Zoeken



 
De eerste helft van de jaren zeventig was een goede tijd voor de muziekindustrie. De jeugd had geld en stereo-apparatuur. Wie eerst opgegroeid was met het kopen van singles ging steeds meer stereo-elpees aanschaffen van zijn of haar favoriete artiesten.
   Nieuwe albums kostten rond de twintig gulden, dubbelalbums zoals ‘Exile on my street’ van de Rolling Stones (1972) gingen zelfs voor 42 gulden over de toonbank. Die hoge prijs bleek geen hinderpaal te zijn om de top te bereiken van een nieuwe hitparade: een lijst van de bestverkopende albums, die radio Veronica vanaf 1970 wekelijks publiceerde.
   Behalve nieuwe albums brachten de Nederlandse platenmaatschappijen bovendien voortdurend goedkope her-releases op de markt. Elk bedrijf had wel een mooie serie. Zelf was ik nauw betrokken bij de Superstarshine-serie van Polydor met artiesten als Bee Gees, Cream, Golden Earring, Earth & Fire, Supersister, Velvet Underground, Who, John Mayall, Eric Clapton, James Brown en ga zo maar door.

Een uitschieter was de formule ‘Alle dertien goed’ van Phonogram, jaar na jaar de grootste platenmaatschappij van Nederland. Honderdduizenden exemplaren werden van die voordelige albums verkocht. De markt voor popmuziek leek onstuitbaar te groeien. Een nieuwe succesvolle trend in de jaren zeventig was de disco-muziek die culmineerde in het dubbelalbum ‘Saturday Night Fever’ met muziek van de Bee Gees.
   Nederlandse ‘progressieve’ groepen deden het goed. Ze hadden zoveel aanhang dat ze in heel wat gevallen ook zonder een hitsingle goed voor de dag konden komen. Alweer uit eigen ervaring kan ik me de hoge verkoopaantallen herinneren van groepen als Alquin, Supersister en ook een gitarist als Harry Sacksioni (solo).
 

Exile On Main Street

 

Marketing in de seventies

 
Belangrijk was dat je de marketing van popalbums goed aanpakte. Van buitenlandse marketing-organisaties als K-Tel en Arcade leerde ik dat er van een album met tamelijk willekeurige bekende muziek meer dan honderdduizend stuks aan de man gebracht konden worden.
   Voor het eerst werden popliefhebbers als ik naar een (externe) marketingcursus gestuurd. In mijn geval heette de ‘docent’ Dave Clark. Ik heb de naam van de Brit zo goed onthouden vanwege de associatie met de Dave Clark Five, de groep van ‘Glad All Over’ en ‘Bits and Pieces’. In een klasje met collega’s uit totaal andere bedrijfstakken leerde ik hoe je niet alleen je (door de ervaring getrainde) muzikale smaak intuïtief kon volgen maar rationeel verder kon denken om zo het resultaat te optimaliseren.
   Ondanks de oliecrisis in 1973-1974 bleef het steeds beter gaan met het verkopen van popmuziek.
 

Reactie in Engeland

 
Popmuziek is in zekere zin onderhevig aan een permanente revolutie. Als je opgroeit is het niet ongebruikelijk dat je je afzet tegen een oudere generatie. Je ouders bijvoorbeeld hebben er ‘niets van begrepen’. De muziek die zij mooi vonden/vinden is per definitie achterhaald. Hun idolen zijn jouw idolen niet. De jeugd heeft steeds behoefte aan nieuwe favoriete artiesten.
   Met name in Engeland, zo komt het me voor, kwam er verzet tegen de succesvolle artiesten in de eerste helft van de jaren zeventig. Zoals altijd was er ruimte voor iets nieuws, iets anders. Eén van de nieuwe groepen heette de Sex Pistols. Zanger van de groep was John Lydon, geboren op 31 januari 1956 in Holloway, een wijk in Londen. Producer Joe Meek (1929-1967, ‘Telstar’, ‘Johnny Remember me’) opereerde er eerder. Gitarist Steve Howe (van Yes) was er in 1947 geboren. John Lydon ging zich Johnny Rotten noemen als zanger van de Sex Pistols.
 

