Als student geschiedenis in Leiden volgde ik in 1998 een college over het optreden van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. De docent was dr. Femme Gaastra. Mijn onderzoek richtte zich in het bijzonder op de ontwikkeling van de thee-cultuur in Nederlands-Indië. Ik putte mijn inspiratie uit de in 1992 verschenen roman Heren van de thee van Hella Haasse. De titel van onderstaand artikel, in die tijd geschreven, was gebaseerd op het album ‘Crisis. What Crisis?’ (1975) van de popgroep Supertramp.
Harry Knipschild, 8 juli 2014
 


 
Lachende theevelden. Hoezo lachende theevelden?
 
De moeizame aanpak van theehandel en theecultuur door Willem I en de Nederlandsche Handel-Maatschappij
 
1. INLEIDING
 
Proloog
 
 
De maanden juni en juli van 1924 waren een hoogtepunt voor de belanghebbenden in de thee van Nederlands-Indië. Tijdens de vijfde Nederlands-Indische Jaarbeurs en -markt in Bandoeng werd voor het eerst een grote tentoonstelling op het gebied van de theecultuur gehouden. Zesendertig organisaties en bedrijven exposeerden in twee hallen. [1]  De theetentoonstelling werd met een bezoek vereerd van de gouverneur-generaal, Mr. D. Fock. [2] Enkele honderden ‘heren van de thee’ namen deel aan een vijfdaags congres. [3] Drukkerij G. Kolff in Weltevreden publiceerde twee luxueus uitgevoerde boekwerken met tal van (kleu­ren)foto’s: een ‘gedenkboek van de Neder­landsch Indische thee-cultuur (1824-1924)’ en een boek over de ‘handelingen van het thee-congres met tentoonstelling’. Films werden vertoond, onder andere van de firma Van Nelle. [4] De deelnemers gingen op excursie naar de zaadtuinen van Tjinjiroean en de theeonderneming en -fabriek Kertasari. [5] Tijdens het diner bracht de tafelpresident, Ir. de Kruijff, een dronk uit op koningin Wilhelmina, het koninklijk huis en de gouverneur-generaal. Het was al bijna morgen toen de laatste feestgangers huiswaarts keerden. Het diner had dan ook ‘een buitengewoon gezellig verloop’ gehad. [6]
   In zijn openingsrede van het theecongres vestigde erevoorzitter Dr. A.A.L. Rutgers, directeur van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel te Buitenzorg, de aandacht op de grote betekenis van het jaar 1860. In dat jaar was de gouvernementscultuur van thee losgelaten om deze geheel aan het particulier initiatief over te laten. Rutgers vergeleek de succesvolle ontwikkeling van de thee met die van de suiker: door de privatisering was de grote bloei tot stand gekomen, de techniek in cultuur en bereiding opgebloeid en de winsten waren pas gekomen nadat het particulier initiatief ongehinderd zijn volle energie aan deze nieuwe tak van de landbouw kon wijden.
   In 1870 leverden China en Japan samen nog 95 procent van de op de wereldmarkt gebrachte thee (237 miljoen Engelse ponden). In 1900 was de markt gegroeid naar 600 miljoen pond; China en Japan hadden nu samen een aandeel van veertig procent, Brits-Indië bijna zestig procent en Nederlands-Indië (Java) de resterende twee procent. De laatste cijfers gaven een markt aan van 716 miljoen pond, met een Brits aandeel van zeventig procent en een continue Nederlandse groei naar meer dan vijftien procent. De consumptie van thee had in de jaren vóór het congres tijdelijk een dalende lijn laten zien, veroorzaakt door de troebelen in Europa; Rutgers noemde de beroerde economische ontwikkelingen in Rusland als de belangrijkste oorzaak. In een periode, gekenmerkt door een dip van vijftien procent op de wereldmarkt was de Nederlandse afzet juist met twintig procent gestegen. Rutgers sprak niet voor niets van succes, van zelfbewuste kracht, van de zonnige toekomst van lachende theevelden.
   De inleider veronderstelde, zo zei hij, dat zijn toehoorders er niet van op de hoogte waren dat het gouvernement in de jaren dat het zich met de theecultuur had bezig gehouden, geen winsten maar verliezen had moeten incasseren. Het totale verlies in die periode - tussen de introductie van die cultuur in 1824 en 1860 - schatte hij op zes miljoen Nederlandse guldens. Hij dacht dat het in die dagen niet aan critici ontbroken moest hebben.

