Zoeken



 
Willem Duys (1928-2011) was een veelzijdig man. Hij schreef artikelen in kranten en tijdschriften, werkte voor Philips, was ploegleider bij het songfestival van Knokke, maakte programma’s voor radio en televisie, organiseerde het Grand Gala du Disque, was directeur van een platenmaatschappij en wat al niet meer. Zijn betrokkenheid bij het medium televisie was zo groot dat het toestel in de praktijk nog wel eens de ‘buis van Duys’ genoemd werd.

Duys manifesteerde zich nadrukkelijk in de muziekbusiness. In 1967 vatte hij zijn rol in die wereld tegenover Cees Mentink (Kink) samen met de woorden: “Er zijn maar vier echte platenjongens in Nederland. En één van hen ben ik”. Willem verduidelijkte: “Met platenjongen bedoel ik iemand, die in een plaat kan bijten, die weet hoe die smaakt. Jongens die zelf hebben moeten sabbelen. Die hebben staan inpakken en het pakje bij de klant brachten.
   Vanaf mijn derde jaar stoei ik met platen. Op mijn vijfde haalde ik al feilloos het gewenste strijkkwartet voor de dag, toen nog op schellak. Ik ben gewoon altijd wezenloos geweest van platen. In 1948 zat ik op een huurkamertje in Rotterdam, te arm om een pick up te kopen. Toch kocht ik platen en die hing ik dan aan de muur, om later eens te draaien. Ik ben opgegroeid met Brahms en Bach”.
   De andere drie ‘platenjongens’ waren volgens hem Ger Oord (Bovema), John Vis (Artone) en Hans Kellerman (Negram-Delta). In dat lijstje ontbrak Jack Haslinghuis, directeur van Phonogram, jarenlang de grootste platenmaatschappij van Nederland. Zelf was Duys op dat moment (samen met mij, HK) werkzaam bij Iramac, misschien wel de kleinste van ons land. Over de rol die hij als platenjongen speelde wil ik het nu hebben, voor een gedeelte gebaseerd op persoonlijke ervaringen.
 

Het begin

 
Op de website van Beeld en Geluid is te lezen: “Willem Duys werd op 17 augustus 1928 in Bussum geboren. Hij was de jongste van de zes zoons. Middelbare school: Christelijk Lyceum Willem de Zwijger in Bussum (gezakt in 1947 voor zijn eindexamen). Vertrok in 1947 naar Frankrijk en werkte onder andere als etiket-afwerker bij de Franse Spoorwegen te Cannes-La Bocca. Vervolgens vond hij bij Ilford Films een baan als kantoorklerk in Londen (1948).
   Na terugkeer in Nederland werd Duys in oktober 1949 aangenomen als redacteur bij het Vrije Volk. Vanaf 1954 werkte hij als copywriter op het reclamebureau Lintas-Unilever. In 1957 stapte Duys over naar Philips Phonografische Industrie als pr-medewerker in Baarn. Tevens een half jaar freelancer tv-recensent bij NRC (1959). Van 1961 tot 1964 was hij directeur van de Collectieve Grammofoonplaten Campagne (CCGC).
    In 1959 maakte Duys zijn debuut bij de televisie. In juli verzocht men hem om tijdens een rechtstreekse uitzending het inleidend commentaar te verzorgen bij een filmpje over de zanger Johnnie Ray. Tot ieders verbazing in de studio wist Duys ruim tien minuten vol te babbelen. Ger Lugtenburg (AVRO) was enthousiast: “Een nieuwe ster is geboren!”
   Vanaf 1962 presenteerde hij het radioprogramma Muziek Mozaiek. In de zomer van 1963 zag Ger Lugtenburg in Laren Willem Duys voor een zaal met kermisgangers een presentatie verzorgen. Hij stelde hem voor een maandelijkse talkshow op de televisie te brengen. Duys stemde toe.
 

