Zoeken


De redactie van de Maasgouw, orgaan van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG), nodigde me uit enkele artikelen te schrijven over de geschiedenis van de popmuziek in Limburg. Nadat ik eerst de fifties behandeld had, nam ik vervolgens de sixties onder de loupe. Het artikel is afgelopen voorjaar in druk verschenen.

Harry Knipschild, 9 oktober 2015

  

Beatmuziek in Limburg in de Sixties

 
In de jaren vijftig had Limburg zo zijn eigen muziekcultuur. Limburg lag ver weg van ‘Holland’. De provincie oriënteerde zich meer op de buurlanden en liep daardoor zowaar nog wel eens voorop. In hoeverre veranderde dat in de jaren zestig, de zogenaamde Sixties?
   De eerste popmuziek was afkomstig uit Amerika. Britse popgroepen als de Beatles en Rolling Stones, aanvankelijk beatgroepen genoemd, namen in die tijd de plaats van populaire Amerikaanse solisten als Elvis Presley en Buddy Holly over.
 
Zeker de eerste jaren draaide voor de buitenwereld alles op de oude voet door. Niet voor niets gingen Limburgse auteurs meestal kort door de bocht in hun teksten als ze schreven over de geschiedenis van de popmuziek in de regio.
   In 1998, bijvoorbeeld, vatten Guuz Hoogaerts en Leon Verdonschot die samen met de woorden: “De vroegste Limburgse popsterren waren de zusjes Mieke en Selma Jansen uit Weert, bij iedereen ouder dan vijftig bekend als de Selvera’s. We zitten dan in de beginjaren van de rock & roll, halverwege de jaren vijftig, de tijd dat de versterkers zelden op tien werden gezet. Met het grootste gemak stapten we dan ook over dansorkesten als de Walkers, Classics en alle andere broodartiesten uit de (Weerter) stal van platenbons Johnny Hoes heen. In 1970 vond het eerste Pinkpopfestival plaats”.[i]
   Het woord ‘Sixties’ kwam in hun vocabulaire niet voor.
 

 
In een boekje (uit 2009) over dat eerste Pinkpopfestival gingen andere scribenten, onder wie Bart Jan de Graaf, wel wat verder in op de muziek van die periode. Ze legden vooral het accent op de infrastructuur en de rol van de Kerk. “De Limburgse jeugd stortte zich, zoals overal in de Westerse wereld, vol overgave op de nieuwe muziek uit Engeland en Amerika. Rock & roll maakte plaats voor beat- en psychedelische muziek. Tientallen Limburgse bandjes zorgden voor een eigen sound: de ‘bronsbeat’. In jeugdhonken, onder het toeziend oog van jonge, progressieve kapelaans, gaven de jongeren zich enthousiast over aan menig experiment”.
   In wat aangeduid werd als een ‘levendige popscene’, trokken ‘bands als de Sharons, Opus, Moonshots, Geno’s Blue Busters en de Rolling Beats van zaal naar zaal om er voor de massaal toegestroomde jonge popliefhebbers hun muziek ten gehore te brengen. Aanvankelijk werd vooral opgetreden in dorpszaaltjes, maar al snel ontstond er een heel circuit van ‘beathonken’ en jongerencentra zoals het Mafcentrum (Maasbree), Perron 55 (Venlo), Walhalla (Sevenum), de Nor (Heerlen), Instuif Carna (Einighausen), Donkiesjot (Sittard), Berchmans Sociëteit en Trajectum (Maastricht)’.[ii]
 
De auteurs maakten dus melding van beatconcerten dicht bij huis. In de Randstad drong die Limburgse beatmuziek evenwel nauwelijks door. Als je de landelijke popbladen van de jaren zestig leest lijkt het of Limburg niet bestond. In de beatagenda van Hitweek, met een overzicht van optredende beatgroepen, vond je dorpjes uit het hele land vermeld, zoals Weeze, Ugchelen en Galder. Maar als een groep zich eventueel manifesteerde in toch redelijke grote steden als Venlo, Sittard, Heerlen of Maastricht wist dat nieuws de kolommen van Hitweek niet te halen – om over kleinere plaatsen in Limburg maar te zwijgen.
   Geen wonder dat je nauwelijks of geen Limburgse beatmuziek in de landelijke hitlijsten van de jaren zestig vindt. Als Limburgse klanken boven de grote rivieren gehoord werden hadden die een ander karakter. Zo had Toon Hermans in 1968 een nummer één-hit met ‘Mien waar is mijn feestneus’. De artiest uit Sittard legde zijn carnavalsliedje vast in een protestantse kerk in Soest, provincie Utrecht.
   Wilde je landelijk wat bereiken dan was het raadzaam je blik op het Westen te richten. Dat deed bijvoorbeeld een deejay als Felix Meurders (uit Maastricht). Om carrière te kunnen maken in de wereld van de popmuziek verhuisde ik zelf naar Haarlem in Noord-Holland.
 

