Zoeken



 
Rond het jaar 2000 besteedde Michel Verstegen in Warm Sounds aandacht aan de geschiedenis van de Nederlandse platenmaatschappijen. In het blad praatte de redacteur met mensen die zo’n bedrijf groot gemaakt hadden, directeuren en/of eigenaren. Bij Polydor, per 1 oktober 1964 losgemaakt van Siemens, was dat echter nauwelijks het geval. Met veel moeite wist Verstegen in 2003 een drietal mensen op te sporen die in de begintijd hun steentje hadden bijgedragen aan de snelle opkomst.
   Eén van hen was Nico van Biemen. “In 1964 solliciteerde ik op een advertentie van de nieuw op te zetten firma Polydor. Dat was voor de functie van calculator voor het berekenen van opnamekosten, wat er verkocht moest worden om break even te spelen en dergelijke. Marktonderzoek viel daar ook onder.
   Siemens was van origine een Duits bedrijf en de Nederlandse vertegenwoordiging had wel verstand van ijskasten en aanverwante, maar de platenkant hing er maar een beetje bij. Het was een nogal verouderd gebeuren. De bezigheden beperkten zich in hoofdzaak tot het importeren van gereed product van Duits repertoire en met name klassiek op Deutsche Grammophon”.
   Philips-man Joop Buinink werd de eerste directeur van het onafhankelijke Polydor. Van Biemen: “Met een kleine groep gingen we van start. Na verloop van tijd begon het bedrijf enorm te groeien. James Last werd een van onze belangrijkste artiesten. We verkregen het Atlantic-label en rhythm & blues verkocht als een raket. Toen kwam Woodstock en brak er een gouden periode aan”.
 


Receptie t.g.v. oprichting Polydor Nederland, oktober 1964
Directeur Joop Buinink, derde van rechts

 
Fons Witteveen, uit Baarn, was eveneens medewerker van het eerste uur. “In mijn vakantietijd reed ik ritjes in het taxibedrijf van mijn broer. Vaak waren dat mensen van Philips. Op een van die ritten vervoerde ik Buinink. Die vertelde dat hij bezig was Polydor opnieuw op te zetten en dat hij mensen zocht”.
   Zo kwam Fons in de platenindustrie terecht. “Wij begonnen met een klein team boven een meubelzaak [Mutters] op het Piet Heinplein in Den Haag. Een gedeelte van het Siemens-personeel ging met de overname mee. De verkoopleider [Willem Hemerik] was al een oude man; hij kon geen auto besturen, ging soms per trein naar een klant toe en was daarvoor de hele dag op pad. Er was een ouderwetse structuur waar nieuw leven ingeblazen moest worden.
   De voorraad kwam grotendeels uit Duitsland. Freddy Quinn, [Peter Alexander], René Carol, noem maar op. Duitse schlagers; daar waren wij kampioen in. De elpee was toen nog niet zo belangrijk; het waren voornamelijk singles en EP’s”.
   Volgens vertegenwoordiger Witteveen had Polydor in 1965 een probleem. “We kregen een telefoontje uit Hilversum met het verzoek om exemplaren van ‘Woolly Bully’ van Sam the Sham te sturen, want dat was een hit aan het worden”.
   Het hebben van zo’n hit (vier weken nummer één) paste anno 1965 nog niet in het patroon van Polydor. Zo’n succes kon de bestaande organisatie niet ‘verwerken’. Er moest in snel tempo gereorganiseerd worden. Zo kwam het Haagse bedrijfje op stoom. Nieuwe mensen werden aangetrokken onder wie Freddy Haayen. Op 1 september 1966 werd ex-VARA-omroeper Evert Garretsen de nieuwe directeur van het bedrijf. Binnen korte tijd groeiden omzet en rendement in snel tempo. Polydor werd bovendien een onderdeel van PolyGram met aandeelhouders Philips en Siemens.
   Een andere nieuwe medewerker was Wim Vroege (geb. Voorburg, 8 juni 1946). Met succes solliciteerde Wim in 1968 bij Polydor. In december 1972 verliet hij het bedrijf en daarmee ook de muziekbusiness. Tijdens een lezing in Rijswijk die ik [HK] op 18 maart 2014 over Polydor gaf was mijn voormalige collega onverwacht aanwezig. Opnieuw hadden we contact. Op 9 maart 2015 kwam Wim mij zijn Polydor-verhaal vertellen.
 