Grand Gala du Disque

 
In een artikel noemde Hans Knot hem ‘het gouden haantje voor de AVRO-televisie, waar hij ooit de eerste omroeper in beeld was, als vervanger van Ageeth Scherphuis’. Knot: “Wie herinnert zich niet de uitstekende presentatie van de jaarlijkse Grand Gala Du Disque, waarvoor Willem garant stond”.
   Aan Mentink vertelde Duys met trots: “In 1960 was het een geweldige chaos... er was geen programma, geen script en 360 artiesten gecontracteerd. Het is volledig uit de hand gelopen, maar het was mijn mooiste Grand Gala”.
   “Maar onder uw CCGC-leiding waren er toch altijd moeilijkheden”, stelde Mentink.
   “Ik geloof dat het mijn taak was troubles te maken. Er moet over zo’n feest geschreven en gepraat worden. Daar ben ik wel in geslaagd”.
   Met het Grand Gala van 1962 haalde Duys opnieuw de koppen van de kranten. “Ondanks de fouten”, schreef Henk Huigen. “Het was ook een hele opgaaf voor organisator Willem Duys. Want nog nooit tevoren stond een zo groot aantal internationaal befaamde sterren op het podium van de grote Kurhauszaal. Het bleek haast te klein om alle 300 medewerkenden aan deze Amerikaans-groots opgezette show in snel tempo voor te stellen, zodat er een speciaal draaitoneel geconstrueerd moest worden voor de changementen.
    Geïmproviseerd moest er worden – uit bittere noodzaak. De organisatie had heel wat slordigheden. Toen de eerste in grand gala gestoken bezoekers binnen waren, werd duidelijk dat meer mensen een plaatsje was beloofd dan er plaatsjes waren. Er bleef bijna geen gangpad meer over en toen nog moesten er nog dames en heren blijven staan”.
   Veel artiesten arriveerden pas op het laatste moment. “Jos Cleber kwam overvliegen uit Zuid-Afrika, Victor Sylvester en Edmundo Ros kwamen broederlijk in een chartervliegtuig op Zestienhoven aan. De voorstelling van ‘My Fair Lady’ (Wim Sonneveld) in het Rotterdamse Luxor begon om half acht. Jules de Corte kwam binnen het half uur van Utrecht naar Scheveningen. Een van de Padre Twins kreeg nachtpermissie van de KMA te Breda, en er werd een taxidienst tussen Schiphol en het Kurhaus uit de grond gestampt”.
   Voornamelijk artiesten ‘van niveau’ mochten optreden. Er was lof voor Vera Lynn, Los Machucambos, de Maastreechter Staar, Nana Mouskouri, Rudolf Schock, Les Compagnons de la Chanson en Kurt Edelhagen. Jan & Kjeld konden nog enigszins door de beugel. Maar pianist Russ Conway had ‘nooit piano leren spelen’. Louis Neefs was ‘suikerzoet’. Volgens Huigen was Johnny Hoes (‘de man van de smartlappen’) een dieptepunt van de avond.
 


Vince Taylor met Willem Duys (Grand Gala Du Disque 1962)

 
Zeer veel aandacht kreeg de in Frankrijk opererende Britse rocker Vince Taylor. Hij was in veel opzichten dé sensatie. “Een in lederen jack, lederen broek en lederen schoenen gestoken jongeman. Aan zijn handen lederen handschoenen, om zijn nek een ketting met grove schakels. Zijn optreden voor tv en radio moest vervallen, en werd tot later verschoven.
   Willem Duys wilde de reden niet zeggen, maar Vince Taylor was meer spraakzaam: ‘De afspraak was dat ik mocht werken met mijn eigen elektronische apparatuur. Bovendien heb ik lichteffecten nodig en ik zou ze krijgen. ’s Middags om vier uur hoorde ik dat het allemaal niet kon. En toen kon ik het ook niet’.
   Maar later maakte men Vince Taylor toch mee tot onthutsing van de duizenden. Hij zwaaide al stuiptrekkend de microfoon als een strijdbijl boven het hoofd en verbijsterd vroeg men zich af wat dit nog met muziek te maken had. Exhibitionisme in de vulgairste stijl!”
   Zo werd in die tijd over het live uitvoeren van popmuziek geschreven. Maar belangrijk was: heel Nederland zat voor de ‘buis van Duys’, al werd die in 1962 nog niet zo genoemd.
 

Willem Duys over teenagersterren

 
Mede door het Grand Gala du Disque werd Willem Duys als een autoriteit op het gebied van popmuziek (tienersterren) beschouwd. Piet Kort, redacteur van het Dagblad voor Amersfoort liet hem eind 1962 aan het woord. Maar eerst schreef hij zelf: “Per jaar worden enkele tientallen teenager-talenten door de commercie de zwarte groeven in gedreven en via de plaat naar de top geduwd. Naar een wankele top. Want maar weinigen hebben voldoende muzikaal talent om zich daarboven staande te kunnen houden”.
  Duys was het helemaal met hem eens. “Teenager-sterren zouden langer mee kunnen gaan als er iets gedaan werd om die mensen te coachen. Met een goede opleiding hadden bijvoorbeeld Peter Koelewijn, Annelies de Graaf en Hans Boekhout vandaag de dag nog met platen op de markt kunnen komen”.
  Meestal werden jonge artiesten naar zanglerares Bep Ogterop (1909-1993) gestuurd. Herman Stok, freelance werkzaam voor de Vara, zette een coachingbureau op.
 
