Zoeken


 
Clive Davis (geb. 4 april 1932, New York) studeerde rechten in zijn geboortestad, later in Harvard. Bij grammofoonplatenmaatchappij Columbia (dochter van tv- en muziekbedrijf CBS) trad hij begin jaren zestig in dienst als bedrijfsjurist. In het boek Clive. Inside the record business (1974) zette hij uiteen wat hij sinds die tijd had in gang gezet.
   Bij zijn aantreden was Columbia een grote maar conservatieve platenmaatschappij. ‘Verderfelijke’ rockmuziek was min of meer uit den boze. Het bedrijf was groot in de verkoop van musical-soundtracks (‘My Fair Lady’ bijvoorbeeld) en easy listening artiesten als Mitch Miller, Ray Conniff, Andy Williams, Doris Day en Barbra Streisand. Dat soort muziek zorgde voornamelijk voor de omzet. Door de komst van groepen als de Britse Beatles en Rolling Stones veranderde de ‘tijdgeest’. Een nieuwe generatie zette de toon. Wilde CBS overleven dan moesten de bakens verzet worden.
   CBS deed het relatief niet slecht met folk-muziek. Na de doorbraak van het Kingston Trio (bij concurrent Capitol) kwam CBS met artiesten als de Brothers Four, Pete Seeger en Bob Dylan (geb. 24 mei 1941).
   In hoofdstuk vier van zijn boek kun je lezen hoe Davis en Dylan bij Columbia/CBS met elkaar omgingen.
 

Clive Davis (met Paul Simon, rechts) presenteert zijn boek in 1975

 

Problemen met een jonge Dylan

 
Dylan was nog jong. Wellicht voelde hij zich niet helemaal thuis bij al die oude platenmensen. Het genoegen was wederzijds, wist Clive. “Zijn eerste album [uit 1962] verkocht matig. Op producer John Hammond [geboren in 1910] en een enkele collega na vonden de CBS-mensen hem een ‘freak’”.
   Het zag er naar uit dat de ‘samenwerking’ tot slechts één album beperkt bleef. Dylan nam het initiatief. Davis: “Ik kreeg een telefoontje van John Hammond. Hij had een brief van Bob ontvangen. Het artiestencontract zou ongeldig zijn. Bob had het immers getekend toen hij nog geen 21 en dus minderjarig was. Kon een artiest om die reden zo maar weglopen?”
   Als bedrijfsjurist moest Davis die vraag beantwoorden. Zijn antwoord was: hoogstwaarschijnlijk wel.
   Hammond, een veteraan in de muziekindustrie, was uitermate verbaasd. Zo’n brief van Dylan had hij niet verwacht. De producer legde aan de jurist uit dat ze het samen juist goed met elkaar konden vinden. Op advies van Davis belde John meteen met de 31 jaar jongere folkzanger en nodigde zijn ontdekking bij zich op kantoor in New York uit. Voortaan, beloofde hij hem, zou CBS meer zijn best doen om zijn platen aan de man te brengen.
   Clive Davis: “Het gesprek pakte goed uit. Opnieuw stuurde Bob een brief naar CBS. Deze keer met de mededeling dat hij het indertijd door hem getekende contract alsnog geldig verklaarde”.
 
