Zoeken


Het eerste decennium van mijn leven groeide ik op langs de Maas in Maastricht. Mijn ouders woonden in een voormalig winkelpand voor dameshoeden, dat eigendom van mijn opa was. De bovenste twee etages van Cörversplein 12 waren verhuurd aan Mecheel Hageman, de broer van mijn oma, en zijn vrouw Tina.
   Als mijn ouders een avond niet thuis waren werden mijn jongere broer Paul en ik door tante Tina nog wel eens boven gehaald om samen naar de radio te luisteren. Ze hadden daar een uiterst modern toestel, met zelfs FM erop. Dan hoorden we met z’n vieren programma’s als de Bonte Dinsdagavondtrein van de AVRO.
   Oom Mecheel werkte als ‘pottemenneke’ bij de Sphinx, het aardewerk-bedrijf dat Petrus Regout opzette in de jaren 1830-1839, de Belgische Opstand, toen de stad door ‘baron’ Dibbets en andere Hollanders als een ‘Gibraltar aan de Maas’ bezet werd. 
   Het bedrijf op de Bosstraat organiseerde in de jaren vijftig feestavonden voor het personeel. Ik mocht een keer mee. Een avond lang traden er mensen op, als clown, conferencier, goochelaar, acrobaat, met liedjes en als playback-artiesten. In hoeverre de ‘artiesten’ bij de fabriek werkzaam waren of door de Sphinx voor die avond ingehuurd waren, dat kan ik me niet meer herinneren.
   In 2005 publiceerde Henk van Gelder het boek De Schnabbeltoer, over hoe het er op zulke avonden op/achter het toneel en bij de radio toeging. Een interessant tijdsdocument.
 

 

***

In 1973 had zo’n schnabbelaar ineens een toptienhit. Voor die gelegenheid werd hij Gerrit Dekzeil genoemd. In het weekblad van Radio Veronica kon je lezen: “De schooljongen fluit het, de slagersjongen, de bakkersknecht en zelfs een eerzame vader laat zich al verleiden om ‘Ik ben Gerrit’ met alle in- en uithalen te zingen of te fluiten. Onbegrijpelijk, hoe dat schone lied van Gerrit, die steelt als de raven, in zo’n korte tijd zó populair is geworden, dat het onlangs al nummer één stond in ‘Op Losse Groeven’ en op de top 40 ook al aan het stijgen is”.
   In het werkelijke leven heette de artiest Cornelis Albertus (‘Corty’) Brak. Op 6 januari 1910 was hij in Amsterdam (katholiek) geboren als zoon van Cornelis Brak (1888-1966) en Anna Maria uit den Boogaard (1889-1966). Heel veel van Dekzeil weten we niet omdat het niet is vastgelegd.
   Aan Nick van Riel vertelde hij in het kader van zijn hit echter een en ander over zijn leven. Volgens de journalist kwam hij sympathiek over. “Ik moet eerlijk bekennen dat ik Corty wel zie zitten. Het manneke kan de mond niet op elkaar houden, kletst gezellig en weet je warempel nog te boeien met zijn levensverhaal, dat 63 jaar geleden begon in de Pijp, waar hij in de Blaziusstraat werd geboren”.
 


Corty Brak (Gerrit Dekzeil)

 
 