Ik was evenzeer verbaasd van die verliescijfers. Ik heb me dan ook afgevraagd hoe het mogelijk was dat handel en cultuur in een internationaal geliefd product als thee steeds weer met verlies geconfronteerd kon worden. Hoe was de theecultuur in Nederlands-Indië geïntroduceerd? Welke rol hadden de koning, de Indische regering en de Nederlandsche Handel-Maatschappij gespeeld?
   Tijdens mijn onderzoek heb ik gegevens gezocht en gevonden in enkele boeken die in de eerste decennia van deze eeuw werden uitgegeven, met name rondom het honderdjarig bestaan van de Nederlandsche Handel-Maatschappij in 1924. In datzelfde jaar werd - toevallig of niet - eveneens de introductie van de theecultuur in Oost-Indië herdacht. Primaire bronnen vond ik volop in het archief van de Neder­landsche Handel-Maatschappij. Tijdens mijn archiefonderzoek heb ik mij geconcentreerd op de notulen van de - gedeeltelijk geheime - directievergaderingen in Amsterdam en de jaarverslagen van de factorij in Batavia aan Amsterdam. Jacobus Jacobson, de joodse theeproever uit Rotterdam, bleek een interessante hoofdrolspeler in de Nederlandse theegeschiedenis. [7]
 

Gouverneur-generaal Fock (midden)
 
Thee en de introductie van thee in de wereldeconomie
 
Van de theestruik is bekend dat deze oorspronkelijk in het zuidoostelijk deel van Azië in het wild groeide. De eerste vermelding van thee in geschreven Chinese bronnen dateert uit omstreeks 300 nC. Het drinken van thee gaat in mythische verhalen nog veel verder terug: [8] in de Chinese traditie is sprake van een primitieve oerstaat, waar cultuur-heroën onder meer landbouw, zijdeteelt, woningbouw en het schrift introduceerden. [9] ‘Keizer’ Shen-nung (‘goddelijke boer’) zou 4.800 jaar geleden de landbouw, markthandel en het drinken van thee tot stand gebracht hebben [10]; het laatste doordat bij toeval bladeren van de theestruik neerdwarrelden in een pan met heet water, waarna het geheel een aangename geur ging verspreiden [11]
    Het lijkt erop dat thee in eerste instantie als medicijn en als geestverruimend middel gedronken werd. In 780 schreef Lu Yu in China een tractaat over ‘duizend en tienduizend’ soorten thee. [12] Tijdens de Tang-dynastie werd thee in 793 naast zout en alcohol onderworpen aan belastingen en een staatsmonopolie [13], hetgeen wijst op een commerciële betekenis. Bij de export van het boeddhisme van het Chinese vasteland naar de Japanse eilanden verspreidde ook de ceremonie van het theedrinken zich naar die streken; bovendien bleek het Japanse klimaat geschikt te zijn voor het opzetten van eigen theeplantages.

Op zich zelf is het een beetje vreemd dat wij spreken van ‘thee’: het Chinese woord is ‘cha’. De Portugezen, de eerste Europeanen die rond 1500 rechtstreeks met China in kontakt kwamen, gebruiken voor thee nog steeds het woord cha. Portugal had handelskontakten over zee, maar Chinese waren bereikten andere Europese regio’s al vanaf de Romeinse keizertijd via de zogenaamde zijderoute, een handelsweg dwars door het Chinese binnenland en Perzië. In de westelijke regio werd niet cha maar ‘té’ gezegd, een woord dat inmiddels in de Westerse wereld gemeengoed geworden is. [14] Ook in het dialect van de stad Amoy (provincie Fukien aan de oostkust) zou een woord gebruikt zijn dat de Engelsen in de achttiende eeuw uit het Hollands vertaalden met ‘tay’. [15]

In tegenstelling tot de oogst en produktie van koffie is het bereiden van goede thee verre van eenvoudig. Het product thee is niet het gevolg van het oogsten van vruchten, maar van het zorgvuldig verwijderen van de juiste blaadjes van de plant, die daarna - ondanks de aangebrachte ‘beschadiging’ -  verder behoort te groeien en nieuwe blaadjes moet opleveren. De theeplant heeft vruchtbare, humusrijke grond, warmte en vocht nodig om te gedijen. De kwaliteit van de thee is afhankelijk van de ligging van de plantage. De beste soort komt van hooggelegen theeplantages. De theestruik heeft vier à vijf jaar nodig om oogstrijp te worden. Ook het tijdstip van het plukken van het blad is van grote invloed, zowel de periode van het jaar, de dag en volgens kenners zelfs het uur van de dag.
   Het geplukte theeblad wordt na het oogsten ‘verflenst’ (een droogproces waarbij een gedeelte van het vocht verdwijnt), ‘gerold’ (het breken van de theebladeren waar­door het bladsap vrijkomt) en ‘gefermenteerd’ (het blad verandert in roodbruin en het thee-aroma ontwikkelt zich nu). Van honderd kilo theebladeren is aan het einde van het proces niet meer dan twintig kilo zwarte thee over. Groene thee is niet gefermenteerd. [16] Om tot de gewenste smaak te komen is het zaak verschillende theeën te mengen.
   Heden ten dage krijgen wij een kopje heet water en een theezakje naar keuze als we in een openbare gelegenheid onze eigen ‘theeceremonie’ willen organiseren; het moet duidelijk zijn dat er iets gebeurd is voor we zo’n zakje (met bedrukt kartonnetje, touwtje en nietjes) in ons kopje kunnen dompelen.
 
