Als je tegenwoordig iets over popartiesten wilt weten is dat eenvoudig. Op wikipedia kun je heel wat informatie vinden, met soms doorverwijzingen naar andere bronnen. Eerder verschenen er gedrukte encyclopedieën die vanwege de snelle ontwikkelingen steeds vernieuwd moesten worden. Frans Steensma deed op dat terrein goed werk bij Oor.
   Bij het begin van de popmuziek, de rock & roll in de jaren vijftig, was van dit alles geen sprake. Popmuziek werd verfoeid door een oudere generatie, die nu eenmaal aan de touwtjes trok. Elvis Presley, Beatles en Rolling Stones konden aanvankelijk op weinig formele erkenning rekenen.

Pas in de tweede helft van de jaren zestig was dat het geval. Op min of meer wetenschappelijk niveau werden in Amerika artikelen geschreven over toonaangevende acts als Bob Dylan, Frank Zappa, Jim Morrison, Beatles en Rolling Stones. Jonathan Eisen verzamelde publicaties uit bladen als ‘The American Scholar’, ‘New York Review of Books’ ,'American Quarterly’ en ‘New Left Review’ en bundelde ze anno 1969 in het boek The Age of Rock. Sounds of the American Cultural Revolution. Bijna vierhonderd pagina’s vulde Eisen met teksten in kleine letters, exclusief foto’s.
   Op de omslag maakte de auteur duidelijk wat hij met zijn boek voor ogen had. “The Age of Rock is a collection of the best writing on the rock culture and business. The most prestigious names in the rock field are discussed by scholars, hipsters, musicians, journalists, and themselves. These essays treat the music with seriousness”.
 
 
 
 
Eveneens in 1969 verscheen in de VS een bijna 600 pagina’s tellende Rock Encyclopedia, volgeschreven door Lillian Roxon (1932-1973): “The most ambitious, most complete book ever written on rock and its roots captures the color and sounds and excitement of the heroes of the younger generation. Groups, individual performers, instruments, discographies”, was achterop te lezen.
   Zo ver was men in Nederland nog niet in 1969. Een encyclopedie van de popmuziek, dat leek in die tijd ongehoord. Het was al moeilijk om een muziekblad, dat niet draaide op grote foto’s van idolen, te laten verschijnen. Popkranten als Hitwezen, Kink en Hitweek hadden opgehouden te bestaan. Voor informatie over popmuziek was je aangewezen op buitenlandse tijdschriften, stukjes in gewone kranten of bladen met veel foto’s en/of andere onderwerpen.
 
 
 
1970
 
 

Een jaar later, in 1970, kwam er verandering in de situatie. Het was het jaar van de film ‘Woodstock’, het festival van Kralingen (en de eerste Pinkpop, in Geleen). Het was ook het jaar van de grote doorbraak van Crosby, Stills, Nash & Young. Met ‘Teach Your Children’, een song van Graham Nash, werd de Nederlandse top 10 gehaald. Van het album ‘Déjà Vu’ werden in dat jaar vele tienduizenden exemplaren in ons land verkocht. De artiesten presenteerden zich met alleen hun achternaam, zoals advocaten en accountants dat pleegden te doen.
   Eveneens in 1970 publiceerde de Amsterdamse uitgeverij Van Gennep een boek van twee auteurs die zich op de omslag presenteerden als ‘Petersma en Bergman’. De titel van het boek was Pophandboek. Bepalend voor de omslag was een getekend kanon. Uit de loop van het vuurwapen vloog een witte vogel (vredesduif?) met op zijn staart ‘S5’. Dat wilde, volgens wikipedia, zeggen ‘dat er voor (geestelijke) stabiliteit een 5 was gescoord. Bij veel dienstplichtigen was dit populair. De keurende artsen zagen in dat een volstrekt ongemotiveerd persoon in het leger geen nut had en keurden veel mensen op grond van S5 af’.
   Petersma en Bergman gaven in het boek geen uitleg aan de tekening op de omslag.
 
