Zoeken


 
Na regen komt zonneschijn, zegt men wel eens. Het omgekeerde kun je ook beweren. Na zonneschijn komt regen. Als het heel goed gaat word je soms minder kritisch. Dan geef je onverantwoord geld uit. Dat geldt zeker voor de westerse economie. Na een ogenschijnlijk hoogtepunt komt onvermijdelijk de val. Dat is zeker in de traditionele muziekindustrie het geval. Er is nu al jaren zelfs sprake van een permanente crisis.

Voor iedereen is het duidelijk dat de ‘normale’ platenmaatschappijen van weleer nog wat teren op het verleden. Veel is er niet meer van over en dat geldt tevens voor de ‘klassieke’ distributie. De platenwinkels die in elke stad, in elk dorp, een prominente plaats innamen, zijn zo goed als verdwenen. Het ‘consumeren’ van popmuziek en alles wat er bij hoort is echter niet minder geworden, integendeel. Het geld dat vroeger in de winkels uitgegeven werd wordt nu besteed aan het bezoeken van concerten en festivals, het kopen van lingerie, parfums en andere artikelen (rechten) waarvan de inkomsten voor een belangrijk gedeelte rechtstreeks bij de artiesten terecht komen. De muziek zelf kun je, zonder er ook maar iets voor te betalen, gemakkelijk van het internet downloaden. De artiesten werken er zelf aan mee.

  215 1 Tiësto

De Nederlandse deejay Tiesto met zijn publiek


Met name Nederlandse deejays hebben niet te klagen over hun inkomsten. Het regent cijfers over bedragen die tot voor kort ondenkbaar waren. Op de website Nu.nl schreef Lara Zevenberg in augustus bijvoorbeeld: “Tiësto is één van de best betaalde dj’s van de wereld. De dj mag zich de best betaalde Nederlandse dj noemen. Dat heeft Forbes bekendgemaakt. Het zakenblad maakt ieder jaar een overzicht van de best betaalde dj’s van de wereld. Net als vorig jaar staat Calvin Harris dit jaar op nummer 1. De Summer-dj verdiende het afgelopen jaar zo’n 66 miljoen dollar (49,6 miljoen euro). David Guetta verdiende 30 miljoen dollar (22,6 miljoen euro) en staat daarmee op de tweede plaats.
    Tiësto moet zijn derde plaats delen met Avicii. De twee heren verdienden allebei zo’n 28 miljoen dollar (21 miljoen euro). Tiësto is overigens niet de enige Nederlandse dj die in het lijstje van Forbes staat. Ook Afrojack (zesde plaats met 16,5 miljoen euro), Hardwell (plaats 11, 9,8 miljoen euro) en Armin van Buuren (plaats 12, 9 miljoen dollar) staan in de top vijftien”.
   Het geld dat vroeger naar platenmaatschappijen en platenwinkels ging, gaat in onze dagen dus naar de artiesten. Als je het zo leest verdient een succesvolle Nederlandse deejay aanzienlijk meer dan de best-betaalde managers uit het bedrijfsleven. Ook voor directeuren uit de platenindustrie waren dit soort salarissen ondenkbaar.
    De zogenaamde Balkenende-norm is voor succesvolle hedendaagse artiesten een schijntje.
 

Terug naar het verleden

 
Laten we eens terug gaan naar een eerdere crisis. In de tweede helft van de jaren zeventig ging het fantastisch in de platenwereld. Jong en oud begaven zich in drommen naar de winkels om platen en voorbespeelde musicassettes aan te schaffen. De platenmaatschappijen verdienden goed. In de industrie en winkels was volop werkgelegenheid. Opnamen werden door de platenmaatschappijen betaald. Op de verkoopprijs in de winkel was het hoge btw-tarief van toepassing. Van wat er over bleef ging ongeveer een derde naar de winkelier. Acht procent was voor de componist, meestal vertegenwoordigd door een muziekuitgever. De artiest ontving een royalty van ongeveer vier procent. Als de artiest, of de productiemaatschappij, zelf de opname maakte, lag de royalty op twaalf procent of hoger. De maatschappij investeerde flink in de marketing van de platen en daarmee ook in de carrière van de artiest. In zekere zin was iedereen gelukkig – als je maar succes had.
   Omdat er goed verdiend werd was er ruimte om te investeren in nieuw talent. Tegen de tijd dat succesvolle acts over hun hoogtepunt heen waren namen nieuwe artiesten hun plaats in. Zo was er sprake van continuïteit. De muziekindustrie was steeds bezig een ‘artiestenstal’ op te bouwen. Succesvolle acts in de jaren zeventig waren bijvoorbeeld Thijs van Leer, Robert Long, ABBA, Julio Iglesias, Vader Abraham, Bee Gees, Ennio Morricone, Neil Diamond, Nana Mouskouri, Mike Oldfield – ik noem maar wat namen.
 