Na 1600 kwamen de Hollanders in het Verre Oosten in aanraking met de toen nieuwe drank. Een lid van een Hollandse V.O.C.-delegatie in Japan merkte bij een getekende plattegrond van een tuin van het keizerlijk paleis vóór 1615 al op: “Syn kostelycke huysen ende thuynen daer den Keyser als hy in’t Casteel is syn Recreatie neemt ende ’t Cruydt Teha genuttight by de Chineesen genaemt Tcho, welcke Kruyt syn gedrooghde groene blaaders met watter op gesooden, wert in groote Estime by de Iaponders gehouden”. [17]
    Willem IJsbrantsz. Bontekoe uit Hoorn, die korte tijd later in China was, maakte in zijn geschriften een ware STER-spot voor het consumeren van deze ‘goden’drank: “De thee verdrijft zware droomen, verligt de hersenen van zware dampen, maakt het gezicht klaar, zuivert de verbrande humeuren en hitte der lever, verdrijft overtollige slaap, verjaagt de dommigheid, maakt gaauw en wakker, courageert het harte, doet de vrees wijken, scherpt het vernuft, versterkt de memorie, verwakkert het verstand, en lescht den dorst”. [18] Hij werd er later van beschuldigd zich voor het schrijven van deze tekst als een co­py writer door de VOC te hebben laten betalen. [19] Zijn tekst deed het nog beter dan onze eigentijdse commercial "Ik eet Calvé-pindakaas omdat ik die gewoon lekker vind”.
   Chinese theeën, maar ook andere Chinese waren als zij­de, lakwaren en porselein, werden tijdens de zeventiende en achttiende eeuw in steeds grotere hoeveelheden geïmporteerd, eerst in ons land maar later ook elders in Europa. Langzamerhand werd de handelswaarde van thee in vergelijking met andere oosterse produkten alsmaar groter. Bij de East India Company steeg de waarde van de thee in de Chinese handel in de loop van de achttiende eeuw naar bijna honderd procent, bij de V.O.C. schommelde het percentage rond de 75 procent. Europa raakte verslaafd aan de Chinese thee. Gesproken werd over ‘the god to which everything else was sacrificed’. [20]
    De Hollanders brachten het drinken van thee over naar Nieuw-Amsterdam, het latere New York. [21] Een conflict over belasting op thee was de directe aanleiding tot de Boston Tea Party in 1773 en derhalve tot de Amerikaanse afscheiding van Engeland drie jaar later. Een vervelende bijkomstigheid was dat de Chinezen nauwelijks interesse hadden in Europese nijverheidsproducten. Zilver was voor de Chinese overheid wél een acceptabel betaalmiddel. Dat zilver haalden de Europeanen op hun beurt weer uit Spaans Amerika, vooral Peru en Mexico [22] Tussen 1700 en 1823 brachten alleen al de Engelsen ongeveer 53.985.000 tael zilver (ruim twintig miljoen kilo) naar China. En dat allemaal om de behoefte aan thee te bevredigen. [23]
   Vanuit dat licht gezien is het niet verbazingwekkend dat Engeland in 1793 een ambassade naar Peking stuurde onder leiding van Lord Macartney. We zouden nu spreken van een handelsmissie. Het Britse gezelschap reisde met een oorlogsschip van zesenzestig stukken en twee vaartuigen, volgeladen met kostbare geschenken, bedoeld om de opkomende Britse industriële techniek te marketen. Macartney had een gevolg van bijna honderd personen, waaronder natuurwetenschappers, kunstenaars en zelfs leraren Chinees (van een college in Napels).[24] Aan boord van zijn schip Lion had hij de beschikking over alle boeken die sinds een eeuw over China geschreven waren. [25]
    Ondanks deze zorgvuldige aanpak boekte de hoge ambassadeur geen enkel resultaat bij Qing-keizer Qianlong: Hij moest de lange terugreis met lege handen aanvaarden. Een volgende ambassade onder Lord Amherst in 1816/17 werd zo mogelijk nog meer vernederd aan het Chinese hof en kreeg de keizer niet eens te zien. [26] Ook Nederlandse gezantschappen werden met een kluitje in het riet ge­stuurd.

In het begin van de negentiende eeuw waren er nieuwe ontwikkelingen die de internationale situatie wezenlijk veranderden. Zuid-Amerika maakte zich los van Europa en het werd onmogelijk om de zilverstroom vanuit Amerika via Europa naar China in stand te houden. [27]
    Dat leek een ramp voor theedrinkend Engeland, maar intussen was een Chinese bovenlaag verslaafd geraakt aan opium, die onder meer in Brits-Indië ontwikkeld was. [28] In 1838 was één procent van de bevolking verslaafd: enkele miljoenen ambtenaren, klerken en dergelijke. [29] Tussen 1790 en 1838 is wellicht voor een bedrag van 239 miljoen tael (90 miljoen kilo zilver) aan opium China binnengesmokkeld. De Chinese overheid besloot een einde te maken aan de opium-import en stuur­de een sterke man naar Canton om orde op zaken te stellen; in navolging van de Boston Tea Party liet Lin Zexu nu Engelse opium in zee dumpen. De Britse wraak was vijfenzestig jaar na Boston wél succesvol. Londen rustte een grote moderne oorlogsvloot uit met de nieuwste snufjes van de inmiddels verder ontwikkelde industriële technieken. De schepen voeren de halve wereld over om de belangen van de vrije handel veilig te stellen en schoten Canton in puin. [30] De Chinezen werden er tijdens de onderhandelingen in Nanjing van ‘overtuigd’ de import van opium toe te laten, zodat de rekening van de thee betaald kon worden. Het eiland Hongkong werd aan Engeland afgestaan, diverse andere steden werden opengesteld voor de Europese handel. [31] De Chinese onafhankelijkheid, betalingsbalans én volksgezondheid werden in zekere zin opgeofferd aan de ruil van thee voor opium.
 
