Zoeken



In Turner wonen nog geen tweeduizend mensen. Het Amerikaanse dorp ligt in de omgeving van Salem, hoofdstad van de staat Oregon aan zee op de noordwest-kust. Op 7 januari 1981 waren er wat mensen bij elkaar, kon je een dag later lezen in de plaatselijke krant, de Statesman-Journal. Op het kerkhof, Twin City Oaks, vond rond het middaguur een eenvoudig gehouden begrafenis plaats. Midden in de winter was het er koud en mistig.
   Jan, broer van de overledene, las het Onze Vader en psalm 23. Jill, zijn zus, lid van de Seattle Opera verder weg in het noorden, zong in haar eentje ‘You’ll never walk alone’ en ‘Amazing Grace’, dat de Nederlander Karel H. Hille ten behoeve van Mieke Telkamp ooit vertaalde als ‘Waarheen waarvoor’. Jill was volgens verslaggever Howard Goodman een ‘strong soprano’.


 

 


De sobere plechtigheid in de kou hoefde niet lang te duren voor de in totaal dertig aanwezigen, familie en vrienden. Een aantal van hen plaatste zeventien rozen met lange stam op de eenvoudige grijzen doodskist.
    De rozen waren in zekere zin toepasselijk op die dag. De overledene had immers een song geschreven met de titel ‘Misty Roses’. Daarin de tekst:
            You look to me like misty roses
            Too soft to touch
            But too lovely to leave alone
            If I could be like misty roses
            I love you much
            You’re too lovely to leave alone


‘Misty Roses’ was op de plaat gezet door tal van artiesten, onder wie Sonny & Cher, Bobby Darin, Peggy Lee, Colin Blunstone van de Zombies, Cilla Black, Astrud Gilberto, Johnny Mathis, Fifth Dimension, Four Freshmen en het Modern Jazz Quartet. De naam van de componist was Tim Hardin, op 23 december 1941 geboren in Eugene, Oregon. Hij had ‘Misty Roses’ ook zelf gezongen op het Verve-album “Tim Hardin 1’ dat in 1966 verscheen.
 

 

Aanwezigen bij de uitvaart van Tim Hardin, 7 januari 1981

 

 
De verslaggever praatte nog wat na met het groepje mensen dat de moeite genomen had om bij de uitvaart aanwezig te zijn. Uit de mond van Neonta Small (86), de uit Turner afkomstige grootmoeder van de artiest, legde hij vast: “I can’t believe that he’s gone. He was so full of life and everything. I’m just really heartbroken his life had to end so soon. I’m hoping that people remember him as someone who gave joy to the people of this earth”.
   Tim was opgegroeid, noteerde Goodman op 7 januari 1981, in een muzikale familie. In Independence, Oregon, speelde zijn grootmoeder piano bij stomme films. Vader Hal was bassist. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had hij bij de marine in allerlei orkesten gespeeld. Daarna verdiende Hal zijn brood onder meer als makelaar in onroerend goed. Moeder Molly was violiste en en zelfs concertmeester(es) bij de Portland Civic Symphony. Maar hoe lang geleden was dat niet. Alleen zijn oude oma kon het nog navertellen.
   Kennissen legden de man van de schrijvende pers uit dat Tim een levendige man was geweest met een sterke persoonlijkheid en charme. “He spoke in a slow-drawled, easy-going voice that conveyed a sense of cool. He could be loose about appointments and self-deprecating when talking about his career”. Tim kwam niet altijd opdagen op plaatsen waar hij verwacht werd.
   Steven King, een oude vriend van Tim op de high school, haalde wat herinneringen op. “He was a free spirit and he had the talent”, wist hij. Op school in Eugene, Oregon, had Tim opgetreden in de musical ‘Carousel’. Bij die gelegenheid ontdekte hij in 1959 de song ‘You’ll never walk alone’. Na zijn schooltijd was Tim bij de krijgsmacht terecht gekomen. Twee jaar had hij, evenals zijn vader, bij de marine dienst gedaan.
 