Niet veel later kreeg de jurist opnieuw met Bob Dylan te maken. De zanger had een nieuwe song geschreven, ‘Talking John Birch Society Blues’. In 1963 zou hij met dat nummer gast zijn in het populaire CBS tv-programma van Ed Sullivan (geb. 1901). Maar toen de juristen van CBS-tv (moedermaatschappij van CBS Records) de tekst hoorden lieten ze hem weten dat hij een andere song moest zingen.
   Davis: “Bob weigerde derhalve in het programma op te treden. Hij was van plan ‘Talking John Birch Society Blues’ dan maar op zijn tweede album te laten horen. Maar ook de leiding van Columbia Records verzette zich. Persoonlijk was ik het met die beslissing van hogerhand niet eens. Politiek was ik een ‘liberal’ (links van het Amerikaanse midden). Ik bewonderde Dylan, juist omdat hij progressieve ideeën had”.
   Aan de persoonlijke mening van de jurist had CBS geen behoefte. Clive moest uitvoeren wat hem opgedragen werd. “Bob vroeg om een gesprek. Samen met John Hammond kwam hij mijn kamer binnen stormen. Woedend zei hij: ‘What is this? What do you mean, I can’t come out with this song? You can’t edit or censor me!’
   Wat kon ik anders zeggen dan: ‘Ik vind het heel vervelend. Ik voel me hier uiterst ongemakkelijk bij. Het heeft er niets mee te maken dat ik of het bedrijf conservatief zou zijn’. Ik bleef me maar verontschuldigen en verdedigen. Ik legde uit dat ik een progressieve aanhanger van de Democratische Partij was enzovoort. Wat ik namens het bedrijf te vertellen had was louter juridisch van aard. Als het er op aan zou komen, was CBS, liet ik hem weten, een vermogende organisatie, bereid om dit standpunt in de rechtszaal te verdedigen”.
   Volgens Clive Davis reageerde de artiest met de woorden: ‘It’s all bullshit”. Meer dan verontwaardigd liep hij de kamer uit. Wat Columbia verder nog met zijn platen deed kon hem op dat moment niets meer schelen.
 


Bob Dylan en John Hammond, 1962

 

Clive Davis en Bob Dylan in 1966

 
Drie jaar later, in 1966, werd de jurist benoemd tot general manager van Columbia Records. Een van de eerste taken die hem in zijn nieuwe positie wachtte was onderhandelen over het verlengen van de contracten met drie van de belangrijkste artiesten: Andy Williams, Barbra Streisand en Bob Dylan. De andere platenmaatschappijen waren op de hoogte. De concurrentie zat niet stil. Davis trok de geldbuidel open en slaagde er echter in zowel Williams als Streisand voor CBS te behouden.
   In het boek legde de nieuwe topman uit dat CBS één belangrijk voordeel had tijdens de onderhandelingem. Het bedrijf was eigenaar van de catalogus van zijn artiesten. Bij het betalen van voorschotten op royalties kon je de verkopen van de bestaande albums ‘verdisconteren’. Zo ging dat, overal ter wereld, in de muziekindustrie.
   Tegelijkertijd moest hij ook Dylan voor het bedrijf zien te houden. Bob was in de tussen liggende jaren een stuk belangrijker geworden, dankzij albums als ‘Bringing it all back home’, ‘Highway 61 Revisited’ en ‘Blonde on Blonde’. Toch moest je je van de verkoop niet te veel voorstellen, wist hij. De elpees van Dylan werden door zijn aanhangers meteen gekocht en schoten daarom snel de hitlijsten op. Bij iemand als Ray Conniff was het anders, ja zelfs beter. Een album van Conniff verkocht goed en bleef dan steeds doorverkopen. Na verloop van tijd werden er van de langspeelplaten van Ray Conniff ruim drie keer zoveel exemplaren verkocht als die van Dylan.
   Clive Davis keek verder dan zijn neus lang was. Hij voelde aan dat zijn organisatie Bob Dylan niet kon missen. “He was an unparalleled symbol of avant-garde musical thinking – a name that would help us sign other good acts in the future. I felt he would continue to be a major artist”.
   Omdat de albums van Dylan zo hoog op de hitlijsten kwamen leek het alsof er van de artiest veel meer platen verkocht werden dan in werkelijkheid het geval was. Om die reden waren andere platenmaatschappijen, niet op de hoogte van de juiste verkoopcijfers, bereid om meer te bieden dan CBS.
   De nieuwe baas moest het maar zien op te knappen.
 