Arme, jonge circusartiest

 
Corty: “Mijn vader was bouwvakkertje, maar hij had goed verdiend en had er ook nog een café bij op de Brouwersgracht. Nelis heette hij, en zingen dat hij kon. Ik heb het zeker van hem. Mijn broer [Bertus, geb. 1912] was acrobaat, mijn twee zusters [Cornelia, Anna] waren niks.
   De lagere school heb ik nooit helemaal afgelopen, want de meester wist geen raad met me. Ik was toen al een dondersteen. Thuis wisten ze ook niet hoe ze het met me hadden. Ik liep weg en ging met het circus mee. Ik wilde reizen en trekken. Ik heb zelfs bij Sarasani gezeten”.
   Wat deed de latere Gerrit Dekzeil als jongetje allemaal in het circus?
    “Ik begon als olifantenspuiter”, kwam er na een kleine pauze uit.
   Olifantenspuiter?
   Het gehoor naast mij haalt ook de wenkbrauwen op. Maar Corty legde heel bereidwillig uit, hoe de olifanten elke dag, voordat ze de piste in moesten, door hem keurig werden bewerkt met de waterspuit. Ze moesten toch schoon zijn?
   “Ik was weg van de clownerie. Dat zat helemaal in me, en daarom bouwde ik zelf twee komische nummers op en daar ben ik later alle Nederlandse kermissen mee af geweest. Zestien voorstellingen op een dag. Zo van: ‘Dames en heren gaat dat zien. Twee nakende en één zonder hemd!’
   Het was een armoedige maar ook een gouden tijd. We sliepen met de andere artiesten in één tent, zonder dak. Na de voorstelling was er geen eten, want we hadden geen cent verdiend. En dan gingen we op de konijnenjacht of kippen pikken bij de boer. Gebraden, met gejatte groenten en dan zaten we elke keer lekker te bikken”.
   De kreet “Ik steel als de raven” (in de hit: ‘Ik ben Gerrit’) had dus een autobiografisch karakter.
 
Brak, 17 jaar, kreeg financiële hulp van de overheid. In plaats van hem wegens diefstal in te rekenen haalden agenten geld uit de kas om hem te helpen. Bovendien gaven ze hem te eten. Kom daar eens om in onze dagen.
   “Corty herinnert zich die keer in Franeker dat er weer geen cent verdiend was. Hij was op de motorfiets naar Friesland gegaan en moest terug naar Amsterdam. ‘Ik had geen cent en op het politiebureau hebben ze me eten gegeven en ook vijf piek voor benzine. Dat was in de jaren 1927-1928. Ik ben er toen maar mee gestopt, want hier was geen droog brood te verdienen’”.
 

Ervaringen in het buitenland

 
Corty deed er alles aan om zich te kunnen blijven manifesteren. Zijn jongere broer zat blijkbaar op dezelfde golflengte. Van zingen repte hij evenwel niet in het interview. Wél van zelf-bedachte acrobatiek. Ineens was er grote haast geboden. “Mijn broer zat met een een nummer in een circus in Dresden. Er was daar een komisch nummer uitgevallen. Of ik maar even wilde invallen.
   Ik er per trein heen, dacht alles of niks. Ik moest een ‘Probe machen’. Ik was zo zenuwachtig als wat. Ik maakte cascades die helemaal niet bestonden. bloedend kwam ik er af. Waarop de Duitse directeur zei: ‘dat moet ik hebben’. Ik liet hem wel even weten dat ik dat geen avond meer zou flikken.
   Toch ben ik daar een jaar geweest. Ik deed een komisch nummer met een ladder en moest de dronkeman uithangen. Met een fles in de hand de ladder opklimmen, je bovenaan de ladder laten vallen en op de grond gekomen, snel proberen de fles te bemachtigen, die dan natuurlijk al lang leeg gelopen was. En dat volk gieren van de lach. Wat een lol. Maar ik deed het nummer met succes, later ook in België en in Frankrijk”.
 

Tweede Wereldoorlog

 
Tijdens de oorlog moest je ook als artiest maar zien te overleven. Naar eigen zeggen had Corty geen zin om zich bij de Kultuurkamer te laten inschrijven. In Amsterdam dook hij bij vrienden onder. Toch wist men hem te vinden. Ineens kreeg Brak een oproep om op te treden voor de Hollandse jongens die in Duitsland in fabrieken werkten, noteerde Nick van Riel. Hadden Nederlandse (dwang)arbeiders daar hun eigen amusement?
   Door in Duitsland als artiest werkzaam te zijn wist Corty zich blijkbaar in stand te houden. Na gescheiden te zijn van zijn (eerste) vrouw (Trijntje Venema, vanaf 1933) trad hij in 1942 meteen opnieuw in het huwelijk met een Duitse (Emma Wesemeyer), is te lezen in een uitgebreide familie-genealogie die Maria Hensen op het internet gezet heeft.
   Zijn Duitse avontuur liep na lange tijd echter niet optimaal af. “Brak werd opgepakt en moest de fabriek in. Maar: ‘Midden in de nacht nam ik de kuierlatten en vluchtte vanuit Hamburg weer terug naar Amsterdam, waar ik tot het einde van de oorlog bleef’”.
   Zijn broer, die in Duitsland gebleven was, bracht het er minder goed van af. Op de dag van de bevrijding hoorde Corty dat Bertus bij Sarasani in Dresden tijdens een bombardement was omgekomen.
 