Een nieuwe groep: de Sex Pistols

 


Malcolm McLaren, manager van de Sex Pistols

 
Popjournalist Jonh Ingham had al snel door dat er iets bijzonders aan de hand was met die groep. Op 24 april 1976 schreef hij: “De Sex Pistols bestaan vier maanden. Toch hebben ze al een geweldige aanhang. Hun manager, Malcolm McLaren, die de winkel ‘Sex’ runt, heeft voor een optreden een strip-club afgehuurd – de El Paradise Club in Soho, Londen”.
   Een bijzondere lokatie voor een popconcert. Dat besefte McLaren ook wel. “Maar als je een sfeer van anarchie en rebellie probeert te creëren, is er dan een betere plek?”
   Ingham gaf een beschrijving van het publiek in het piepkleine kale zaaltje, met een betonnen vloer, een bar en wat kapotte bioscoop-stoelen. “Flared jeans were out. Leather helped. All black was better. Folks in their late twenties, chopped and channelled teenagers, people who frequent Sex, King’s Road avant leather, rubber and bondage clothing shop.
   People sick of nostalgia. People wanting forward motion. People wanting rock and roll that is relevant to 1976”.

Het publiek was dus wars van nostalgie. Er moest iets nieuws komen, nieuwe muzikale ideeën. Voor de manager en de groep lag dat enigszins genuanceerd. McLaren had, kon je lezen, eerder zeven maanden in New York gewerkt als zakelijk leider van de New York Dolls. De jongens van de Sex Pistols waren geïnspireerd door Iggy Pop & de Stooges, de (vroege) Small Faces en de Who. Aan Roxy Music hadden ze een hekel. Wie van Bryan Ferry c.s. hield was er ‘in getrapt’.
   De leden van de groep blonken niet uit omdat ze zulke goeie muzikanten waren. McLaren vond de zang van Steve Jones zelfs ‘hopeloos’. Steve moest voortaan maar gitaar leren spelen. De eigenaar van de winkel ging zelf op zoek naar een andere voorman. Die vond hij in de persoon van John Lydon toen die zijn zaak binnen liep. In muzikaal opzicht blonk Lydon evenmin uit.
   Ingham: “John couldn’t sing but looked the part. He had never even considered joining a band”. In de winkel van McLaren en zijn partner Vivienne Westwood zou Lydon opgevallen zijn omdat hij een t-shirt droeg met de kreet ‘I hate Pink Floyd’ en zijn haar groen geverfd had.

De journalist van het blad Sounds wilde wel wat meer van de groep weten. Zolang de anderen aan het woord waren zat Lydon, 20 jaar, er een beetje verveeld bij. Maar op het moment dat zijn mening gevraagd werd veranderde dat van het ene moment op het andere. “The intensity level immediately leaps about 300 percent. He looks manic. ‘I hate shit. I hate hippies and what they stand for. I hate long hair. I hate pub bands’”.
   En alsof het nog niet genoeg was knalde hij er uit: “I’m against people who just complain about Top Of The Pops and don’t do anything. I want people to go out and start something, to see us and start something, or else I’m just wasting my time”.

John Lydon, die voortaan onder de naam Johnny Rotten door het leven ging, zette zich af tegen het bestaande. Dat bleek toen Ingham de groep zes weken later opnieuw ging bekijken. Hij duidde de Sex Pistols nu aan als ‘teen savages’ en het Britse antwoord op Captain & Tennille, die in die tijd grote hits hadden met positieve liedjes als ‘Lonely Night (Angel Face)’, ‘The way I want to touch you’ en vooral ‘Love will keep us together’. Rotten noemde hij ‘Youth guru’. Een goeroe voor de jeugd. De zanger zette zich volgens Ingham met name door zijn kleding deze keer af tegen Steely Dan en de Eagles.
 

Rebellie

 


Johnny Rotten in actie met de Sex Pistols, 1976

 
Met hun negatieve houding boekten de Sex Pistols steeds meer succes. In het weekblad Melody Maker publiceerde Caroline Coon een artikel over Johnny Rotten en zijn groep met als titel: ‘Punk Rock – Rebels against the system’. Rotten zette ze neer als een ‘generalissimo’.
   “Johnny Rotten, this malevolent third-generation child of rock ’n’ roll is the Sex Pistols’ lead singer. The band play exciting, hard, basic punk rock. But more than that, Johnny is the elected generalissimo of a new cultural movement scything through the grassroots disenchantment with the present state of mainstream rock.
   You need look no further than the letters pages of any Melody Maker to see that fans no longer silently accept the disdain with which their heroes, the rock giants, treat them.
   They feel deserted. Millionaire rock stars are no longer part of the brotherly rock fraternity that helped create them in the first place”.
   Voor een nieuwe generatie Britten was het hippie tijdperk voorbij. De artiesten van de Woodstock-generatie, als ze tenminste ondanks de drugs nog in leven waren, hadden zich volgens haar verrijkt en waren ingeslapen. Voor een nieuwe jeugd zouden hun dagen geteld zijn. Johnny Rotten en de Sex Pistols waren de pioniers van iets nieuws. Popmuziek hoefde niet meer mooi te zijn, mocht niet meer mooi zijn. Goed in het gehoor liggende, herkenbare songs, daar was geen behoefte meer aan. Het moest hard en rauw zijn.
   Caroline Coon: “Since January, when the Sex Pistols played their first gig, there has been a slow but steady increase in the number of musicians who feel the same way – bands like the Clash, the Jam, Buzzcocks, the Damned, the Suburban Bolts and Slaughter and the Dogs. The music they play is loud, raucous and beyond considerations of taste and finesse. As Mick Jones of the Clash says: ‘It’s wonderfully vital’”.
   Punk-muziek was in Groot-Brittannië geboren.
 