 

Heroine bij de marine

 

 
Waarschijnlijk ging het nogal fout tijdens zijn diensttijd. Hardin kwam terecht in Okinawa, Japan, maar ook in Vietnam. Nadat de Fransen zich niet meer konden handhaven in Indochina namen de Amerikanen hun rol over. President Truman lanceerde de domino-theorie. De communisten zouden in Azië land na land in hun macht proberen te krijgen. Van president Kennedy is bekend dat hij ‘adviseurs’ stuurde om het gebied voor het westen te behouden. In werkelijkheid waren dat natuurlijk gewoon militairen. Misschien was Hardin wel zo iemand.
   Helemaal ongeschonden kwam Tim niet terug uit Zuidoost-Azië. Zijn commandant was het eerste dodelijke Amerikaanse slachtoffer in wat later de Vietnam-oorlog genoemd werd, schreef Len Epand later in de hoestekst op een van zijn elpees.
   Hardin zag, lees je steeds, de marine als een tweede gevangenis. Eerst zat je onder de plak bij je ouders. Eenmaal van huis moest je doen wat je in je diensttijd werd opgedragen. Drugs was een uitweg voor het te gedisciplineerde leven als militair. Hardin raakte in die tijd verslaafd aan heroine. “He was one of the many good men who disembarked from the east with a habit”, is over hem te lezen in een lang artikel van de hand van Colin Escott. In een interview met Ann Bardach vertelde Tim dat hij op school al morfine en ander spul wist te bemachtigen – gewoon, door het te stelen.
   Terug in het burgerleven (1961) probeerde Tim een leven als acteur op poten te zetten. Hij meldde zich in de kunstenaarswijk Greenwich Village (New York) aan bij de American Academy of Dramatic Art. Van zijn studie kwam niet veel terecht. Tim liet het regelmatig afweten bij de lessen. Het gevolg van zijn ongedisciplineerde optreden was dat hij eenvoudigweg van school gestuurd werd.        
 

 

Het tijdperk van de folkmuziek

 

 
Na zijn mislukte studie besloot Tim Hardin de muziek in te gaan, zoals andere leden van zijn familie al eerder gedaan hadden. Gitaar had hij leren spelen toen hij nog op school zat. In die tijd, het begin van de jaren zestig, was het mode om folksongs te zingen. Het Kingston Trio had in 1958 een wereldwijde hit met ‘Tom Dooley’ (op Capitol Records), een song die tientallen jaren eerder geschreven was. De albums van het Kingston Trio waren jarenlang absolute bestsellers. ‘The Kingston Trio’ bijvoorbeeld bereikte niet alleen de bovenste plaats op de verkooplijsten, maar bleef er maar liefst 195 weken (ruim drie jaar) in geklasseerd. Ook elpees als ‘From the Hungry I’ (178 weken), ‘The Kingston Trio at Large’ (118 weken). ‘Here we go again’ (126 weken), ‘Sold Out’ (73 weken) en ‘String Along’ (60 weken), haalden de top van de bestsellerlijsten.
 


Het eerste album 

 
De albums van de zwarte folkzanger Harry Belafonte waren al eerder bestsellers. ‘Harry Belafonte at Carnegie Hall’ (RCA), een nummer één album dat maar liefst 168 weken in de hitlijsten vertoefde, werd door de Nederlandse platenmaatschappij Inelco opgepakt om voor slechts ƒ9,90 in de winkel verkocht te worden. In ons land werden meer dan honderdduizend exemplaren van ‘Harry Belafonte at Carnegie Hall’ verkocht.
   Het was het tijdperk van folkmuziek. Acts als de Highwaymen (‘Michael row the boat ashore’), Rooftop Singers (‘Walk right in’), New Christy Minstrels (‘Green Green’), Brothers Four (‘Greenfields’), Pete Seeger (‘Turn Turn Turn’)  en de dodelijk ziek geworden Woody Guthtrie (‘This land is your land’) wisten met hun liedjes een groot publiek te bereiken, vooral op de Amerikaanse universiteiten. In de persoon van Bob Dylan en Joan Baez deed bovendien een generatie met nieuwe ideeën van zich horen. In die wereld kwam Tim Hardin terecht.
   Aanvankelijk verplaatste Hardin zijn werkterrein naar Boston. Aan de Harvard Universiteit daar was Timothy Leary werkzaam, de grote propagandist van LSD en andere psychedelische middelen. Of de sfeer op Harvard van invloed was bij Tim is niet helemaal duidelijk. Aan Penny Valentine vertelde Tim over zijn verblijf daar in elk geval wel: “When I started I was a terrible guitar player. Six months after I started I was broke so I gave lessons to college kids to make money”.
   Omdat Tim zich niet goed genoeg voelde om een adequate uitvoering te geven aan de composities van artiesten die hij beter vond dan zichzelf begon hij, uit nood geboren, zelf maar eigen eenvoudige liedjes te schrijven. “I started out writing my own material because I wasn’t good enough to cope with anyone else’s involved arrangements. That’s why my songs are simple”.
 