Genealogische gegevens over de tweede echtgenote van Corty Brak

 

Indië

 
Ook na de oorlog bleef Brak als artiest door het leven gaan. Hij kwam terecht bij de NIWIN, een afkorting van Nationale Inspanning Welzijnsverzorging Indië. Impresario Frans Muriloff, tevens producer van de Bonte Dinsdagavondtrein (Avro-radio) en balletmeester bij de Sleeswijk Revue, kreeg er de leiding. Volgens zijn aanstelling trad deze in dienst als ‘artistiek adviseur voor het selecteren, hergroeperen en artistiek afwerken van de naar Indië uit te zenden gezelschappen’.
   In De Schnabbeltoer legde Henk van Gelder een en ander vast over de NIWIN. Zo citeerde hij Lou Bandy die met de organisatie op toernee ging. Die verklaarde: “Ze hebben ons nodig, die knapen [soldaten]. Zij hebben ons even hard nodig als ze hun munitie nodig hebben”.
   De overgrote meerderheid van de uitgezonden artiesten zag een NIWIN-contract als een onmisbare bron van inkomsten. Theo Rekkers (van de Spelbrekers): “Het werk zakte na de bevrijdingsfeesten een beetje in. Ik was getrouwd en had kinderen. Natuurlijk was dit een geweldig avontuur. Maar het belangrijkste was toch dat het ons vastigheid bood. Ik verdiende zeshonderd gulden in de maand. Dat was niet slecht betaald”.
   Waarschijnlijk kon ook Corty Brak het geld goed gebruiken. Aan Nick van Riel vertelde hij in elk geval dat hij het een tijdje ‘rustig aan bleef doen’. En toen kreeg hij ineens een oproep om voor de jongens in Indië op te treden. “Er werden in Den Haag negen audities voor gehouden, negen keer eindigde ik als eerste, maar we werden niet uitgezonden. Dat werd Frans Muriloff een beetje te gortig, Hij stelde een ploegje samen waarmee we de kleine posten in Indië zijn afgegaan. Een half jaar lang en net toen we weer terug waren in Nederland, kregen we weer een aanbieding voor een trip naar de Oost”.
   Zijn huis hing later vol met krissen.
 


Wervingsposter voor de NIWIN

 

Figurant

 
Terug in Nederland bleef de artiest regelmatig optreden voor militairen. Je kon hem vinden in kazernes en kampementen. In 1953 overleed zijn tweede echtgenote. Een nieuw huwelijk liet echter nog geen drie maanden op zich wachten.
   Brak had het blijkbaar niet gemakkelijk in de jaren vijftig. Nick van Riel: “Toen de buis [televisie] zijn intrede deed daalde gelijk ook de interesse voor het variété. Om niet brodeloos te geraken liet hij zich als figurant inschrijven bij Thonhauzer in Amsterdam”.
 