 
In zijn jaaroverzicht sputterde Robin Denselow van de Guardian nog tegen. Hij noemde 1976 ‘het jaar van Jackson Browne’. Tijdens zijn Europese toernee had de Amerikaanse artiest zijn publiek tot tranen toe ontroerd en op zijn vierde album ‘The Pretender’ liet Jackson zien dat hij zijn muzikale horizon steeds verder verbreidde. Andere artiesten die zich dat jaar goed gemanifesteerd hadden waren, volgens hem, onder meer Joni Mitchell, Joan Armatrading, Kate & Anna McGarrigle, David Bowie, J.J. Cale en Stevie Wonder.
   Denselow was zich in december 1976 goed bewust van de snelle punk-opkomst. Dat kwam vooral door de rol die de Engelse media speelden, was zijn mening. “In Britain, the media have suddenly been taken in by what may or may not be a genuine rebellious new movement called punk rock.
   In the past, the different waves of ‘wild new music’ (early rock ’n’ roll, the British R & B movement, psychedelia, or the underground) have reflected a lifestyle and also produced talent. The wild men have gone on to be respected, almost venerable figures - from Chuck Berry to Jagger and Zappa. Punk rock so far only reflects life-style (if even that) with no talent in sight”.
   Punk had muzikaal niets te betekenen vond hij. De redacteur van de Guardian eindigde zijn jaarlijstje dan ook met de opmerking: “Forget those boring Sex Pistols”.
 

EMI

 
De Sex Pistols werden in oktober 1976 gecontracteerd door platenmaatschappij EMI, het bedrijf dat eerder succesvol was geweest met het aantrekken van artiesten als Cliff Richard, Shadows, Beatles, Hollies, Animals, Herman’s Hermits, Beach Boys enzovoort. De eerste single van de Sex Pistols was getiteld ‘Anarchy in the U.K.’ – een afwijkende titel dus dan de EMI-hits ‘Living Doll’ (Cliff Richard), ‘I want to hold your hand’ (Beatles) of ‘Good Vibrations’ (Beach Boys).
   Bij EMI schrokken ze van wat het Sex Pistols-gedrag teweeg bracht. De BBC deed verslag op 6 januari 1977. Bij hun optreden in het ITV-programma ‘Today’ hadden ze ‘strong language’ gebruikt. Er was blijkbaat meer voorgevallen. “Reports that they had sworn at Heathrow Airport staff and spat at each other while waiting to board a plane for the Netherlands yesterday proved to be the final straw”. Voor een respectabel bedrijf als EMI zat er weinig anders op dan het contract stante pede te verbreken. In een officiële verklaring werd gesteld: “EMI feels it is unable to promote this group’s records in view of the adverse publicity generated over the past two months”.
   Manager Malcolm McLaren reageerde telefonisch vanuit Nederland. Ten onrechte had EMI gesuggereerd dat er overeenstemming was over het vertrek van de groep bij EMI. “In Amsterdam preparing for a series of concerts and recordings, McLaren told the BBC: ‘That’s rubbish. I haven’t signed a single paper - as far as I’m concerned, we’re still on EMI’”.
   Volgens de BBC had Robert Adley, parlementariër van de Conservatives, op 5 januari een brief geschreven aan EMI-directeur John Read (1918-2015) met daarin de zin: “Surely a group of your size and reputation could forgo the doubtful privilege of sponsoring trash like the Sex Pistols”. Read werd bovendien door zijn aandeelhouders aangesproken. In het distributiecentrum van EMI wilde het personeel de Sex Pistols-platen niet meer inpakken en verzenden.
 