Vooral Peter Koelewijn moest het ontgelden in de krant.  “Ze zijn niet meer in de gratie van het publiek, de jonge mensen die enkele jaren geleden met behulp van veel reclame soms tot record-verkopen konden komen. Het rock-nummer ‘Kom van dat dak af’ is er een voorbeeld van. Met een verkoop van honderdduizend gaf dit plaatje Peter Koelewijn een praalwagen in de hitparade. Tegenwoordig maakt Peter geen platen meer. Hij zoekt een andere toekomst – in de journalistiek”.
  Duys wilde de schuld van het falen van al die teenagersterren niet naar de platenmaatschappijen toeschuiven. “Om aan de vraag te voldoen bombardeert men non-valeurs tot talenten. Van het huisfeestje naar de plaat is maar een stap tegenwoordig. Het publiek vraagt ook eigenlijk veel meer talent dan wij hebben.
   De ster moet iets uitstralen, persoonlijkheid hebben, showmanship. Als een talent groot genoeg is, kun je het niet kapot krijgen. Kijk maar naar Frank Sinatra. Om in dit vak iets te bereiken moet je je hele leven daarvoor in dienst stellen. Je moet je er dag en nacht in vastbijten”.
  Gelukkig waren er enkele goede voorbeelden concludeerde de redacteur. “Platensterren als Ria Valk, Johnny Lion, de Blue Diamonds, Anneke Grönloh, de Fouryo’s, ze voelen zich aan de top nog steeds op hun gemak. De Blue Diamonds bijvoorbeeld, die met plaat en film een niet te verwaarlozen jaarinkomen hebben, zijn overgebleven uit zo’n twintig andere duo’s, stammend uit hun begintijd”.
 

Duys bij Iramac

 


Sylvio Samama met echtgenote Ans (1975, foto aangeleverd door Leo Samama)

 
Willem Duys gaf zijn commentaar in eerste instantie vanaf de zijlijn. Vanuit de media kun je veel zeggen over hoe anderen het (moeten) doen. Dat veranderde in 1965. Sylvio Samama, directeur van platenmaatschappij Iramac in Bussum, wist Duys aan te trekken om hem als adjunct-directeur ter zijde te staan tegen een maandsalaris van 3.000 gulden. Duys was dus in dienst van Iramac, maar zijn andere activiteiten gingen gewoon door.
   Iramac, kun je lezen in interviews uit 2010 met Henk Majoor en Leo Samama, was idealistisch opgezet. Als (klassieke) muziek van uitstekende kwaliteit was zou die uit zichzelf wel profijtelijk genoeg zijn om een platenmaatschappij winstgevend te laten draaien, was de gedachte. Die veronderstelling bleek niet juist te zijn. De investeringen van de (schoon)familie van Sylvio Samama smolten weg als sneeuw voor de zon. Het was de taak van de adjunct-directeur het tij te keren.
 
Aan Cees Mentink vertelde Duys ruim een jaar later: “Op een dag kwam Herman Krebbers naar me toe en vroeg of het niet mogelijk was een label te beginnen waaronder alleen klassieke produkties konden worden uitgebracht. Een label voor de volmaakte klassieke plaat, qua uitvoering, qua opname en qua verpakking. Een label ook voor talentvolle jongeren.
   Ik heb toen gezegd dat er veel geld voor nodig was om het uit te proberen en genoeg om het vijf jaar uit te zingen. Daarna kon ik pas zeggen of het plan levensvatbaarheid had. We hebben nu een prachtige catalogus, een eigen studio in Soest. Dat heeft allemaal een verschrikkelijke hoeveelheid geld gekost. De gemiddelde produktiekosten van een klassieke elpee bedragen 22.000 gulden. Het ziet er gunstig uit. De laatste balans heeft aangetoond dat de uitgaven overeenkomen met de inkomsten”.
   Een leugentje om bestwil. Voor menigeen was duidelijk dat de omzet van Iramac totaal onvoldoende was. Terecht vroeg de popjournalist in het voorjaar van 1967 dan ook: “Waarom toch beat in het repertoire?”
 