Singer-songwriter

 
Over het begin van de carrière van Tim Hardin, zeker over opnamen die hij in omstreeks 1962 maakte en later door platenmaatschapij Atco/Atlantic als ‘This is Tim Hardin’ in de handel gebracht werden, is niet veel bekend. De muziek werd opgenomen door Daniel Flickinger. Gedeeltelijk was het bestaand blues- en folk-materiaal, zoals ‘Hoochie Coochie Man’ (Willie Dixon, Muddy Waters), ‘Blues on the ceilin’ (Fred Neil) en ‘House of the Rising Son’ -  maar ook ‘Cocaine Bill’, een loflied op het gebruik van cocaine. In die song zong Hardin: “I feel much better when I feel me smoke cocaine. Cocaine got the best in me. Cocaine is gonna run my heart and brain. How I love cocaine!”
   Tim Hardin kwam opnieuw terecht in Greenwich Village, in clubs als de Night Owl en The Bitter End. Nu niet als student, maar als uitvoerend artiest. Eén van de mensen met wie hij in contact kwam was John Sebastian, kort daarna leider en liedjesschrijver van de Lovin’ Spoonful.
 

 
Over Hardin vertelde John Sebastian: “De eerste keer dat ik Timmy Hardin hoorde dacht ik meteen: ‘Die man is een genie’. Timmy kwam in 1963 of 1964 naar de Village. Hij had me horen spelen tijdens mijn optreden [als mondharmonica-speler] bij Fred Neil. Tim kwam me thuis opzoeken kort na zijn aankomst.
   De dag erna zou hij opnamen voor een plaat maken. Tim legde uit: ‘John, je speelt geweldig. Morgen zul je nog beter zijn want dan speel je samen met mij’. Een typische Tim Hardin-opmerking. Hij liep altijd over van zelfvertrouwen. Maar gelijk had hij. Ik heb nooit beter gespeeld dan tijdens die plaat-sessie.
   In die tijd probeerde iedereen zijn ego een beetje weg te stoppen. Het was het begin van de hippie-periode. ‘Peace’ en ‘love’ waren in trek. Timmy was evenwel anders. Hij gedroeg zich zeer agressief en extrovert. Omdat hij zo’n goeie songwriter was kon hij zich dat permitteren. Heroine speelde eveneens een dominante rol in zijn bestaan toentertijd”.
   De carrières van Tim Hardin en John Sebastian liepen enigszins parallel halverwege de jaren zestig. Beiden werden zakelijk en muzikaal begeleid door Charles Koppelman, Don Rubin en Erik Jacobson. Het was dan ook niet onlogisch dat Sebastian mondharmonica speelde tijdens de studio-opnamen van Tim Hardin, die door Jacobson geproduceerd werden.
   Ook Jacobson kreeg trouwens al snel te maken met het drugs-gebruik van Hardin. In een interview vertelde hij dat de eerste woorden die Tim tot hem richtte waren: “Do you know where I can get any shit?” Maar al snel viel ook hij voor de songs en unieke stem waarmee Tim Hardin zich in de Village presenteerde. “All you’ve got to do is listen to a couple of his songs. He could not sing a bad note” waren de woorden van Jacobson.
   Toen de Lovin’ Spoonful doorbrak met eigen liedjes als ‘Summer in the city’, ‘Rain on the roof’ en ‘What a day for a daydream’ verklaarde Hardin dat hij het was die John Sebastian het vak geleerd had. “What he’s doing is something I already did, but he’s making it and I’m happy for him”.
 

