Zoeken



 
Begin 1969 stuurde platenmaatschappij Iramac me naar Cannes in Zuid-Frankrijk. Het was weer tijd voor de MIDEM, de jaarlijkse internationale platenbeurs. Ik was er niet eerder geweest en moest m’n weg dus maar zien te zoeken. In de bus vanaf het vliegveld zat ik naast Ben Cramer.
   Het geluk was met me. Niet alleen waren mensen als muziekuitgever Wim Landman bereid me de helpende hand te verstrekken. Bovendien had ik met het nieuwe album van de Sandy Coast (‘From the stereo workshop’) iets in handen waar zelfs de Engelsen op vielen. Met name Larry Page, producer van de Troggs, zag de groep uit Voorburg helemaal zitten. Over de nieuwe single ‘Capital Punishment’ was hij lyrisch. Toen Page me in Cannes zo snel niet kon vinden om een contract te maken, liet hij overal op het beursterrein het verzoek aanplakken of Harry Knipschild contact met hem wilde opnemen. Dat maakte indruk op de Nederlandse delegatie in Frankrijk.
   Aan die dagen is me nóg een contact bijgebleven. In een lift stond ik ineens oog in oog met Jerry Moss (33), de zakenpartner van Herb Alpert. De tijd was te kort om echt tot een gesprek te komen. Moss was niet voor mij de Atlantische Oceaan overgevlogen.
   Sinds 2013 kun je op YouTube het muzikale levensverhaal vinden uit de mond van Jerry Moss zelf. Hij komt over als een intellectueel, een bedachtzaam mens, die zijn succes op een leuke manier relativeert.
 


Alpert & Moss

***

 

Plugger van de Crests

 

Jerry Moss is in Brooklyn, New York, geboren op 8 mei 1935. Op jeugdige leeftijd besefte Jerry dat hij iets wilde bereiken aan de zakelijke kant van de amusementsbusiness, zo begon hij zijn verhaal. “Als student werkte ik ’s zomers in de horeca. Op de een of andere manier mocht ik altijd de artiesten bedienen. Die mensen hadden een hoop plezier, vond ik. Ze werkten hard, deden hetgeen van hen verwacht werd. Onder elkaar was er kameraadschap. Tegen me zelf zei ik: hier wil ik bij horen!  Eerlijk gezegd was ik ervan overtuigd dat ik na mijn studie, eind jaren vijftig, bij de televisie zou belanden. Ik hield een beetje van muziek, vooral jazz, Dave Brubeck met Paul Desmond.
   Het pakte anders uit. Toen ik een jaar of 22 was ontmoette ik tijdens een trouwfeest een man uit de muziekbusiness, Marvin Cane. Hij was ruim tien jaar ouder dan ik zelf. Cane was een grappige en interessante man. We konden het goed met elkaar vinden. ‘Jij bent uitermate geschikt voor het muziekvak’, liet hij me weten.
   ‘Wat betekent dat?’, vroeg ik hem.
   ‘Ik wil je wel in dienst nemen. Dan betaal ik je 100 dollar per week als radio-plugger, later te verhogen naar 150 dollar. Bel me maar, dan maken we een afspraak’”.
   Moss: “Het was 1958. Wat pluggen inhield, daar had ik niet het minste idee van. Maar honderd dollar was een heleboel geld voor mij. Ik legde hem uit dat ik een paar weken later voor een half jaar in dienst moest. Na die zes maanden zou ik opnieuw met hem contact opnemen. Tijdens mijn diensttijd en ook daarna hield ik Marvin voortdurend op de hoogte. Een reactie bleef echter volledig uit. Wat kon ik anders doen dan weer serveren in restaurants.
 


Marvin Cane (1955)