In 1971 praatte Ary Jassies in het Leidsch Dagblad samen met Thom Thonhauzer over zijn werk als ‘impresario’ van figuranten. De journalist legde uit: “De film en reclame-industrie laat zich moeilijk kennen zonder de inbreng van Thom Thonhauzer, de voormalige Amsterdamse horloge importeur die in figuranten grossiert. Op de lijsten van Thonhauzer staan 3.000 namen bijgeschreven, tientallen albums en schoenendozen puilen uit van sterk flatterende foto’s”.
   “‘Ik ben gespecialiseerd in speelfilms en reclame’”, verklaarde Thonhauzer, die dag en nacht in de weer was in telefoongesprekken met (potentiële) opdrachtgevers en spoedgesprekken met kantoren, werkplaatsen en flats in de Randstad, waar het verlangde materiaal (de figuranten) opgeroepen moesten worden.
   Thonhauzer was volgens zijn echtgenote goed in dit werk. “Mijn man kan het uiterlijk van iedereen wel dromen. Alle details heeft hij stuk voor stuk in zijn hoofd zitten. Als [mogelijke] figuranten foto’s komen brengen neemt hij tegelijkertijd scherp de benen en handen op”.
   Thom Thonhauzer: “Er is vaak een lekker handje voor een reclamefilm nodig. Die hand moet dan in de eerste plaats goed verzorgd zijn en verder mag hij natuurlijk niet beven. Zo’n handje moet een kop koffie pal voor de camera’s aangeven. Er zijn er niet veel die dat kunnen”.
   De baas van het bureau had een goede reputatie in het wereldje. “Thonhauzer kan de aanmeldingen rustig afwachten. Het lijvige personeelsbestand omvat voornamelijk de namen van zich graag voor de camera’s vertonende Nederlanders, die zich op elk uur van de dag kunnen vrijmaken voor de oproepen uit de reclame-, film- en tv-wereld. Vooral artiesten, winkeliers, vertegenwoordigers en huisvrouwen bepalen het gezicht van de expedities naar de studio’s”.
   Uitzonderingen bevestigden ook hier de regel. Thonhauzer: “Ik heb er ook een technisch ingenieur, een juwelier, een groothandelaar en de eigenaar van een fabriek bij”.
   Veel geld leverde een figurantenrol niet op. Meestal niet meer dan 35 gulden per uur. “Maar het gaat al die mensen er voornamelijk om in de studio’s te werken. Bovendien is het natuurlijk een kwestie van pure ijdelheid. Het zijn mensen die graag gezien willen worden. Dat mensen op straat zeggen: we hebben je gisteren in een reclamespot gezien. Dat vinden ze geweldig”.  
   Kort voor het interview had hij nog ‘artiesten’ geleverd aan het tv-programma ‘Hadimassa’, hoorde Jassies. De baas van het bureau vertelde het met een glimlach. “Ze vroegen om vier diplomaten, een dikke vrouw, twee boeven en een jongen met een scheve schouder. Ik had ze meteen. Die boeven waren ook geen probleem. Iedereen die hier met zijn foto komt kijk ik scherp aan. Hé, een lekkere boeventronie, denk je dan. Eventjes goed onthouden”.
   Was Corty een van de mannen met een boeventronie?
 



Thom Thonhauzer met zijn archief (1971)

 
Uit het artikel over Gerrit Dekzeil is op te maken dat Corty Brak regelmatig met succes werd opgeroepen. “Hij ging figureren in stukken als ‘Als de dood ons scheidt’ en ‘Stadhuis op stelten’. Hij deed veel bij Walter van de Kamp in allerlei kleine rolletjes, kreeg zo zoetjes aan de smaak van de Ster-reclame te pakken, deed onder andere Krommenie-vinyl en Unox-worst en was ook nog stuntman voor een Duitse film, waarin ze hem vroegen ‘even dood neer te vallen bij een autobotsing met een vaartje van 80 km per uur’”.
 