2. NEDERLAND EN DE EERSTE THEEHANDEL
 
De eerste ervaring met thee in Indië en Nederland
 
Aan het einde van de zeventiende eeuw komen we de theeplant voor het eerst in Europese bronnen in Indië tegen. De Duitser Andreas Cleyer, geneesheer, natuuronderzoeker maar tot zijn verbanning uit Japan in 1686 tevens succesvol smokkelaar, maakte in 1683 kennis met de theecultuur. Voor zijn woning in Batavia bracht hij theeplantjes mee. Diens tuinopzichter Georg Meister sprak in zijn in 1692 in Dresden gepubliceerd boek Der Orientalisch-Indianische Kunst- und Lust-Gärt­ner van ‘der Thee-Baum, welchen ich aus Japan mitbracht’. François Valentijn beschreef in 1724 de tuin van het buitenhuis van gouverneur-generaal Johannes Camphuis en maakte melding van enige ‘jonge Theeboomkens uit China, van grootte als Aalbesienboomkens’. In 1728 overwoog de V.O.C. als gevolg van problemen met de aanvoer van thee uit China de thee zelf te gaan aanplanten, maar die plannen werden snel weer in de ijskast gezet. Blijkbaar was de handel lucratiever. [32]
    Engeland beschermde zijn theehandel met een invoerrecht van maar liefst 119 procent. Met zo’n percentage werden anderen gewoon uitgenodigd om te smokkelen en dat gebeurde dan ook. De Engelse East India Company leverde slechts eenderde van de thee; de rest kwam uit de smokkelhandel van Hollanders, Zweden, Denen en Fransen.
   Amsterdam en in mindere mate Middelburg waren de grote centra voor de theehandel. Vlissingen leefde grotendeels van de theesmokkel. In 1784 werd het tarief echter in één keer verlaagd naar 12,5 procent, waar­door de Nederlandse afzet niet meer lonend was. In 1789 verloor Nederland als gevolg van differentiële invoerrechten in de jonge Amerikaanse republiek bovendien deze exportmarkt. Sterker nog: de Nederlandse markt raakte zozeer overspoeld door eigen en buitenlandse aanvoer dat op 14 juli 1791 de nationale markt door middel van een plakkaat moest worden afgeschermd. De Nederlandse theehandel halveerde in een mum van tijd en ging na de liquidatie van de V.O.C. via licensies over in handen van particulieren, vooral Amerikanen. [33]
    Salem, Massachusetts, was een belangrijke nieuwe internationale haven. Privateers vochten tijdens de Amerikaanse revolutie en hun schepen werden vanaf 1783 voor tochten van soms 24 maanden uitgezonden naar Canton, ‘the farthest port of the rich East’. Elias Hasket Derby (1739-1799) werd met zijn handelsgeest en organisatietalent Amerika’s eerste miljonair. Derby’s schip Grand Turk bereikte in 1786 Canton en verhandelde daar onder andere eboniehout, ginseng, gouddraad, kleding en betelnoten voor thee, maar ook zijde, porselein en kaneel. Kapiteins uit Salem reisden naar Kaapstad, Ile de France, Bombay en Batavia; vogelnestjes en opium werden vanuit Batavia in Canton met grote winsten aan de man gebracht. Salem werd daar door zijn dominante aanpak zelfs als ‘soevereine natie’ gezien. Tussen 1786 en 1807 - terwijl Fransen en Engelsen met elkaar en hun bondgenoten in de weer waren om de suprematie ter zee -  verwierven de Amerikanen zich een prominente plaats in de Chinese en Oostindische handel. [34]
 