 
Met veel volhouden kreeg ik in 1959 eindelijk een baantje bij Co-Ed Records, recentelijk door Cane opgezet. Geen 100 maar 75 dollar per week. Cane stuurde me meteen naar Philadelphia om uit te zoeken welke stations er onze nieuwste plaat draaiden. Toen ik aankwam werd ik met vragen als ‘Wie distribueert je plaat?’ bekogeld. Wist ik veel. Ik was vreselijk verlegen en dacht op dat moment dat ik in het platenvak helemaal niet thuishoorde. Sommige mensen namen me in de maling. ‘Zeg Marvin maar dat we zijn plaat draaien’, hoorde ik.
   Eén van de diskjockeys nodigde me uit om tijdens zijn programma, vier uur live achter elkaar, naast hem te komen zitten. Zo ontdekte ik hoe het er bij een radiostation aan toeging. Een ontzettend aardige man. Hij zette me zelfs af op het station voor de reis terug naar New York. Bij het afscheid gaf hij tussen neus en lippen aan dat hij voor zijn medewerking wel rekende op een cheque. De aap kwam uit de mouw, althans dat begreep ik pas later. Het besef kwam bij me op dat wij de radiomensen op de een of andere manier van een inkomen voorzagen.
   De plaat waarmee we in de weer waren, vond ik heel goed. Het was ‘Sixteen Candles’ van de Crests. Pluggen bleek een leuk vak te zijn. Ik kreeg de kans overal heen te gaan: Cleveland, Pittsburgh, St Louis, Atlanta, Boston, Washington. Voor het eerst in mijn leven mocht ik in een hotelkamer slapen, roomservice bellen voor een maaltijd, mensen op onze kosten mee uit eten nemen. Toen de Crests de top van de hitlijsten haalden kreeg ik schouderklopjes alsof ik iets heel bijzonders gedaan had.
 

 
Het ging zo goed dat ik aanbiedingen buiten het platenvak liet lopen. Anderhalf jaar lang heb ik ontzettend veel geleerd: hoe de muziekscene in elkaar zat, hoe goed sommige diskjockeys waren. Van mezelf ontdekte ik dat ik makkelijk met mensen om kon gaan. Ik bleek betrouwbaar over te komen en dat hoorde ook zo, vond ik. Voor hun eigen bestaan moesten radiostations weten wat er echt in de verkoop gebeurde met de platen die ze onder de aandacht brachten. Je moest de zaken niet mooier voorstellen dan zij waren.
   Mijn salaris ging omhoog naar 140 dollar per week. Daarmee zat ik behoorlijk dichtbij het plafond. De beste promotieman van RCA verdiende niet meer dan 175, wist ik. Wilde ik verder komen dan moest ik derhalve andere paden inslaan. Bovendien vond ik de muziekscene in New York anno 1960 minder interessant worden. Bij Co-Ed waren we succesvol met de Crests, Rivieras en Adam Wade. Maar de muziek raakte me niet echt.
   Ik besloot mijn droom na te volgen en vertok naar Californië”.
 

Californië

 

 
Jerry Moss: “Aan de westkust woonde ik voorlopig bij mijn tante. De start was moeilijk. Maar toen hoorde ik dat de belangrijkste freelance plugger door twee belangrijke opdrachtgevers aan de kant gezet was. Het lukte me zijn werk over te nemen. Ineens was ik ‘in business’, niet voor een ander maar voor mezelf.
   Van het een kwam het ander. Ik zette een eigen muziekuitgeverijtje op, voorlopig alleen om wat van dat vak te leren. Ook raakte ik bevriend met platenproducers – één van hen was Herb Alpert. Ook zelf maakte ik producties. Een 45 toeren-single opnemen kostte niet meer dan een paar honderd dollar. Als je wat airplay wist te genereren kon je de opname voor 750 dollar doorverkopen en er nog wat royalties aan overhouden ook. Ook op dat terrein heb ik in die tijd veel geleerd. In 1961 verdiende ik ruim 30.000 dollar, vooral met mijn promotie-activiteiten.
   In die tijd, vond ik, was mijn vriend Herb Alpert een geweldige trompettist. Hij trad in bars op, meestal samen met een pianist. Samen met Lou Adler had hij tevens hits voor Jan & Dean [en Sam Cooke] tot stand gebracht. Na een tijdje gingen ze uit elkaar. Adler behield het contract met Jan & Dean. Alpert werd eigenaar van de Ampex opname-apparatuur. Misschien een eigenaardige verdeling, maar zo was het. Met die twee sporen-recorder was hij steeds aan het experimenteren. Dat deed hij als zanger onder de naam ‘Dore’, zijn zoon. Dore Alpert dus.
   Herb en ik deden (los van het promotie-werk) hetzelfde. Nadat RCA hem aan de kant gezet had zaten we samen op het strand. Ik had Herb een stukje trompet op een van mijn platen laten spelen. Aan zee besloten we formeel samen een bedrijfje te beginnen door ieder honderd dollar te storten. ‘Let’s see what happens’, zeiden we tegen elkaar.
   In de zomer van 1962 brachten we onze eerste single, ‘Tell it to the birds’. uit op Carnival Records. De zanger was ‘Dore’ Alpert. Door airplay op de lokale radio verkochten we al snel zesduizend stuks. Wink Martindale, toentertijd A&R manager bij Dot Records [Pat Boone, Bily Vaughn, Lawrence Welk] kocht voor 750 dollar de rechten voor de hele wereld, exclusief Los Angeles. Onze kas, waar we 200 dollar in gestopt hadden, begon uit te puilen”.
   In het begin van hun samenwerking had Jerry Moss nog een bijzondere ervaring, vertelde hij. Hij was eigenaar geworden van de rechten op een Canadese half-Franstalige plaat: ‘The French Song’ van Lucille Starr. Vooral van Frankrijk verwachtte hij veel. Moss vond het jammer dat de Fransen niet enthousiast te krijgen waren. Jerry vertelde er niet bij dat Lucille Starr in Nederland juist wel de absolute top bereikte.
 