Duys in de beatmuziek

 
Duys: “Op een gegeven moment zagen we dat beat een deel van de markt had. Dus zeiden we: we hebben beat nodig. Toen zijn we op stap gegaan in Amsterdam en hebben ons een beetje laten voorlichten door allerlei vogels zoals ene Peter J. Muller [van Hitweek]”.
   Muller leidde Duys in 1966 door het Amsterdamse beatcircuit. De adjunctdirecteur gaf ruiterlijk toe dat hij met name viel op een groep die het niet maakte. “We zagen Short’66 spelen, een aardig groepje. John B. van Setten bleek de manager te zijn. Hij wilde wel met ons in zee maar op voorwaarde dat we ook de Outsiders [die eerder voor Paul Acket twee singles gemaakt hadden] zouden nemen.
   ‘Die kennen we helemaal niet’, zei ik. En ook na de kennismaking had ik er weinig fiducie in”.
   Nee zeggen was niet makkelijk voor Duys. “Goed, Van Setten, zei ik. We nemen de Outsiders ook maar. Ik heb nog ‘Lying all the time’ geproduceerd”.
   Duys in Kink: “Het  was een ongeorganiseerd geluid, dat we bewust zo hebben opgenomen”.
   De Outsiders beleefden de opname op een andere manier, vertelden ze in 1997 aan Jerome Blanes. 
   Alleen bassist Appie Rammers kon de inbreng van de Iramac-man enigszins waarderen. “Willem Duys zei: ‘D’r is iets vals’. Mijn baspartij wrong aan alle kanten, maar dat had ik zo bedacht. We speelden tenslotte altijd live en op deze manier kwam ik er tenminste bovenuit. Maar het was ook zo vals als een deur. Toen heb ik het een vakkie opgeschoven en klopte het wel. Maar toen vond ik het niet mooi meer. Dankzij Duys dus niet zo vals”.
   Zanger Wally Tax stelde zich een stuk gereserveerder op. “Willem Duys zorgde voor de broodjes, de sherry en de taxi’s. In die zin heeft hij dus wel geproduceerd ja!”
   Gitarist en songwriter Ronnie Splinter: “Bij de opname van ‘Lying all the time’ is hij weggelopen want hij kon het niet meer aanhoren. Hij heeft het niet geproduceerd, wel heeft hij wat koeken gehaald en zo”.
 

 
Ondanks het succes dat de Amsterdamse groep bij Iramac had met (voortaan) zelf-geproduceerde platen als ‘Keep on Trying’, ‘Touch’ en ‘Monkey on your back’, uitte John van Setten zich niet positief. Eind 1966 liet hij afdrukken: “Het gaat daar beter dan bij Acket; ze doen gezien hun kleine apparaat aardige dingen maar het blijft beneden peil. Wat wil je ook, ze hebben bij Iramac allemaal dubbele banen. Eén vertegenwoordiger is tevens producer [Job Maarse, producer van de Zipps ?], een andere vertegenwoordiger besteedt het grootste gedeelte van zijn tijd aan het runnen van beattenten [Armand André de la Porte] en de enige goeie publiciteitsman die ze hebben, is inmiddels verdwenen”.
  En Willem Duys dan?
  Van Setten: “Duys? Laat me niet lachen. Die kan er elk moment uitgegooid worden. Schrijf maar op. Duys is een groot hol vat. Als je erop tikt geeft ’ie een enorme dreun maar daarna hoor je niets meer. Hij heeft ons eerst lekker gemaakt met al die televisie-uitzendingen die hij voor ons zou versieren maar toen we eenmaal bij Iramac zaten heeft ’ie geen poot meer voor ons uitgestoken”.
  Een paar weken later herhaalde de manager: “Duys is een hol vat, dat heb ik inderdaad zo gezegd, en dat-vind ik nòg”. Van Setten ging verder: “Hij is ook helemaal geen baas van Iramac, wat iedereen denkt. Hij is maar adjunct-directeur. Bij ‘Voor de vuist weg’ heeft hij niets te vertellen, hij presenteert alleen maar, en de AVRO heeft beat voorlopig verboden en zeker die van zijn eigen merk”.
 
De opmerkingen van Van Setten hadden een diepere grond. Het contract tussen de platenmaatschappij en de groep moest verlengd worden. Door de zaak op scherp te stellen probeerde hij er zoverel mogelijk uit te halen. Short’66 en Wally Tax solo gingen naar Phonogram. In plaats daarvan ‘verkocht’ hij Davy Jones aan Duys’ Iramac. Eind 1966 mocht John een single van de Amerikaanse soulzanger produceren, een bijzondere versie ‘You go your way’, geschreven door Bob Dylan.
  Van Setten wilde met de release geen enkel risico nemen. Toen de single een beetje op de radio gedraaid werd maakte hij rond de jaarwisseling een deal met Duys. De manager dacht te weten welke winkels door Veronica werden gebeld in verband met de samenstelling van de top 40. Met een aantal medewerkers zou hij een aantal singles van ‘You go your way’ gaan kopen en dan moest Iramac die van hem terugnemen en opnieuw in de handel brengen. Duys zei ‘ja’ en zo gebeurde het dat Davy Jones een 33ste plaats in de top 40 haalde.
  Zelf vond ik [HK] Davy Jones trouwens een uitstekende artiest. Met de mobiele apparatuur van GTB hebben we met hem een live album in de Lucky Star (Amsterdam) opgenomen. En met diezelfde apparatuur in Breda live een gedeelte van het (eerste) Outsiders-album. Duys was er niet bij die avonden. Hij hield zich met andere muziek bezig.
 