De onderhandelingen: CBS vs MGM

 
In het boek legde Clive Davis uit dat CBS-artiesten vijf procent royalty ontvingen. Omdat de meeste producers in vaste dienst bij het bedrijf waren, kwamen er dus geen royalties meer bovenop. In het enkele geval dat een buitenstaander om welke reden dan ook ingehuurd moest worden kon CBS zich veroorloven daar niet meer dan twee procent voor te vergoeden.
   Het leek Davis niet meer dan redelijk om Dylan een contract voor vijf jaar aan te bieden met een royalty van vijf procent. CBS was in dat geval bovendien bereid een voorschot van 500.000 dollar te betalen.
   Albert Grossman, manager van Bob Dylan, liet weten dat CBS met dit voorstel geen schijn van kans had om de zanger te behouden. Het beste bod, aldus Grossman, kwam van MGM Records. Daar was men bereid niet 5 maar 12 procent royalty te betalen en een voorschot van 1.500.000 in plaats van de 500.000 dollar die CBS geboden had.
   Voor Clive Davis was het onmogelijk hier adequaat op te reageren. Voor alle zekerheid legde hij aan de manager uit dat MGM een lagere afrekenbasis had. De 12 procent van MGM was in werkelijkheid gelijk aan 10 procent bij CBS.
   Bij het doen van een aanbod had Clive Davis nog een ander probleem. Bob Dylan had in augustus 1966 een zwaar motorongeluk gehad. Wat had dat voor gevolgen? Sinds die tijd had niemand van CBS ook maar iets van hem gehoord. Hoe ging het met hem, zowel in zijn hoofd als fysiek? Niemand wist of hij überhaupt nog wel kon zingen.
   Davis: “Ik kwam tot de conclusie dat het aanbod van MGM onovertrefbaar was. Bij MGM deden ze soms onverantwoorde dingen. Zo hadden ze 800.000 dollar betaald voor de Righteous Brothers omdat die een hit hadden gehad met ‘You’ve lost that lovin’ feelin’’. Het was op financieel debacle voor MGM uitgedraaid.
   Het was verschrikkelijk voor me. Ook van hogerhand ontving ik geen steun. Ik kreeg te horen dat CBS nu eenmaal niet meer dan 5 procent royalty aan zijn artiesten betaalde. Het concern was niet bereid om zich in onverantwoorde avonturen te storten”.
  
Naar eigen zeggen liet Clive Davis het er niet bij zitten. In deze tijd waarin rock-muziek – daar was hij van overtuigd – bezig was easy listening muziek te overtreffen in belangrijkheid, kon je Bob Dylan niet zomaar laten lopen. “Ik nam contact op met Albert Grossman en bood hem 7 in plaats van 5 procent. Die extra twee procent konden dan eventueel gebruikt worden om een buitenstaander als producer in te huren”. Het lijkt op een boekhoudkundige truc van Davis ten opzichte van zijn superieuren.
   Maar ook het nieuwe aanbod van CBS maakte volgens Clive geen indruk. “De overeenkomst met MGM leek zo goed als bezegeld”.
 