Naar Limburg

 
Evenals in de jaren vijftig was de verbinding met Hilversum en omgeving niet altijd even eenvoudig. Het duurde lang vóór je door alle steden heen gereden was. Ik weet het nog heel goed. Vanuit Maastricht was het 50 kilometer naar Roermond, 100 naar Eindhoven, 130 naar Den Bosch, 180 naar Utrecht, enzovoort. Uren zat je in de auto, zeker als er wel eens lange files waren.
 
Wie naar Limburg wilde komen had hetzelfde probleem. Het duurde dan ook een tijdje voor westelijke groepen naar de ‘jeugdhonken’ van Limburg kwamen afzakken. De Blue Diamonds, die in 1960 een grote topper hadden met ‘Ramona’, reisden begin 1961 gewoon met de trein naar de Limburgse hoofdstad om platenwinkel de Harp te bezoeken. Echte teenageridolen had men in Maastricht niet eerder zo meegemaakt. Alsof ze van de maan kwamen.
   In een plaatselijke krant was te lezen: “Op het station stond de lieve jeugd al klaar. Honderden jongelui omstuwden hun favorieten, die zich per taxi welgemoed naar de muziekwinkel lieten rijden. Maar daar werd de oploop een ramp. De bescheiden, maar drukke straat stond propvol duwende en dringende meisjes. Nadat er een ruit tegenover de muziekwinkel gesneuveld was en door de deur van de muziekzaak twee schoenen en een stropdas waren gevlogen, had de moegestreden politie er genoeg van. De gehele straat werd ontruimd en The Blue Diamonds gingen naar het Vrijthof. Zij keken echter wel uit om daar de auto te verlaten, die langzaam maar zeker werd gesloopt door de massa teenagers. Kleine onderdelen als ruitenwissers zijn nog niet teruggevonden. De wagen wist zich uit de massa te bevrijden, maar een paar kilometer verder, toen de snelheid al meer dan 50 kilometer bedroeg, hingen er nog jongens aan de bumper en op de spatborden”.[iii]
   Zo ging het door die dag. Het was dan ook ongehoord dat teenageridolen vanuit Holland helemaal naar het zuiden kwamen.
 


Cliff Richard in Valkenburg, 18 september 1965

 
Voor Angelsaksische popartiesten was de stap om helemaal naar Limburg te reizen voorlopig nóg veel groter. Een idool als Cliff Richard raakte in 1964 wat op de achtergrond toen de Beatles (juni) en Rolling Stones (augustus) optraden in Hillegom, Blokker en Scheveningen.
   Méér dan een jaar later, in september 1965, arriveerden Cliff en zijn Shadows helemaal in Valkenburg voor een optreden in de Eurohal. Misschien deed hij dat voornamelijk omdat er tv-opnamen gemaakt werden. Bovendien stond het Fonds voor Sociale Instellingen van de Staatsmijnen garant voor een fikse gage.
   Veel indruk maakte het optreden niet, las je in de krant. “Het werd een gematigde vertoning en niet meer dan een uitbundig samenzijn van idool en fans. Dit was ook het oordeel van de politiemacht, die voor deze gelegenheid geconcentreerd was rond de Eurohal. Zij kon de niet geheel gevulde showzaal spelenderwijs bedwingen.
   Het optreden van de Shadows was misschien beschaafder dan de talrijke teenagers hadden gewild. Van alle schlagermarkten thuis, brachten zij een muzikale potpourri met een hoofdaccent op de muziek met langzame beweging. Heel netjes bogen zij voor elk applaus.
   Na de pauze was ‘We want Cliff’ nog het enige dat de fans elkaar te zeggen hadden. Eurohalpetten deelden schoudertikjes uit en maanden te gaan zitten. Cliff maakte een bezonnen indruk. Zijn stembanden waren door de jaren beweeglijker geworden dan zijn heupen. Hij scheen tot de overtuiging gekomen, dat hij zonder de drukke bewegingen van zijn beginperiode nu ook zo wel vat kon krijgen op zijn publiek. Alle beatnummers werden afgewisseld met andere meer verkoelende songs. De extase voor Cliff bleef plaatselijk”.[iv]
 
In de tweede helft van de jaren zestig reisden er geleidelijk aan steeds meer Hollandse beatbandjes met hun busjes naar Limburg. Maar zoals gezegd, het was eenrichtingverkeer.
   Wat gebeurde er dan wel in de provincie?
 