Sandy Coast bij Iramac (1967)  
(vlnr Hans Vermeulem. Wim Bosman, Jos de Jager, Jos van Vliet, Jan Vermeulen, Onno Bevoort, zittend Willem Duys)


Met belangstelling volgde hij wel mijn activiteiten in de popmuziek. Zoals een feestje voor 100.000 verkochte platen van de Outsiders en het aantrekken van de Sandy Coast met Hans Vermeulen. Met die groep wilde hij zelfs wel op de foto. Maar toen Vermeulen de single ‘Innocent Girl’ als nieuwe single voorstelde, uitte hij zich minder enthousiast tegen mij: “Dat kan nooit een hit worden – ‘innocent girls’ bestaan niet”.
  Van dat soort uitspraken heb ik veel geleerd. Duys toonde aan dat mensen muziek niet alleen beoordelen op kwaliteit, maar intuïtief ook op de boodschap, het imago, de culturele context en wat niet al meer. Dat was, denk ik, tevens zijn kracht op radio en tv. Het ging hem om het verhaal achter de artiest. Als je dat kon overbrengen renden de mensen naar de winkel om een plaat aan te schaffen.
  Duys werd echter geremd in zijn p.r.-activiteiten. Zelfs als hij bepaalde muziek erg mooi vond kon hij het – uit imago-overwegingen – in die tijd niet maken zijn waardering al te veel uit te dragen. Omdat hij ‘diverse petten droeg’ werkte dat regelmatig in het nadeel van Iramac.
 

Het repertoire van Willem Duys bij Iramac

 
Als je de adjunct-directeur van het bedrijf wilde bereiken kon je soms het beste bij de AVRO terecht. Willem Breuker kon zich in 1999 nog goed herinneren hoe hij zijn eerste platencontract tekende. “Duys vroeg mij naar de AVRO-kantine te komen om de zaken af te handelen. Dat ging voortreffelijk, en met een rondo en een gevulde koek werd het uitbrengen van mijn eerste lp (‘Litany for the 14th of june 1966’) beklonken”.
   Henk Majoor (1923-2015) vertelde in 2010 dat veel artiesten (en anderen) zich bij Iramac presenteerden in de hoop om in ‘Voor de vuist weg’ te komen. Bovendien dachten ze te weten, zeker in de beginjaren, dat de platenmaatschappij over een volle buidel met geld beschikte. Belangstelling dus genoeg op Brediusweg 43 in Bussum, een indrukwekkende villa in het Gooi van waaruit de kleine platenmaatschappij opereerde. Het ‘regende’ artiesten heb ik zelf kunnen constateren.
   Iedeeën had Willem Duys genoeg, vooral in het ‘betere’ repertoire. Succes had hij met Martine Bijl. De albums die de zangeres voor het Relax-label maakte, verkochten goed. Liedjes als ‘De makelaar van Schagen’ en ‘Bloemendaalse bos’ waren populair. Andere zangeressen met wie Willem de studio in dook waren bijvoorbeeld Shirley Zwerus (‘Bach bijvoorbeeld’), Lia Dorana, Annelies Bouma en Lily Kok (‘Mensen geeft elkaar een hand’).
 

 
Willem was ervan overtuigd dat een tweede ontdekking in het jonge genrre, Marianne Delgorge (geb. 1947, Bloemendaal), het minstens even goed als Martine Bijl zou doen. Toen er op de eerste dag na de release 23 exemplaren van haar album verkocht waren, zag hij dat als de eerste stap naar een groot succes. Dat bleek echter niet het geval te zijn. Het is een mooi voorbeeld van hoe het zo’n jong meisje verging.
   In een interview met Frank Dam keek de protégé van Duys jaren later terug op hoe het haar vergaan was. “Ik ben een  meisje van keurigen huize. Ik ben nooit op het idee gekomen om zangeres te worden. Naar de normen van mijn familie werd je later de vrouw van een academicus. Tijdens mijn studietijd [andragogie] werd ik ontdekt door een fotograaf. Op mijn kamer zong ik hem ‘It ain’t me babe’ van Bob Dylan voor. ‘Dit is beter dan Dylan zelf. Jij wordt een ster’, zei hij. Mijn ontdekker deed zijn uiterste best mij aan de man te brengen. Hij slaagde erin een afspraak te regelen met Willem Duys. Die wilde mij wel eens horen zingen.
   Er moest direct een langspeelplaat worden opgenomen. Ik was het ‘mooie beschaafde meisje dat kon zingen en gitaar spelen’. Zogenaamd ontdekt door Willem Duys. Het zag ernaar uit dat ik vreselijk veel succes zou hebben. Als motten op het licht kwamen mensen op me af die ook een stuk van de koek wilden.
   Het grote probleem kwam toen ik voor publiek moest optreden. Daar stond ik dan, bijna stervend van ellende, met van die verkrampte vingers die geen snaar meer goed raakten en een sidderend stemmetje. In wanhoop bracht ik mijn lied ten gehore. Een journalist schreef: ‘Ik hield mijn hart vast voor Marianne Delgorge’. Dat was in 1967. Ik was op de toer van mini, décolleté. Honderden foto’s werden van me gemaakt. Ik had de ambitie om ook als model goed te zijn, dus wat fotografen vroegen deed ik. Wat er niet allemaal aan naaktfoto’s is gemaakt omdat ik toch weer uit mijn kleren werd gekletst. Op een gegeven moment was de periode van de luisterliedjes voorbij en daarmee ook mijn zangcarrière”.
   Marianne werd naar eigen zeggen feministe. Over de Duys-periode gaf ze later aan: “In het begin van mijn carrière zei iedereen: ‘Ik wil alles voor jou doen omdat ik je aardig vind, omdat ik in je geloof’. Maar het is meestal eigenbelang. Ik heb geleerd dat mensen nooit iets voor niks doen. Van mijn langspeelplaat zijn, geloof ik, achtentwintig exemplaren verkocht”.
 