Wim T. Schippers

 
Brak bleek een adequate rol te kunnen vervullen bij de tv-programma’s die Wim Schippers in de jaren zeventig voor de VPRO-tv maakte. Wim was eerder al actief geweest in ‘Hoepla’. Artiesten als Jimi Hendrix en de Soft Machine gaf de VPRO zendtijd. Bovendien was er een optreden van Phil Bloom, die geheel ontkleed het dagblad Trouw leek te lezen: een (bewuste) blootscène was een nieuw fenomeen. Het bracht zoveel teweeg dat de omroep een revolutie doormaakte. De dominees werden er vervangen door de ‘progressieven’. Na een tijdje mocht Wim er weer aan het werk.
   Schippers: “Al mijn activiteiten hebben te maken met het feit, dat ik geen genoegen neem met het gegeven dat het leven alleen maar is om in leven te blijven, te eten en nageslacht te bezorgen. Dat het iets meer betekent. Je ontkent eigenlijk dat het leven alleen maar totale onzin is en nergens op slaat, wat ik eigenlijk ook wel vind, maar door allerlei denkbeelden te ontwikkelen; al die denkbeelden moeten door een bepaalde vormgeving tot uitdrukking komen. Dat is cultuur en dat kan door schilderijtjes of door televisie of dichtwerkjes of – noem  maar op”.
   Syp Wynia, die hem interviewde, stelde: “Jij was toch wel de meest prominente persoon in de Haché-Servet-Van Oekel programma’s”.
   Schippers bevestigde dat. “Ja, dat komt omdat ik een schrijfmachine had. Het schrijven van teksten is toch een vervelend werk, en dat zou ik wel doen”. Maar hij was zeker niet de enige creatieve geest. “Nee hoor. Ja kijk, als je in een team werkt en de één iets niet doet dan vult een ander dat weer op. Ik heb me gewoon gemanifesteerd binnen zo’n team”. Schippers werkte, stelde hij, samen met onder meer Ellen Jens, (filmer) Wim van der Linden en (regisseur) Gied Jaspars.
   De Amsterdammer Clous van Mechelen, muzikant, saxofonist, arrangeur, platenproducer en nog veel meer, was betrokken bij de muziek van Wim Schippers. Op 15 december 2015 vertelde hij me dat de selectie van de artiesten van diens programma’s door middel van casting plaatsvond. Zo kwam het programma dus aan figuren als Fred Haché, Barend Servet, Sjef van Oekel en later Gerrit Dekzeil. Of dat via bureau Thonhauzer gebeurde kon Van Mechelen me niet vertellen.
   Wim Schippers kreeg nog wel eens het verwijt dat hij de artiesten in zijn programma’s ‘gebruikte’. Wat vond hij van die aantijging?
    “Dat we zo raar met mensen omsprongen, heel vervelend ja. Maar het is echt waar, dat wil ik met nadruk zeggen, dat we echt heel zorgvuldig met alle mensen die we in de programma’s gebruikten zijn omgesprongen. ‘Gebruikt’ zeg ik dan, want die term wil ik zonder negatieve betekenis best hanteren”.
   De artiesten waren meestal al op gevorderde leeftijd. Ze lieten zich, maakte Schippers duidelijk, inhuren voor een rol in de VPRO-programma’s zoals de makers dat voor ogen hadden. Ze hadden soms tientallen jaren op de achtergrond moeten functioneren. Door hun tv-optreden bij de progressieve omroep werden ze alsnog sterren. Moppentapper Fred Haché (Harry Touw, 1924-1994) was vijftig jaar in 1974 - Barend Servet (IJf Blokker, geb. 1930) een paar jaar jonger. Sjef van Oekel (1912-1997) was de zestig al gepasserrd toen hij zich voor het eerst uitgebreid mocht vertonen op de buis.
   Wim Schippers probeerde op zijn manier zo creatief mogelijk te zijn. Niet alleen bedacht hij stopwoordjes als ‘reeds’, ‘als het ware’, ‘waar heb dat nou voor nodig?’, ‘peu nerveu’, ‘ik word niet goed’, ‘prima de luxe’, ‘wat een succes!’ en ‘pollens’, tevens liet hij voortdurend andere ‘figuranten’ min of meer onverwacht de hoofdrol spelen in zijn tv-shows.
 


Wim T. Schippers

  