 
De tweede helft van de jaren zeventig gaf een bijzondere ontwikkeling te zien. De kritische rockpers hield zich bezig met punk-muziek, een nieuwe Angelsaksische stroming. Zeker in Nederland waren de verkopen van de meeste punkgroepen beperkt. De pers gaf nogal eens af op de smaak van het grote publiek. Popmuziek (inclusief populaire muziek) deugde vaak niet omdat die te commercieel bevonden werd. Commercie en geld verdienen had in, noem het maar de dagen van Joop den Uyl, een negatieve klank.
 

Punk vs. disco (en populaire muziek)

 
Vooral de toenmalige dance-muziek, disco, moest het ontgelden bij de popjournalisten. Er kwam, bij wijze van spreken, een soort tweedeling. De pers propageerde punk, de mensen hielden van disco. Hoogtepunten in die tijd waren misschien wel de soundracks van twee films, door Robert Stigwood geproduceerd. John Travolta speelde de hoofdrol in zowel ‘Saturday Night Fever’ (1977) als ‘Grease’ (1978). Van beide dubbelalbums werden alleen in Nederland in korte tijd ieder ongeveer driekwart miljoen exemplaren in de winkels verkocht. In heel de westerse wereld zorgden dat soort albums voor een onvoorstelbaar verkoopsucces.
   De topmensen in de muziekindustrie konden hun geluk niet op. Er werd flink uitgegeven. Er moesten nieuwe en grotere fabrieken komen. PolyGram het bedrijf waar ik [HK] werkzaam was, zag de toekomst helemaal zitten. President Coen Solleveld, een Nederlander die ik alleen kende van de foto’s, maakte kostbare deals. Het geld was immers voorhanden. Hij, en anderen, beseften bij mijn weten niet dat de filmsoundtracks niet het gevolg waren van een zorgvuldig opgebouwde ‘artiestenstal’ maar eenmalig waren. Alle aandacht moest voortaan uitgaan naar meer van dat soort knallers. Toen die er niet kwamen, en ook de disco-rage over zijn hoogtepunt heen was, stortte het kaartenhuis in elkaar. Er was onvoldoende geld meer om te investeren in nieuw talent.
   Daarbij kwam ook nog eens dat het door de ontwikkeling van de techniek steeds makkelijker werd om bestaande albums zelf op een cassettebandje op te nemen. Die kon je lenen. Dan hoefde je de plaat niet meer te kopen.
 

Willem Duys

 
Speciaal in Nederland was er nóg iets aan de hand. Op zondagmorgen had het radioprogramma van Willem Duys, live op de Avro, een enorme impact. Duys zette zich in voor bijzondere muziek, die het midden hield tussen populair en klassiek.
   In de dagen dat hij aan het roer stond bij platenmaatschappij Iramac (1966-1969) lukte het hem niet met die muziek de grote massa te bereiken. Dat veranderde een paar jaar later. John Vis (Artone-CBS) wist de ideeën van Willem in daden om te zetten. ‘Introspection’ van Thijs van Leer, een artiest die bij Iramac onder leiding van een jonge Rogier van Otterloo zijn eerste plaat mocht maken, is het ‘klassieke’ voorbeeld. Alles bij elkaar zijn er alleen al van ‘Introspection’ ongeveer twee miljoen exemplaren verkocht – dat wil ook letterlijk zeggen: over de toonbank gegaan.
  