Wim Vroege

 
Wim, opgegroeid in het Haagse Laakkwartier, vertelde dat hij van eenvoudige afkomst was. Zijn moeder was de dochter van een kruidenier, zijn grootvader van vaders kant stoker op een sleepboot. Vroege senior studeerde echter op de HTS en kreeg een goede baan bij Shell. Muziek was er niet in huis. Totdat Wim, enig kind, op de draadomroep, kanaal 4, ineens de klanken van Ludwig van Beethoven hoorde. Die maakten een verpletterende indruk op hem, kon hij zich nog goed herinneren. Wat later ontdekte hij bij de radiodistributie, nu op kanaal 3, het wekelijkse radioprogramma ‘Spielereien mit Schallplatten’, gepresenteerd door de in Duitsland wonende Brit Chris Howland.
   Vader Vroege kwam door zijn werk in Londen. De Shell-mensen bezochten ’s avonds nog wel eens een musical. Er kwam een Triotrack-platenspeler in huis en ook het album van ‘My Fair Lady’. Door vriendjes op de middelbare school (Christelijk Lyceum in Delft) kreeg ook Wim de smaak van het kopen van platen te pakken. Zo schafte hij de single ‘Move it’ van Cliff Richard en een EP van de Everly Brothers aan, met daarop ‘Should we tell him’.
   Wim: “Op feestjes van de school werd er regelmatig cabaret ten gehore gebracht. Seth Gaaikema en Rinus Ferdinandusse kwamen bij ons in Delft optreden. Vaak waren er ook popgroepen. Zelfs de Golden Earrings, met Barry Hay, hebben bij ons op het lyceum een show gegeven”.
 
Na het behalen van het HBS B-diploma wilde Wim verder studeren, Nederlands in Leiden. Maar om die taal op universitair niveau aan te mogen pakken was de hogere burgerschool niet genoeg. Wim probeerde daarom het staatsexamen gymnasium te halen (maar volgde illegaal toch al wat colleges in Leiden). Uitgebreid ploeterde hij om Latijn en Grieks onder de knie te krijgen. In die jaren ontwikkelde hij tevens een enorme belangstelling voor jazzmuziek.
   Wim besefte dat hij op dood spoor zat. Na een tijdje stopte hij met (verder) studeren. Dus moest hij gaan werken voor de kost. Wim vond een baan bij de Haagse boekhandel Van Stockum. “In die winkel werd er nogal wat geëxporteerd. Daarom was het van belang goed gedocumenteerd te zijn. Dat werd mijn werk. Ik realiseerde me evenwel dat ik bij Van Stockum geen toekomst had, althans niet de toekomst die ik voor ogen had. Ik begon naar iets anders uit te kijken.
   In de krant vond ik een advertentie van Polydor. De platenmaatschappij was op zoek naar een documentalist. Dat sloot wonderwel aan bij mijn ervaring. Tijdens mijn sollicitatie praatte ik met verkoopleider Ton van Holten en administratieman Adri Twigt. Ik kon meteen beginnen”.
 


Adri Twigt (1969)

 

Binnen bij Polydor

 
Het bedrijf had een probleem en het was de taak van Wim om dat op te lossen. Niemand wist welke platen het bedrijf in voorraad had. Wat voor platen zich in het magazijn (ingang om de hoek: Trompstraat) bevonden was onbekend. Gewapend met kaartenbak en typemachine begon hij systematisch alle titels vast te leggen. “De platen stonden op nummer in de rekken. Singles hadden vier, EP’s vijf en LP’s zes cijfers. Dag in dag uit begaf ik me naar het magazijn, dat onder leiding stond van Zier de Niet, afkomstig uit Scheveningen. De Niet was blij met hetgeen ik deed. Er waren heel wat platen, vond hij, die hartstikke goed waren maar niet verkocht werden omdat niemand wist dat ze in het magazijn aanwezig waren”.
   Meteen ook viel het Wim op hoe hard er in de Trompstraat gewerkt werd. “Het was een erezaak alle bestellingen dezelfde dag nog de deur uit te krijgen. Dat betekende: regelmatig overwerken – zeker omdat de omzet van het bedrijf zo hard groeide. De medewerkers, vond ik, waren super-gemotiveerd. Voor een belangrijk deel schreef ik dat toe aan de houding van Evert Garretsen, een vader-figuur voor de mensen.
   Een mooi voorbeeld: kort na mijn entree bleek dat de zoon van een van de magazijnmensen om het leven gekomen was. Brinkman wilde zijn bedrijf niet in de steek laten, hoe bedroefd hij ook was. Hij verscheen weer op zijn post. Binnen de directie begreep men het grote verdriet. Ton van Holten, assistent van Garretsen, stuurde Brinkman senior naar huis. Je komt maar terug als je weer een beetje opgeknapt bent, dat soort woorden kreeg hij te horen. Over vrije dagen opnemen werd niet gesproken. Die houding kwam de werksfeer in het magazijn zeer ten goede”.
   Tijdens zijn activiteiten in het magazijn had Wim meteen een unieke ervaring. ‘Eloise’ van Barry Ryan, in 1968 uitgebracht, werd in januari 1969 een nummer één hit. De platen waren niet aan te slepen. Meer dan honderduizend kwamen er in enkele weken vanuit de perserij in Baarn binnen en verlieten diezelfde dag het magazijn. “Het was werkelijk onvoorstelbaar hoe het er toeging begin 1969.
   Ik meende te proeven dat ‘Eloise’ voor Polydor een unieke ervaring was. Aan de ene kant merkte ik dat men zoiets niet gewend was. Aan de andere kant was er de drive om er iets van te maken. Het mocht gewoon niet mislukken en dat deed het dan ook niet. Voor het bedrijf was een nieuwe tijd aangebroken. Wat met ‘Woolly Bully’ nog niet lukte, lukte met ‘Eloise’ wél. Bovendien markeerde het succes van en met Barry Ryan duidelijk een soort overgangsfase: van leverancier van Duitse schlagers en klassieke muziek op het gele label naar leverancier van hits”.
 