 

Eerste hit op A&M: The Lonely Bull

 
De naam Carnival Records lag niet goed. Er waren meer labels met die naam. Bovendien deed zich iets bijzonders voor. “Herb en ik gingen in Tijuana [ten zuiden van San Diego in Mexico] samen regelmatig naar stierengevechten. Ik las boeken van Ernest Hemingway, die over de grote toreadors schreef. Er was in 1961 bovendien een hit van bassist en sessie-muzikant in Nashville, Bob Moore, ‘Mexico’. Hij maakte een album met muziek van over de hele wereld. ‘Mexico’, een trompetnummer ging over dat land. De andere stukken waren totaal anders.
   Op een avond liet Herb me enthousiast de demo horen van een nieuw piano-nummer dat hij gemaakt had.
   Ik zei: ‘Volgens mij zou je dat op trompet moeten spelen [à la ‘Mexico’ van Bob Moore]. Kunnen we er niet een stierenvechters-sausje over heen gooien?’ Van het ene idee kwam het andere. Ineens was er ‘The Lonely Bull’. De ambiance-geluiden namen we in een bullring op. Toen moesten we nog de naam van een label bedenken. Van Carnival was geen sprake meer. Allerlei alternatieven passeerden de revue. Wat zat er anders op dan ‘The Lonely Bull’ dan maar uit te brengen op A&M Records. A voor Alpert en M voor Moss. Simpeler kon het niet.
   Ik was nog steeds een onafhankelijk promotor. Toen ik de opname die dag aan een programmadirecteur liet horen, kreeg ik een onvoorstelbaar positieve reactie. Ze nam ‘The Lonely Bull’ mee naar San Francisco, programmeerde het op haar zender. Iedereen was er helemaal gek van daar in San Francisco. We hadden, dat was duidelijk, iets bijzonders in handen. Daarom was er deze keer ook geen sprake van verkoop van de master – het was echt ónze plaat.
   Met hulp van een goede relatie slaagden we erin 350.000 singles voor de westcoast én 350.000 singles voor de oostkust te laten persen. En we verkochten ze allemaal.
   Het album ‘South of the Border’ deed het eveneens goed, wat uitzonderlijk was voor een [piepklein nieuw] maatschappijtje als A&M. Kleine platenmaatschappijen konden hitsingles verkopen, bij albums kwamen bestsellers zelden voor. Cadence was een andere uitzondering, met de Everly Brothers en Andy Williams. Van ‘South of the Border’ verkochten we binnen een paar maanden meer dan 100.000 albums.
 