Tim Hardin op Verve Forecast

 
Koppelman, Rubin en Jacobson wisten de groep van John Sebastian, Lovin’ Spoonful, onder te brengen bij Kama Sutra, dat gedistribueerd werd door MGM Records. De platen van Tim Hardin verschenen bij Verve Records, eveneens onder de koepel van MGM. Die platenmaatschappij stond enkele jaren eerder vooral in de belangstelling met Connie Francis en en Roy Orbison. MGM reserveerde het voormalige jazz-label Verve nu voor progressieve popmuziek. Op Verve verschenen albums van de Velvet Underground en de Mothers of Invention. Het leek er zelfs even op dat ook Bob Dylan bij die maatschappij zou gaan tekenen.
   Tim Hardin was een vroege Verve-popartiest. In juli 1966 verscheen het album ‘Tim Hardin I’ op Verve Forecast. De opnamen waren in 1964 en 1965 onder leiding van Jacobson gemaakt. In april 1967 was de release van ‘Tim Hardin 2’ met Jacobson, Rubin en Koppelman als producers en Jerry Schoenbaum (manager van Verve Forecast) als ‘executive producer’. Het lijkt erop dat sommige nummers overgebleven waren van de eerste sessies. Andere tracks waren waarschijnlijk eigen opnamen die Tim per post naar zijn platenmaatschappij stuurde als hij er tevreden over was.
 

 
Op het eerste album, met uitsluitend songs van Tim Hardin, werden ‘How can we hang on to a dream’, ‘Misty Roses’, ‘Never too far’, ‘Part of the wind’, ‘It’ll never happen again’, ‘Don’t make promises’ en ‘Reason to believe’ vastgelegd. Op ‘Tim Hardin 2’ vinden we de Hardin-songs ‘Tribute to Hank Williams’, ‘Black sheep boy’, ‘The lady came from Baltimore’ en ‘If I were a carpenter’.
   Hank Williams was een bron van inspiratie voor Tim Hardin. Hun levens liepen parallel besefte hij goed. Alle twee waren ze verslaafd. Als Tim over Hank Williams praatte, had hij het ook over zich zelf. In een interview verklaarde Hardin: “He had an absolute lack of pretension. He sung without any pretension at all – just honest. Like, ‘Your cheatin’ heart will tell on you’. The moment you hear it, it becomes implanted on your mind”.
 
Achteraf bekeken waren de sessies voor Verve Forecast (1964-1966) het hoogtepunt in de (platen)-carrière van Tim Hardin. De stem van de artiest had, anders dan bij de eerder genoemde opnamen, een bijzondere klank en vibrato. Mensen uit de muziekbusiness, ikzelf [HK] zeker niet uitgezonderd, en artiesten overal in de westerse wereld waren er verrukt van.
   Carolyn Hester, die eerder met Bob Dylan gewerkt had, nam meteen ‘Reason to believe’ op. Aan de pers vertelde de folkzangeres: “Tim is one of those guys who’ve been around, sort of underground, for a long time and everyone knows him, but now his songs are getting very well known”.
   De single van Hester werd geen hit. Anders was het met Bobby Darin, de zanger die al grote hits als ‘Splish Splash’, ‘Dream Lover’, ‘Mack the Knife’, ‘Things’ en ’18 Yellow Roses’ op zijn naam had staan. Mede door de ‘British Invasion’ in 1964 was de carrière van Darin weggezakt. Bobby maakte in het najaar van 1966 echter een geweldige comeback met ‘If I were a carpenter’. Met de Tim Hardin song bereikte hij eindelijk weer eens de Amerikaanse top tien. De single verscheen op Atlantic, dezelfde maatschappij die ook de oude opnamen van Tim Hardin op de markt bracht.
   Voor het eerst was een compositie van Hardin een groot succes. Maar, zoals het er eerder bij Bob Dylan aan toeging, Tims liedjes werden hits in de uitvoering van anderen. Als vertolker van zijn eigen liedjes had Tim Hardin geen succes. Zijn singles ‘How can we hang on to a dream’ en ‘If I were a carpenter’ flopten.