 
Maandenlang werkte Wim Vroege om het Polydor-repertoire volledig in kaart te brengen. Het resultaat was de eerste complete catalogus van het Nederlandse bedrijf. Wim moet er ook zelf trots op geweest zijn. Tijdens zijn bezoek aan mij bracht hij het 45-jaar oude losbladige boekwerk, vele honderden pagina’s, met zich mee. Er kon vanaf dat moment, juli 1969, een stuk efficiënter gewerkt worden.
 

Polydor in de overgang

 
Hoe was de sfeer bij het bedrijf vroeg ik hem.
   Wim: “Bij mijn aantreden was Polydor duidelijk in een overgangsfase. Er waren nog heel wat mensen die in 1964 van Siemens waren meegekomen. Die keken een stuk formeler, traditioneler tegen de muziekbranche aan dan al die nieuwe mensen die als gevolg van de snelle groei waren aangetrokken. Jan van Bart, labelchef van Deutsche Grammophon, was een treffend voorbeeld. Hij was gewend zich als een autoriteit te gedragen. Dat was deels terecht en op z’n minst begrijpelijk. Er was verder niemand die verstand had van klassieke muziek. Met de groeiende rol van de popmuziek had Jan het wel eens moeilijk”.
   Jan was bovendien de enige academicus die bij Polydor werkzaam was. Hij was drs. J. van Bart, anders dan alle andere Polydor-mensen. Improviseren was er niet bij, konden Wim en ik me herinneren. Zo was er behoefte aan een verzamelplaat van organist Günther Brausiger. Geen sprake van dat Van Bart op Deutsche Grammophon zoiets deed. Dat werd (later) de taak van Wim Vroege, wiens moeder van geestelijke muziek hield.
   Toen ik [HK] later zelf bij Polydor kwam te werken kreeg ik de tip van radio Veronica om een single uit te brengen van een klassiek nummer. Zo iets was not done. “Op Deutsche Grammophon worden geen singles uitgebracht. Dat hoort niet bij ons”. Zo’n houding hoorde bij de voormalige Siemens-medewerker, overigens een beste brave man. In 1969 kwam Van Bart tevens in botsing met directeur Garretsen toen hij een album van de moderne componist Stockhausen tijdens een grote vergadering presenteerde als ‘stinkdoos’.
 


Jan van Bart (1969)

 
Vroege: “Het sociale beleid dat Evert Garretsen en Ton van Holten wilden uitdragen had tevens consequenties voor Willem Hemerik, verkoopleider bij Siemens. Op een gegeven moment was hij wel een beetje uitgewerkt bij Polydor, maar aan de kant geschoven werd hij niet. Hemerik werd min of meer de assistent van Adri Twigt en de directie. Hij werd belast met ‘klussen’.  Eén van die klussen, die ik me herinner, was het organiseren van het Polydor-uitje naar het concert dat de Wiener Philharmoniker o.l.v. Herbert von Karajan op een gegeven moment gaf in het Congresgebouw. Dat was natuurlijk een heel gebeuren, de maestro (en boegbeeld van Deutsche Grammophon) op bezoek in Den Haag. Iedereen die dat wilde kon op kosten van Polydor naar het concert. Hemerik regelde dat”.
 