Muziekkrant Oor deed een paar dagen later verslag vanuit Amsterdam. Graham Fletcher van EMI, die de groep begeleidde, liet weten: “Het is natuurlijk begonnen met de televisie-affaire, waarin de bandleden nogal erg ruwe taal gebruikten. Daarnaast krijgt EMI, een onderneming die uit meerdere bedrijven bestaat (naast EMI Records is er ook een EMI Medical Services en EMI Military Services) klachten van klanten uit andere vertakkingen van de ondernemingen. EMI is een onderneming die over de hele wereld goede zaken doet en we zullen The Sex Pistols niet toestaan die goede naam door het slijk te halen”.
   Ook in Amsterdam waren er incidenten, was in Oor te lezen. Johnny Rotten, die samen met de andere Sex Pistols in hotel Wiechmann logeerde, zou Fletcher gevraagd hebben of ‘de lunch die hij [in het Pulitzer-hotel] verorberde wel te vreten was en schreeuwde vervolgens luidkeels om de kroegbaas’. De EMI pr-man ‘siste met een van verontwaardiging vertrokken gezicht: ‘Als je niet normaal om de ober kunt vragen zet ik je persoonlijk uit dit hotel’’. Tijdens de tv-opname (voor het programma Disco Circus van de Tros) zag een verslaggever van Oor Johnny Rotten op de grond spuwen.
 

Peter van Bruggen bij Johnny Rotten in Londen

 
Johnny Rotten was een interessant persoon voor de media, of hij nou kon zingen of niet. Peter van Bruggen van Oor reisde naar Engeland om de zanger in zijn eigen omgeving op te zoeken en te interviewen. Maar eerst ging hij er naar een paar optredens kijken.
   Zijn mening: “Johnny Rotten is een ongelooflijke verschijning. Hij is niet erg lang, mager, heeft naar voren wijkende boventanden en rood-oranje rattenhaar. Als hij op het podium staat hangt hij graag aan de microfoonstandaard, waarvan de basispoten zijn verwijderd, zodat je een soort moderne herdersstaf overhoudt, en leunt dan met zijn hoofd op de linkerarm, om het publiek op zijn gemak en met immer provocerende oogopslag te bekijken.
   Hij doet dat niet vanuit de hoogte, als een ster, maar als een zanger van een dansorkestje die zijn plaats niet goed weet. Hij scheldt mensen die hem staan aan te staren uit, roept dat ze moeten dansen. In die ogen kan de uitdrukking van het ene uiterste in het andere schieten voor je het in de gaten hebt. Geamuseerdheid en felle agressie volgen elkaar snel op”.
   Een afspraak maken ging niet vanzelf. “Iedere buitenstaander wordt met meer reserve dan nodig is te woord gestaan. Een enkele cynisch opmerking, ‘Fuck off’, zei hij, toen ik hem die eerste avond in de ICA-Club voorstelde een vraaggesprek te hebben. Maar de volgende avond, in een danszaaltje, zat hij ineens naast me. Vriendelijk sarcasme, ik wist niet dat dat kon”.
   Ondanks dat was het regelen van een interview niet eenvoudig. “Ik kreeg ruzie met manager Malcom McLaren omdat ik hem geen exemplaar van Oor kon laten zien. Uiteindelijk spraken we af dat ik de volgende dag om elf uur op zijn kantoor zou zijn voor een interview met Rotten, die daar tegen die tijd aanwezig zou zijn”.
   Van Bruggen kwam niet in een business-omgeving terecht. “Een oud vies stinkend trappenhuis. Smalle gangetjes met verveloze deuren. Oude kauwgumresten op de deurknoppen”. Bij een buurman moest hij informeren of hij wel op het goede adres was. Dat was hij maar hij stond wel voor een gesloten deur. “Om kwart voor twaalf kwam er pas een meisje aanlopen. Ze pakte het halve litertje melk op, en deed de deur open”. Van Johnny Rotten en/of Malcolm McLaren geen spoor.
   De redacteur, helemaal uit Nederland gekomen, hield vol. “‘Bel die Rotten maar uit z’n bed’, stelde ik voor, en dat deed ze, met frisse tegenzin”.
   Een paar uur later zaten Peter van Bruggen en Johnny Rotten tegenover elkaar in een pub met veel protserige vergane glorie. “Hij gaf me een hand. Over zijn gezicht speelde even de beleefdheid van het kind dat oom op aandrang, ja onder pressie van zijn moeder, een handje geeft”.
 