Allen Klein

 
Allen Klein (1931-2009) trad als een deus ex machina op. Hij werd de reddende engel voor Clive Davis. In die tijd had Klein beslist geen goede pers. Hij had zich vooral verrijkt door zaken te doen met zowel de Beatles als de Rolling Stones. In zijn boek voegde Clive er nog aan toe dat Klein ook had opgetreden voor Herman’s Hermits, Animals, Bobby Vinton en Donovan. Met zijn werk had Klein een heleboel geld verdiend. Voor een niet onbelangrijk gedeelte had hij de winst geïnvesteerd in aandelen-MGM. Klein was dus een belangrijke man in MGM geworden. Tijdens een bezoek aan CBS (dat Donovan wist lost te weken van Pye Records in Londen) kwamen de twee in gesprek over de aanstaande overeenkomst van Dylan met MGM.
   Davis legde Klein uit dat het aanbod van MGM aan Dylan onverantwoord was omdat het gebaseerd was op veel te hoge verkoopcijfers. Hij liet hem zien hoeveel albums er in werkelijkheid verkocht waren.
   Allen Klein koos eieren voor zijn geld. Op het hoogste niveau praatte hij bij MGM, dat meer een filmbedrijf dan een platenmaatschappij was. Voor menigeen aan de top was Dylan zelfs een onbekende. Bovendien had de leiding van de platenafdeling nogal wat blunders gemaakt. Zo waren ze vergeten het contract met de Lovin’ Spoonful te verlengen. Klein overtuigde de topmensen van het concern dat ze met Dylan opnieuw op een foute manier bezig waren. Om die reden bleef het contract, dat al door Dylan ondertekend was (!), in het dossier liggen.
   Dylan-manager Grossman (1926-1986) liet nu van zich horen. Er viel toch te praten. Moeizaam kwam er een ingwikkeld compromis tot stand. De laatste puntjes onderhandelde Davis uit met David Braun, de advocaat van Bob Dylan. Dat deden ze tijdens een etentje in het Dorset Hotel (New York). Het leek allemaal prima te verlopen. Maar tijdens het dessert kwam onverwacht de hele top van MGM Records de eetzaal binnen lopen. En dan te bedenken dat MGM het door Dylan getekende contract al ontvangen had. Davis: “I nearly died. I couldn’t believe they would choose this day to have lunch in this place.
   In zijn boek beschreef de topman van CBS de scène als die van een komische opera. “We bleven genieten van het dessert. Ik vermeed in de richting van de MGM mensen te kijken, betaalde de rekening en liep naar buiten. Die zelfde dag stuurde David Braun een telegram naar MGM Records waarin hij liet weten dat Bob Dylan zijn handtekening onder het MGM-contract terugtrok”.
 

Het hernieuwde contact tussen Clive Davis en Bob Dylan: 20 januari 1968

 

Bob Dylan, 20 januari 1968

 
De verlenging van het contract met Dylan kwam tot stand zonder ook maar één ontmoeting tussen de artiest en iemand van de platenmaatschappij. Manager en advocaat voerden alle onderhandelingen. Dylan en Davis zagen elkaar pas weer in 1968. Dat was ter gelegenheid van het ‘Woody Guthrie Memorial Concert’ dat op 20 januari van dat jaar plaats vond in Carnegie Hall. Odetta, Judy Collins, Pete Seeger, Arlo Guthrie en Richie Havens traden er samen met Dylan op.
   Voor Bob Dylan was het de eersre keer dat hij op de planken stond sinds zijn motor-ongeluk. Iedereen keek dan ook uit naar zijn optreden. Davis: “Binnen een uur waren alle kaartjes verkocht”. Rolling Stone meldde dat fans zelfs bereid waren om 25 dollar voor één ticket op de zwarte markt te betalen. In 1968 was dat een uiterst hoog bedrag. Buiten stond een batterij fotografen opgesteld om de komst van de zo lang uit het gezicht gebleven troubadour vast te leggen.
   Volgens afspraak bezocht Clive Davis zijn artiest in een suite van het Park Sheraton Hotel. Bij die gelegenheid, voorafgaand aan het concert, overhandigde hij hem zijn eerste gouden platen.
   Davis: “‘Bob Dylan’s Greatest hits’ uit 1967 was de grote bestseller. Van dat album waren meer dan een miljoen exemplaren verkocht. Door dat succes werden ook andere albums omhoog getrokken tot boven de 500.000 [de grens voor goud]. Het viel me op dat Bob Dylan heel erg blij was met zijn gouden platen, een nogal ‘bourgeois’ symbool voor iemand met zijn achtergrond. Hij maakte een uiterst vriendelijke indruk en ‘seemed to be quite another person from the reputed Dylan of sharp words and piercing looks’.
   Bob vroeg me of andere albums ook nog eens met goud bekroond zouden worden.
   Ik legde hem uit dat drie van zijn langspeelplaten nog een heel eind te gaan hadden”.
   Tijdens het concert viel het Clive Davis op hoe bescheiden Bob Dylan zich opstelde. Hij kwam gewoon samen met de andere performers uit de coulissen te voorschijn. Het publiek reageerde fanatiek en positief op zijn komst. Davis: “There he was, singing along with the rest, looking a little pale but moving with energy and assurance”. Voor de platenbaas werd het die avond duidelijk: Bob Dylan was niet zo maar een artiest, hij was de leider van zijn generatie.
 