 
Verantwoording
 

De auteurs gaven wel aan hoe ze aan hun gegevens gekomen waren. “Uitgegaan is van een zelf opgebouwd kaartsysteem, aangevuld met talloze gegevens uit buitenlandse en binnenlandse muziekbladen (vooral Rolling Stone, International Times, New Musical Express en Hitweek/Aloha), binnen- en buitenlandse fanclubs, grammofoonplatenmaatschappijen, recensies in dag- en weekbladen en vele gesprekken”. Bedankt werden onder meer Joop Visser en Kick Klimbie (labelchefs Bovema), Constant Meijers, Josee Blom (radio Veronica), Har van Fulpen (Beatles fanclub), Nella Koster-Van Wijngaarden (product management, Polydor), Bart Klimmert (Negram) en Herman Kempkes (Bob Dylan Workshop).
 
 

Nella Koster-Van Wijngaarden, 1969
 
 
In de inleiding was te lezen: “Het komt ons weinig zinvol voor om het begrip popmuziek te definiëren”.
   De auteurs verdeelden die wel in twee richtingen. “De traditionele popmuziek kunnen we omschrijven als muziek die gemaakt wordt met de bedoeling om op de hitparade te komen.
   De progressieve popmuziek kent enerzijds het element van protest tegen bestaande waarden, normen en opvattingen hetgeen zich met name uit in teksten; een verantwoorde opvatting ten opzichte van sex, die tot uiting komt in de ‘sexy act’ en in tekstpleidooien voor vrije liefde en het element van bewustzijnsverruimende middelen. Anderzijds rekenen we tot progressieve muziek ook die muziek waarin genoemde elementen niet direkt op de voorgrond staan, maar die toch niet alleen de pretentie heeft om op de hitparade te komen. Dit onderscheid is uiteraard niet absoluut”.
 

 
Wat bewust is weggelaten in het handboek
 

Het Nederlandse boek was met 180 pagina’s aanzienlijk dunner dan de eerder aangehaalde buitenlandse voorbeelden. Bovendien kregen foto’s, tekeningen en andere illustraties ruim baan in het boek. Dat alles leverde vanzelfsprekend beperkingen op wat betreft het aantal personen en onderwerpen. Van ‘compleet’ zijn was geen spake.
   De auteurs legden uit wat ontbrak.
   1. “Pioniers van de rock and roll: Bill Haley, Elvis Presley, Little Richard, Chuck Berry en vele anderen. Hoewel wordt toegegeven dat zonder deze figuren de popmuziek van de zestiger jaren wellicht niet mogelijk zou zijn geweest, wordt hun invloed hier als gegeven aangenomen.
   2. Popzangers en -zangeressen. De reden is plaatsgebrek en het feit dat deze over het algemeen van minder invloed en betekenis voor de popmuziek zijn geweest dan groepen. Een duidelijke uitzondering vormt Bob Dylan. Hij wordt dan ook wel besproken.
   3. Het ‘bruine’ geluid: soul en rhythm & blues”.
Het ging Petersma en Bergman dus om popgroepen, schreven ze. Daarbij maakten ze een onderscheid tussen Amerikaanse en Britse groepen. Zo was hun indeling.
 

 

 
 
 
Popmuziek van eigen bodem
 
 
 
Ondanks het internationale succes van Shocking Blue (Den Haag), Tee Set (Delft) en George Baker (Hoorn) begin 1970 werd de betekenis van popmuziek uit eigen land gemarginaliseerd. Alleen achterin wijdden de auteurs er enkele alinea’s aan. Met hun mening waren ze – in wat toch als een een handboek opgezet was – niet terughoudend.
   “Nederland heeft in de jaren zestig op het gebied van popmuziek in vergelijking met Amerika nauwelijks iets van betekenis opgeleverd. Zelden of nooit is de Nederlandse pop er in geslaagd zich beter voor te doen dan als flauw aftreksel van Amerikaanse en Engelse invloeden. Met name de sterke oriëntatie op de traditionele Engelse popmuziek (ook door geografisch makkelijke kontakten) is van belang.
   Nederlandse groepen in de jaren 1965-1968, die zichzelf respekteerden, gingen geregeld naar Engeland om daar ‘nieuwe ideeën’ op te doen. ‘Nieuwe ideeën’, die meestal niet verder kwamen dan mechanisch verwerkt te worden in een toch al niet origineel repertoire.
   Dit alles wil overigens niet zeggen dat ons land niet enkele uitstekende groepen zou bezitten (of bezeten heeft), maar die zijn toch nooit tot wereldschokkende prestaties gekomen. We noemen hier: Cuby and the Blizzards, een uit Grollo (Drente) afkomstige bluesformatie, met als vaste kern Harry ‘Cuby’ Muskee, Eelco Gelling (overigens ten onrechte voortdurend beschouwd als ‘Nederlands beste gitarist’, daar zijn spel zich meer onderscheidt door technisch kunnen dan door inhoud) en pianist Herman Brood. De ritmesektie is nogal eens gewisseld en is altijd het zwakke deel van de groep gebleven”.