Het ging maar door. In 1966 overtroffen we met 13 miljoen Tijuana Brass-albums zelfs de Beatles in Amerika. Op een bepaald moment had Herbie vijf albums tegelijk in de album top 20. ‘A Taste of Honey’ deed het fantastisch en zette Alpert op een hoger niveau. Het was onvoorstelbaar in de meest letterlijke zin van het woord. Je nam de telefoon op en was in één dag 50.000 albums kwijt.
   Het succes van de Tijuana Brass waaierde uit naar andere A&M-artiesten. Iedereen was nu geïnteresseerd in Chris Montez [’The more I see you’], Sandpipers [‘Guantanamera’] en de Baja Marimba Band. We waren een bedrijf geworden dat meetelde.
   De eerste belangrijke act die we onder contract namen was Sergio Mendes & Brasil ’66. Er werd in die tijd, waarin de wereld mede dankzij de Beatles veranderde, fantastische muziek gemaakt. Antonio Carlos Jobim, Astrid Gilberto en Brasil ’65 waren mijn favoriete bossa nova artiesten. Een distributeur uit Seattle, met wie ik een werkontbijt had, vertrouwde me toe dat Capitol Records geen belangstelling meer had voor Sergio Mendes. ‘Die heeft twee nieuwe zangeressen en ze zijn hier aan het repeteren’. voegde hij er aan toe.
   Samen met Herb en [A&M man] Gil Friesen reed ik erheen in november 1964. Het was een bijzondere ervaring voor mij. Sergio stond solo onder contract bij Atlantic Records. Nesuhi Ertegun wilde graag met de groep in zee maar toen hij van onze belangstelling hoorde adviseerde hij Mendes om bij Alpert en A&M een contract te tekenen. A&M kon volgens hem meer voor Brasil ’66 doen dan Atlantic”.
   Voor Jerry Moss waren de onderhandelingen leerzaam. “Ik kreeg [voor het eerst] met juristen te maken die me van alles vroegen waar ik niets van af wist. Ik zei overal maar ja tegen. Een A&R-man die we hadden ingehuurd was niet bruikbaar. Hij begreep niet wat er op dat moment aan de hand was. Maar Sergio werd een grote ster. Hij had grote hits [‘Mas que nada’, ‘The Look of love’, ‘The Fool on the Hill’] en en half dozijn albums deed het zeer goed”.
 


Niet Jerry Moss maar de populaire orkestleider Herb Alpert presenteert de nieuwe A&M-artiest Sergio Mendes

 

Na 1967

 
A&M had een eigen aanpak, een eigen soort muziek. Alles een beetje op de Zuid-Amerikaanse, Braziliaanse toer. Maar in 1967 kwam Jerry Moss tot de conclusie dat A&M de bakens moest verzetten. Ten noorden van Los Angeles vond dat jaar het Monterey Rock Festival plaats. Moss ging er heen. Hij had al wat ervaring met ander repertoire dankzij Waylon Jennings (‘Just to satisfy you’, 1964). Zelfs als producer. Alpert moedigde hem aan om in die richting door te gaan. “Ik was te verlegen om in de studio mijn stem te laten horen. Op een bepaald moment vond ik dat de sessie-gitarist, die we hadden ingehuurd, meer op de manier van Duane Eddy zou moeten spelen. ‘Zeg het hem gewoon. We betalen hem er toch voor’, maakte Herbie duidelijk”.
   Door zijn schroom te overwinnen kreeg Moss naar eigen zeggen goed contact met de artiesten. Alpert steunde zijn zakelijke partner hierin onvoorwaardelijk. Herb en Jerry hadden een vrijwel onbeperkt vertrouwen in elkaar.
   Recentelijk was Moss pas goed gaan beseffen hoe je het succes van A&M kon verklaren. Dat kwam voor een groot gedeelte doordat een artiest, als hij eenmaal voor het label getekend had (“Get to know who you are signing!”), nooit dingen hoefde te doen die hij niet wilde. Integendeel, een opname-sessie moest plezier geven. Daar waren die artiesten veel te goed voor. In het A&M-complex kregen ze de beschikking over een kantoor en andere hulp. Als het goed ging werden er (ongevraagd?) bonussen betaald (ook in aandelen) en grote winsten werden verdeeld. Het was in zekere zin een voortzetting van zijn eigen samenwerking met Herb Alpert. Creativiteit en zaken moesten hand in hand gaan. Die aanpak, had Jerry Moss later gehoord, was een voorbeeld geworden voor andere platenmaatschappijen. Die moesten wel wat doen om de competitie scherp te houden. A&M zou dus voorop gelopen hebben in de (goede) behandeling van artiesten.
   Moss: “We realised we were good at what we were doing. We had respect for people like they had for us. Jimmy Iovine told me recently that we changed the business because we treated artists better than anybody else. And that everybody eventually had to change”.
 