Samenwerking met Bob Dylan

 

 Albert Grossman en Bob Dylan

In 1970 zette Bob Dylan manager Albert Grossman aan de kant. De contacten die Columbia Records had met de artiest voltrokken zich volgens Davis nu vooral rechtstreeks met hem.
   Clive: “Ik was bang dat Dylan zich te veel van de buitenwereld isoleerde. Hij nam geen andere manager. Het leek me derhalve een goed idee hem mijn diensten aan te bieden. Zeker in het begin zou dat misschien niet makkelijk zijn. Je moest heel voorzichtig met hem omgaan. Hem zelf benaderen was sowieso onmogelijk. Ik nam dan contact op met Naomi [Saltzman], zijn secretaresse. Die belde hem dan en als hij er behoefte aan had liet Dylan van zich horen.
   Ik vroeg hem dan of ik iets voor hem kon betekenen, vroeg waar hij mee bezig was en hoe hij over een en ander dacht. Had hij plannen voor concerten? Was het zinvol dat ik hem eventueel in contact bracht met managers, producers of adviseurs? Wat was volgens hem de single van een nieuw album? Bob Dylan was uitermate beleefd in dat soort telefoongesprekken. Als ik iets suggereerde beloofde hij dat te overwegen en zou er nog op terugkomen. Soms deed hij dat, soms ook niet”.
   Eén ding stond vast voor de platenman: “Over Bob Dylan praatte ik nooit met de pers. Hij had duidelijk behoefte aan privacy. Mijn rol was er louter een van adviseren en, zo mogelijk, helpen. Zelf moest ik niet op de voorgrond treden. Dylan deed dat wel als hij het nodig vond. Mijn rol was om de marketing van zijn platen zo goed mogelijk ter hand te nemen”.
 

Nieuwe albums van Dylan

 
Het eerste album waar Davis mee van doen had heette ‘John Wesley Harding’ (begin 1968). “Een teleurstelling voor mij als zakenman. Natuurlijk was het geweldig eindelijk zijn stem weer eens te horen. Maar de songs [o.a. ‘All along the watchtower’ en ‘I’ll be your baby tonight’] waren niet van het niveau van ‘Like a rolling stone’ of ‘Mr. tambourine man’. Het album was goed voor 500.000 stuks. Maar met een goede single erop en aandacht van de top 40 radiostations zou de verkoop misschien wel het dubbele geweest zijn”.
   In het voorjaar van 1969 verscheen ‘Nashville Skyline’. Clive Davis had moeite met de titel van het album. “Ik probeerde hem ervan te overtuigen die te veranderen. Diverse malen hebben we erover van gedachten gewisseld. Hij luisterde altijd heel beleefd naar mijn redenering. Aan het eind zei hij: ‘I’ll get back to you’. Maar hij belde pas een maand later terug, op de dag dat de platenhoezen gedrukt waren. Bij nader inzien gaf hij me toen gelijk. Misschien moest het album inderdaad aan andere naam krijgen. Kon de cover nog veranderd worden?
   Ik zei ‘nee’.
   Zou de titel nadelig zijn voor de verkoop?
   Ik herhaalde mijn standpunt. It was a limiting title. Maar als we goede recensies kregen en een single van de grond wisten te krijgen zouden de verkopen zeker goed ziijn, legde ik hem uit. En zo ging het ook. ‘Lay Lady Lay’ werd een grote hit en het album ging ruim over het miljoen. Als er nóg een goede single van het album gehaald had kunnen worden, zouden er makkelijk wel twee miljoen albums afgezet hadden kunnen worden”.
 