Van een volstrekt ander stempel waren jongens als Freddy Haayen en Jerry Voisin, zijn rechterhand.
   Als je Freddy vroeg naar zijn rol bij Polydor in de jaren 1964-1968 was hij niet terughoudend. Alle successen waren alleen of vrijwel alleen aan hem te danken. Ook Michel Verstegen kreeg in 2003 het verhaal te horen van de jonge magazijnbediende die meteen de Who ontdekte en met succes in Den Haag liet optreden. Over Polydor rond de jaarwisseling 1964/65 verklaarde Freddy: “Polydor, het eerste jaar. Het was een wat stoffige maatschappij, kun je wel zeggen.
   Directeur Buinink bood mij een vaste aanstelling aan. Dat vond ik erg leuk en op 1 maart 1965 ben ik begonnen. Officieel was ik hoofd productmanagement, dat wil zeggen dat ik alle labels onder mij had, behalve de klassieke.
   In die tijd begon het in Den Haag te rommelen. Op 13 april 1965 was ik door manager Jacques Senf gevraagd eens te komen kijken naar een optreden van The Golden Earrings op de Pier in Scheveningen. Hij had tegen de jongens gezegd dat ik directeur van Polydor was. Ik ben gaan kijken en vond ze hartstikke goed. Ik wilde wel een contract met ze afsluiten, maar wist amper van toeten of blazen. Ik stapte naar de directeur met het verhaal dat ik een band wilde opnemen, waarop hij zei: ‘Maar je bent toch geen producer?’
   Ik antwoordde: ‘Nee, maar ik kan het toch horen?’ En het was goed!
   Met Arie Merkt, voormalige drummer van The Dutch Swing College Band, zijn we de Phonogram-studio ingegaan en hebben gelijk de single en de LP opgenomen. Op 12 september [1965] kwam ‘Please Go’ uit. De tweede single moest ‘Lonely every day’ / ‘Not to find’ worden, dat was al opgenomen en vastgesteld. Maar ‘Not to find’ is geen Engels, dus dat moest een ander nummer gaan worden. In plaat daarvan stelde ik voor om meteen maar voor een nieuwe single naar Engeland te gaan, waar we op 6 januari 1966 ‘That Day’ hebben opgenomen. Dus besloot ik dat ‘Lonely Every Day’ niet door ging.
   Ik heb toen al die Nederlandse bands binnengehaald: Hu & The Hilltops, The Shoes, InCrowd, later Sandy Coast en Earth & Fire, noem maar op.
   Ik was met Buinink in Engeland. We waren met Kit Lambert in de studio van Mickie Most wezen kijken, waar Jimi Hendrix bezig was met producer Chas Chandler. Ik vond dat geweldig, echt helemaal top. Kit Lambert had hem onder contract op Track en ik wilde hem voor Polydor tekenen. Buinink vroeg zich af hoe ik dat moest aanpakken. Buinink schreef toen in een bar het hele contract uit op een servetje. Ik rolde dat op, en ging daar de volgende dag zaken mee doen. 
   Constant kreeg ik platen toegestuurd die ik moest beluisteren. Daar zat op een gegeven moment ‘Spicks & Specks’ van The Bee Gees bij, uit Australië. Ik pikte die plaat er gewoon uit. Die jongens kwamen naar Engeland toe en daar moest een manager voor gezocht worden. Ik zorgde ervoor dat zij via de grote man van Polydor Engeland, Doug Morris, in contact kwamen met Robert Stigwood, die zelf ook Australiër was.
   Stigwood had een eigen platenlabel, Reaction, waar The Cream op zat en dat vond ik ook helemaal te gek. Zo kwamen we bij hem terecht. Polydor was toen echt een company in wording, allemaal heel erg spannend. Maar vergeet niet: ik werkte me echt het lazarus: studio’s in en uit, promotieactiviteiten ondernemen, reizen over de hele wereld, dit en dat... ik sliep vaak niet meer dan drie, vier uur op een dag.
   Ik hoorde dat Nesuhi Ertegun naar Nederland kwam. Hij was de broer van Ahmet, de directeur van Atlantic, en Nesuhi beheerde het repertoire wereldwijd. Op dat moment vond ik Atlantic eenvoudigweg het beste label in de wereld. Toevallig wist ik dat deze man verzot was op voetballen. Dus ik belde hem op en nodigde hem uit voor de wedstrijd Nederland-West Duitsland die de volgende avond zou plaatsvinden in de Kuip. Ik liet hem zelf in mijn auto naar het Feyenoord-stadion rijden en we hadden goede plaatsen op de eretribune. Ik kon daarna gewoon niet meer stuk!
   Na afloop gingen we naar het Hotel des Indes waar hij logeerde en begonnen over muziek. Ik liet hem merken dat ik volledig op de hoogte was van de Atlantic-catalogus en toen kon ik het zo krijgen. Ik ging me er volledig voor inzetten dat Atlantic ook op de radio gedraaid zou worden. Ik vertelde het goede nieuws aan de Veronica-jongens Willem van Kooten en Jan van Veen met wie ik vanaf het begin goed bevriend was. Jan heeft toen nog een hele avond Atlantic-platen gedraaid”.
   Haayen was een complete tegenpool van Jan van Bart. Van Bart handelde in de traditie van Siemens en Deutsche Grammophon, Haayen was van de ‘ik’-generatie.
 