Het Engelse tijdschrift Melody Maker besteedde niet al te veel, maar wel tamelijk kritische, woorden aan ‘Tim Hardin 1’. “One of the most promising - and rapidly emerging - young songwriters to have moved in recently, Hardin made his name with ‘If I Were A Carpenter’ and follows up Bobby Darin’s hit record with an album containing twelve more original Hardin compositions. His lyrics and melodies are soft, cool, romantic, philosophical but sometimes just not convincing enough. Undoubtedly Hardin is important but the majority of this material lacks the confidence that could make him a sensation. ‘Hang On To A Dream’, taken from this album for a single, is beautiful - no trouble there – it’s a classic. But Tim isn’t projecting or thinking on quite the right lines to sweep the world”.
   De twee albums, met al die nu klassiek geworden songs, hadden in de jaren 1966-1968 nauwelijks impact bij het platenkopend publiek. Je komt de naam Tim Hardin dan ook niet tegen op de bestsellerlijsten van albums of singles.
   Met de songs van Tim was het anders. ‘If I were a carpenter’ alleen al werd drie keer achter elkaar een hit. Bobby Darin scoorde ermee in 1966, de Four Tops in 1968, Johnny Cash en June Carter samen in 1969. De versie van de Four Tops haalde een vierde plaats in de Nederlandse top 40.
 

 

Colin Escott over Tim Hardin

 
In zijn lange artikel vertelde Colin Escott dat Eric Jacobson aan Tim Hardin aanvankelijk vijftig dollar betaalde voor elke song die hij schreef – met tenminste twee coupletten en een refrein. Je vraagt je af wat dat betekende. Had Hardin het geld zo hard nodig om aan ‘shit’ te komen? Deed Tim door zijn liedjes te verkopen aan muziekuitgeverij Faithfull Virtue geheel of gedeeltelijk afstand van zijn rechten als componist?
   Escott onthulde dat Jacobson zijn ontdekking in eerste instantie aanbood aan Columbia (CBS) Records. De auditie liep echter op een mislukking uit. Een artiest als Hardin paste anno 1965 nauwelijks bij het bedrijf dat zich voornamelijk bezig hield met middle of the road muziek. Hoe het op die auditie verliep laat zich raden. “It was the counter-culture meets Columbia Records. Hardin was smoking pot, then he went to the bathroom, came back and passed out. It was a nightmare”.
   Het bedrijf van Jacobson dat de boekingen van de artiest verzorgde heette Sweet Reliable Productions. Een slechtere naam was in dit geval nauwelijks denkbaar volgens Escott. Je wist immers nooit of Tim Hardin zou komen opdagen.
   Escott: “Het is oud nieuws dat bij een verslaafde werkelijk alles ondergeschikt is aan die verslaving. Hardin was zo iemand. Aan vrouwen vertelde Tim dat hij van ze hield en songs voor hen schreef. Dan wist hij hun credit card te pakken te krijgen en verdween vervolgens weer uit hun leven”.

Tijdens een verblijf in Los Angeles op de Amerikaanse westkust in 1965 ontmoette Tim de rijke actrice Susan Morse. Susan, afkomstig uit Vermont en New Jersey, werd de liefde van zijn leven. Ze was de dochter van een familie met ‘oud geld’. Haar vader was generaal-majoor in het leger geweest en nu officier van justitie. Tim was verheugd om in een dergelijke familie opgenomen te worden. Zijn schoonvader vond het echter maar niets dat zijn dochter met zo’n figuur thuiskwam.
   Susan was de inspiratie voor een nieuwe song, ‘The Lady came from Baltimore’. Vanwege het rijm noemde hij haar Moore in plaats van Morse en om dezelfde reden werd de stad waar ze vandaan kwam omgedoopt in Baltimore. In de tekst leefde Hardin zich uit ten opzichte van zijn schoonfamilie. “The lady came from Baltimore. All she wore was lace. She didn’t know that I was poor. She never saw my place. I was there to steal her money, take her rings and run. Then I fell in love with the lady, got away with none. The lady’s name was Susan Moore, Her daddy read the law. She didn't know that I was poor. And lived outside the law. Her daddy said, I was a thief. And didn't marry her for love. I was Susan's true belief. Married her for love”.
 