Willem Duys deelt in 1974 CBS-edelmetaal uit aan
Thijs van Leer, Rogier van Otterloo, Louis van Dijk, Ruud Jacobs, Letty de Jong en Gerard Cox

  
In de tweede helft van de jaren zeventig verhuisden Mary en Willem Duys naar de Franse Rivièra. Bill Wyman van de Rolling Stones was zijn nieuwe buurman, vertelde hij wel eens in de presentatie, die hij steeds vaker thuis aan de Middellandse Zee zelf op de band zette en dan naar Hilversum verzond. Duys was niet meer de Duys van weleer. Het ‘Duys-repertoire’ ging teloor. Een uniek en belangrijk segment van de Nederlandse muziekmarkt ging verloren doordat de presentator zich minder in Nederland liet zien.
 

Een nieuwe generatie aan het roer in de Nederlandse muziekindustrie

 
Vooral in de jaren zeventig werd de muziekbusiness in Nederland gerund door muziekliefhebbers. Als ze beslissingen namen wisten die waar ze het over hadden. Woorden als ‘Fingerspitzengefühl’ werden veelvuldig gebruikt. Natuurlijk lukte niet alles. In elke bedrijfstak, of je nou in de muziek zat of niet, waren er aanzienlijk meer ‘flops’ dan successen. Goede artiesten kwamen niet altijd, en zeker niet altijd onmiddellijk, in de vaart der volkeren. De toppers maakten echter alles weer goed. Zoals gezegd, er werd goed verdiend en er was volop werkgekegenheid.
   De muziekliefhebbers in het management werden opgevolgd door mensen met een academische of soortgelijke titel. Van muziek houden was minder belangrijk dan verstand hebben van geld, business, marketing, rechten, cijfers en dat soort dingen. Het gevolg laat zich raden. Ik [HK] spreek uit ervaring. Als je enthousiast was over een nieuwe artiest of een liedje, moest je voortaan formulieren invullen. Die werden beoordeeld en van een of meer parafen voorzien. Formeel mocht je pas daarna aan het werk. Probeer dat maar eens aan een popgroep uit te leggen. Tegen de tijd dat het ‘mocht’ was een deel van de inspiratie verdwenen. Door deze werkwijze kreeg je eerder een fiat als je kon laten zien dat iemand in het verleden succes gehad had. Een onbekend iemand met echt talent kon je moeilijk aan niet-muziekliefhebbers ‘verkopen’.
   Bij PolyGram, waar ik [HK] werkzaam was werd op het Nederlandse hoofdkantoor in Baarn onder leiding van Hans van Zeeland een calculatie-afdeling opgezet om goed na te gaan of er wel verantwoorde beslissingen door de muziekliefhebbers genomen werden. In korte tijd groeide die uit tot tientallen medewerkers. Van elke opname moest een vóór-calculatie en een na-calculatie gemaakt worden. In de kosten voor de opname werden al die medewerkers meegerekend. Ook het aantal vierkante meters kantoorruimte werd in de calculatie opgenomen.
   Zelfs nadat een opname gemaakt was, werd die nog weer door anderen beoordeeld alvorens een release kon plaatsvinden.
   De nieuwe directie hechtte veel waarde aan het geven van opleidingen. In Baarn kwam onder leiding van Piet Goudkamp zelfs een aparte afdeling opleidingen. Ook dat soort kosten werd in de calculatie meegenomen. Steeds vaker werden mensen op cursus gestuurd. Mensen van buiten werden ingehuurd om die te komen geven.
   Een van de cursusgevers stuurde, waarschijnlijk in samenspraak met de Nederlandse PolyGram-directie, aan op een nieuwe vorm van geld verdienen. Voortaan, werd gesteld, zou het goed zijn om de achterkant van de hoes van een plaatalbum in te zetten als advertentieruimte, ook voor producten die niets met muziek te maken hadden. Reclame voor Omo op de hoes van een Golden Earring-album? Voor defensie bij een album van Klein Orkest? Ik wist niet wat me overkwam. Zat ik nog wel in de muziekwereld, vroeg ik me af.
   Een PolyGram-collega, Ton van den Bremer, had in die tijd een merkwaardige ervaring. Ton wist zonder enige kosten een album met The Mo (uit Delft) te produceren. De single ‘Fred Astaire’ werd een hit en het album een bestseller. Na enige tijd werd Van den Bremer te verstaan gegeven dat de gratis opname voor PolyGram verliesgevend was. Dat bleek uit de calculatie.
   In die sfeer moest de crisis in de muziekbusiness overwonnen worden.
 