Helemaal vrijblijvend was het niet. “Op financieel gebied konden we nu eenmaal niet concurreren met de multinationals”. Dat gold ook voor het personeel. “Virgin Records zette in Londen een bedrijf op met, Jeff [Ayeroff] en Jordan [Harris], twee van onze mensen”.
   Moss kon er zich nog wel eens over opwinden hoe platenmensen van boven af onder druk gezet werden om met steeds grotere verkoopsuccessen voor de dag te moeten komen. Dat was bijvoorbeeld het geval bij Atlantic nadat het bedrijf aan Warner [Kinney, WEA]  verkocht was. Omdat A&M zelfstandig bleef hadden Moss en Alpert dat probleem niet. Zij konden gewoon blijven doen waar ze helemaal achter stonden.
   Moss: “Record companies cannot predict or project anything. It’s kinda silly to project. Because that means you have to convince an artist to release a certain kind of album”. Zo kwam je in een sfeer van boekhouders terecht. “Ridiculous”. Bij hem wilden ze dat soort ‘controleurs’ niet in huis hebben. “We didn’t care. We owned the company! We could do whatever we wanted”.
 
Met die manier van werken kon je volgens hem heel ver komen. Opvallend vond ik dat Moss over een wat latere periode in het interview geen enkele keer de Carpenters noemde of andere artiesten die muziek voor de grote massa maakten. Dat kan natuurlijk toeval zijn. Maar het lijkt erop dat hij voortaan nadrukkelijk bezig was met rock-muziek. Misschien had ik anno 1969 in Cannes met hem over Nederlandse popmuziek moeten praten. Maar in die tijd leek A&M een platenmaatschappij te zijn die alleen maar ‘mooie muziek’ wilde maken.
   Namen die Jerry Moss op YouTube terecht trots uitdroeg: Janet Jackson, Peter Frampton, Supertramp, Police en Styx.
   Wie hij niet noemde is op zich al indrukwekkend genoeg: Captain & Tennille, Burt Bacherach, Flying Burrito Brothers, Quincy Jones, Stealers Wheel, The Move, Rita Coolidge, Pablo Cruise, Peter Allen, Joe Cocker, Cat Stevens, Procol Harum, Joan Armatrading, Chris de Burgh, Bryan Adams, Suzanne Vega, Falco, Carole King, Billy Preston, enzovoort, enzovoort.
   Moss benadrukte voortdurend dat de kracht van A&M vooral was hoe het bedrijf de artiesten behandelden met wie ze werkten. Daar draaide alles om bij het onafhankelijke bedrijf. “We wanted to be different”.
 

 

A&M onder de vleugels van PolyGram (1985)

 
In het interview op YouTube gaf Jerry Moss aan hoe moeilijk het was om je eigen koers te bepalen in een tijd van steeds minder platenmaatschappijen en het ontstaan van wereldwijde molochen, ook op muziekgebied. Moss en Alpert waren, in vergelijking met anderen, terughoudend om overal ter wereld eigen vestigingen op te zetten. Daar waren ze misschien net niet groot genoeg voor. Bovendien stopten ze hun dollars naar eigen zeggen liever in de muziek zelf.
   Op den duur verzwakte dat toch de positie van het platenbedrijf. A&M moest de distributie in de meeste landen overlaten aan hun concurrenten: op het kontinent van Europa achtereenvolgens Phonogram, Polydor, Ariola en CBS. Die hadden er steeds minder zin in om dat te doen. Ze werkten liever aan hun eigen repertoire.
   In 1985 ging A&M opnieuw in zee met PolyGram. Dat concern liep toen voorop met de compact-disk – de nieuwe geluidsdrager die bezig was de wereld te veroveren. A&M had geen eigen compact-disk fabriek. De samenwerking tussen de twee bedrijven was dus logisch.
   Op 9 februari 1985 schreef Mike Hennessey in Billboard: “After more than seven years with CBS, A&M Records has concluded a new license agreement for continental Europe with Polydor International. The deal, for three years, will begin on April 1. Announcing the new licensing arrangement Monday (28), A&M chairman Jerry Moss said: ‘We leave CBS Europe with the knowledge that we have worked with one of the best record operations in the world. But Polydor has presented us with an extraordinary opportunity’.
   One factor which is thought may have helped Polydor clinch the deal is the PolyGram compact disc manufacturing facility in Hannover, West Germany”.
   Het was de Nederlander Aart Dalhuisen die de leiding had tijdens de onderhandelingen tussen PolyGram en A&M. Andere betrokkenen waren Roland Kommerell (president Polydor International), jurist Michael Kuhn en last but not least Alain Levy die tot voor kort een functie had bij CBS in Parijs en derhalve al betrokken was bij A&M.
   In een tweede artikel over de deal maakte Hennessey duidelijk dat Polydor diep in de buidel getast had om tot een accoord met Jerry Moss te komen. Het bedrijf uit Baarn zou maar liefst 30 miljoen dollar op tafel gelegd hebben, drie miljoen meer bijvoorbeeld dan CBS die A&M graag had willen behouden. Opnieuw bevestigde Billboard dat PolyGram extra aantrekkelijk was vanwege de mogelijke cd-fabricage.
   Een A&M-artiest die speciaal genoemd werd was Bryan Adams. Die zou bij PolyGram veel beter aan bod komen dan bij CBS. Dat bedrijf had nu eenmaal Bruce Springsteen. Twee van dat soort power-artiesten zouden elkaar wel eens in de weg kunnen staan als ze bij hetzelfde bedrijf zaten.
   Eén ding was jammer voor PolyGram. Het lukte de mensen niet om A&M ook voor de Amerikaanse markt binnen te halen. Na het eenmalige succes van ‘Saturday Night Fever’ en ‘Grease’ was het uit de kluiten gegroeide Amerikaanse distributieapparaat van PolyGram hevig op zoek naar goed verkoopbaar produkt. In de VS bleef A&M echter gedistribueerd worden door RCA Records. Maar wat niet is kon nog komen, dacht men wellicht in Nederland.
 