Freddy Haayen en Nico van Biemen

 
Garretsen bleef vader, maar een vader kan streng zijn. Haayen: “Op een gegeven moment ben ik een managementopleiding bij Phonogram International gaan volgen. Er kwam een nieuwe directeur bij Polydor, de heer Garretsen. Hij kon het slecht met mij vinden. Ik kwam met alle hits, maar hij vond dat er ook andere producers moesten komen. De contracten tussen al die artiesten en Polydor waren echter alleen geldig als ik ze zou produceren, iets wat de artiesten overigens zelf hadden bedongen.
   Toen kreeg ik het idee voor Red Bullet. Als productiebedrijf en muziekuitgeverij zou dat exclusief voor Polydor en Phonogram gaan werken. Zij waren beide voor 60% eigenaar van Red Bullet, Willem en ik ieder voor 20%. Zo kon ik alle bands blijven produceren nadat ik in 1968 bij Polydor was vertrokken”.
   Wim Vroege: “Bij mijn aantreden bij Polydor was Freddy Haayen er niet meer werkzaam”.
 

Wim Vroege bij Polydor in 1969

 
Nico van Biemen nam als product-manager de plaats van Haayen in. “Maar hij had nogal een hekel aan jazz. Als iemand die muziek luid afspeelde riep Nico wel eens: ‘Wat een k**-muziek’. Hij merkte dat ik van die muziek hield en er verstand van had. Na korte tijd vroeg Nico of ik niet wilde optreden als label-manager van alle jazz-muziek die Polydor op diverse merken in Nederland distribueerde. Zo kreeg ik het Storyville-, Riverside- en Verve-repertoire onder mijn hoede, de jazz-platen op het Atlantic label en sommige albums op A&M, de platenmaatschappij van Herb Alpert en Jerry Moss. Heel wat jazzplaten waren door Polydor Nederland tot dan toe ‘vergeten’ omdat Nico er geen belangstelling voor had. Maar hoe dan ook, wat ik deed was een mooie aanvulling op hetgeen Polydor in de handel bracht”.
   Van sommige platen kon je je afvragen of het jazz of pop was. ‘Memphis Underground’ van Herbie Mann bijvoorbeeld was een Atlantic-album dat je regelmatig in pop-programma’s op de radio hoorde. Vroege had een ander voorbeeld, waarbij hij als jazz label-manager enigszins buiten zijn boekje ging. “Ik was geweldig enthousiast toen ik ‘The first time ever I saw your face’ en ander repertoire van Roberta Flack hoorde. Haar album was in Nederland nog niet uitgebracht. Het was misschien geen echte jazz, maar ik heb die elpee gewoon meegenomen in de jazz-bestelling die bij Atlantic in New York gedaan werd. De single ‘The first time ever I saw your face’ bereikte in 1972 de top tien van Veronica”.
 


Atlantic-album met de single 'The first time ever I saw your face'

 
Omdat de omzet van Polydor steeds verder groeide waren er extra activiteiten nodig. Wim: “Er kwamen steeds nieuwe mensen bij. Jazz-gitarist Peter Nieuwerf werd als A&R-manager verantwoordelijk voor het Nederlandse repertoire. Hans Tonino, uit Delft, werd aangetrokken voor het third party pop-repertoire. Dat waren labels die in sommige West-Europese landen door Polydor werden gestribueerd, zoals Atlantic”.
   Het takenpakket van Wim Vroege breidde zich snel uit. Hij bleef doorgaan met alle activiteiten op gebied van documentatie, inclusief de wekelijkse release-lijst, die gedrukt werd door Van der Gang, een bedrijf op de Hoefkade. Vroege fietste er regelmatig heen vanaf het Piet Heinplein. Naast het jazz-repertoire werd Wim bovendien door Nico van Biemen belast met het de marketing van (voorbespeelde) tapes, voornamelijk musicassettes.     
   Voor overleg met zijn internationale collega’s reisde Wim naar de oosterburen. In Hannover waren de fabrieken (ook voor cassettes) en het Europese distribitiecentrum, in Hamburg het hoofdkantoor van Duitsland en dat van Polydor International, waar Horst Hohenböken zich met jazz bezig hield. Tijdens een bezoek aan Hamburg kreeg hij het verzoek om bij de terugvlucht de master-tape van een belangrijk nieuw album in zijn koffer mee te nemen. James Last had een opname voor de Nederlandse markt gemaakt. Van collega Jan Gaasterland, werkzaam op de verkoopafdeling, hoorde Wim: “Leg de band maar een beetje onder wat andere spullen, dan kan die wel ongemerkt door de douane”. En zo gebeurde het, zonder problemen. Korte tijd daarna presenteerde Last het album ‘James Last op Klompen’ tijdens het Grand Gala du Disque van 1969. Er werden vele honderdduizenden ‘Klompen’ op stereo-platen en musicassettes verkocht.
 