Rob Stuyt (links), Henk Hoksbergen (rechts)

 
PolyGram kreeg een nieuwe algemeen directeur – Henk Hoksbergen. Iemand met zo’n functie moest op zijn kamer natuurlijk de allerbeste geluidsapparatuur hebben. Toen hij enkele jaren later naar Japan vertrok waren zijn spullen, werd me verteld, nog niet aangesloten. Ik zei het al: managers zonder band met muziek bepaalden de koers.
   Eén Nederlandse politicus trok zich de problemen van de muziekindustrie aan. In 1981 hield Jan Terlouw, leider van D66, in Hotel des Indes een toespraak voor een aantal muziekmensen. Ik stond erbij en luisterde mee. Het was onzin, verkondigde Terlouw, dat de mooiste platen onder het hoge btw-tarief vielen, terwijl dat bij allerlei flut-boekjes en -tijdschriften niet het geval was. “Als ik het ooit voor het zeggen krijg”, dat soort woorden gebruikte de voorman van D66 nadrukkelijk, “is die praktijk het eerste waar ik een eind aan zal maken”.
   Enkele maanden later werd Jan Terlouw minister, zelfs van economische zaken. Van zijn uitspraken over de btw werd echter niets meer vernomen.
 

Een artikel van Constant Meijers

 
In de Haagse Post van 3 september 1983 behandelde Constant Meijers de problematiek van het moment. De popjournalist liet de jurist (!) Koos de Vreeze, directeur in Nederland van CBS Records, beginnen met: “Het eerste kwartaal van 1983 heeft opnieuw een sterke omzetdaling te zien gegeven. De afgelopen jaren dachten we keer op keer dat het dieptepunt was bereikt. Steevast werd voor het volgend jaar een opleving verwacht. Maar in tegenstelling tot een verbetering, werden we geconfronteerd met een zich in versneld tempo doorzettende daling.
   Daarom durf ik nu te spreken van een desastreuze ontwikkeling. Blijft ook de komende tijd een verbetering uit, dan zal er voor een aantal platenmaatschappijen geen ruimte meer over zijn. Er zal een nog grotere druk ontstaan om naar nieuwe samenwerkingsverbanden te streven. Zeker in Nederland, want op ons kleine gebied hebben we te veel platenmaatschappijen en distributeurs”.
   Volgens Meijers wond De Vreeze er geen doekjes om: “Onze vaderlandse platenindustrie staat op springen. Het tot voor kort uitgedragen optimisme van de managing directors van de Nederlandse platenindustrie is omgeslagen in twijfel en onzekerheid. Nu de markt van geluidsdragers in vijf jaar tijd met bijna 150 miljoen gulden is gedaald en de vooruitzichten somber blijven, schreeuwen twee vragen om een antwoord. Hoe diep is het dal? En: hoe vals is het plat naar boven?”
 