Tim Hardin met Susan en Damion

 
Bobby Darin, die van ‘If I were a carpenter’ een hit gemaakt had, was er als de kippen bij om ook ‘The lady came from Baltimore’ op de plaat te zetten. En opnieuw wist hij te scoren.
   Bob Dylan leek het wel mooi te vinden dat Peter, Paul & Mary, Stevie Wonder of de Byrds zijn songs de hitparade opzongen. Bij Tim Hardin was dat absoluut niet het geval. Susan gaf een voorbeeld. Ze was erbij toen Tim zijn eigen song ‘If I were a carpenter’ voor het eerst hoorde in de versie van Bobby Darin. Het was pure imitatie zei hij woedend. Bobby zong volgens hem gewoon met zijn eigen plaat mee. Susan Morse: “Tim and I were out driving. Then ‘If I Were A Carpenter’ [van Bobby Darin] came on the radio. The brakes screeched. The door slammed. He was stomping on the side of the road, screaming and swearing”.
   Tim Hardin, zo lijkt, haatte Bobby Darin tot in het diepst van zijn hart.
 

Rudy Bennett zingt twee nummers van Tim Hardin

 
In Nederland gebeurde ongeveer hetzelfde. Ook in ons land was de muziek en zang van Tim Hardin zeer populair bij een beperkt aantal artiesten en mensen uit het vak. Maar veel verkoop van zijn platen was er niet.
    Freddy Haayen, op dat moment labelmanager bij Polydor, kwam met een plan om Hardin in Nederland bekend te maken. Behalve labelmanager was hij tevens producer van de Golden Earrings, Rudy Bennett was zanger van een andere Haagse topgroep, de Motions.
   Op 19 maart 2015 vertelde Rudy: “Freddy Haayen benaderde me eind 1966 met het verzoek om als solo-zanger de Tim Hardin songs ‘How can we hang on to a dream’ en ‘Reason to believe’ op de plaat te zetten.
   Wim Jongbloed maakte de arrangementen en speelde piano tijdens de opname. Als ik me goed herinner namen we op in de Bovema-studio in Heemstede. Het ging allemaal een beetje in het geheim. Freddy was immers tevens de producer van de Earrings en die zouden het niet waarderen dat hij ook met de zanger van de Motions in zee ging”.
   In de pop-pers las je in 1966 heel andere dingen. Rudy zou een solo-contract met Decca getekend hebben voor de Engelse markt. In het blad Kink was te lezen: “Motions-zanger Rudy Bennett heeft [in Londen] een solo-plaat opgenomen voor de Engelse markt. Gesteund door een select groepje strijkers van middelbare leeftijd heeft hij twee romantisch-poëtische werkjes van ‘If I were a carpenter’-componist Tom Hardin op de plaat gezet: ‘Hang on to a dream’ en ‘Reason to believe’, beiden van Hardin’s elpee. De plaat zal niet in Nederland worden uitgebracht. Manager Cees van Leeuwen: ‘Wat Fred Haayen van Polydor op die foto doet. Dat is gewoon een vriend van ons. Die kwam gewoon uit belangstelling even kijken’”.
   Rudy Bennett, maart 2015: “Die verhalen kloppen niet. Ze waren bedoeld om extra aandacht tot stand te brengen”. Rudy vertelde tevens dat het YouTube filmpje van zijn hit uit 1967 door Andries Roest voor de NRCV-tv was vastgelegd in een afgebrand schoolgebouw in het Gooi.
   De in Amerika geflopte eerste Tim Hardin single ‘How can we hang on to a dream’ werd in Nederland een zeer grote hit in de uitvoering van Rudy Bennett. De voormalige Motions–zanger bracht het nummer op 7 maart 2015 in Volendam, begeleid door gitarist Jan Akkerman. Het werd even stil in Pius X. Heel wat mensen begonnen spontaan mee te zingen. Ze kenden de tekst uit hun hoofd. Anderen haalden hun digitale camera tevoorschijn en liepen ermee naar het podium om Rudy’s bijzondere interpratatie van de Tim Hardin-song vast te leggen.
 