Het tweetal behandelde kort nog meer Nederlandse groepen, zoals Golden Earring, Cats, Q65, Brainbox, Shoes, Motions, Zen, Tee Set en Sandy Coast. Ze wezen op ‘meerdere uitstekende komposities’ van het duo Kooymans-Gerritsen en de ‘melodieuze, nogal weemoedige liedjes van de Cats, altijd begeleid door veel violen’.
   Over de Golden Earrings werd geschreven dat die als eerste Nederlandse popgroep hoog op de Nederlandse hitparade kwam: “Derde plaats voor ‘That Day’, begin 1967” (in werkelijkheid een jaar eerder, HK). Ze maakten tevens melding van een toernee die de Golden Earrings in 1969 door Amerika maakten en het optreden van Cuby’s Bluesband op het Windsorfestival in Engeland (augustus 1969).

  
Cuby (Harry Muskee), Herman Brood, Eelco Gelling, 1985
 
 
 
Er was, volgens het handboek, iets mis met de popmuziek in ons land.
   “De ‘fout’ ligt uiteraard niet alleen bij de musici. Popmuziek van Nederlandse makelij heeft het nooit verder gebracht dan passieve rekreatie voor het publiek. En nu niet zeggen: ‘Ja, maar dat komt omdat de muziek niet goed was’. De gevleugelde woorden van de Nederlandse luisteraar ‘als je er maar op kunt dansen’ zijn tekenend. Nederland heeft geen eigen popkultuur, geen eigen popcentrum. Wat uiteraard niet wil zeggen dat er hier geen belangstelling voor popmuziek zou ontstaan. Maar we missen een brandpunt als bijvoorbeeld in Londen de Marquee-club, die al jaren de rol vervult van het steeds weer naar voren brengen van nieuwe groepen. Veel groepen danken het bestaan aan deze club.
   Vergeleken met Engeland zijn de volgende faktoren wellicht van invloed geweest op de afwezigheid van een Nederlandse popscene:
* Het niet gebruiken van de eigen taal.
* Het feit dat Nederlandse musici lange tijd geen eigen komposities maakten – dit in sterke tegenstelling tot de Engelse.
* De lage waardering die de manager hier ondervindt – voor een groot deel zijn eigen schuld, daar hij slechts denkt op korte termijn.
* De afwezigheid van goede producers.
* De militaire dienstplicht [in tegenstelling tot Groot-Brittannië], waardoor vele groepen uit elkaar vallen”.

De auteurs hadden blijkbaar geen hoge pet op van mensen als de gebroeders Buijs, Freddy Haayen, Tony Vos, Cees van Leeuwen, Hans van Hemert, Theo Kuppens, Klaas Leyen, Cees de Man, John van Setten en Robbie van Leeuwen. Ook gingen ze voorbij aan de Nederlandstalige muziek van Peter Koelewijn, Bob Bouber, Het, Herman van Veen, Armand en Boudewijn de Groot. ‘Indo-rock’ kwam evenmin aan de orde.

De sensationele doorbraak van drie Nederlandse popgroepen in Amerika, vatten ze samen met de woorden: “Begin 1970 is er het werkelijk eerste grote succes, het nummer ‘Venus’ van de Haagse groep Shocking Blue haalt de eerste plaats op de Amerikaanse hitparade. Kort daarop haalt ook de Tee Set een hoge plaats in Amerika met ‘Ma belle amie’”.

