiken.
 
In de eerste jaren van de popmuziek, de periode 1955-1962, kwam de impulsen voornamelijk uit Amerika. Engeland was, evenals Nederland, vooral een import-land. Wat het in Amerika goed deed zou ook in Europa wel eens kunnen lukken. De meeste Britse artiesten waren klonen van de Amerikanen. Je kon hun singles tijdens de Engelse uitzendingen van Radio Luxemburg op de middengolf (208 meter) horen. Daar hield het – in grote lijnen – mee op.
  
 

Tijdperk van de beatmuziek

  
Het tijdperk van de beatmuziek naderde. Dat was even wennen. In eerste instantie had bijvoorbeeld ‘niemand’ belangstelling om de Beatles te contracteren. Ook Pye Records wees Brian Epstein de deur. Jim Irvin: “Who’d have foreseen, as a record called ‘Love Me Do’ yo-yoed around the lower half of the Top 40 in the winter of 1962, that the next few years would be completely dominated by its creators, their Merseyside contemporaries and their imitators? Alan A. Freeman [van Pye] certainly hadn’t. He was one of the many A&R men who declined to sign The Beatles when Brian Epstein came to London touting tapes in May 1962. When they subsequently exploded onto the scene, the group trailed a whole raft of unimagined changes for the British music business. Pye was threatened with a comparatively lean 1963”.
   Nogal laat zagen de mensen van Pye in dat ze bezig waren de boot te missen. Er moest snel gehandeld worden. Producer Peter Knight kwam in actie. “When The Beatles first happened, Tony Hatch and I jumped into his Jaguar, zoomed up to Liverpool, pulled up outside The Cavern and signed a handful of acts that night, just to get our Mersey quota. We got Johnny Sandon and the Remo Four, The Undertakers and, a black vocal group, The Chants”.
   Pye contracteerde nog meer van dat soort groepen. Eén ervan was de rhythm & blues band vam Cyril Davies. Knight: “We talked about making a record with a real live feel, not as controlled as records usually were in those days. We picked a song called ‘Country Line Special’ and went down to Pye’s studios where there was a wonderful engineer called Bob Auger. Cyril turned up with this little briefcase with all these harmonicas in different keys. There was Carlo Little on drums, Nicky Hopkins on piano and Cyril sang on the B-side (‘Chicago Calling’). Bob set up and we played through it a few times and it really worked. We went back in again a while later and did two more titles (‘Preachin' The Blues’ and ‘Sweet Mary’) with backing singers”.
   De muziek van Cyril Davies vond veel gehoor. Maar, jammer genoeg voor de platenmaatschappij, kwam de artiest al snel te overlijden.
 

The Searchers

 
Gelukkiger was Pye met het aantrekken van de Searchers. In  Liverpool, de stad waar ze vandaan kwamen, waren ze behoorlijk populair. Brian Epstein had belangsatelling en maakte een afspraak met de groep om hun optreden in de Cavern te bekijken. Vóórdat ze de büne opgingen hadden de muzikanten aan de overkant van de straat zoveel gedronken dat ze niet meer in staat waren fatsoenlijke muziek te maken. De interesse van Epstein was tot het nulpunt gedaald.      
   De Searchers kwamen dus niet bij George Martin en het Parlophone-label van EMI. Toch zetten ze door. Op eigen initiatief namen ze acht liedjes op in de Iron Door Club. De clubeigenaar, Les Ackerley, stuurde de band naar Tony Hatch van Pye Records.
 

 
In het verhaal van Jim Irvin kon je lezen dat de platenmaatschappij, driftig op zoek naar Merseybeat-muziek, het wel wilde proberen. Ze hadden immers niets anders. Een paar uur studio kon er altijd wel aan besteed worden. Onderweg van Liverpool naar de Star Club in Hamburg, maakte de groep een stop bij Pye om onder leiding van technicus Ray Prickett twee songs op tape vast te leggen. Een van die songs was een cover van de Amerikaanse Drifters-hit ‘Sweets for my Sweet’, die Tony Hatch van de demo, opgenomen in de Iron Door Club, gekozen had. Toen de single op de markt kwam was er voorlopig geen positieve reactie.
   Dat veranderde. De producers van het tv-programma ‘Thank Your Lucky Stars’ maakten een special over de Mersey Beat. Tijdens een gesprek met John Lennon verklaarde de Beatle: “The best single out of Liverpool at the moment is ‘Sweets for my Sweet’ by The Searchers”.
   De leden van de groep konden hun geluk niet op. Gitarist John McNally: “Suddenly we were all over the papers and got that opening spot. The record was Number 1 two weeks later”.
 
Met de komst en de doorbraak van de Searchers was een nieuw tijdperk voor Pye Records begonnen.
 
Harry Knipschild
7 januari 2016

Clips

* Dany Dauberson, Stormy Weather
* Dan Burley, Skiffle Blues
* Jimmy Page, skiffle, 1957
* Lonnie Donegan, Rock Island Line, uit 1955
* Emile Ford & the Checkmates, What do you want to make those eyes at me for, 1959
* Campagne van Pye Records: Breakthrough
* Clarence 'Frogman' Henry, But I do, uit 1961
* Kenny Ball, Midnight in Moscow, uit 1962
* Searchers, Sweets for my Seet, uit 1963
* Lonnie Donegan, This is yuour life, 1991
* Joe Brown, Picture of you, 2002
* Over John Lennon en de Searchers, 2012
  

Literatuur
 
Co de Kloet (vert.), Cliff Richard. Fijn om jong te zijn, Helmond 1961
Tony Jasper, 20 years of British Record Charts 1955-1975, Londen 1975
Tim Rice, Jo Rice, Mike Read, British Hit Singles, Enfield 1985
Albert Goldman, The lives of John Lennon, New York 1993
Jim Irvin, The Story of Pye Records, Sequel Records, 1998
Hans Lukkien, Cees Troost e.a., Kan die herrie wat zachter!? De Voorburgse popscene in de jaren 60-70, Voorburg 2012
Steve Waters, The missing charts. British hit singles January 1940-October 1952. The week by week top 30 best selling 78s, RockHistory, 2013