Rotten aan het woord

 
Aan de lezers van Oor legde Peter uit dat hij de vele schokkende schuttingwoorden van Rotten uit het interview verwijderd had.
   Johnny had een bijzondere afkomst, noteerde hij: “Hoe het bij ons thuis was? Thuis? Ik kan me alleen nog maar herinneren dat ik twee jaar oud was en met m’n vader en moeder in de kroeg zat. Ons huis, dat was twee kamers. Met z’n zessen in twee kamers. Je kon niet bewegen. Als je uit bed sprong stond je op de televisie”.
   Leren of een mooi boeken lezen – dat was niet aan hem besteed, verklaarde hij. “Niet dat ouderwetse intellectuele gedoe. Ik pas ervoor. Geloof ook niet dat je dat nodig hebt. Als je maar genoeg boeken leest ga je precies als ieder ander denken. Uiteindelijk loop je dan allemaal dezelfde grijze brij-filosofie uit te dragen”.
   Het begrip ‘aanpassen’ leek bij hem niet te bestaan. “Je moet je goed bewust zijn wie je bent en wat je doet. Als iemand je opdracht geeft iets te doen en je gelooft er niet in, dan moet je het niet doen. Daarom ben ik van school afgetrapt. Ik luisterde niet naar de leraar. Ik heb ook met hem gevochten”.
   Wie wel gehoorzaamde deugde niet. “Je had natuurlijk idioten die braaf in hun bankjes bleven zitten. Die netjes alles opschreven. Die hadden geen eigen mening”.
   Buiten school om had Johnny toch lessen gevolgd en zelfs examen gedaan. Alleen het tekenen was hem slecht vergaan. “Ik wou geen fruitschalen tekenen. Ik tekende altijd moeder met kind, zo fotografisch mogelijk, met mooie donkere schaduwvlakken. Of ik tekende juist hele felle kleuren, die volgens de regels niet bij elkaar passen: groen en geel, groen en rood, kleuren die elkaars tegenovergestelden zijn. Ik gebruikte helle kleuren, en dat mocht niet. Ik had zo mijn eigen kleurenschema. En dat konden ze niet waarderen”.
   Johnny kon zich nog herinneren dat zijn ouders de Beatles mooi vonden. “Toen had ik net haar. Ik was zes of zo. De eerste platen die ik zelf kocht was het goedkope toptien-werk. Ik was toen [1968] twaalf. Van daaruit ben ik het zwaardere werk mooi gaan vinden. Velvet Underground en The Doors. Ik vond dat mooi omdat het eerlijke muziek was. Het gaf eerlijk weer hoe het leven is: deprimerend en eindeloos saai. The New York Dolls vond ik ook mooi, en The Stooges [Iggy Pop] en Captain Beefheart”.
 

Rotten over de topgroepen van het moment

 
Van vorige generaties rock-artiesten was niet veel terecht gekomen, was de mening van Rotten. “Al die ouwe rockers zijn nu erg arm. Ze hebben er geen big businees van gemaakt. Wij zijn dat ook niet van plan. We houden het allemaal in eigen handen en zullen wel zien wat er gebeurt.
   We hebben van die anderen geleerd. We hebben gezien hoe ze zich zelf voor de gek hielden, zichzelf verkochten. De Stones bijvoorbeeld, die heel langzaam in de ban van het geld raakten. Ze begonnen albums te maken om er mensen mee te plezieren, niet langer omdat ze graag muziek maakten.
   Led Zeppelin precies eender, en The Who, dat is nog wel het beste voorbeeld van hoe het niet moet. Die maken tegenwoordig folksongs geloof ik. Als ik nou van jou hoor hoe Mick Jagger zich na de show omkleedt, en van zijn rock ’n’ roll outfit in een zakelijk drie deels kostuum stapt, waar ben je dan mee bezig. Ik heb helemaal geen tijd om mijn podiumkleren aan te trekken. Ik sta altijd met vriendjes te praten in de zaal. Je moet jezelf even goed amuseren als de anderen. Ik zie het al: afrekenen, op de limousine wachten en in het kostuum naar huis”.
   De Sex Pistols traden in kleine zaaltjes op, de Stones en andere topgroepen in grote hallen. Contact met het publiek was er niet meer bij. Rotten: “Je kan de bands niet eens zien soms. Zoals met die optredens van de Rolling Stones. Het kan best geweest zijn dat ze niet eens gespeeld hebben, gewoon een bandrecorder afgespeeld hebben en wat kartonnen poppen over het toneel geschoven hebben. Niemand was er achter gekomen als ze dat gedaan hadden. Belachelijk.
   Al die grote installaties bovendien. Bullshit. Dertigduizend ton installatie. Ik heb zo de pest aan die star-trip. Ik bedoel: wij doen niet of we goden zijn. Wij komen niet naar optredens in grote Rolls Royces. We hebben er niets eens geld voor”.
   Terecht vergeleek Peter van Bruggen de voorman van de punkgeneratie met de zanger van de Rolling Stones in zijn begintijd. Hij vroeg Rotten: “Wat denk je: als ik Mick Jagger vijftien jaar geleden in deze kroeg gesproken zou hebben, zou hij dan niet net zo geklonken hebben als jij nu?”
   Het antwoord luidde: “Misschien, maar nu zou het jou in ieder geval niet meer lukken. Maar... ik weet dat niet hoor. Ik was er toen nog niet.
   Als het nu de bedoeling is dat wij dé band gaan worden voor de komende vijftien jaar dan pas ik, dan kunnen ze het wel schudden, met zo’n band wil ik niets te maken hebben”.
 