Nederland tijdens en na de Franse tijd
 
De V.O.C. was met zijn monopolie tweehonderd jaar lang in de eerste plaats een importeursorganisatie geweest. [35] Oosterse produkten werden naar Nederland gebracht en van hieruit verhandeld. Na de liquidatie van de Compagnie en de Vrede van Amiens werd eind 1802 een staatscommissie benoemd om te bekijken hoe het nu verder moest in Oost-Indië. [36] Dirk van Hogendorp, voormalig gezaghebber in Java’s Oosthoek, had in zijn boek Berigt van den tegenwoordigen toestand der Bataafsche bezittingen in Oost-Indiën (1799) al gepleit voor een verlicht en liberaal koloniaal bestuur, een aanpak dus waarbij individuele burgers een rol zouden spelen. [37] Zijn ideeën haalden het niet bij die van zijn conservatieve tegenstander in de commissie, Mr. S.C. Nederburgh, eertijds advocaat van de V.O.C. Aan de overheid werd in een rapport geadviseerd om de staat de opvolger van de Oost-Indische Compagnie te maken, dus ook wat betreft het in ontvangst nemen van de koloniale produkten. De voordelen van de kolonie zouden vooral moeten strekken ‘tot stijving van de Nationale Cas’. [38] Particuliere handel zou alleen met grote restricties worden toegestaan. En zo werd besloten. Tevens adviseerde de commissie om de theehandel met Canton onder te brengen in een afzonderlijke compagnie met een aandelenkapitaal van achttien miljoen gulden. [39]
    Herman Daendels werd naar Java gestuurd om de nationale belangen ter plekke veilig te stellen; de Engelsen hadden intussen de Molukken met de bijbehorende specerijproducten onder controle gekregen. Ondanks Daendels’ gigantische infrastructurele verdedigingslinie, de Grote Postweg, werd het bestuur op Java weldra door de Engelsman Raffles overgenomen zodat van alle mooie plannen niets terecht kwam.

Na de nederlagen van Napoleon vonden de Engelsen het gewenst om een Nederlandse bufferstaat te creëren om daarmee eventuele Franse ambities aan de noordgrens in te perken. Willem I, zoon van stadhouder Willem V, werd in plaats van stadhouder eerst souverein vorst en vervolgens koning der Nederlanden, een gebied dat zowel de Oostenrijkse Nederlanden (België) als de voormalige Republiek bestreek. Zuid-Afrika en Ceylon, van de V.O.C. overgenomen, bleven in Engelse handen, maar de Indische archipel werd aan de nieuwe koning gegund. En voor het stadhuis van Batavia ‘daalde op 19 augustus 1816 onder een saluut van 21 kanonschoten de Engelsche vlag van den vlaggemast; onder een gelijk saluut werd de Nederlandsche vlag gehesen’. Het ‘Wilhelmus’ en ‘God save the King’ werden bij afwisseling uitgevoerd. Wim van den Doel beschrijft in zijn Rijk van Insulinde (1996) hoe het ritueel van de gebeurtenis en zeker de betekenis ervan aan de inheemse bewoners voorbijgegaan moet zijn. [40]
    Van de handel tussen Nederland en de Oost was weinig meer over. Nederlandse particulieren waren eeuwenlang geweerd in Batavia. Kennis van de oosterse markt was nauwelijks aanwezig. Als gevolg van het Continentaal Stelsel waren geschikte vaartuigen voor verre tochten bijna niet meer aanwezig. De pleisterplaats Kaap de Goede Hoop was in Engelse handen. Interessante produkten voor het oosten, katoenen kleding en opium, moesten in Engeland en de ver afgelegen Levant ingekocht worden. De handel was in handen van de Amerikanen en Engelsen. De Engelsen hadden een handige vracht naar het oosten in het vervoer van ‘criminelen’ naar de onlangs opgezette strafkolonies in Australië [41]; bovendien hadden ze iets te bieden met hun goedkope ‘katoentjes’. [42] De Amerikanen bouwden goede en goedkope schepen. [43]
    Het is niet verbazingwekkend dat slechts weinige particulieren de ‘grote vaart’ ondernamen. Willem I had het specerijenmonopolie op de Molukken hersteld, zodat alleen het vervallen Java het grote risico waard was. Publieke gebouwen en werken bevonden zich in 1816 in di­ep verval en de posterijen waren ingetrokken. [44] Op diens verzoek kreeg de Rotterdamse reder Anthony van Hoboken een certificaat voor de handel op Java; Amsterdam wilde eerst wel eens weten hoe de regering dacht over de ‘wederoprigting van eene Oost-Indische Maatschappij’. [45]
    Willem nam de touwtjes in eigen hand. Al op 16 december 1813 herstelde hij bij Souverein Besluit de staatsbemiddeling bij de opslag en veiling van thee. Bij Koninklijk Besluit van 3 maart 1814 liet hij de aanvoer van thee voorlopig vrij, maar in juni werden de rijk­stheeveilingen weer ingesteld. In een poging om de scheepvaart en handel weer in Nederlandse handen te brengen vaardigde de regering op 23 maart 1815 een wet uit, waarbij besloten werd tot de oprichting van de Maatschappij voor den Chineschen Theehandel, die een monopoliepositie moest krijgen. Het kapitaal was vastgesteld op acht miljoen gulden. Eén schip werd naar Canton gestuurd, maar daarbij bleef het. Bij intekening bleek dat de koning voor een half miljoen had ingeschreven en verder slechts enkele bankiers met een totaalbedrag van 224.000 gulden. Op 24 december 1817 werd de Maatschappij bij wet weer opgeheven. [46]