PolyGram slokt A&M op (1989)

 


Jerry Moss in middelpunt van de belangstelling op A&M feest (1978)

 
In het blad Rolling Stone schreef Michael Goldberg in 1991 hoe het na 1985 verder ging. Maar eerst vatte hij het begin van A&M Records nog eens samen.
   “Nearly three decades ago, in the fall of 1962, an unknown trumpet player named Herb Alpert and his buddy Jerry Moss, a record promoter, started A&M Records in a Los Angeles garage with an investment of $1000. Their first release was ‘The Lonely Bull’, a Latin-flavored jazz instrumental. Performed by Alpert and some backing musicians they dubbed the Tijuana Brass, the record became a Top Ten hit. That was the romantic beginning of a company that for twenty-seven years remained independently owned by Alpert and Moss, a company that became known as one of the classiest in the record business”.
 
Intussen waren de tijden wel veranderd. Het werd steeds moeilijker om zelfstandig te kunnen blijven opereren. Het was eten of gegeten worden, ook in de muziekbusiness. In 1987 werd het Japanse Sony voor twee miljard dollar eigenaar van CBS, de ‘grootste platenmaatschappij ter wereld’ aldus Goldberg: “Not only did Sony acquire several major stars - including Michael Jackson, Bruce Springsteen, Billy Joel, Bob Dylan and the Rolling Stones - it also got a catalog that includes some of the greatest rock, jazz, country, soul, blues and classical recordings ever made, a world-wide-distribution company, the Columbia House record club and several manufacturing plants”.
 
In 1989 was A&M Records aan de beurt om als zelfstandige onderneming te verdwijnen. En dat terwijl het volgens de redacteur van Rolling Stone toch zo’n uniek bedrijf was. “A&M was a company where music really did come first. It was a company known for its commitment to its artists. Performers on its roster included Wes Montgomery, Cat Stevens, Gil Evans, Fairport Convention, Carole King, Joe Jackson, the Flying Burrito Brothers, Phil Ochs, the Police and John Hiatt.
   Hand in hand with A&M’s reputation for signing - and breaking - hip acts was its chart success. Over the years, A&M sold millions of albums by such commercial entities as Styx, the Carpenters, Bryan Adams, Peter Frampton, Supertramp, Janet Jackson, the Police and Sting.
   Top record executives, from Capitol-EMI chairman Joe Smith to Arista president Clive Davis, have in past years raved about A&M. ‘It’s the record company I most admire’, said Island Records head Chris Blackwell a few years ago”.
  
In 1989 werd A&M eigendom van PolyGram. Ondanks allerlei mooie woorden had A&M definitief zijn eigen identiteit verloren, hoorde je van heel wat kanten. En PolyGram was zo ongeveer het allerergste wat je dan kon overkomen. “Many people in the music business wonder whether A&M can maintain its identity and indeed flourish under PolyGram, a company that Janet Jackson’s former manager Roger Davies recently referred to as ‘a big faceless corporation’. Davies’s opinion, expressed in an article in Musician magazine, was seconded by Dire Straits manager Ed Bicknell, who said PolyGram’s executives ‘could be just as successful flogging condoms’”.
 