Punkgroep in een kapitalistische wereld

 
De zanger vertelde nog eens hoe hij bij de punkgroep gekomen was. Dat hij bij zijn bezoek aan de ‘Sex’-winkel zo maar gevraagd was. “Ik kon niet zingen, en was er ook niet in geïnteresseerd. Ik had wel eens songs geschreven, maar had geen flauw benul wat ik ermee moest doen. Die boetiek was zo’n beetje de enige boetiek die niet braaf met de mode mee ging. Als je een rubber t-shirt wilde dan kon je dat daar krijgen. Wilde je een heel rubber pak, ook geen probleem.
   Toen McLaren me voor de groep vroeg dacht ik eerst dat het een grapje was, en tijdens de eerste repetitie hebben we alleen maar schaapachtig naar mekaar zitten lachen. Ik zong niet, ik huilde als een weerwolf. Misschien komt er nog eens een dag dat ik kan zingen”.
   Het tweetal praatte ook over politiek, het zakenleven, platenmaatschappijen. Rotten nam geen blad voor de mond. “Dit land is tot stofnest verworden. Ik zie niet hoe de Conservatieven ons zouden moeten redden. Dus, het enige wat erop zit: de hele boel in de vernieling pleuren en weer overnieuw beginnen”.
 


Sex Pistols bij EMI

 
Bij EMI had de artiest de boel eveneens in de vernieling gepleurd, werd hem in de mond gelegd.
   Johnny ontkende het niet. “Ik mag er niet meer komen. Ladenkasten opengetrokken, op deuren geschreven en veiligheidsagenten beledigd, alle drank opgezopen. Nou mag ik ter niet meer in, alleen nog onder begeleiding. De domme lullen”.
   Toch wel bijzonder dat een groep als de Sex Pistols überhaupt met een kapitalistisch onderneming in zee was gegaan.
   Rotten: “EMI mag dan big business zijn. Wij worden nooit big business. Wij maken een plaat en brengen die uit. We houden zelf de publiciteitskant in handen, organiseren de opname-sessies zelf, alles. We boeken ook zelf de optredens”.
   Hun manager deed evenmin mee met de bestaande orde in de muziekbranche. “Malcolm McLaren is overal gehaat omdat hij geen respect voor de big business heeft. Hij doet het allemaal alleen, zonder de grote agenten. Hij komt niet bij de topmensen om hun hielen te likken en hun tips te geven in de hoop ooit een gunst te mogen vragen in ruil daarvoor. Zo doen wij het niet. Daarom haten ze ons. Veel optredens worden gesaboteerd, dan sturen bepaalde mensen brieven naar zaaleigenaren om te vertellen dat we alles kapot maken”.
 

Wensen voor de toekomst

 
EMI had de Sex Pistols aan de kant gezet. Hoe zou het verder gaan?
   Johnny Rotten: “We beginnen gewoon weer helemaal overnieuw. De mensen willen gewoon een leuke avond hebben. Ze willen niet op hun reet blijven zitten in van die gemakkelijke ligstoelen in grote hallen. Ik ben al vier jaar niet meer naar een groot concert geweest. Alleen nog naar bandjes als The Clash geweest. Ik kan me niet eens meer herinneren wat de laatste grote band geweest is die ik gezien heb. Ik haatte die concerten. De artiesten stonden zich te vergapen aan al dat publiek dat hun ijdelheid streelde. In feite kwam het erop neer dat het publiek er was om de artiest te amuseren. Walgelijk”.
   Rotten was duidelijk ten aanzien van zijn carrière. “Ik ben niet bang. Ik hou er gewoon mee op als het zover komt dat ik dingen moet doen die ik niet wil doen. Maar het begin is er al. De mensen zitten niet langer op hun luie reet en laten zien wat ze kunnen”.
   De zanger wist in wiens schaduw hij niet wenste te staan. “Neem nou Bryan Ferry. Die maakt nog liefdesliedjes en dat zal hij wel blijven doen zolang die kan. Allemaal tijdverspilling. Maar ja, er schijnen mensen te zijn die het mooi vinden”. Johnny ging verder: “Ik geloof niet in liefde. Liefde is een publiciteitsstunt van Bryan Ferry. Lust en hartstocht is het enige wat ik me bij liefde kan voorstellen. Verder gaat het niet. Sex? Dat is iets waar je tussen je twaalfde en twintigste vreselijk mee bezig bent”.
 