The Skope in de top veertig

 
Rond het einde van de eeuw liet Frank Dam voor NRC Handelsblad een aantal voormalige beatartiesten uit de jaren zestig aan het woord. Hun verhalen werden gebundeld in de boekjes Nederbeat en Beatmeisjes. Dam, uit Noord-Brabant maar werkzaam in de Randstad, wilde niet alleen Hollanders in de schijnwerpers plaatsen maar artiesten overal uit het land.
   Zo kwam hij ook in Limburg terecht en sprak er bijvoorbeeld met Leo Hendriks, ooit drummer van The Skope (Heerlen). De door Bart Jan de Graaf genoemde ‘progressieve’ Limburgse groepen waren kennelijk niet bekend genoeg om voor een gesprek te benaderen.
   Hendriks: “Ik zat op de mulo dus ik sprak wel Engels. Bij de eerste repetities moest er gezongen worden. Ik zong twee nummers van Cliff in. Daarop werd besloten dat ik zanger moest worden. We speelden op studentenfeestjes – de muziekscene in Limburg was erg behoudend. Mijn [oudere] broer speelde in zo’n traditioneel bandje, in een zaaltje waar aan stijldansen werd gedaan. Veel Duits werk, Peter Kraus, Freddy Quinn. Maar als jonge knaap wilde je wel wat anders”.
   Dankzij de ouders konden de bandleden apparatuur kopen en dus optreden. “We begonnen te merken dat we in Limburg wel erg geïsoleerd zaten. In de Randstad, Den Haag, Amsterdam, daar gebeurde het!”
 
De groep had een manager. Toen die in 1966 van vakantie uit Italië terugkwam liet hij een single horen: ‘Piange con me’. De originele tekst werd omgezet in ‘Be Mine Again’.
   “Op het Beatfestival in Heerlen was ook Bob Bouber, die behalve zanger bij Z. Z. en de Maskers producer was van een elpee met Nederlandse beatbands, getiteld ‘Beat behind the dikes’”.
   Bouber (geb. 1935, Amsterdam) had een Limburgse groep gevonden voor zijn project bij platenmaatschappij Phonogram. Het mocht allemaal niet te veel kosten. “Je kwam daar met het bekende Volkswagenbusje en dan was het: ‘Gauw opstellen en inspelen. We hebben twee uur de tijd voor jullie!’ Twee uur! Voor twee nummers!”
   Met hulp van iemand uit Amsterdam kwam The Skope wel aan de bak. ‘Be Mine Again’ verscheen zelfs op single. “Het werd regelmatig op de radio gedraaid. Daarop volgde een tv-optreden in het programma ‘Moef Ga Ga’. We werden heel populair. Je werd op straat herkend en tijdens optredens riepen de fans: ‘Ik wil een plukje haar van jou’”.
   De promotie had resultaat. Op 28 januari 1967 kwam ‘Be Mine Again’ de top 40 binnen en bereikte een 36ste plaats. Niet hoog, maar toch. Een Limburgse beatgroep had het dan toch maar geflikt.
 


 The Skope

 
Het vervolg was minder mooi. “Toen dat plaatje een beetje begon te lopen zaten we aan Bob Bouber vast. In onze onwetendheid hadden we een contract getekend. Hij zou voor ons ‘landelijk’ de optredens verzorgen, en dat was letterlijk landelijk. Op een zondagmorgen moest je naar Friesland en dan kwam je pas de volgende ochtend weer terug. Het management moest betaald worden, de bus – er bleef niet veel over”.
   The Skope wist van Bouber af te komen. Maar nu kwam er geen hulp meer van iemand met nationale ervaring. “The Skope viel, zou je kunnen zeggen, van de ene dag op de andere uit elkaar om de doodeenvoudige reden dat er geen contracten meer waren”.[v]
 