Willem Duys met Marianne Delgorge, Knokke 1967

 
Het verhaal van Delgorge is niet uniek. Alle platenmaatschappijen probeerden nieuw talent naar voren te schuiven. Vaak mislukte dat. Slechts een enkeling had succes. De grote maatschappijen (Phonogram, Bovema, Artone/CBS) konden echter altijd terugvallen op het internationale repertoire dat ze voerden. Iramac niet. Naast al die weinig verkopende klassieke platen had het kleine bedrijf in Bussum er nog een verliespost bij.
   Willem Duys had een geweldig goed gevoel voor creativiteit en publiciteit. Maar bij de firma, waarvan hij in 1968 formeel directeur werd, had hij slechts een beperkte aandacht voor zaken als verkoop. Die moest, zo heb ik het in die tijd ervaren, voor hem min of meer vanzelf gaan, als media zijn artiesten onder de aandacht brachten.
  

Christine Deutekom en Toon Hermans

 
Willem Duys had niet alleen belangstelling voor vrouwelijke artiesten. Hij maakte opnamen met Jerry Rix, Jules de Corte, Thijs van Leer, Edwin Rutten, Rogier van Otterloo, Lou van Burg, Marco Bakker, Dick Poons, Han de Vries, het Leedy Trio en Max Tailleur. En wat te denken van een album met muziek, gezongen in de ‘wereldtaal’ esperanto. Veel Iramac-artiesten hadden een band met de AVRO.
   Rond de jaarwisseling 1967-1968 was de nood hoog. Maar de redding leek nabij. Duys wist twee belangrijke artiesten te contracteren. In het klassieke genre was dat de nog volkomen onbekende Christine Deutekom. Het aantrekken van Toon Hermans was een sensatie in de muziekbusiness.
   In zijn eigen programma ‘Voor de vuist weg’ (12 januari 1968) lanceerde Duys beide artiesten. Het album ‘Königin der Nacht’ van Deutekom verkocht als gevolg hiervan zeer goed. Bij Toon Hermans ging het nog beter – de single ‘Mien waar is mijn feestneus’ ging in enkele weken tijd ruim 120.000 keer over de toonbank.

    

Toon Hermans en Willem Duys in Voor de Vuist weg, (Bussum, 12 januari 1968)

In eerdere artikelen op deze website heb ik gemeld dat met name het succes van de Toon Hermans-single Iramac niet uit de brand hielp. Integendeel zou je kunnen zeggen.
   Toon Hermans dwong het bedrijf, dat hem zo hard nodig had, van alles voor zijn carrière te doen. Hermans had ambities om in de VS van de grond te komen. Duys ging met hem mee toen hij in Toronto voor Nederlandse emigranten in de Engelse taal proefdraaide. Hij maakte er het moeilijk verkoopbare album ‘Toon in Toronto’.  Bovendien nam Toon op kosten van Iramac met een groot orkest het album ‘Toon Hermans ’68’ op. Twee kostbare prestige-projecten kun je achteraf stellen. Op ‘verzoek’ van de artiest nam Iramac zoon Maurice Hermans (zonder commerciële ervaring) bovendien in dienst als verkoper.
  Duys was tevens bereid om Hermans een onmogelijk hoge royalty te betalen. Vijf gulden per album en één gulden per single. Die royalties moesten onmiddellijk na de verkoop aan Hermans uitbetaald worden, nog voordat Iramac zijn geld van de winkeliers ontvangen had.  
   Door het succes van ‘Mien waar is mijn feestneus’ kwam Iramac extra in financiële problemen. Er was veel geld uitgegeven en de betalingen van de winkeliers kwamen slechts mondjesmaat binnen.
 