De hoes van 'Self Portrait' in 1970, gemaakt door Bob Dylan

 
In Nederland was het anders. Hier deed de single ‘I threw it all away’ het goed, terwijl ‘Lay Lady Lay’ niet op de Veronica top 40 kwam. Een volgende single, ‘Wigwam’, kwam in Nederland zelfs op nummer 3 in de top 40. Dat was een track van het zeer bijzondere album ‘Self Portrait’ (1970). In de VS werd er geen single van het album op de markt gebracht.
   Davis: “‘Self Portrait’ riep heel wat controversiële oordelen op. Zelf heb ik er van genoten. Een ware artiest is per definitie onvoorspelbaar. Het project heeft altijd mijn steun gehad. Het is goed als een artiest ook eens repertoire van andere liedjesschrijvers vastlegt. Ik leg het album nog steeds regelmatig op de draaitafel”, schreef hij anno 1974 in zijn boek.
   Davis legde nog eens uit hoe belangrijk singles waren. Zijn voorbeelden waren het tweede album van Blood Sweat & Tears, ‘Tapestry’ van Carole King en ‘Bridge over troubled water’ (Simon & Garfunkel). Omdat er van die albums drie singles met succes gehaald konden worden, bleef de verkoop maar doorgaan.
 

Dylan in de studio en daarna

 
In zijn boek, geschreven nadat hij bij CBS weggestuurd was, kon Clive Davis enigszins vrijuit schrijven. “I liked Dylan enormously”.
   Maar volgens hem was het niet altijd makkelijk om zaken met hem te doen. “Hij kon ongrijpbaar zijn. Het ene moment was hij vriendelijk, beleefd en bereid tot samenwerken, bij een andere gelegenheid besluiteloos, argwanend en ongeduldig.
   In de studio waren er zelden problemen. Ik weet niet hoe lang hij erover deed om een song te schrijven. Maar een opname ging uiterst snel. Meestal was één take voldoende. Vergelijk dat eens met Simon & Garfunkel. Die deden er op het laatst achttien maanden over om een album te voltooien. Het resultaat was prachtig. Maar de studiokosten liepen torenhoog op.
   Met Bob Dylan had je pas een probleem als de songs op de band gezet waren. Dan werd hij ongeduldig en veeleisend. Dan belde hij me rechtstreeks. Er kwam geen secretaresse meer aan te pas. Een album moest dan zo snel mogelijk verschijnen.
   Hoe lang duurde het proces om een plaat te persen? Hij wilde zien hoe de hoes er uit kwam te zien. Regelmatig veranderde hij van gedachten over het ontwerp of de titel, waardoor de release-datum uitgesteld moest worden. Op de dag dat de hoes van ‘Self Portrait’ gedrukt zou worden belde hij me op. Hij had besloten zijn eigen hoes met een zelfportret te ontwerpen. Daardoor kwam het album een maand later uit.
   Als een plaat eenmaal liep was Bob volkomen onbereikbaar. Dan hoorde je niets meer van hem. Tenzij ik hem belde om hem bijvoorbeeld de verkoopcijfers door te geven”.
   Als Clive Davis hem advies gaf merkte hij hoe argwanend de artiest was. Informatie werd zorgvuldig nagetrokken bij vrienden. Om die reden duurde het soms lang voor Dylan ook tot een juiste conclusie kwam. “Isolation was hurting him”, vond de platenbaas.
   Naar eigen zeggen ging Davis zich noodgedwongen steeds meer met hem bemoeien. Hij stelde voor hem te helpen met het vinden van goede begeleiders. Dat pakte niet altijd goed uit.
   “Dylan belde me. Hij had nieuw materiaal geschreven. Wat hem betreft kon hij zo de studio in. Wat zouden goede muzikanten voor hem zijn?
   Ik dacht aan de Byrds. Ik belde met Roger McGuinn. Die leek verrukt te zijn. We spraken een dag af. De Byrds waren dan eerst voor een optreden in New York. De volgende dag zouden ze Bob Dylan dan in de studio ontmoeten en hem helpen met het opnemen van zijn nieuwe songs.
   ’s Middags belde Bob Dylan me op kantoor. Waar waren de Byrds?
   Ik wist McGuinn te bereiken en hoorde dat de andere leden van de groep in het vliegtuig zaten, op weg naar Los Angeles. Boos zei ik tegen hem: ‘From every point of view, this makes no sense’”.
   Clive Davis legde zijn lezers uit dat het niet meer zo goed met de Byrds ging. Samenwerking met Dylan zou positief kunnen uitwerken voor hun carrière. Hoe was het mogelijk om zó om te gaan met deze unieke kans. Roger legde uit dat iedereen doodmoe was van alle concerten die ze gegeven hadden. Hij had zich niet gerealiseerd dat iemand als Bob Dylan op de Byrds rekende. Kon hij het nog goedmaken? Moest hij de jongens meteen uit Californië terugroepen? Kon hij zelf met Dylan praten om het goed te maken?
   Davis: “Ik belde Dylan in de studio. Hij kookte van woede. Met de Byrds wilde hij nooit meer samenwerken. Die dag bleef de studio leeg. Dylan belde zijn vriend Al Kooper, die muzikanten uit New York optrommelde: onder meer David Bromberg, Buzzy Feiten, Harvey Brooks en Russ Kunkel. Zo kwam het album ‘New Morning’ in 1970 tot stand”.
 