The Thunders

 
Piet Zeelen woonde in Montfort bij Roermond. Evenals sommige andere blinde jongens voelde hij zich aangetrokken tot de muziek. Denk maar aan Ray Charles en Stevie Wonder. “Op aandringen van mijn vader ben ik gitaarlessen gaan nemen. Op de blindenschool in Grave zat ik in een schoolorkestje”.
   Zeelen werd zanger bij The Thunders. “In 1964 begonnen we een beetje te draaien. Ik had een Duitse elektrische gitaar, een Fazan. De plaatselijke muziekhandelaar had speciaal voor ons Vox-apparatuur uit Engeland laten overkomen. The Beatles speelden [immers] op Vox”.
   Evenals The Skope kregen The Thunders hulp van boven de grote rivieren. Een deejay van radio Veronica werd hun producer. En ze hadden een Engelse manager. De opnamen werden bij platenmaatschappij Omega in Brussel gemaakt. De muziekhandelaar had een en ander weten te regelen. Onderweg in 1965 moest de tekst van ‘Take me the way I am’ nog geperfectioneerd worden. Veel aandacht kreeg het plaatje niet. “Cees van Zijtveld [de producer] heeft het twee of drie keer op de radio gedraaid. Hier in de streek liep het wel aardig – er zijn er zo’n duizend verkocht”.
 
The Thunders kregen met de plaatselijke clerus te maken. “Er werd door de kerk gewaarschuwd voor de verderfelijke invloed die we op de jeugd zouden hebben. We speelden in die tijd regelmatig voor het Engelse leger in Duitsland. Via de Musician’s Union kregen we een kans om in Engeland op te treden. We hebben de pastoor toen een kaart gestuurd van St. Paul’s Cathedral en daarna in Nederland nog een keertje gratis voor de kerk gespeeld. Nooit meer last gehad”.
   Ondanks de flop kwam er in 1966 nog een tweede Omega-single: ‘I’m the one you left behind’. Piet vertelde Frank Dam dat dat zijn mooiste compositie was. The Thunders mochten ermee optreden bij de Limburgse Beatkampioenschappen van 1967. Een jury boog zich over het eindresultaat en concludeerde volgens Zeelen nauwkeurig: muzikale uitvoering 8, klankgehalte en zuiverheid 7, samenspel 8, techniek 8, tempo en opvatting 8. Volgens de deskundigen was er voorteffelijk gespeeld maar zat er ondanks de goede vondsten te weinig beat in.
   The Thunders hielden het niet lang vol, is in het boekje terug te lezen. “Het liep af omdat... Laat ik het zo zeggen: de Limburgse meisjes van toen waren nog erg tuttig en hadden geen zin om te wachten tot hun vriendjes een keertje thuis zouden komen van een optreden. En dan had je ook nog eens de dienstplicht”.[vi]
 

Zingende zusjes


De zusjes Willé (later Pussycat)

 
Tijdens zijn muzikale speurtocht door Nederland kwam Frank Dam uit bij Tony Willé. De latere zangeres van Pussycat vertelde: “In eerste instantie [eerste helft jaren zestig] zijn we begonnen als trio van zingende zusjes. Ik ben gaan zingen omdat ik zo slecht gitaar speelde. We zongen en speelden Duitse schlagers. Op een talentenjacht eindigden we als laatste.
   Toen het beattijdperk opkwam wilden wij een meisjesbeatgroep. We stapten over op elektrische gitaren en ineens hadden we veel optredens, want meisjesbeatgroepen waren dun gezaaid. In Duitsland had je er een, maar die trad topless op in nachtclubs. Ons bandje heette The B.G.’s. Een afkorting van Beat Girls.
   Ons repertoire bestond uit dingen van de hitparade: ‘Gloria’ van Them, ‘Friday on my mind’ (Easybeats), maar onze specialiteit was een Supremes-act want dat deden jongensbands sowieso niet. We repeteerden driemaal in de week met Werner Theunissen, onze gitaarleraar. We traden vooral op in Wallonië. Er was daar overal werk. Iedere plaats had wel twee gelegenheden waar je kon optreden.
 
Door Nederlandse bands werden we een beetje in de maling genomen. Wij waren Limburgs en zo voelden we ons ook. Als we boven de Moerdijk kwamen, werden we altijd voor de gek gehouden. We waren blij dat we in het buitenland konden optreden, want daar werd je tenminste niet aangesproken op het feit dat je uit Limburg kwam. Daar waren we gewoon Nederlanders”.[vii]
   Willé legde uit dat ze weleens bandjes naar platenmaatschappijen stuurden. Maar zonder steun uit Holland bereikte je niet zo snel iets. Pas in 1975 mochten ze hun eerste plaatje maken. De song, geschreven door Werner Theunissen, heette ‘Mississippi’ en bereikte de eerste plaats – in Nederland, ja zelfs in Duitsland en Engeland.
 