Suzanne Vega

 
Sommige A&M artiesten zagen de bui al een tijdje hangen. Een voorbeeld was Suzanne Vega.
   “Vega had been a classic example of how A&M could take an offbeat performer and through creative marketing and promotion turn her into a commercial success. Through a strong alternative campaign that portrayed Vega as a cool, idiosyncratic singer-songwriter in the tradition of Joni Mitchell, A&M was able to sell 250,000 copies of Vega’s debut album [met ‘Marlene on the wall’]. Her second record, ‘Solitude Standing’, contained ‘Luka’, a song about child abuse that featured an infectious melody line. ‘All of a sudden they had a hit, and the album went platinum’, says one record executive. ‘That was typical A&M’.
   But Vega’s third album, ‘Days of Open Hand’, released last year, was a commercial dud, selling about 350,000 copies. Though Vega has been working hard to forge a new relationship with A&M, she feels the label didn’t come through for her last year. Two months after ‘Days of Open Hand’ was released, Jerry Moss himself indicated to her over dinner that the company would not be spending any more money to promote it.
   ‘He told me, ‘Well, Suzanne, you’ve made a brilliant record and they’re just not playing it on radio’’, says Vega. ‘He said, ‘You’re the kind of artist who will be making records when you’re sixty-five. You should just go ahead and make another record’’.
   ‘At first it sounded like a compliment’, Vega continues. ‘But after the dinner, I realized that had been the final blow. He was basically telling me that was it for that album’.
   Vega believes A&M lost sight of what she is about as an artist. ‘Suddenly, I felt like, because of the success of ‘Luka’, that I had been redefined’, she says. ‘Somehow they had forgotten what I represented, what I stood for - that had been lost. I never started making songs in order to get played on the radio - that was just a nice bonus. My intention was never to be in competition with Top Forty acts’”.
 

Alain Levy

 


Roger Waters en Alain Levy (1990)

 
In het artikel van Bloomberg werd de eerder genoemde Alain Levy aangeduid als het duivelse brein van PolyGram. Muziek kwam bij hem in elk geval niet op de eerste plaats. “The A&M deal was engineered by a forty-four-year-old Frenchman named Alain Levy. Levy, who oversees PolyGram’s worldwide operations, readily [!] admits that in terms of ‘listening to music for pleasure - I don’t do it’.
   A European music-industry magazine recently described Levy as having ‘the reputation for an abrasive, even brutal management style’.
   Accurate?
   ‘I’ve met a lot of inflated idiots [in the music business]’, says Levy. ‘I have no patience for idiots’”.
   Zo zouden Jerry Moss en de inmiddels enigszins op de achtergrond geraakte Herb Alpert hun rol waarschijnlijk niet gedefinieerd hebben.
   PolyGram had sowieso een interessante traditie hoe men na de aankoop omging  met super-creatieve platenmaatschappijen. “If history repeats itself, A&M could become just a logo, like Casablanca [Donna Summer, Kiss] and RSO [Bee Gees, Eric Clapton], two companies that were absorbed by PolyGram during the seventies”. Een niet met name genoemde voormalige PolyGram medewerker werd in Rolling Stone geciteerd met de woorden: “PolyGram has bought record companies before, and most aren’t around anymore”.
 
Alain Levy had bij het maken van de overeenkomst bedongen dat Jerry Moss voor A&M zou blijven werken, maar nu wel onder zijn PolyGram-vleugels. Het was nog maar de vraag wat daarvan terecht kwam.
   “In recent months it has been rumored that Moss would like PolyGram to buy out his contract; Moss denies this. Though Levy believes that Moss will remain until the label has some fresh chart success, he doesn’t rule out Moss’s eventual departure.
   ‘Jerry’s got to prove that A&M is a glaring success’, says Levy. ‘He’s got a lot of pride. If Jerry wants to do something else with his life, we’ll talk. You can’t tie somebody to his desk. If he feels A&M is in superb shape, is breaking artists all over the place and has a great [management] team, and he wants to take a three-year sabbatical, then we’ll talk’.
   ‘I see myself fulfilling my agreement in every sense with PolyGram’, says Moss. ‘I will be more active at different times, but there are times I will be intensely active. If I really feel the company needs me or I need to perform a function or two, I’ll be there. I think we’re still in the reforming stages, and it’s important for me to be around here. But there are other interests that do take me away from this place from time to time’.
   Levy himself is banking on a revitalized A&M. ‘I would resign [if A&M doesn’t make a comeback]’, he says. ‘I would take it as a personal failure. This is very important to me. I’ve put my life on it. And we won’t fail’”.
 