In zijn artikel zette Constant Meijers, auteur van vele artikelen in rock-krant Oor, de geschiedenis van de muziekindustrie in Nederland nog eens op een rijtje:
   “In onze vaderlandse platenindustrie zijn de tijden ingrijpend veranderd. De onzekerheid die de toekomst kenmerkt, steekt schril af tegen de beschutting die het kartel in de jaren vijftig en zestig bood. Dat kartel was een uitvloeisel van een afspraak die de in 1932 opgerichte Nederlandse Vereniging van Grammofoonplaten Importeurs/Fabrikanten (NVGI) in 1947 wist te bereiken met de een jaar daarvoor opgerichte Nederlandse Vereniging van Gramofoonplaten Detailhandelaren (NVGD). Na langdurig onderhandelen werd besloten tot een gezamenlijk te handhaven prijsbinding.
   De overeenstemming viel aan de vooravond van twee voor de grammofoonplatenindustrie ver strekkende innovaties. De uitvinding van de op 33 1/3 toeren draaiende langspeelplaat vergrootte de al dertig jaar vastliggende speelduur van de 78 toeren-plaat met een factor van acht, terwijl de ontwikkeling van de transistor een doorbraak op het terrein van de miniaturisering betekende. Als opvolger van de kathodebuis (en voorganger van de chip) opende deze halfgeleider de mogelijkheid voor het fabriceren van kleine, lichte toestellen.
   Op basis van gloednieuwe produkten als de langspeelplaat, de radio-pick-up-combinatie, de draagbare transistor-radio en, last but not least, de zwart-wit-televisie, gaven de jaren vijftig aan de elektronika-industrie een belangrijke groei-impuls. Vooral de televisie sloeg aan.
   Toen in de tweede helft van de jaren vijftig de ‘huisbioscoop’ aan zijn onstuitbare opmars begon, begon de groeiende platenmarkt tekenen van stagnatie te vertonen. Om de afkalvende groei het hoofd te bieden, besloten de NVGI en de NVGD een fonds op te richten waaruit gemeenschappelijke reclame-uitgaven zouden worden gefinancierd: het propaganda-instituut Commissie Collectieve Grammofoonplaten Campagne. Dit instituut [onder leiding van Willem Duys] kweet zich met verve van zijn taak. In 1960 zorgde de eerste in een tot 1974 doorlopende reeks Grand Gala du Disque-evenementen voor publiciteit en extra omzet, en de door de CCGC in het leven geroepen platenbon werd een gewild cadeau-artikel.
   Naast de propaganda-activiteiten zorgden nieuwe technologische ontwikkelingen in de jaren zestig voor herstel van de groei. De ontwikkeling van de stereofonie bracht nieuwe toestellen met zich mee, waardoor de tien jaar eerder nog modern ogende radio-pick-up-combinatie op slag een hopeloos verouderd produkt was geworden.
   De omstandigheid dat de na-oorlogse generatie in de langspeelplaat, de stereo-installatie en de rock ’n’ roll de meest geëigende uitdrukkingsmiddelen meende te bezitten om de eigen Sturm und Drang te kunnen uitleven, betekende het begin van een gouden periode voor de platenindustrie. In de luwte van het kartel werd de winst binnengehaald”.
   Koos de Vreeze: “Niemand kon binnen de industrie om inkopen. Tegen vastgestelde verkoopprijzen leverde de industrie alleen aan de handel. Merchandising geschiedde door de zogenaamde rackjobbers, die de supermarkten bevoorraadden. En ten slotte had je de Boek- en Plaat-clubs. Buiten deze drie kanalen om was niet aan platen te komen”.
 
Toch was niet alles rozengeur en maneschijn volgens Meijers: “In 1967 werd een bres geslagen in het protectionistisch beleid van handel en industrie. Als uitvloeisel van het Verdrag van Rome werd bij ministeriële beschikking een einde gemaakt aan de verticale prijsbinding, al zou het nog tot de jaren zeventig duren voordat discounters, onder aanvoering van de toenmalige platenketen Elpee, een prijzenoorlog ontketenden. Onder het motto ‘Laat je niet bestelen’ werd de gevestigde industrie in het nauw gedreven en moesten vele gespecialiseerde platendetaillisten de deuren sluiten. Ondanks het feit dat in diezelfde periode de afzetmogelijkheden enorm waren verruimd doordat de penetratie van stereofonische apparatuur een hoge graad had bereikt.
   Iedere jongere bezat als vanzelfsprekend een eigen ‘stereo’; voor de bezitters van een overjarige radio-pick-up-combinatie toverde de industrie een product uit de hoge hoed waar zonder verder leven niet meer serieus genomen kon worden: de hifi-toren. Een Babylonische opeenstapeling van draaitafel, versterker, tuner (het woord ‘radio’ hoorde bij de amateurs) en cassetterecorder.
   Dat laatste toestel was de nieuwe loot aan de audiostam, met een door de industrie onderschatte groeikracht. Want gelijk de jeugd in de jaren zestig een voorkeur ontwikkelde voor de stereo-installatie, zag de jeugd van de jaren zeventig de grote voordelen van de stereocassetterecorder. Goedkoop in aanschaf en goedkoop in gebruik. Al voor een paar gulden kocht je een blanco cassettebandje met een opnametijd van een uur. Bovendien was door de omschakeling van de radio op stereofonische geluidsoverdracht (tot 1970 werd in mono uitgezonden) een perfecte gratis geluidsbron voorhanden.
   Aan het eind van de jaren zeventig beschikte vrijwel ieder huishouden over een of meer televisietoestellen, een of meer stereo-installaties, een of meer cassette-recorders en vele draagbare radio’s. Mechanisch voortgebacht geluid had iedere vorm van exclusiviteit verloren. Van benzinepomp tot restaurant, van winkelstraat tot hotel-lift, altijd en overal was er muziek, muzak, music.
   De eerste tekenen dat de markt verzadigd was, traden op nadat de platenindustrie met de gigantische verkooppiek van kerstmis 1977 de grootste omzet uit haar geschiedenis heeft gerealiseerd. Gevolg van het overweldigende succes van John Travolta met de film ‘Saturday Night Fever’. Ondanks die tekenen duurde het een aantal jaren voordat het tot de industrie doordrong dat de teruggang van blijvende aard was”, aldus Constant Meijers.
 