Richard Neal

 
Een andere Limburgse groep in de Sixties was de Py-set. Ferdinand Bakker, één van de leden, verhuisde later naar Delft en maakte het in de jaren zeventig met zijn groep Alquin. Zanger-gitarist Frans Bronzwaer, verwant aan Monseigneur Savelberg, bleef gewoon in Zuid-Limburg wonen. Zijn ouders, ontdekte hij, hadden hun jongste zoon voor het priesterschap bestemd. “Ik moest de heeroom van de familie worden. Ik werd misdienaar. Ik kreeg een bijbel cadeau. Als jongen werd ik aangemoedigd heilig misje in kazuifel te spelen”.
   De ambities van de familie vielen echter in het water toen Frans voor het eerst vrouwenborsten zag. Popmuziek nam bezit van zijn leven. Hij kocht een gitaar en ging muziek maken. “Toen ik een vier voor Latijn kreeg werd mijn gitaar in de klerenkast opgesloten. Dat was het ergste dat me kon overkomen”.
 
Frans viel in de tweede helft van de jaren zestig op Cream, het trio bestaande uit Eric Clapton, Jack Bruce en Ginger Baker. “Cream is de beste groep die ooit bestaan heeft. Daar wilde ik op lijken. Met onze groep speelden we alles van die band. Een tijd lang wilde ik alleen Cream horen. Een heleboel andere muziek kende ik niet eens”.
   Bronzwaer ontdekte dat hij niet alleen liedjes kon uitvoeren maar tevens in staat was die te schrijven. “Ik ben begonnen met Bob Dylan. Op een Revox recorder nam ik muziek op. Ik wilde beroemd worden. Met behulp van mijn bandrecorder – later twee recorders om stereo te kunnen werken – wist ik steeds nieuwe stemmen toe te voegen aan wat ik al had. In sommige gevallen was de basis een gitaar zoals Steve Stills dat deed in Crosby, Stills & Nash [1969]. Dan al die stemmen erover heen. Soms vijf, zes stemmen. En dan de muziek perfectioneren met het wah-wah-pedaal van een elektrische gitaar”.
 


Richard Neal

 
Frans Bronzwaer werd, zoals dat heette, singer-songwriter. Voortaan ging hij door het leven als Richard Neal. Ook Frans stuurde bandjes rond. Bij de Haagse platenmaatschappij Polydor vond hij gehoor. Voor hem was dat aanleiding om zijn baan bij V&D in Heerlen meteen te beëindigen. Maar de opnamen die hij maakte met gerenommeerde producers als Fred Haayen (Golden Earring), Hans van Baaren (Herman van Veen) en Hans van Oosterhout (Supersister) werden in Hilversum nauwelijks opgepakt. De afstand met het westen speelde zeker een rol. Voor een kort radio-interview moest hij bijvoorbeeld een lange reis maken.
   In Brunssum (2008) vertelde Frans me dat hij het altijd als een handicap had gevoeld dat hij ver weg van de Randstad woonde en het Nederlands met een zuidelijke tongval uitsprak. “Ik moest lang reizen om aan de bak te komen. Het was niet alleen een kwestie van afstand, maar ook van mentaliteit. Ik had een verborgen angst om voor dom versleten te worden. Dat was niet terecht, maar het speelde wel een rol”.[viii]
 
De Limburgse singer-songwriter werd dan ook niet ontdekt in zijn tijd. Totdat tv-maker Leo Blokhuis in 2008 een oud filmpje vond waarop Richard Neal ‘Take me to the water’ in een Vara-programma uitvoerde. Blokhuis was zo enthousiast over de inmiddels 63-jarige artiest dat hij hem alsnog met zijn repertoire op de buis voorstelde. Bronzwaer kreeg de erkenning waar hij in de Sixties op gehoopt had.
   Opnamen die Polydor en hij zelf gemaakt hadden werden op een cd (met een enthousiaste tekst van Leo Blokhuis) op de markt gebracht en weldra uitgeroepen tot het beste Limburgse album van het jaar. De wonderen zijn de wereld nog niet uit.
  