 
Amerikaanse popmuziek
 
 
 
In het handboek waren zestig bladzijden uitgetrokken voor groepen die uit Amerika afkomstig waren. In hun selectie sloten Petersma en Bergman grotendeels aan op de Amsterdamse bladen Hitweek en Aloha. Ze legden dan ook een voorkeur aan de dag voor wat nog wel eens ‘progressieve’ popmuziek of rockmuziek genoemd werd. Misschien was ‘Rockhandboek’ dan ook wel een nauwkeuriger titel voor hun boek geweest. De internationale, eerder genoemde boeken gebruikten ook de vlag ‘rock’ in plaats van ‘pop’. Van enkele tientallen acts werd een korte levensloop en de albums, met alle tracks, afgedrukt.
   Alvorens de acts afzonderlijk te behandelen gaven de auteurs de grote lijn aan. Ten tijde van de Britse Invasie (‘Grote Beweging’) zouden er slechts drie belangrijke Amerikaanse groepen geweest zijn: Beach Boys, Byrds en Lovin’ Spoonful. “Eind 1966, begin 1967, kwam de grote doorbraak van de Amerikaanse pop, zowel kwantitatief als kwalitatief, in de San Francisco-beweging.
   De pop in Amerika had, in vergelijking met de Britse, een veel rijker arsenaal om uit te putten: blues, soul, folk, country en rock & roll. Als eerste groepen dienden zich aan: Country Joe [McDonald] and the Fish, Grateful Dead en de Jefferson Airplane. De beweging kende in feite twee richtingen, die betrekkelijk weinig met elkaar te maken hadden. In de eerste plaats de ‘maatschappelijke’ richting, waarin op duidelijke wijze standpunten werden ingenomen over zaken als oorlog, sex, verdovende middelen, diskriminatie en ‘middle class’ waarden. Voorbeelden: Country Joe, Mothers of Invention, Jefferson Airplane. Ten tweede was er de richting, die als meer ‘individueel’ aangeduid zou kunnen worden, waar het meer ging om de muziek als zodanig. Voorbeelden: Buffalo Springfield, Moby Grape.
   Er deed zich ook het verschijnsel voor van de popfestivals. Het eerste grote was dat van Monterey in juni 1967, bezocht door nog geen honderdduizend mensen, maar als doorbraak voor bijvoorbeeld Janis Joplin en de Jefferson Airplane, de San Francisco-beweging in het algemeen, zeer belangrijk. Latere festivals trokken steeds meer bezoekers. Woodstock in augustus 1969 bijna een half miljoen. Behalve als muzikale gebeurtenissen zijn deze festivals vooral belangrijk om hun sociale funktie”.
 
Opnieuw moesten de auteurs een keuze maken. Die was beperkt. Behalve de bekende namen in de ‘progressieve’ popmuziek van dat moment schonken ze ruim baan aan Ars Nova, Electric Flag, Fugs, Pearls Before Swine, Rotary Connection en United States of America.
 

 
Enkele citaten
 
 

Frank Zappa (1940-1993) en de Mothers of Invention kregen maar liefst vier pagina’s toebedeeld. In de tekst van 1970 was te lezen: “Behalve musici als zodanig zijn de Mothers ook kritici van de Amerikaanse maatschappij: het protest tegen de blanke middenstand, de hersenspoelmachines (massamedia), de oorlogsindustrie – kort gezegd een aanval op de Great Society [van president Lyndon B. Johnson] en haar Plastic People. Zappa noemt z’n muziek dan ook wel ‘ugly music for an ugly people’. Hij stelt er tegenover het begrip Freak Out – het proces waarbij het individu zijn ouderwetse en beperkte normen voor denk-, kleed- en leefwijze aflegt om op kreatieve wijze uitdrukking te geven aan z’n relatie tot zijn onmiddellijke struktuur.
   Het primaire doel van Zappa is de mensen zich bewust maken van hun politieke realiteit. Eind 1969 vielen de Mothers of Invention uit elkaar omdat Zappa er genoeg van had ‘te spelen voor mensen die steeds om de verkeerde dingen klapten’”.
 