De brief van 26 maart 1968

 
Willem Duys, pas formeel benoemd tot directeur, stuurde een brief naar de platenhandelaren in het land. Allereerst keek hij nog eens terug naar het begin van het bedrijf. “Toen Iramac in de herfst van 1965 haar eerste serie klassieke LP’s lanceerde, heeft menigeen in de platenbranche het voorhoofd gefronst. Het waren mooie albums en er mankeerde niets aan de opnamen. Maar met idealisme alleen komt men niet zo heel ver”.
   Vervolgens introduceerde hij de nieuwe aanpak, met het Relax-label. “Voorjaar 1966 startte Iramac met haar populaire label Relax. Het begin was bescheiden, maar in Martine Bijl en de Outsiders zag iedereen toch wel brood. Zou de kleine Bussumse firma zich echter staande kunnen houden tussen alle grote broers met hun ontelbare releases en grote publiciteitsmachines?
   De feiten hebben de zwartkijkers in het ongelijk gesteld. De omzet van 1966 was acht keer zo groot als in 1965. De omzet van 1967 was bijna een miljoen gulden meer dan die van 1966. En het eerste kwartaal van 1968 was 350 procent ten opzichte van het eerste kwartaal 1967 (uiteraard mede dankzij de neus van Toon)”.
   In de statistieken liet de directeur goed zien hoe belangrijk die ene single voor de omzet van het bedrijf was. Wat de consequenties waren, legde hij nog eens uit. Er was veel geld uitgegeven en nog betrekkelijk weinig binnen gekomen. “Op zichzelf zeer verheugende verschijnselen. Maar onze vennootschap is door deze ontwikkeling wel enigszins in de liquiditeitsproblemen gekomen, die elk snelgroeiend bedrijf uit ervaring kent”.
   Waarschijnlijk mede onder druk van de aandeelhouders stelde Duys nu: “Wij hebben na ampele overwegingen een paar maatregelen moeten nemen om in de toekomst even secuur aan onze verplichtingen te kunnen voldoen als in het verleden. Een van die maatregelen betreft u, geachte relatie. Wij hebben namelijk besloten onze leveringen aan uw firma nog slechts onder rembours te doen plaatsvinden.... U hebt ons in het verleden de steun gegeven, die nodig was om van een kruipend kleutertje een stevige stapper te worden. Thans doen wij een dringend beroep op u ons te willen helpen bij het financieel gezond voortgaan op de ingeslagen goede weg”.
 


Fragment van de brief van Willem Duys

 

Het moeilijke jaar 1968

 
Het moment waarop Duys besloot deze brief te schrijven, was (achteraf) niet gelukkig gekozen. Op dat moment had Iramac nauwelijks of geen nieuw hitmateriaal. De handelaren die uit de betrekkelijk kleine catalogus van Iramac wilden inkopen moesten eerst alle nog open staande rekeningen voldoen. Velen van hen voelden er niets voor. Heel wat winkeliers deden voorlopig geen nieuwe bestellingen. Bovendien kwamen er nogal wat retourzendingen. Iramac-platen zouden bijvoorbeeld beschadigd zijn. Toen ik met één van die mensen sprak, hoorde ik: “Wat wilt u meneer. Dat ik zelf een kras op de plaat zet? Nu krijgt u die tenminste nog onbeschadigd terug en kunt u hem opnieuw verkopen”.
   In feite overkwam Iramac hetzelfde als al die kleine (Amerikaanse) platenmaatschappijen rond 1960. Als ze een grote hit hadden moesten ze zeer snel leveren. Als de hit voorbij was en er niet onmiddellijk een nieuw succes kwam kregen ze hun centen niet en waren vaak niet in staat om royalties uit de betalen. Er zat dan weinig anders op dan het bedrijf op te heffen. Iramac bevond zich in een soortgelijke houdgreep, die door het contract en de onwrikbare houding van Toon Hermans nog versterkt werd.
   Duys deed zijn uiterste best om er nog het beste van te maken. Hij trok Pim Jacobs, Dave Pike en Herre Jager aan om meer mooi repertoire te maken en (vooral via de AVRO) onder de aandacht te brengen. Hij slaagde erin het Duitse SABA-jazzlabel (MPS, Hans Brunner-Schwer) binnen te halen, met artiesten als Oscar Peterson, Baden Powell en Ben Webster. Willem zette zich in om de uiterst goedkope Europa stereo-albums (ƒ5.95 per stuk) bij de pers te introduceren. Evenals bij de platen van Toon Hermans was hier echter nauwelijks een marge. De verkoop in de tweede helft van 1968 bracht dus geen financiële verlichting in Bussum.
   Bij dit alles was het succes van groepen als de Sandy Coast (‘I see your face again’, ‘Capital punishment’) en de Hep Stars (‘Sunny Girl’) niet relevant meer. Begin 1969 trok de familie van Sylvio Samama de stekker uit het stopcontact. De open staande schulden werden afbetaald. De goederen en rechten van Iramac werden door EMI overgenomen.
 