De handel in thee werd nu vrijgegeven voor het particuliere initiatief. Het komt mij voor dat de ontstane situatie niet bepaald gunstig was om een nieuwe generatie theekooplieden tot ontwikkeling te brengen; het is dan ook verbazingwekkend dat die er in Amsterdam desondanks kwam: Daniel Crommelin & Zoonen, Gebr. Hartsen, Joan Hodshon, Kerkhoven & Cotinho etcetera. In 1818 werden in de ‘Brakke Grond’ in Amsterdam acht thee-veilingen gehouden, waarin meer dan 60.000 kisten ter verkoop werden aangeboden. Rotterdam had sinds 1818 een markt voor thee; het thee-établissement aldaar werd kort na de oprichting overgenomen door H.C. Voorhoeve, E.P. de Monchy en P. van Rossem. [47] Middelburg probeerde zich eveneens een plaats op de theemarkt te verwerven, maar had problemen met de afzet omdat de Zeeuwse handelaren de verkoopcondities probeerden te wijzigen. [48] De Nederlandse handel werd enigszins be­schermd door een importtarief (differentieel recht), waarbij buitenlandse thee hoger belast werd, maar dat zette geen zoden aan de dijk.
   Door­dat de aanvoer overvloedig en onregelmatig plaats had bleef de Nederlandse handel riskant en structureel verliesgevend. In 1821 betoogden de ‘directeuren der Chineschen Expeditiën’ in Middelburg dat er een eind gemaakt moest worden aan de onbeperkte invoer van thee. In 1816 was door de Middelburgse Kamer van Koophandel al een rapport over dit probleem geschreven. De directeuren wensten de aanvoer uitsluitend te gunnen aan Nederlandse koop­lieden en reders. In 1824 schreef P. de Haan een brochure, getiteld Gedachten over den Chinahandel en den theehandel, strekkende ten betoge, dat alle belangen zich vereenigen tot de oprigting van een Societeit, op vereenigd kapitaal handelend, welke bij uitsluiting die takken van commercie overgedragen worden. [49]
  
3. DE THEEHANDEL VAN DE NEDERLANDSCHE HANDEL-MAATSCHAPPIJ
 
De oprichting
 

Hoofdkantoor NHM in Den Haag
 
Mr. Herman Muntinghe was de rechterhand (luitenant-gouverneur-generaal) van Raffles geweest. “He is the pivot upon which everything in the colonies will turn”, schreef zijn voormalige chef in 1817. [50] Als Raad van Indië kwam hij in het najaar van 1823 op verlof in Nederland en had verscheidene gesprekken met Willem I. Hij legde de koning uit dat alle kosten van het bestuur voor Nederlandse rekening en de economische voordelen voor de vreemdelingen waren, vooral de Engelsen en Amerikanen. Muntinghe overtuigde hem dat ingrijpende maatregelen noodzakelijk waren om Indië voor Nederland te behouden. [51] Het oude rapport van de staatscommissie van 1802 kwam weer ter tafel, vrije vaart en open handel vormden een te ‘lossen en wankelen grond’ voor de Nederlandse handel.
   De koning ging niet over een nacht ijs. Hij droeg Muntinghe op nog eens goed te onderzoeken wat de ervaringen van de nieuwe Indische handelshuizen waren en hoe daar gedacht werd over een concentratie van de Indische handel. Op 21 februari 1824 overhandigde deze een rapport, waarin hij de structurele verliezen van de handelshuizen aantoonde. Zelfs Van Hoboken had, naar zijn zeggen, op zijn Indische retouren drie procent en meer verlies geleden. [52] Het was duidelijk dat Nederland opnieuw rijp was voor een geconcentreerde economische nacht, een nieuwe verenigde Indische compagnie.
   Eén maand en acht dagen na het rapport van Muntinghe, op 29 maart dus, werd de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) bij Koninklijk Besluit opgericht. [53] Na de mislukking, negen jaar eerder, van de Maatschappij voor den Chineschen Theehandel, wilde Willem niets aan het toeval overlaten. Hij garandeerde een dividend van 4,5 procent en tekende zelf meteen voor vier miljoen gulden in. [54] Gedacht werd aan een kapitaal van twaalf miljoen gulden per 30 juni, maar met de bazuinstoot van de koning en de door hem gegeven zekerheden in dividend was op de eerste dag van intekening, 12 april, al bijna zeventig miljoen gulden bedrijfskapitaal beschikbaar. [55] Op 19 april werd het maatschappelijk kapitaal vastgesteld op 37 miljoen gulden. [56]
    In de oprichtingsacte van de nieuwe Maatschappij was geen sprake van een monopoliebepaling. Artikel negen luidde: “De Maatschappij zal vooral, en in de eerste plaats, daartoe dienstig maken de wederkeerige betrekking van het moederland tot hare Oost-Indische bezittingen en de bevestiging en uitbreiding van den handel en de vaart op dezelve, alsmede de vaart en handel op alle andere gedeelten van Indiën en omliggende plaatsen, den theehandel op China en de visscherijen in de Indische zeeën”. [57] Het mag frappant genoemd worden dat in de acte van 29 maart slechts één product met name genoemd werd: geen woord over koffie, geen woord over suiker, maar wel thee en dan nog in verband met China.
   W.M.F. Mansvelt, auteur van het standaardwerk Geschiedenis van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (1924) is uitermate kritisch over het aanstellingsbeleid van president en directeuren. De koning had volgens de Acte van Oprichting het recht voor de eerste maal alle directieleden zonder voordracht te benoemen. Mansvelt stelt zeer terecht dat voor het opzetten van een onderneming van dit kaliber en die te kampen had met zoveel verloren gegane kennis, gezocht zou moeten worden naar de ‘aller allerbeste Nederlanders, tegen iederen prijs overgehaald, onder toevoeging desnoods van eenige knappe buitenlanders’. Het tegendeel gebeurde. Om te beginnen besloot de koning de jaarsalarissen van president, directeuren en secretaris te verlagen. Het inkomen van de president mocht niet meer dan 12.000 gulden bedragen in plaats van de voorgestelde 14.000 gulden, van de directeuren 8.000 in plaats van 10.000 gulden, van de secretaris 7.000 in plaats van 8.000 gulden. [58] De belangrijke koopmanshuizen werden gepasseerd [59], Muntinghe werd afgevoerd omdat hij denkbeelden had, die afweken van die van de koning. [60]