Gerrit Dekzeil op het Darkanivap-label

 
De door Schippers gecreëerde personages werden bovendien als zangers opgevoerd op televisie. En waar gezongen werd, verschenen er grammofoonplaten. “Er kwam belangstelling van platenzijde”, met die woorden definieerde Wim zijn contacten met de muziekindustrie in die tijd. Schippers zette een eigen label op, Darkanivap, en maakte (via Red Bullet, het bedrijf van Willem van Kooten) een overeenkomst met Polydor. Zo maakte ik [HK] persoonlijk kennis met hem en hoorde ik het ene gekke idee na het andere.
   Clous van Mechelen maakte vaak de arrangementen en had dan de leiding in de opnamestudio. Bovendien speelde hij saxofoon, een beetje in de rock & roll-stijl van Earl Bostic. Schippers en Jaspars schreven de liedjes. Wim noemde zich Jacques Plafond als liedjesschrijver en ‘zanger’.
   Verreweg het grootste succes voor Darkanivap had Corty Brak onder het pseudoniem Gerrit Dekzeil. Hij was inmiddels 63 jaar. Van het liedje ‘Ik ben Gerrit’, geschreven door Schippers en Jaspars, gearrangeerd en geproduceerd door Clous van Mechelen, werden vele tienduizenden exemplaren verkocht.
   Wim Schippers in 1979: “Die gasten [Dekzeil, Van Oekel, Servet] konden geen van allen zingen. Ik dacht, hier ontbreekt nog wat aan. Toen was er dus die man [figurant Corty Brak] die we jarenlang gebruikt hadden om in de shows stoppen voor het lichtnet in te zetten en zo. Ik had iets voor hem geschreven en toen werd-ie Gerrit Dekzeil. Ja, dat Dekzeil-nummer [‘Ik ben Gerrit’] werd een hit”.
   Clous van Mechelen: “Corty Brak had als artiest niet eerder gezongen”.
 

Gerrit Dekzeil: "Ik ben Gerrit"

 
Door ‘Ik ben Gerrit’ was Corty Brak zo beroemd geworden dat hij gevraagd werd om overal in het land voor de jeugd op te treden. In het Pinksterweekend van 1973 deed hij dat eerst in het noorden. Daarna reisde hij helemaal door naar het Limburgse Geleen waar voor de vierde keer door Jan Smeets Pinkpop georganiseerd werd. Er waren concerten van onder meer Alquin, Stealers Wheel, Wishbone Ash en Colin Blunstone. De presentatie werd in ‘peu nerveu’-stijl gedaan door het bij de jeugd zo populaire trio Gerrit Dekzeil, Sjef van Oekel en Barend Servet.
   De komst van het drietal werkte waarschijnlijk stimulerend op de kaartverkoop. In het dagblad voor Sittard en Geleen was te lezen: “Als dat zo doorgaat kunnen wij de kassa’s aan de ingang al bij voorbaat sluiten. Er zijn al bijna 20.000 toegangskaarten verkocht”. In totaal waren er 26.000 bezoekers. De krant meldde dat iemand als Gerrit Dekzeil niet hoefde te improviseren. Wim van der Linden en Gied Jaspars van de VPRO-tv reisden eveneens naar Zuid-Limburg om ter plekke de teksten te schrijven. Dekzeil had succes met zijn voordracht. De rockliefhebbers genoten ervan dat ze door hem als ‘stelletje klootzakken’ werden aangesproken.
 

Het vervolg

 
Voor Wim Schippers was de figurant ‘Gerrit Dekzeil’ niet meer dan een spin-off van het VPRO-programma. Een liedje zingen en dan weer weg.
   Corty Brak zagde hit blijkbaar als het einde van zijn leven als figurant en het begin van een carrière als zanger. Schippers: “Die man dacht meteen dat hij steenrijk was. Hij kocht meteen een auto. Hij dacht: ‘Ik ben nu een zanger’. Ik heb hem nooit gouden bergen beloofd. Ik kon het ook niet helpen dat hij plotseling hoog op de hitparade stond. Hij was gewoon een figurant”.
   Aan Nick van Riel vertelde Corty Brak dat IJf Blokker, met wie hij vaak in het land had opgetreden, hem geholpen had om op tv mee te mogen doen in de Barend Servet-show bij de VPRO-tv. “IJf liet iedereen weten dat Corty geen figurant was, maar een artiest. Zo kreeg de aspirant 23 bladzijden uit zijn hoofd te leren. Hij speelde het zo leuk dat hij in een show de rol als monnik kreeg toebedeeld en [in pij] ‘Ik ben Gerrit’ moest zingen als Gerrit de inbreker”.
   Brak: “Ik geloofde niet in dat liedje, maar je ziet hoe het is gegaan”.
 