 
 
 
Bij de Jefferson Airplane deed het handboek verslag van bijzondere activiteiten in Nederland. “De Werkgroep Popmuziek uit Utrecht maakte in 1969 een analyse van de teksten. Er kwam uit naar voren dat:
* er in het LP repertoire een toenemende tendens was van liefdesliedjes naar maatschappelijk gerichte songs - op ‘Crown of Creation’ liefst negentig procent.
* geestelijk kontakt tussen mensen op de eerste plaats komt, zonder dat dit mag leiden tot belemmering in elkaars ontwikkeling.
* de groep als geheel zich bewust bezig hield met maatschappelijke problemen. Er zou een keuze bestaan tussen een bewust leven en een plastic life, gebaseerd op uiterlijkheden.
* de mensheid het naderende einde niet ziet; bevrijding is alleen mogelijk voor jezelf, niet voor de wereld”.
   Evenals bij Zappa was er sprake van controle van bovenaf. “In Amerika mocht de muziek van de Mothers of Invention lange tijd niet voor radio en televisie gespeeld worden. Zelfs de eigen platenmaatschappij Verve censureerde enkele nummers, met name op de LP ‘We’re only in it for the money’. Dit was voor Zappa een reden om de hem voor deze plaat toegekende Edison [in Nederland?] te weigeren”.
   Bij de Jefferson Airplane zou zich iets dergelijks voorgedaan hebben. “Teksten leidden tot moeilijkheden met platenmaatschappij RCA. Bij ‘Volunteers’ bijvoorbeeld kwamen er moeilijkheden over de zinsnede “Up against the wall, motherfucker” in het nummer ‘We should be together’. De groep won: het nummer werd ongecensureerd opgenomen”.
   Bij Bob Dylan werd de stand van zaken anno 1970 nog eens goed onder de loupe genomen. “Men kon drie fasen onderscheiden:
1. De fase van het pacifistisch protest (‘Blowin’ in the wind’ en ‘The times they are a-changin’’). Het was de ‘on the road’-periode. Zijn stem was hees en zijn teksten getuigden van een sterk engagement. De eerste drie LP’s behoorden tot deze fase.
2. De fase van associatieve en poëtische vergelijkingen. De teksten waren barok, lastig en vaak poly-interpretabel, grillig en duister, surrealistisch en soms onverstaanbaar. De ‘Like a Rolling Stone’ periode. Opvallend was de ongewone skandering met een karakteristieke beklemtoning als gevolg. LP vier tot en met zeven. Op ‘Blonde on Blonde’ hoorde men veel begeleiding.
3. Na het ongeluk [29 juli 1966] toonde Dylan zich, tot veler verrassing, een ingetogen musicus, die van solist tot teamworker was veranderd. Zijn teksten waren simpel, bijna pretentieloos, plezierig, lief en zoetgevooisd. De begeleiding was vaak weer teruggebracht tot het minimum en het luistergenot was groot. Op ‘John Wesley Harding’ zaten wellicht nog hier en daar mysterieuze teksten, maar op ‘Nashville Skyline’ was dit intrigerende eraf”.
 

  
Britse popmuziek
 
 
 