Gerrit Schimmelpenninck
 
In plaats daarvan werd de Amsterdammer Jhr. Mr. Willem Gerrit van de Poll, 61 jaar oud, tot president benoemd. Hij was ambteloos burger en door zijn benoeming kon diens wachtgeld van 2.500 gulden door het rijk uitgespaard worden. [61] De benoeming van Gerrit Schimmelpenninck tot directeur (en tussen 1827 en 1833 tot president) was een gunst van de koning aan diens oude blinde vader Rutger Jan; zijn kennis van het buitenland was gebaseerd op jeugdherinneringen en op wat hij gehoord of gelezen had, zijn handelservaring was zuiver van plaatselijke aard. [62] Secretaris Willem de Clerq was een van de voormannen van het Réveil; bovendien had hij een vergelijkende literatuurgeschiedenis geschreven, een onderwerp dat hem bezig hield. [63] Als vertegenwoordiger van het zuiden werd R. Cenie benoemd, misschien wel een scheepvaartdeskundige, maar in elk geval een ‘joviale dikke Belg’ [64]
    In Rotterdam ging de koning voorbij aan de sollicitatie van Willem van Hogendorp, zoon van Gijsbert Karel. Van Hogendorp junior had zich met verve aangemeld omdat hij uit goede bron vernomen had dat het in zijn voor­deel zou zijn dat hij zich al langdurig niet met de handel had bezig gehouden. In plaats van déze Rotterdammer benoemde de koning Hendrik van der Houven, zoon van een predikant en verwant aan Arnoldus van Gennep, waarnemend minister van Financiën. [65]
    Expertise op het terrein van thee wordt nergens genoemd. In het najaar van 1824 riep de koning de heren op te stoppen met vergaderen en nu eens aan het werk te gaan. Mansvelt wijst er nog eens op dat het de directie ontbrak aan een ‘onbedwingbare lust’ om aan de slag te gaan. [66] Aan deze directie nu was het gegeven om de wereld te veroveren en niet in het minst, de theehandel met China weer op gang te brengen.
 