John Travolta (Saturday Night Fever)

 

Reacties uit de top van de muziekbusiness

 
De crisis was van directe invloed op de werkgelegenheid was in het artikel te lezen.
   Volgens Roel Kruize, muziekliefhebber en managing director van Bovema, was zijn bedrijf op het bestaansminimum terecht gekomen. “Vijf jaar geleden deden we het creatieve en marketingtraject nog met 130 mensen. Nu met 58. Omdat je in onze bedrijfsopzet moet uitgaan van een bepaald aantal functies, kunnen we niet verder terug. Tenzij we zouden besluiten om geen eigen Nederlandse opnamen meer te maken. Het is de vraag of je jezelf dan nog wel een platenmaatschappij mag noemen”.
   De EMI-man verzette zich tegen de aantijging dat albums steed duurder geworden waren. “Als het prijspeil van vier jaar geleden nog gehandhaafd zou zijn, waren we allemaal al lang failliet geweest”.
   Kruize zag de problemen in een ruimer kader. Volgens hem ‘kon er voor de besteding van de ontspanningsgulden worden gekozen uit vijf produktgroepen. Boeken, platen, bioscoop, sport en spel, en buitenshuis eten’. “Ons probleem is dat je uit eten gaan niet kunt kopiëren, maar platen wel”.
 