 Bryan Ferry (rechts) met Jerry Hall, later de partner van Mick Jagger

 
Rotten ontwikkelde naar eigen zeggen andere gevoelens. Zoals pijn verdragen. Dat bleek toen de redacteur van Oor brandwonden op zijn arm zag. Had hij gevochten?
   “Dat doe ik met sigarettenpeuken. Kijken hoe lang ik het uit houd. Hoe lang ik de pijn kan verdragen. Vind ik leuk. Het is mijn lichaam. Niemand heeft er iets mee te maken”.
   Andere mensen waren er om mee te vechten. Een van zijn favoriete spelletjes vroeger was stenen van boven naar rijdende auto’s gooien. Zijn agressie kon hij nu op het podium uitleven. “Ik vind het gewoon leuk, je agrressief voelen. Op het podium ben ik ook nooit zenuwachtig. Dat moet je ook niet zijn. Je moet geloven in wat je doet. Ik denk altijd maar: goed mensen, luister hier eens naar. En als je het niet mooi vindt, dan kan je naar de verdommenis lopen”.
   Terwijl hij dat vertelde knarstte hij agressief met de tanden, schreef Peter van Bruggen in Oor.   
   Johnny Rotten wilde geen tweede Mick Jagger of Bryan Ferry worden. Kon hij met zo’n instelling wel rondkomen?
   “Nee, praktisch niet. Ik heb niet eens een eigen kamer. Ik trek van kamer naar kamer – totdat ze me er weer uittrappen, zoals gewoonlijk. Maar mischien op een dag... heb ik een flatje”.
   Een buitenhuis, steeds meer de verblijfplaats van gearriveerde rocksterren, hoefde voor hem niet. “Ik ben met herrie opgegroeid. Iedereen zou toch gek worden als hij in totale stilte gezet werd? Buiten wonen. Al die stilte. Dat zou ik helemaal nooit kunnen”.
   Johnny Rotten had een mooi alternatief. Rijke popsterren hadden thuis een jukebox vol met met klassieke rock-platen. De pionier van de punk-muziek ging verder. “Ik zou wel in een grote ouwe kerk willen wonen. Dan kon ik de hele dag een platenspeler laten blèren. Dat zou mooi zijn”.   
 

Het vervolg: van artiest tot icoon

 
Op 10 maart 1977 tekenden de Sex Pistols een nieuw platencontract, deze keer met Derek Green van A&M in Londen. Bij die gelegenheid verklaarde de directeur. “Every band is a risk. All business is a risk. But the Sex Pistols, in my opinion, are less of a risk than most”. De overeenkomst duurde niet langer dan een week. Andere A&M-artiesten, als Rick Wakeman, waren in opstand gekomen. Volgens Rotten eindigde de overeenkomst in een vechtpartij waarbij een of meer ruiten sneuvelden.
   McLaren wist aan de houding van de platenmaatschappijen nog geld over te houden. EMI had waarschijnlijk 40.000 pond betaald bij het verbreken van de overeenkomst, A&M betaalde 75.000 pond. En dan te bedenken dat van de nieuwe single, ‘God save the Queen’, al 20.000 exemplaren door A&M geperst zouden zijn.
   Johnny Rotten was graag bereid om commentaar te geven. “I’m sick of the hypocrisy in this business. I think A&M’s whole attitude is disgusting. I think they’ve given us up through fear and business pressure. They’ve given us the money but it’s not any use. It will all go in tax. They’ve kicked us in the teeth.
   But we’re not grovelling. We mean what we say. There’s no compromise. A record company is there to market records, not to dictate terms. I’m not going to be dictated to by some little record company Hitler!”
   Richard Branson, de slimme zakenman, was in zekere zin de lachende derde. Virgin Records was er als de kippen bij om gebruik te maken van alle sensationele verhalen in de Britse media. Op 4 juni 1977 kwam ‘God save the Queen’ binnen op de Britse hitlijsten en steeg door naar de tweede plaats. Er volgden binnen twee jaar nog zes andere top 10-singles, zoals een nieuwe versie van ‘My Way’. In 1979 bereikten de Sex Pistols nog een derde plaats met hun bewerking van Eddie Cochran’s ‘C’mon everybody’.
   Het album ‘Never mind the bollocks. Here’s the Sex Pistols’, eveneens op Virgin, bereikte de nummer één positie in het najaar van 1977.
 