Jerry Moss: ‘Ik ben de gelukkigste man ter wereld”

 
Op financieel gebied hoefde Jerry Moss zich geen zorgen meer te maken. PolyGram had in 1989 maar liefst 460 miljoen dollar betaald aan Herb Alpert en Jerry Moss samen om volledig eigenaar van A&M Records te worden.
   “It was an unprecedented sum to pay for an independent label with only a few superstar acts and a relatively small back catalog. Only two years earlier, Sony had paid $2 billion to buy CBS, the biggest record company in the world. Sony’s acquisition of CBS also gave it about sixteen percent of the U.S. recorded-music market. By comparison, A&M’s share of the market is only two percent. The magnitude of the A&M deal can be defined in terms of what was paid for each percentage of market share: For Sony, each point cost $125 million; PolyGram paid $230 million a percentage point, or almost twice what Sony spent.
   ‘I’m the luckiest guy in the world’, says Moss. ‘I was lucky to run into a pretty good trumpet player named Herb Alpert in 1961, and we did some amazing things together. And timing had a place in this [the PolyGram deal]. Yes, we probably achieved a good realization of what we had. But this company still has greatness attached to it’”.
 
In het interview op YouTube, uit 2013, gaf Jerry Moss een wat andere draai aan de gebeurtenissen rond 1990. “We deden niet ons best om A&M te verkopen. PolyGram wilde ons graag hebben en ze wilden ook dat Herbie en ik met het het bedrijf doorgingen. Ze waren zeer op ons gesteld. De bedoeling was dat A&M na 1989 verder zou groeien.
   Na de verkoop, in 1990, veranderde dat. Het ging artiesten er steeds meer om hoge voorschotten te verwerven. Geld werd steeds belangrijker ten opzichte van de muziek. Zo verloren we Janet Jackson [die wij groot gemaakt hadden] aan Virgin. Alleen maar omdat die meer wilden [en konden] betalen. Zo raakten we achterop. Met David Fine als president van PolyGram konden we goed samenwerken. Maar die ging onverwacht met pensioen. Plotseling was hij weg”.
   Moss: “All of a sudden I was faced with a guy [Alain Levy?], who wasn’t into it. He wasn’t into the A&M dream, who we were, and cerainly didn’t like me very much, for what it’s worth”.
   De twee wilden elkaar op de een of andere manier niet begrijpen. In 1993 werden Alpert en Moss naar eigen zeggen ‘hun eigen bedrijf uitgezet’. Dat was wel het laatste wat ze verwacht hadden. “At the time I was in my fifties, still liking and digging music”. Het was toch al een uiterst moeilijk jaar. “Ik kreeg te horen dat ik prostaatkanker had. Mijn moeder lag op sterven. Mijn vrouw en ik zaten al tijden in de puinhopen van het opnieuw inrichten van ons huis. Het was het meest afschuwelijke jaar dat ik ooit heb meegemaakt. En daarna kwam nog de aardbeving van 1994, die we intensief thuis meemaakten”.
   Jerry Moss besloot definitief een punt achter zijn A&M-leven te zetten. Vanaf dat moment ging hij alleen nog maar doen waar hij zin in had. Maar dat is weer een ander verhaal.
 
Harry Knipschild
6 november 2015 

Clips

* Crests, Sixteen Candles, 1959
Herb Alpert, The Lonely Bull, 1962
* Lucille Starr, The French Song, 1964
* Herb Alpert, A Taste of Honey, 1966
* Sergio Mendes, Mas que nada, 1966
* Peter Frampton, Show me the way, 1975
* Police, Message in a bottle, 1979
* Bryan Adams, Summer of '69, 1984
* Gil Friesen over A&M Records, 2010
* Jerry Moss vertelt, 2013
* Alain Levy interview, 2015
       
Literatuur
 
Ed Harrison, ‘A&M sticking to its big guns’, Billboard, 3 september 1977
Mike Hennessey, ‘A&M cuts European ties with CBS. New license deal with Polydor’, Billboard, 9 februari 1985
Mike Hennessey, ‘International View’, Billboard, 27 april 1985
Michael Goldberg, ‘Changing times at A&M’, Rolling Stone, 16 mei 1991
Barney Hoskyns, Waiting for the sun. Strange days, weird scenes and the sound of Los Angeles, Londen 2003