 

Het hoogtepunt voorbij

 
Op Verve verschenen nog meer opnamen van Tim Hardin. Zoals gezegd, de artiest maakte ze zelf en stuurde ze naar Jerry Schoenbaum van Verve. In die tijd probeerde Tim van zijn drugsverslaving af te komen. Hij zou namelijk vader worden. Op 28 februari 1967 werd zijn zoon Damion geboren.
   Tim woonde weer een tijdje in Eugene bij zijn familie. Thuis voelde hij zich niet begrepen. Dat verwoordde hij in de song ‘Black Sheep Boy’, met de woorden: “Here I am back home again. I'm here to rest. All they ask is where I've been. Knowing I've been West. I'm the family's unowned boy. Golden curls of envied hair. Pretty girls with faces fair. See the shine in the Black Sheep Boy. If you love me, let me live in peace. Please understand. That the black sheep can wear the golden fleece. And hold a winning hand”. In plaats van af te kicken raakte hij in Eugene juist weer verslaafd aan heroine.
   Eric Jacobson gaf het op om nog langer de zaken van Tim Hardin te behartigen. Het werd steeds onzekerder of de artiest wel kwam opdagen bij een door hem te geven concert. En mocht hij komen, dan wist je nooit hoe dat verliep. In Philadelphia struikelde hij over het toneel, maakte domme grapjes over ‘zijn vriend Bacardi’ en bracht weinig terecht van de interpretatie van zijn eigen songs. In Chicago leende hij de credit card van de zaaleigenaar om aan fatsoenlijke kleding te kunnen komen. Toen de rekening binnenkwam bleek dat de artiest vijf dure pakken gekocht had. Op één na had hij die doorverkocht om ‘dope’ aan te schaffen. Tijdens het eerste optreden van een Britse toernee stuurde hij zijn begeleiders op het podium de laan uit. De rest van de toernee ging niet door. Op het Woodstock-festival in 1969 verborg hij zich overdag onder het toneel. Pas toen het donker werd wilde hij te voorschijn komen om zijn songs ‘If I were a carpenter’ en ‘Misty roses’ uit te voeren.
   De artikelen over Tim Hardin staan vol met dat soort verhalen, het ene nog triester dan het andere. Zijn leven moet een puinhoop geweest zijn - als je leest wat er over hem geschreven werd. 
 