Bob Dylan zet zijn eigen zin door

 
Clive Davis bemoeide zich wel met zijn artiest. Maar steeds meer bepaalde deze de koers. Dat bleek bijvoorbeeld bij ‘Bob Dylan’s Greatest hits’ deel 2. Dylan stond erop dat op het dubbel-album een aantal demo-opnamen kwam te staan die hij in eigen beheer mono had opgenomen. De mensen van de platenmaatschappij onder leiding van Clive Davis moesten zich steeds uitsloven met kant en klare voorstellen. Op het laatst werkten ze met vier man een hele nacht door, voor wat hopelijk een eindvoorstel was. “The following morning, we put together a tape of the proposed album and I sent to Dylan it immediately”.
   Hoe zou Bob nu weer reageren?
   Davis: “He liked it. We finally had permission to put it out”.
 
Ook bij het volgende album deed Dylan precies wat hij wilde. Hij speelde een rol in ‘Pat Garrett and Billy the Kid’ en schreef de muziek voor de film. De soundtrack moest zijn nieuwe album worden. CBS had niets in te brengen, zelfs niet toen de film in de New York Times werd neergesabeld.
   Davis: “He didn’t care. He’d written the music. He felt good about it. He wanted it out”.
   Dankzij de single ‘Knockin’ on heavens door’ werd het album een succes.
 
Bob Dylan had bovendien zijn eigen ideeën bij de verlenging van het platencontract. Een voorstel voor (opnieuw) vijf jaar wees hij van de hand. Dat was hem te lang. Voorschotten op royalties hoefden voor hem niet meer zo. Essentieel voor hem was dat hij zijn eigen koers kon bepalen. Bovendien wilde hij de rechten op zijn platen zelf bezitten. Trots schreef Clive Davis dat een van de wensen van Dylan was dat het nieuwe contract ontbonden zou worden zodra hij om welke reden niet meer in functie zou zijn.
   Clive maakte het einde van de onderhandelingen niet meer persoonlijk mee. Bij CBS werd hij ontslagen. Van een overeenkomst kwam niets meer. Dylan maakte vervolgens afspraken met Asylum Records, de maatschappij van David Geffen. Die bracht het album ‘Planet Waves’ in de winkels.
 