Voor de behandeling van ‘Engelse popmuziek’ trokken Engelsma en Bergman ruim tachtig pagina’s uit. Over die muziek in de jaren vijftig geen woord. Maar: “Wanneer naar de zestiger jaren in Engeland gekeken wordt, zijn twee perioden aan te wijzen, waarin de popmuziek belangrijke impulsen kreeg en waarin verschillende popgroepen van betekenis naar voren kwamen of voor het eerst van zich deden spreken: 1962-1964 en 1968-1969.
   Deze twee perioden werden onderbroken door een impasse waarin Engeland zeer sterk door Amerikaanse popmuziek werd beïnvloed, ja bijna beheerst. De eerste impuls, in het begin van de jaren zestig, had een invasie van Engelse muziek in de Verenigde Staten tot gevolg. Op de hitparades in Amerika trof men dan regelmatig nummers aan van de Beatles, Rolling Stones, Searchers, Kinks, Dave Clark Five, Herman’s Hermits, Manfred Mann, Peter and Gordon, Zombies, Gerry and the Pacemakers, Billy J. Kramer en de Dakota’s.
   Halverwege de jaren zestig raakte de Britse traditionele popmuziek in vergetelheid en maakte daarna plaats voor een overvloed aan muziek uit de Verenigde Staten. Weer was er sprake van een invasie, maar nu in tegengestelde richting: in 1967 van Amerika naar Engeland. Op 1 maart 1968 bestond de helft van de top 30 van New Musical Express uit Amerikaanse produkten.
   Voordat er sprake was van een nieuwe impuls uit Engeland maakten we nog een vergeefse poging mee om rock & roll-muziek te doen herleven: ‘Lady Madonna’ van de Beatles haalde niet eens de top van alle ‘charts’. Deze periode wordt ook wel die van ‘rhythm without blues’ genoemd.
   De Amerikaanse ‘hegemonie’ was eind 1968 en in 1969 ten einde. Naast het definitief doorbreken van meer progressieve groepen, Jethro Tull, Soft Machine, Led Zeppelin, Nice, Spooky Tooth, ook een nieuwe golf van meer traditionele Britse popmuziek.
   Er is enigermate sprake van een verschuiving van de belangstelling, mede beïnvloed door het succes van groepen als Cream, Traffic, Pink Floyd en andere, een succes dat al wortelde in 1967. Een verschuiving van interesse naar deze laatste groepen, in het algemeen, naar de meer progressieve muziek”.
 
 
 
Enkele citaten
 
 
 

Brian Epstein, 'vader van de Beatles'
 
 
Opnieuw werd aangegeven dat in ‘dit boek het accent komt te vallen op de meer progressieve popmuziek’.
   Bij de Beatles (zeven bladzijden, mede gevuld door de titels van alle singles en alle tracks van alle albums) wees het schrijversduo op een wetenschappelijke publikatie uit november 1969 van drs. Gerard C. de Haas. “In het achtste hoofdstuk van Cultuur en Cultuurbeleid zijn ongemeen relevante en verhelderende woorden aan de Beatles gewijd.
   Nadat De Haas poneert dat de Beatles zijn ontsnapt aan de kortstondigheid van het gemiddelde succes, volgen enige interessante opmerkingen: ‘Drie van de vier Beatles komen uit gebroken gezinnen waarin de vaderfiguur ontbrak’. Deze rol wordt later overgenomen en voortreffelijk gespeeld door Brian Epstein, hun aardse vader, en vervolgens door de Maharishi Malesh Yogi, hun geestelijke vader’”.
   In het boek, uitgegeven bij de ‘Wetenschappelijke Uitgeverij’ in Amsterdam, was hierover te lezen: “Het is een bijzondere speling van het lot dat Epstein overleed op het ogenblik dat de Beatles hun intocht in de maatschappij en in de cultuur hadden bevestigd met een massale en overweldigende populariteit. Bijna zouden we kunnen zeggen dat Epstein toen overbodig was geworden; een overbodigheid die door zijn dood op merkwaardige wijze werd onderstreept”. De auteurs vonden het kennelijk van belang om enkele van dit soort citaten in het handboek over te nemen.
   Minder complimenteus waren de auteurs over de gebroeders Barry, Maurice en Robin Gibb. Dat was dan ook geen ‘progressieve popmuziek’. “Over de muziek van de Bee Gees zijn de meningen verdeeld, maar het meest gangbare verwijt is wel dat van hun eenzijdigheid. Zeer melodieus, soms op het dekadente af. Vrijwel steeds wordt voor de ‘backing’ gebruik gemaakt van een groot orkest”. Het zingen werd ‘uitmuntend’ genoemd.
 

 
 