Brak, even een beroemdheid, benaderde allerlei mensen om erkenning en toekomst als zanger te krijgen. “Ik wil zo ontzettend graag hiermee doorgaan en op mijn oude dag nog een eigen ‘Ik ben Gerrit Dekzeil’-show hebben en als ik nog eens een gouden plaat krijg, het zou de kroon op mijn leven zijn”.
   Naar eigen zeggen was hij al benaderd door Pierre Kartner ‘die hem ontzettend goed vond en hem waarschijnlijk in de Vader Abraham-show zou opnemen. “Maar daar krijg ik nog een telefoontje over” was in het Veronica-blad afgedrukt. Een maand later verklaarde zanger en liedjesschrijver Roek Williams: “Gerrit Dekzeil is langs geweest – of ik iets voor hem kan maken”.
 


Clous van Mechelen

 
 
Een nieuwe hit zat er echter niet meer in voor Corty Brak. Hij bleef nog wel samenwerken met Wim Schippers en Clous van Mechelen, onder andere in het programma ‘Ron Flon Flon’. Clous, die in 1978 de succesvolle single ‘Big City’ van Tol Hansse produceerde, typeerde Brak als enigszins ‘verzuurd’. Na zijn hit trad hij weer gewoon als acrobaat-clown op zoals ver vóór de oorlog.
   Clous, die nog regelmatig samen met Dekzeil op de bühne stond liet me weten: “Corty stond bekend als de ‘vallende man’ Hij deed een soort evenwicht-act op leuningen van stoelen, zette wat tafels op elkaar en vlak voor het moment suprême stortte het hele zootje in elkaar. De mensen lagen tussen de stoelen van het lachen”.
   Van Mechelen begeleidde de artiest dan op de piano. “Speel maar iets wat je graag doet”, hoorde hij van hem. “Alleen als het zootje in elkaar stort maak je maar behoorlijk herrie op die piano. Letterlijk: het dondert niet als het maar dondert. Een piano was in elk zaaltje, elke kroeg, elk gemeenschaps- en oude van dagen-huis aanwezig”.
   Corty Brak, Gerrit Dekzeil, bereikte de respectabele leeftijd van 83 jaar. Bij de genealogie van Maria Hensen las ik dat hij de laatste jaren van zijn leven, samen zijn derde vrouw, de zangeres Claire Russell, in Amsterdam Zuidoost woonde. Brak had volgens Hensen ‘aangeboren long-enfyseem en leed aan suikerziekte’. Tineke de Nooij was, aldus de site, bij zijn uitvaart aanwezig.
 
Harry Knipschild
22 december 2015
  
genealogie website Maria Hensen

Clips

* Earl Bostic, Flamingo, 1951
* Jimi Hendrix in Hoepla (VPRO), 1967
* Fred Haché-show (VPRO), 1972
* Gerrit Dekzeil, Ik ben Gerrit, 1972
* Sjef van Oekel (en Luv) in eerste aflevering van Waldolala (VPRO, 1978)
* Ronnie Ruysdael, Ik ben Gerrit
* Clous van Mechelen in 2011
* Michael Prins, Ik ben Gerrit, 2013

      
Literatuur
Ary Jassies, ‘Figuranten: waar halen ze die vandaan? Thom Thonhauzer levert ze op bestelling’, Leidsch Dagblad, 19 februari 1971
‘Al bijna 20.000 kaarten verkocht voor Pinkpop’, Dagblad voor Sittard en Geleen, 9 juni 1973
Nick van Riel, ‘Gerrit Dekzeil. Alles recht voor zijn raap’, Veronica, 16 juni 1973
Nick van Riel, ‘Roek Williams: ‘Ik blijf de eenvoudige jongen’’, Veronica, 23 juli 1973
Syp Wynia, ‘TV-maker Wim T. Schippers: dingen die mislukken, daar houd ik van’, Dagblad van het Noorden, 24 augustus 1979
Henk van Gelder, De Schnabbeltour. Het Nederlandse amusement in de wederopbouwjaren, Amsterdam 2005