David Braun

 
Davis: “Daarna werd ik gebeld door David Braun, nog steeds zijn advocaat. Bob had me gemist bij het lanceren van ‘Planet Waves’. Hij was zeer teleurgesteld over de volgens hem matige verkoop (700.000 exemplaren). Vijf miljoen mensen hadden onmiddellijk gereageerd toen de kaartjes voor een grote toernee besteld konden worden. Zou het niet beter zijn om de distributie van een live album zelf te organiseren?
   Op zijn verzoek en zijn kosten vloog ik naar Los Angeles om plannen te bespreken. I met with him and Robbie Robertson of The Band to discuss this idea”.
   Geffen deed zijn uitsterste best het dubbel-album ‘Before the flood’ binnen te halen. Toen CBS ontdekte dat er onderhandeld kon worden was ook zijn oude platenmaatschappij, nu zonder Clive Davis, weer van de partij. Volgens Clive Davis werden de twee platenmaatschappijen door Dylan en Braun tegen elkaar uitgespeeld. Dylan was volgens hem de lachende derde. “I was watching with amusement from the sidelines”.
 
Na ‘Before the flood’ keerde Bob Dylan terug bij CBS. Zijn platen verschijnen nog steeds op het Columbia-label. Begin dit jaar bracht de man, die nu zelf een veteraan is, een album uit met songs die eerder door Frank Sinatra gezongen werden (‘Shadows in the night’).
   In 1975 werd Clive Davis directeur van platenmaatschappij Bell die hij omdoopte in Arista Records. Bij die maatschappij verschenen platen van onder anderen Whitney Houston, Aretha Franklin, Barry Manilow, Toni Braxton, Carlos Santana en Alicia Keys. Op 81-jarige leeftijd is hij ‘chief creative officier of Sony Music Entertainment’. Bob Dylan, 74 jaar, is een van de artiesten die onder de Sony-vlag opereert.
 


  Omslag Billboard, 16 februari 2013
 

Harry Knipschild
19 juni 2015

Clips

* Bob Dylan-muziek bij het begin van zijn loopbaan in de sixties
* Bob Dylan, Albert Grossman, Donovan, I'll sing a song for you, It's all over now baby blue
* Bob Dylan, I threw it all away, 1969
* Wigwam, muziek gecomponeerd door Bob Dylan, uit 1970
* Documentaire over Woody Guthrie, 1988
* Bob Dylan in de film 'Pat Garrett & Billy the Kid', 1973
* Bob Dylan, Knocking on heaven's door, 1973
* John Lennon over Allen Klein, 1973 
* John Hammond over Bob Dylan, 1978
* Cliive Davis over zijn ontslag bij CBS, 2013
* Clive Davis in 2013 (interview Wendy Williams)
   
Literatuur
 
Robert Shelton, ‘Bob Dylan: a distinctive folk-song stylist’, New York Times, 29 september 1961
Robert Shelton, ‘Folk songs draw Carnegie cheers. Bob Dylan appears as an ‘angry young’ recitalist’,
New York Times, 28 oktober 1963
‘Columbia reshuffles brass; Gallagher, Davis promoted’, Billboard, 7 augustus 1965
‘Columbia racks up best year’, Billboard, 2 april 1966
RichardGreen, ‘You Name Something, and I’ll Protest About It Said Bob Dylan’, Record Mirror, 14 mei 1966
Sue Clark, ‘Bob Dylan turns up for the Woody Guthrie Memorial’. Rolling Stone, 24 februari 1968
Jann Wenner, ‘The Rolling Stone Interview [met Bob Dylan]’, Rolling Stone, 29 november 1969,
Clive Davis, ‘Looking Ahead’, Billboard, 27 december 1969
‘Supersonic Boom’, Time, 29 september 1970
Craig Karpel, ‘Is rock going the way of Tin Pan Alley?’, New York Times, 20 juni 1971
Clive Davis, Clive. Inside the record business, New York 1975