Clive Davis, de nieuwe directeur van CBS Records, was bereid Tim Hardin onder contract te nemen. Zo verscheen in 1969 het album ‘Suite for Susan Moore and Damion’. Hardin ging nu echter ook weer repertoire van anderen zingen, zoals ‘Bird on a wire’ van Leonard Cohen. Een van zijn covers leverde hem zelfs zijn enige hit op, het liedje ‘Simple Song of Freedom’. Die hit was geschreven door Bobby Darin...
   Tim Hardin moet ook nog eens in Nederland geweest zijn. Op YouTube vond ik een Top Pop opname van ‘Shiloh Town’ uit 1973. Het filmpje is inmiddels weer verdwenen.
   In het artikel dat op 8 januari 1981 in de krant van Salem verscheen was nog een en ander over de laatste jaren van Hardins bestaan te lezen.
   Susan Morse had hem inmiddels verlaten. Ze hadden enkele jaren samen gewoond alvorens te trouwen. Maar twee weken na het huwelijk was ze bij hem vertrokken. Susan en Damion waren wel bij de uitvaart aanwezig. Janet Kaufman, een van de vele andere vrouwen uit zijn leven, was eveneens naar Turner gekomen.
   In 1975 had Tim een nieuwe poging gedaan om thuis in Eugene bij zijn ouders van de hard drugs (en de ernstige fysieke gevolgen ervan) af te komen. Financieel zat hij helemaal aan de grond maar sinds die tijd, aldus de redacteur van de krant tenminste, was hij eindelijk ‘clean’. In Eugene had hij bovendien een ‘homecoming’ concert gegeven. Aan een student, die erbij was en er een artikel over schreef, had Hardin geklaagd over slecht management en rechtszaken. Hij was niet eens eigenaar van zijn eigen liedjes.
   Kort voor zijn dood zou Tim Hardin zich optimistisch uitgelaten hebben, hoorde de journalist van de familie. Hij had weer een stel songs geschreven. Er waren plannen voor de opnamen van een nieuw album. Don Rubin, een van zijn zakenbehartigers in de sixties, was er bij betrokken. Door de dood van de zanger, op 29 december 1980 in Los Angeles, was er evenwel niets meer van gekomen.
   Een van zijn vrienden, Hugh Romney, had in in de Troubadour (Los Angeles) op 4 januari 1981 nog een herdenkingsbijeenkomst georganiseerd. Driehonderd mensen waren komen opdagen. Vanuit Los Angeles ook stuurde Romney een condoleance-telegram naar Oregon met de tekst: “The black sheep boy is free at last. Good grief”. Het zwarte schaap uit de familie Hardin was eindelijk vrij, luidde de boodschap.
 


Foto gemaakt bij de ingang van The Bitter End in Greenwich Village (28 oktober 2013, Margaretha Suman)

 
Harry Knipschild
28 maart 2015

Clips

* Kingston Trio, optreden in Perry Como-show, 1960
* Rudy Bennett, How can we hang on to a dream, 1967
* Four Tops, If I were a carpenter, België, 1967
* Tim Hardin, Tribute to Hank Williams
* Bobby Darin en Stevie Wonder, If I were a carpenter, 1969
* Tim Hardin, If I were a carpenter, Woodstock, 1969
* John Sebastian, Darling be home soon, Woodstock, 1969
* Tim Hardin, Simple song of freedom
* Tim Hardin, The lady came from Baltimore
Zoeken naar Eileen, Nederlandse speelfilm, 1987
* Colin Blunstone, Misty Roses, Haarlem, 2011
* Lloyd Cole, The lady came from Baltimore, Amsterdam, 2011
* Neil Young, Reason to believe, 2013
* Zingen bij het graf van Tim Hardin, 2013
Brits Tim Hardin tribuut, 2013
      
Literatuur
Karl Dallas, ‘Carolyn Hester: Not Ashamed To Do Some Folk Rock’, Melody Maker, 15 oktober 1966
‘Motions-zanger Rudi solo in Engeland. Contract met Decca’, Kink, 10 december 1966
Recensie ‘Tim Hardin: I (Verve)’, Melody Maker, 24 december 1966
Penny Valentine, ‘Tim Hardin Talking Of Life’s Raw Deal’, Disc and Music Echo, 20 juli 1968
Jacoba Atlas, ‘Tim Hardin’, Hullabaloo, oktober 1968
Tom Nolan, ‘Tim Hardin: Hobnobbin’ With The Superstars’, Rolling Stone, 19 april 1969
Penny Valentine, ‘Contemporary Songwriters: Tim Hardin’, Sounds, 27 februari 1971
Ann Bardach, ‘The heavy heart of Tim Hardin’, september 1980, Wet Magazine
Howard Goodman, ‘Folksinger Hardin’s dream of comeback’, Statesman-Journal , Salem, Oregon, 8 januari 1981
Len Epand, hoestekst ‘Tim Hardin Memory Album’, Polydor, 1981
Colin Escott, ‘Tim Hardin: Poet Of The Interior’, Goldmine, 24 juni 1994
Pete Fornatale, Back to the garden. The story of Woodstock, New York 2009