Roel Kruize (links) en Nico Geusebroek (midden) van EMI, Queen

 
De eerder genoemde PolyGram-topman Henk Hoksbergen was het met hem eens wat betreft de alternatieven. “Er is een toeneming te zien van het aantal alternatieve ontspanningsmogelijkheden. Ik noem de surfplank, de video, de vakantie of het in een auto willen blijven rijden. Als je dank zij de mogelijkheden van de cassetterecorder strikt genomen geen geld hoeft uit te geven voor muziek, waarom zou je het dan nu nog doen?”
   Bovendien: “In de meeste huiskamers staat al een halve meter plaat. Dat geeft een gevoel van ‘platen hebben we al’”.
   Hoksbergen, een aimabele man, zo bleek toen ik hem een keer mocht ontmoeten, plaatste de crisis in de algemene economische teruggang van dat moment. “We hebben ons niet gerealiseerd dat de recessie zo lang zou duren, om de doodeenvoudige reden dat we tot eind 1979, begin 1980 als wereldbeeld tamelijk recessiebestendig waren. Muziek gold als een recessiebestendige industrie”.
   Hoksbergen zag overal beren op de weg: “Vroeger maakte je een plaat. Nu moet er ook nog een stuk film- of videopromotie bij. Dat bezorgt ons een additioneel nadeel”. In zijn ogen waren clips een extra (nadelige) kostenpost. Voor hem was één ding duidelijk: “We zitten midden in het crisismanagement. Dat was tot nog toe geen natuurlijk element in de platenindustrie”.
   Om juiste beslissingen te kunnen nemen haalde hij er een tweede man als mede-directeur bij, de jurist Rob Stuyt. Wéér een goed-betaalde man erbij, die in de vóór- en na-calculaties meegerekend moest worden. Optimistisch was Stuyt zeker niet. Dat bleek meteen met een opmerking over de cassettebandjes. Die hadden als nadeel dat het een blijvend blijvend consumptie-artikel was: “Je kunt een reeds opgenomen programma wissen”.
   Stuyt: “Ons bestaanrecht hangt voor wat de toekomst betreft af van het bezit van performing rights. Heb je die niet, sterker nog, krijgen wij ze niet vandaag, dan kunnen we maar beter een familiegraf gaan oppoetsen, want daarin komen we dan allemaal terecht”.
   Met ‘performing rights’ reageerde Stuyt op het al jaren slepende gevecht van de platenindustrie met de overheid. Daarbij ging het om de erkenning van de industrie als houder van rechten op onder haar verantwoordelijkheid tot stand gebrachte produkties. In conventies van Rome en Genève was ten aanzien van deze rechten het een en ander geregeld, maar de Nederlandse regering was er nog steeds niet toe overgegaan die conventies te ratificeren, noteerde journalist Meijers.
   Jan Terlouw, minister van Economische Zaken en vice-premier namens D66, had er wat aan kunnen doen, maar deed het niet.
   Medejurist De Vreeze, directeur van CBS, verklaarde in 1983: “In de toekomst worden wij uitgevers van rechten. Dan zal het copyrighttraject onze grootste zorg zijn, omdat we dan van de rechten moeten leven”.
   PolyGram had juist voor een andere koers gekozen. Het bedrijf had zijn publishingrechten verkocht om fabrieken te kunnen bouwen.
 

 
Een laatste opmerking wil ik niet achterwege laten. Een niet genoemde reden van de eerdere explosie van de muziekmarkt was de sterke groei van de bevolking. Volgens De Vreeze was daar nu een einde aan gekomen. “Dat is het gevolg van de pil. Daardoor neemt de doelgroep van twaalf- tot twintigjarigen drastisch af. In onze toekomstprojecties gaan wij voor Europa uit van een vermindering van onze doelgroep met vier tot vijf miljoen consumenten. Terwijl juist de twaalf- tot twintigjarigen altijd onze grootste doelgroep zijn geweest”.
 
Als Constant Meijers goed citeerde wat hem door de topmannen uit de platenindustrie verteld was, is het opvallend dat geen van hen ook maar één nieuwe artiest, één nieuw talent noemde. Dat was in hun ogen wellicht minder van belang.
   Alleen Cees Wessels (ex-PolyGram, ex-RCA), die bezig was Roadrunner Records op te zetten, kwam met een ander geluid. “Er zijn veel te veel accountants en financiële experts aan het bewind en te weinig mensen die vanuit de muziek bezig zijn en daarbij ook wat kennis hebben over hoe je muzikale gedrevenheid kunt omzetten in economisch rendement”.
 


Cees Wessels (1980)

 