Marketing bij Polydor

 
In de beginperiode van zijn werkzaamheden bij Polydor viel het Vroege op dat er onder leiding van Evert Garretsen een ongebreideld geloof in de toekomst heerste. De groei zat er in en die zou zonder enige twijfel doorgaan. Op basis van die overtuiging werd er geïnvesteerd. Een belangrijke taak was weggelegd voor reclamechef Wiebe Andringa en Wim Trouw, zijn assistent. Het tweetal werd later nog aangevuld door Liesbeth, een collega die Wim bij boekhandel Van Stockum vandaan haalde.
   Vroege: “Regelmatig werden er reclame-boekjes in grote oplage gemaakt. Wiebe werkte samen met de internationaal vermaarde fotograaf David Redfern. Britse modellen werden ingehuurd om de boekjes – uiteraard in vier kleuren – er zo aantrekkelijk mogelijk uit te laten zien. Kosten noch moeite werden gespaard. In zo’n Polydor-boek vond je werkelijk de meest uiteenlopende soorten muziek bij elkaar”.
   Uit mijn collectie haalde ik [HK] het ‘Super Platen Pocket’ te voorschijn. Dat was een mooi voorbeeld. In één zo’n pocketboek, 130 pagina’s in full color, vond je onder meer items als ‘Lekker thuis met James Last’, ‘Operette gala’, ‘Vrolijkheid kent geen tijd’, ‘Isaac Hayes’, ‘All that jazz’, ‘Hotpop’, ‘Georges Moustaki’, ‘Sprookjesbouwplaat’ en ‘Hoe later op de avond’. Om te verbloemen dat het pure reclame was werd binnen een (lege) verjaardagskalender en op de omslag een prijs (f. 1,25) afgedrukt.
   Wim Vroege: “Over efficiëncy werd volgens mij nauwelijks nagedacht. Andringa had een budget. Er hoefde verder dan ook niet gecalculeerd te worden. De vertegenwoordigers konden die boekjes in nagenoeg onbeperkte hoeveelheden uitdelen. Of zo’n pocket werkelijk stimulerend werkte op de verkoop van de afgedrukte Polydor-platen, daarover werd nooit gediscussieerd. Je moest het ruim zien, was de gedachte”.
   Zelf had Wim een exemplaar van ‘Polydor’s Progressieve Pop-krant’ meegebracht. Lex Harding, de ‘progressieve’ deejay van Veronica, met foto afgebeeld, schreef de inleiding: “Pop muziek anno 1969 is meer dan een melodie en een tekst. Het gaat veel verder. Pop muziek is ook een vorm van communicatie geworden. Communicatie zonder enge grenzen, want iedereen die er voor open staat kan zich verdiepen in de puurheid van The Velvet Underground, het geweld van Jimi Hendrix, de perfectie van Crosby Stills & Nash, de sfeer van Dr. John en de agressie van Led Zeppelin. Het gaat niet om de soort muziek: rock, bossa nova, beat, jazz, underground, folk, blues of weet ik veel, het gaat om de inhoud, het gevoel en vooral om de sfeer die de muziek met zich meebrengt. Pop muziek anno 1969 is meer dan muziek”.
   In dezelfde krant publiceerde Jan Donkers (van Aloha en VPRO) een wervend artikel over de nalatenschap van de Byrds, met aandacht voor de A&M-platen van de Flying Burrito Brothers en de ‘Fantastic Expedition of Dillard & Clark’. 
 