Het einde in 1969

 
Op 2 april 1969 liet Willem Duys in de krant afdrukken. “Je vraagt naar heimwee of chagrijn. Ach, leuk is het natuurlijk niet. Ten slotte heb ik er mijn hele ziel en zaligheid in gestoken. Maar ik ben blij dat we zó kunnen ophouden dat niemand er een buil aan valt. De artiesten worden er zelfs beter van”.
   Over het ontslagen personeel sprak hij niet. Maar Duys legde nog eens uit: “Het kapitaal van Iramac was afkomstig van de Tunesiër-van-afkomst Samama, die nu nog commissaris is. We zijn ideëel gestart. Met jonge artiesten. Mooie dingen maken. Dat is ook gebeurd. De recensies waren prachtig. Onze catalogus omvatte zo langzamerhand een kleine 40 lp’s. Er waren honderdduizenden, je kunt wel zeggen miljoenen in geïnvesteerd. Maar de verkoop viel tegen. Ach, als je geen Rubinstein of Oistrach heet, is het bij het publiek niet goed.
  Er is bovendien wat veranderd in de platenbusiness. Meer import, veel goedkope series. Het klassiek konden we tenslotte wel vergeten. We brachten Martine Bijl, Lia Dorana, Jules de Corte, Toon Hermans, Max Tailleur… Echt wel de krenten uit het brood dus”.
  Maar Johnnie Hoes gaat nu eenmaal beter, werd hem voorgelegd.
  “Ken je de wet van Duys? Mijn wet. Een droevige wet. Hij luidt: hoe artistieker de plaat, hoe minder commercieel. We hadden natuurlijk accordeonpotpourri’s en dingen van dat allooi kunnen gaan maken, maar dat paste niet in de filosofie. Waarom zou Samama juist daarin zijn geld steken? En mijn lol, waar zou die zijn?”
   Zag Willem Duys dan nog wel toekomst in de muziekbusiness? Zou hij nu een eigen bedrijf beginnen, los van al zijn andere activiteiten?
  “Nee, geen eigen grammofoonplatenfirma. Maar wel grammofoonplaten maken. Voor anderen. Met onze creatieve inbreng. Van Pim Jacobs en mij [Blue Mouse adviezen]. Wij blijven het samen doen. Ja, joh, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Bij Iramac was immers ook mijn uitgangspunt: leuke dingen doen”.
   Duys en Jacobs gaven goede adviezen aan CBS Records, het bedrijf met een grote internationale catalogus. John Vis (1929-2015) had er wel oren naar. De ideeën die Duys naar voren bracht in zijn programma’s en bij Iramac kwamen weldra tot wasdom. Vooral Thijs van Leer en Rogier van Otterloo, trouwe bezoekers van Brediusweg 43 in Bussum, deden het goed. Van hun albums werden in de jaren zeventig vele, vele honderdduizenden exemplaren verkocht.
 
Harry Knipschild
25 augustus 2015

Clips

* Les Compagnons de la chanson, Le Mexicain, Grand Gala du Disque, 1962
* Willem Duys, Vera Lynn, Maastreechter Staar, Land of Hope and Glory, Grand Gala du Disque 1962
* Martine Bijl, Bloemendaalse bos, 1966
* Outsiders, Lying all the time, 1966
* Shirley (Zwerus), Bach bijvoorbeeld, 1966
* Lily Kok, Mensen geeft elkaar de hand, 1966
* Marianne Delgorge, De anarchist, 1967
* Toon Hermans, Mien, waar is mijn feestneus, 1967
* Louis van Dijk speelt van Jules de Corte, De poort, uit 1968
* Portret van Leo Samama, 2014
 
Literatuur
 
Henk Huigen, ‘Grand Gala du Disque met 300 medewerkers’, Nieuwe Leidsche Courant, 1 oktober 1962
Piet Kort, ‘Opkomst en val van teenagersterren’, Dagblad voor Amersfoort, 17 november 1962
‘Iramac into the pop field’, Billboard, 2 juli 1966
‘Wally Tax gaat solo’, Kink, 26 november 1966
‘Iramac: wij deden alles voor de Outsiders’, Kink, 3 december 1966
Pim Oets, ‘Van Setten en de Outsiders’, Hitweek, 16 december 1966
Cees Mentink, ‘Willem Duys: ‘Er zijn maar vier platenjongens in Nederland. En een van hen ben ik’’, Kink, 20 mei 1967
‘Sandy Coast naar Duys’, Teenbeat, oktober 1967
‘‘Mien waar is mijn feestneus’, eerste gouden plaat voor Toon Hermans’, Leidsch Dagblad, 24 februari 1968
‘Wim en Pim blijven in de platenbiz’, Vrije Volk, 2 april 1969
Hans Knot, ‘Afscheid van Willem ‘O’ Duys. Naar aanleiding van de allerlaatste Muziekmozaïek’,
Soundscapes, april 1999
Frank Dam, ‘Marianne Delgorge’, in Beatmeisjes, Amsterdam 2006