 
Op het moment dat het boek samengesteld werd was Led Zeppelin bezig met een internationale doorbraak. “De groep wordt, vooral in Engeland, beschouwd als opvolger van Cream. De groep produceert een meedogenloos hard geluid en wordt gerekend tot de popgroepen die ‘heavy blues-rock’ spelen. Het spreekt boekdelen voor de Britse progressieve rock wanneer een groep als Led Zeppelin naar de Verenigde Staten kan gaan en daar furore maakt en honderdduizenden LP’s verkoopt. Het destructieve element in de popmuziek van Led Zeppelin is daar vooral debet aan. Hun tweede LP trok in 1969 in Amerika meer dan 200.000 voorbestellingen. Het ongelooflijke succes van de groep is een persoonlijke zege van leider Jimmy Page, die bij de Yardbirds een ondergeschikte rol heeft vervuld”.
   Bij de Who werd ‘Tommy’ in 1970 aangestipt als het ‘onverbiddelijke hoogtepunt’. “Deze pop-odyssee in de vorm van een dubbel-LP bracht alle afzonderlijk getoonde talenten van de Who tezamen: golven van energie door ‘high-volume’ gitaren en drumvuurwerk teweeg gebracht en het scheppen van heldere, karakteristieke teksten. Het libretto van ‘Tommy’ is een kreatie van de geniale Pete Townshend met als thema de slavernij en vervolgens de bevrijding. De opera getuigt van een positieve en bijna hoogmoedige visie, maar kan toch moeilijk pretentieus genoemd worden”.

 
Een terugblik
 
 
 
Elke publikatie is subjectief en aan tijd gebonden. Dat geldt dus ook voor het pionierswerk van Petersma en Bergman. Met het aangeven van hun bronnen en ook met diverse opmerkingen gaven ze aan dat ze een voorkeur hadden voor blanke buitenlandse ‘progressieve’ muziek. Ze verzetten zich nogal tegen ‘commerciële’ muziek, alsof dat element bij progressieve rock een ondergeschikte rol speelde. Opvallend is dat er in hun boek enkele advertenties waren opgenomen. Dat gaf nog eens aan dat ook de liefhebbers van muziek, die niet speciaal gericht zou zijn om de hitlijsten te bereiken, de realiteit onder ogen moesten zien. Zonder commercie geen popmuziek, leuk of niet leuk.
 

 

Advertentie in het Pophandboek
 
 
 
Als je tegenwoordig leest over de beste popalbums van de jaren die aan het verschijnen van het handboek voorafgingen, dan wordt vaak de nadruk gelegd op twee platen: ‘Pet Sounds’ van de Beach Boys en ‘Sgt. Pepper’ van de Beatles.
   Over de Beach Boys lieten het schrijvende duo weten: “In 1966 trok Brian Wilson zich terug uit de groep om zich te concentreren op componeren en produceren. Een eerste produkt daarvan was de LP ‘Pet Sounds’, een van de eerste langspeelplaten die een organisch geheel vormde, d.w.z. de nummers staan niet op zichzelf, maar zijn onderling verbonden en vormen zo een geheel”. In het overzicht van de Beatles werd over ‘Sgt. Pepper’ met geen woord door Petersma en Bergman geschreven. Alleen achterin het boek werd hierover een opmerking van Pé Hawinkels aangehaald. Dat geeft nog eens aan hoe de tijden veranderd zijn.
   Het is misschien gemakkelijk om in 2015 commentaar te geven op een boek dat bijna een halve eeuw geleden met waarschijnlijk veel inspanning tot stand kwam. Met mijn woorden heb ik slechts een beeld van de tijd willen geven en laten zien hoe in sommige (Amsterdamse?) kringen anno 1970 over popmuziek gedacht werd.
   Over Errit Petersma (1940-2013) heb ik op het internet gevonden dat hij in die tijd een prominente rol ging spelen bij uitgeverij Boom in Amsterdam. In 2014 publiceerde het bedrijf biografieën van de Nederlandse koningen Willem I, II en III. Henk Bergman, las ik, schreef stukjes over popmuziek voor het Parool, eveneens in Amsterdam.
 
Harry Knipschild
15 januari 2015

Clips
 
* Golden Earrings, That Day, 1966
* Cuby & the Blizzards met Eelco Gelling en Herman Brood, 1985
* Bob Dylan, I threw it all away (van 'Nashvile Skyline')
Jefferson Airplane, High Flying Bird
* The Nice, How can we hang on to a dream
* Led Zeppelin, Whole Lotta Love (van Led Zeppelin II)
* Moby Grape. Hey Grandma
* Brian Epstein story
    
Literatuur
Joanathan Eisen, The Age of Rock. Sounds of the American Cultural Revolution, New York 1969
Petersma en Bergman, Pophandboek, Amsterdam 1970
Lilian Roxon’s Rock Encyclopedia, New York 1971 (1969)