Ervaringen als label-manager Polydor

 
Wim Vroege: “Geleidelijk aan kwam er steeds meer werk mijn kant uit. Nico van Biemen, die zich in extenso met de Red Bullet-acts bezig hield [Golden Earring(s), Earth & Fire, Shoes, Greenfield & Cook, Swinging Soul Machine] bevorderde mij tot label-manager Polydor, terwijl Hans Tonino, zoals gezegd, voor Atlantic en ander third party-repertoire verantwoordelijk gesteld werd”.
   Omdat het nu zaak was goed op de hoogte te zijn van wat zich in Hilversum afspeelde, vroeg Wim om een radio op zijn kamer. “Ik moest een aanvraag indienen bij Adri Twigt, die over de centen ging. Adri [afkomstig uit het Westland] was een zuinige man. Ik mocht een radio kopen, maar dan wel het goedkoopste mono-model. Eerst had ik de pest in – ‘die krent’, dacht ik. Maar vervolgens zag ik er het voordeel van in. De meeste mensen luisterden immers zo naar de radio. Dan hoorde je hoe perfect opgenomen muziek de huiskamer binnen kwam. Als het op zo’n mono-radio ook goed klonk, was het blijkbaar goed gemaakt”.
   Een project waar Wim bij betrokken was heette ‘Met de postkoets door Nederland’ (1971). “Kai Warner [1926-1982] heette Werner Last en was een oudere broer van James Last. Ook hij had een orkest dat in Duitsland albums maakte voor Polydor. Na het overweldigende succes van ‘James Last op klompen’ moest er nu een album met Nederlands repertoire van de andere Last komen. Werner had echter niet dezelfde flair en uitstraling als zijn broer. Dat bleek al bij met maken van foto’s in Drenthe. Met veel moeite kregen we hem op de bok van een soort postkoets. Foto’s maken terwijl de paarden galoppeerden lukte al helemaal niet”.
 

Hans Tonino en Wim Vroege (1969)

 
Wim Vroege trad nu bovendien regelmatig naar buiten, vertelde hij mij. “Het album ‘Deja Vu’ van Crosby Stills Nash & Young (begin 1970) maakte een even verpletterende indruk op me als indertijd de muziek van Beethoven en die van Cliff en de Everly Brothers op school. Popmuziek begon een grote rol in mijn leven te spelen. Zo kan ik me nog het eerste concert in Nederland herinneren van de groep Yes. Ze speelden in Delft, in de Eland”. Wellicht had Hans Tonino dat georganiseerd.
   In Polydor’s Progressieve Pop-krant (1969) schreef Tonino, die Yes meer dan wie ook propageerde, onder meer: “Hun eerste grote optreden was op het Cream-afscheidsconcert, waar ze een overrompelende show gaven. Daarna ging alles vanzelf. In Pete Brady’s oudejaarsavondshow werden ze voorgesteld als ‘de groep van 1969’. Hun première in Nederland was op vrijdag 22 augustus in ‘Sentrum de Eland’ in Delft, een zeer progressieve club, te vergelijken met Fantasio in Amsterdam. Het verwende publiek was nog nooit zo enthousiast en stak haar bewondering niet onder stoelen of banken”.
   Vroege: “Een paar jaar later trad Yes op in een uitverkocht Ahoy. Het was bijzonder de snelle opmars van die voortreffelijke muzikanten mee te kunnen maken.
   Anders ging het bij Led Zeppelin. De groep was gecontracteerd voor een optreden in het Amsterdamse Concertgebouw toen ze nog niet bekend waren. Maar toen ze daar in een uitverkocht huis tegen een lage gage moesten spelen waren ze al behoorlijk beroemd. Het zat de jongens behoorlijk dwars. In de kleedkamer werd me duidelijk dat ze er totaal geen zin in hadden en nadrukkelijk niet hun best deden”.
   Als Polydor-labelmanager had Wim Vroege te maken met de Nederlandse band Supersister. “De groep kwam bij ons binnen door Hans van Oosterhout en Hugo Gordijn van Blossom Records. Door het snelle succes van de single ‘She was naked’ had Robert Jan Stips grote behoefte aan fatsoenlijke keyboards. Maar het geld ervoor had hij niet. Robert Jan deed een beroep op Polydor. Of hij het geld niet kon lenen. Als hij 21 werd [op 4 februari 1971] had hij recht op een erfenis en zou de lening dan aflossen. Adri Twigt zag de lening als een verliespost. Popjongens waren in zijn visie niet altijd even betrouwbaar. Hij was dan ook uitermate aangenaam verrast toen Stips het geleende geld netjes kwam terugbrengen. Twigt vond het echt fantastisch.
   Via het contact backstage kwamen uitnodigingen voor feestjes, onder andere bij Supersister-producer Hans van Oosterhout. Dat vond ik wel leuk, maar met de hash, die rond ging, wist ik me totaal geen raad. Ik rookte sigaren”.
   Een belangrijke nieuwe groep was Slade. Chas Chandler, ex-Animals en ontdekker van Jimi Hendrix, trad op als manager. Chandler zette zich stevig in voor zijn jongens, ook tijdens hun eerste toernee in Nederland. Vroege trok mee door Nederland. Het waren de dagen van top-vijf hits als ‘Coz’ I luv you’, ‘Look wot you don’ en ‘Take me bak ’ome’. Het was nog even wennen.
   Wim herinnerde zich een optreden in de buurt van Broek in Waterland, in een zompig weiland. Veel stelde het niet voor. Maar zanger Noddy Holder zag het  helemaal zitten. Wim: “Vrolijk riep hij: ‘It’s just like Woodstock!’
   Minder leuk ging het toe in Amsterdam. Daar stond Slade als top of the bill in Paradiso. Maar een onbekende Nederlandse formatie, die het voorprogramma deed, had overal posters opgehangen met alleen hun naam erop. Op sommige plekken was er klein bijgeschreven: ‘plus Slade’. Met dat soort dingen moest je bij Chas Chandler niet aankomen. Hij was woedend. Als label-manager van Polydor voelde ik me aangesproken maar kon er niets aan doen”.
 