Popfestivals


Pinknick, 1969 (voorganger van Pinkpop)

 
Terwijl Frans Bronzwaer in zijn eentje thuis mooie muziek zat te maken kwamen andere Limburgers juist bij elkaar. Het was de tijd van de eerste open lucht-festivals. In Amerika hadden ze Monterey in 1967 en Woodstock 1969, in Engeland Wight (vanaf 1968). Op de tweede Pinksterdag in 1969 werd op de Gulpenerberg door dertien regionale en landelijk bekende groepen muziek gemaakt tijdens Pinknick ’69.
   Uit het noorden waren Brainbox en Armand overgekomen. Er was gerekend op een paar duizend jeugdige muziekliefhebbers. Er kwamen er bijna tienduizend. In de Nieuwe Limburger was op 27 mei 1969 te lezen:
   “Door het grote bezoekersaantal werd het verkeer in en rond Gulpen op sommige momenten totaal ontwricht. Ondanks, of misschien wel dankzij de afwezigheid van de politie, hebben zich geen ongeregeldheden voorgedaan. Iedereen heeft alleen maar in het gras gelegen en geluisterd. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit feest het volgend jaar nog een vervolg krijgt. Gedacht wordt dan aan een manifestatie met nog bekendere groepen”.[ix]
 
In 1970 waren er de festivals van Kralingen en Pinkpop. Het Limburgse festival, eerst in Geleen, later in Landgraaf, werd een jaarlijks festijn. Inmiddels hebben heel wat ‘bekendere groepen’ en hun aanhangers de weg naar Limburg gevonden. Bruce Springsteen, Coldplay, U2 en in 2014 eindelijk de Rolling Stones.
 
Harry Knipschild
9 januari 2015
 


Aankomst van de Rolling Stones in Limburg, 2014

 
Eindnoten
 


[i]Guuz Hoogaerts en Leon Verdonschot, De Heideroosjes, Amsterdam 1998, 12.
[ii]Frank Hovens e.a., De kleine geschiedenis van Limburg. 18 mei 1970. Het eerste Pinkpopfestival in Geleen, Zwolle 2009, 16 en 41.
[iii]‘Straatgevecht van jeugd om handtekeningen’, Limburger, januari 1961.
[iv]‘Geen extase, wel verrukking. King Cliff kortstondig in Eurohal, Valkenburg’, Limburger, 20 september 1969.
[v]Frank Dam, Nederbeat. De glorietijd van de Nederpop, Amsterdam 2000, 73-77.
[vi]Ibidem, 48-52.
[vii]Frank Dam, Beatmeisjes 1963-1969, Amsterdam 2006, 197-201.
[viii]Harry Knipschild, Money Money Money?. Verhalen uit de geschiedenis van de popmuziek. Deel 1, Schoorl 2010, 235-251.
[ix]‘10.000 man op Pink-nick 1969’, Nieuwe Limburger, 27 mei 1969
 
Clips

* Cliff Richard in Valkenburg (L), 18 september 1965
* The Thunders, Take me the way I am, 1965
* The Skope, Be Mine Again, 1967
* Richard Neal, Take me to the water, 1970 
* Alquin, met Ferdinand Bakker, album 'Marks'
* Pussycat, Mississippi, nr 1 in Engeland (BBC), 14 oktober 1976  
* Reportage over Pinknick (1969), 2011
* Rolling Stones, Pinkpop, 7 juni 2014 (Limburg TV)
   
Literatuur
‘Straatgevecht van jeugd om handtekeningen’, Limburger, januari 1961
‘Geen extase, wel verrukking. King Cliff kortstondig in Eurohal, Valkenburg’, Limburger, 20 september 1969
‘10.000 man op Pink-nick 1969’, Nieuwe Limburger, 27 mei 1969
Guuz Hoogaerts en Leon Verdonschot, De Heideroosjes, Amsterdam 1998
Frank Dam, Nederbeat. De glorietijd van de Nederpop, Amsterdam 2000
Frank Dam, Beatmeisjes 1963-1969, Amsterdam 2006
Leo Blokhuis over Richard Neal, hoestekst Song on the shelf, Marlstone 2009
Frank Hovens e.a., De kleine geschiedenis van Limburg. 18 mei 1970. Het eerste Pinkpopfestival in Geleen, Zwolle 2009
HarryKnipschild, Money Money Money?. Verhalen uit de geschiedenis van de popmuziek. Deel 1, Schoorl 2010