De doorbraak van de Sex Pistols, 1977

 
In de Oor pop-encyclopedie, uitgave 2010, worden de Sex Pistols omschreven als een ‘legendarische Engelse punkband die via de indrukwekkende persoonlijkheid Johnny Rotten haar generatie een stem geeft’.
   Ook in Engeland was een nieuwe generatie aan het woord. Rotten werd inmiddels met respect behandeld. Op 18 juli 2013 schreef Anthony Barnes in The Independent: “Punk pioneer John Lydon is to be honoured for his contribution to music at a respected music industry awards bash - following figures such as Bryan Ferry [! HK] and Ray Davies. The Sex Pistols frontman, known in his early days of fame as Johnny Rotten, will receive the Icon Award at the BMI London Awards in October. The award is given to songwriters who have had ‘a unique and indelible influence on generations of music makers’”.
   Lydon ontving de hoge onderscheiding, niet in een pub, maar tijdens een gala-diner in het Dorchester Hotel (Park Lane, Londen). Ter gelegenheid daarvan verklaarde Del Bryant, president van BMI (vergelijkbaar met de Nederlandse Buma): “John Lydon is a true icon whose influence on music, fashion and art has been felt around the world. We are very pleased to recognise his impact on popular culture and his outstanding musical contributions”.
 


Een prestigieuze erkenning voor de Punk-artiest, 2013

 
Harry Knipschild
24 april 2015

Clips

* Rolling Stones, Tumbling Dice (Exile on Main Street), 1972
* Captain & Tennille, Love will keep us together, 1975
* Jackson Browne, The Pretender, uit 1976
* Sex Pistols, Anarchy in the UK, 1976
* Bryan Ferry (met Jerry Hall), Let's stick together (origineel: Wilbert Harrison), 1976
* Sex Pistols, God save the Queen, 1977
* 'Sex Pistols', C'mon everybody, 1979 
* Malcom McLaren aan het woord, 1984
* Peter van Bruggen in 2013
* John Lydon (Rotten) accepteert de BMI Award, 2013 

 

Op 1 juli 2016 ontving ik een e-mail van Nicolette Boddy met een correctie die ik inmiddels in het artikel verwerkt heb.
 
Nicolette Boddy woonde in hotel Wiechmann toen de Sex Pistols er logeerden. Haar ouders waren eigenaar in 1977 (nu haar broer).
   Tijdens hun verblijf belde de BBC vanuit Londen om te vragen hoe het was om de Sex Pistols in huis te hebben. “Mijn moeder zei dat het prima was. De leden van de groep zaten te sjoelen en aten de koekjes die zij gebakken had, liet ze weten. Dat werd op de radio uitgezonden. Malcolm McLaren, de kleine manager van de groep, werd kwaad. Blijkbaar was dat slecht voor hun ‘slechte imago’”.
   Volgens Boddy waren de jongens juist gewoon aardig, vertelde ze in een e-mail. “Maar de mensen om de Sex Pistols heen waren minder prettig”.


     
Literatuur
 
Jonh Ingham, ‘The Sex Pistols are four months old’, Sounds, 24 april 1976
Jonh Ingham, ‘Sex Pistols, 100 Club, London’, Sounds, 5 juni 1976
Caroline Coon, ‘Punk Rock, Rebels against the system’, Melody Maker, 7 augustus 1976
‘Rock around 1976. Robin Denselow sums up the output in the year of Jackson Browne’, Guardian, 14 december 1976
‘EMI fires Sex Pistols’, BBC, 6 januari 1977
‘EMI breekt met Pistols’, Oor, 12 januari 1977
Peter van Bruggen, ‘Johnny Rotten: liefde is een publiciteitsstunt van Bryan Ferry’, Oor, 12 januari 1977
Caroline Coon, ‘Lou Reed Joins Pistols Furore’, Melody Maker, 26 maart 1977
Frans Steensma, Oor Pop-Encyclopedie, editie 17, Amsterdam 2010
‘Anthony Barnes’, Sex Pistols’ ‘Johnny Rotten’ John Lydon gets BMI honour’, Independent, 18 juli 2013
‘John Read – business man’, Daily Telegraph, 19 april 2015