Polydor na het tijdperk-Garretsen

 


Evert Garretsen

 
In het blad Warm Sounds verklaarde Nico van Biemen dat met het album ‘Woodstock’ een gouden tijd voor Polydor aanbrak. Voor Wim Vroege was dat minder het geval. “Binnen PolyGram werd besloten dat de distributie van Polydor bij dat van Phonogram gevoegd moest worden. Er werd een nieuwe organisatie opgezet onder de naam Disco Service, in Amsterdam bij Phonogram. Voortaan moesten de Haagse en Scheveningse magazijnmensen iedere werkdag in alle vroegte naar Amsterdam. Een flink stuk motivatie verdween”.
   Bovendien verloor Polydor zo zijn directe grip op de verzending van de orders die binnen kwamen. Zeker het eerste jaar ging het regelmatig helemaal fout. Heel wat bestellingen werden niet goed afgehandeld.
   Ook Garretsen vertrok uit Den Haag. Hij werd bevorderd tot directeur van Polydor in Canada. Eén van zijn taken was, meenden wij ons te herinneren, het bevorderen van de doorbraak van James Last op het Amerikaanse continent. Met een groot feest werd afscheid genomen van ‘vader’ Garretsen. Marketing manager Rob Oeges werd als zijn opvolger aangesteld. Na korte tijd verdween Oeges echter. Freddy Haayen kwam terug, nu als directeur. Een nieuw tijdperk (zonder Atlantic en A&M) was aangebroken.
   Wim Vroege: “Mijn voormalige collega Liesbeth was met haar man Albert inmiddels naar Amerika verhuisd. Toen Garretsen in Canada opereerde heb ik, samen met een andere Polydor-collega, een reis over de Atlantische Oceaan gemaakt. We hebben bij Liesbeth gelogeerd en zijn vervolgens naar Canada gereden. Bij Garretsen en zijn vrouw werden we enthousiast ontvangen en mochten er de nacht doorbrengen. Het Canadese kantoor van Polydor was, dacht ik, kleiner dan dat in Den Haag – maar wel met allemaal jonge, enthousiaste en gedreven mensen, en de typische sfeer van een jong bedrijf dat het wilde gaan maken. Grappig dat ‘vader Garretsen’ daar leiding aan mocht geven.
   Het directeurschap van Oeges kwam op mij niet positief over. Het is me nooit duidelijk geworden welke rol de man speelde. Bij Polydor had ik overigens waarschijnlijk verder carrière kunnen maken. Maar dan, zo voelde ik dat, was ik waarschijnlijk steeds meer in het commerciële traject terecht gekomen. Een harde wereld waarin ik me meer met omzetcijfers dan met muziek en muzikanten zou moeten bezig houden. Dat trok me niet. Ik ben met succes op zoek gegaan naar een andere baan. De verhuizing van Den Haag naar Rijswijk [in 1974, met Ruud Feltzer als nieuwe documentalist] heb ik daarom niet meer meegemaakt”.
 


Wim Vroege (1969)

 

 
Harry Knipschild
13 maart 2015
 
Clips
* Everly Brothers. Should we tell him 
* Sam the Sham & the Pharaohs, Wooly Bully, 1965
* Bee Gees, Spicks & specks, 1967
* Barry Ryan, Eloise, 1968
* James Last in Nederland, 1969  
* Yes in 1969 
* Roberta Flack, The first time ever I saw your face, 1972
* Slade, Take me back 'ome
* Herbie Mann, Memphis Underground, 1989

Literatuur
 
Polydor’s Progressieve Pop-Krant, 1969
Super Platen Pocket, z.j.
Michel Verstegen, ‘Polydor’ [Nico van Biemen, Fons Witteveen, Freddy Haayen] , Warm Sounds, april 2003