Oplossingen voor de crisis in 1983

 
In de ogen van de leiders moest de oplossing ogenschijnlijk niet uit de muziek zelf komen. Henk Hoksbergen was vooral geporteerd van fusies in de platenwereld. In de Nederlandse vestiging van PolyGram was de werkgelegenheid met honderden arbeidsplaatsen achteruit gegaan. Besprekingen waren al gaande. PolyGram was concreet in gesprek met het Amerikaanse bedrijf Warner Brothers.
   “Ik verwacht dat de home entertainment-industrie gedomineerd gaat worden door vier, maximaal vijf companies”, aldus Henk Hoksbergen. “Daar zal de combinatie Warner en PolyGram in ieder geval bij horen. Verdere fusies sluit ik niet uit, want de investeringen zijn zo groot en de toekomst zo onzeker, dat de kleintjes de race niet zullen kunnen bijhouden”.
   Muziekuitgever Willem van Kooten keek verder vooruit. Aan het vinyl-tijdperk was een einde gekomen. “Ik ben ervan overtuigd dat het met de traditionele geluidsdrager nooit meer goedkomt. De plaat is een belachelijk ouderwets ding”.
   Het artikel van Constant Meijers werd, opvallend genoeg, niet beheerst door de ontwikkeling van de compact disc en de cd-speler. En dan te bedenken dat PolyGram honderden miljoenen guldens geïnvesteerd had in deze nieuwe revolutionaire ontwikkeling: digitaal in plaats van mechanisch voortgebracht geluid.
   Zelfs de Nederlandse topman Hoksbergen had aarzelingen. “Omdat de consument steeds weer een nieuw produkt in het vooruitzicht wordt gesteld, besluit hij de aanschaf van nieuwe apparaten zo lang mogelijk uit te stellen. Want de consument kent inmiddels ook het enorm snelle prijsverval. Als je vroeger een platenspeler kocht, deed je dat mede omdat je wist dat het volgende model duurder zou worden. Tegenwoordig is het tegenovergestelde het geval. Een unieke ontwikkeling”. Dat zou ook bij de cd-speler kunnen gebeuren.
   Meijers: “Die unieke ontwikkeling is er voorlopig verantwoordelijk voor dat de elektronica-industrie met mondjesmaat de nieuwste deus ex machina – de compact disc – op de markt brengt”.
   Hoksbergen liet de journalist in 1983 echter weten dat dat hij ervan overtuigd was dat de compact disc op een termijn van vijf tot tien jaar de grammofoonplaat (vinyl) vervangen zou hebben. Was het zijn plicht die mening uit te dragen? Met al zijn kennis van zaken zag hij de snelle doorbraak vanaf 1985 echter niet.
   Hans Tonino, manager van de Nederlandse afdeling van Warner Brothers, keek eveneens verder vooruit: “Voorlopig zetten we alles op de compact disc, maar zodra het mogelijk zal zijn om een digitale audio-cassette te maken, zal die een enorme vlucht nemen”.
   Het meest vooruit, achteraf dan, keek ene Carel Daniëls, werkzaam bij een winkel in Amsterdam.  Volgens hem zou de cd het thuis-kopiëren alleen nog maar verder stimuleren. “De compact disc is namelijk zo goed van kwaliteit, dat een van zo’n plaat gemaakte opname beter kan klinken dan de huidige grammofoonplaat”.
 
Iemand die helemaal geen problemen zag was Berry Visser, samen met Leon Ramakers eigenaar van organisatiebureau Mojo in Delft. “Voor ons was 1982 een topjaar. Ook dit jaar lopen onze concerten, waaronder bijvoorbeeld David Bowie, goed”. Bij Mojo realiseerde men zich dat het publiek op acts als de Rolling Stones of Bowie af kwam om naar een stuk geschiedenis te kijken. “Het publiek wil de legendes nog een keer in levende lijve zien”.
   Die manier van redeneren is tot in onze tijd geldig gebleven. In een periode dat je het hele repertoire van bijvoorbeeld de Rolling Stones gratis kunt downloaden was Pinkpop in 2014 uitverkocht omdat de leden van de groep, op nogal hoge leeftijd, bereid waren er nog eens de oude successen tegen een flinke vergoeding te brengen.
   Aan dat soort zaken geven de mensen, jong en oud, hun geld uit. Misschien kopen ze er nog een vinyl-plaat bij. Het is wel een technisch verouderd iets, maar je laat zien dat je met vinyl modern bent in 2015.
 
Harry Knipschild
6 maart 2015

Clips

* Neil Diamond, BBC-optreden, 1971
* Ennio Morricone, Het gebeurde in het westen
* Bee Gees en John Travolta, Staying Alive, Saturday Night Fever, 1977
* ABBA in Stockholm voor Japan, 1978
* The Mo, Fred Astaire documentaire (Jimmy Tigges), 2013 
Platenfabriek van Ton Vermeulen, 2013
* Tiesto, optreden tijdens Ultra Music Festival, 2014
* Afrojack in Japan, 2014
* Geschiedenis van de Britse punk
    
Literatuur
Constant Meijers. ‘Vals plat in de platenindustrie. Het einde van de zwarte schijf’, Haagse Post, 3 september 1983
Lara Zevenberg, ‘Tiësto best betaalde Nederlandse dj’, Nu.nl, 21 augustus 2014