De eerste NHM-theevloten naar China
 
In november besloot de Maatschappij een grote partij thee aan te kopen. De Amsterdamse makelaar P. Voûte gaf de onervaren directie een lesje in marketing en legde uit dat de op­brengst zo hoog mogelijk zou zijn als de thee geleidelijk op de markt gebracht zou worden. Besloten werd om de verkoop via de makelaars Voûte en Frymersum maar helemaal uit handen te geven. [67] Blijkbaar was de directie niet ontevreden met de opbrengst want weldra ontstond het plan om zelf een expeditie naar China uit te zenden. [68]
    De directie was in deze tijd tot de conclusie gekomen dat de NHM zich op de markt van zijn concurrenten moest onderscheiden door de zaken groot aan te pakken. [69] Geld was er genoeg. Op 25 januari viel het besluit om een vloot van vier schepen rechtstreeks naar Canton te sturen, twee uit Amsterdam, een uit Rotterdam en een uit Middelburg. En ‘om deze expeditiën, door een of twee geschikte personen, genoegzame kennis bezittende, om voor de goede zamenstelling en sortering der lading te zorgen, te doen vergezellen’. [70] Kennis van zaken was niet in huis en daarom ging Schimmelpenninck, binnen het bestuur speciaal belast met oosterse zaken, maar weer eens praten met Voûte. Van der Houven legde door middel van Nortier, handelspartner van een broer, kontakten in ‘zijn’ Rotterdam. [71]
    De zaken werden nu wel erg voortvarend ter hand genomen. Binnen enkele dagen besloot men om de Rotterdammer M.A. van den Abeelen te benoemen tot supercarga, leider van de expeditie. Deze had zich goed weten te verkopen. Zijn inkomen lag in de orde van grootte van dat van president Van de Poll en bovendien mocht hij in Canton al zijn kosten doorberekenen, maar hij moest dan wel ‘zo zuinig mogelijk’ zijn. Afspraken werden gemaakt over voorschotten en provisie, maar een voorstel van Van den Abeelen om hem gewoon in dienst te nemen was onbespreekbaar voor de NHM-directie. De onbekende man die de eerste NHM-wereldreis in 1825 naar China leidde werd in feite binnen een paar dagen als freelancer ingehuurd. [72] Omdat theeproever Kok (‘beunhaas in de thee te Amsterdam’ en voorgesteld door Voûte) niet tot overeenstemming kwam, werd in zijn plaats de Amsterdammer J.P. Loots als expert aangenomen om Van den Abeelen te assisteren. [73] Van den Abeelen kreeg tevens opdracht om in Canton plannen voor een factorij uit te werken. Al deze beslissingen werden genomen tussen 1 en 7 maart. [74]
    In het verre Canton was van de Nederlandse factorij weinig meer over. ‘Opperhoofd’ Rabinel was in 1816 in China overleden, zijn assistent Zeeman stierf daar vijf jaar later. J.H. Bletterman was al in 1788 als VOC-medewerker in Canton gearriveerd en had in de afgelopen decennia nauwelijks kontakten met het moederland kunnen onderhouden. In 1825 - nadat alle Europese omwentelingen zich hadden voltrokken - zat hij daar in zijn eentje in Canton; zijn collega’s hadden weten te vertrekken naar Batavia of Nederland, hem was dat niet gelukt. [75] Niet in alle opzichten was het leven in een buitenlandse enclave een pretje. In Japan (Decima) waren de Nederlanders onderworpen aan ‘vernederende plichtplegingen, [...] en een staat van opsluiting, het gevolg van een vrees voor het invoeren van vreemde zeden, vooral van een vreemde godsdienst’. [76]
    In Canton was het nauwelijks beter: Buitenlanders werden niet toegelaten binnen de gigantische hoogommuurde stad; zij verbleven in factorijen aan de Parelrivier. Ze moeten zich een beetje gevoeld hebben als de latere DDR-burgers achter de Berlijnse Muur. Het was hun bovendien zeer streng verboden hun vrouwen mee te brengen. [77] Bletterman hoorde pas in 1823 dat de factorij was omgezet in een consulaat [78]; pas in 1825 werd hij officiëel tot consul benoemd. [79]
  

 De factorijen bij Canton (Guangzhou)
 
Op 14 maart 1825 schreef C.T. Elout, minister van de Nationale Nijverheid en Koloniën, een brief aan het jonge consulaat in Canton. Hij was er niet zeker van of Bletterman op de hoogte was van het bestaan van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, maar ‘de koning stelt het levendigst belang in die maatschappij’, en derhalve zond hij bijgaand de ‘artikelen van overeenkomst, waarnaar de maatschappij werken zal’.
   De minister informeerde Bletterman dat de directie ‘al dadelijk, nadat haar huishoudelijke inrichtingen daar gelegenheid toe verschafte, haar oog gevestigd op den Chineeschen handel, van zoo veel gewigt voor dit land en thans geheel in handen van vreemde natiën overgegaan’. Hem werd verteld van de komst van de vier schepen met een waarde aan goederen van 1,6 miljoen gulden. Bletterman ontving gedetailleerde instructies om optimale medewerking te verlenen aan Van den Abeelen en Loots. De brieven werden meegenomen aan boord van alle vier schepen, het Schoon Verbond en Rotterdam van Amsterdam, en De Vijf Gezusters en Jorina uit Rotterdam. [80]
    In die tijd was de mogelijkheid tot communiceren op grote afstand vanuit onze belevingswereld (met luchtpost, telefoon, fax en e-mail) uiterst traag. Als berichten binnenkwamen, waren die op zijn minst vele maanden oud en vaak door de feiten achterhaald. Zo kwam op 22 mei 1826 een brief van consul Bletterman - gedateerd 31 december 1825 -  in Den Haag binnen, waarin deze zijn ideeën voor het opzetten van een NHM-factorij in Canton ontvouwde. [81] Met het oog op een grote aanpak van de handel en vooruitlopend op het succes van de eerste thee-expeditie werd al op 29 augustus het besluit genomen om opnieuw vier schepen naar China te sturen, twee in december via ‘Indië om daar Indische produkten in te nemen die geschikt zijn voor de Chinese handel’. [82] De twee overige schepen werden in maart 1826 recht­streeks naar Canton gestuurd met aan boord de Amsterdammers G.N. Stulen [83] en P.C. Thueré [84] als supercarga en theeproever. Inmiddels was door de NHM in Batavia een factorij opgezet met als president A.L.J. Ram.
   Een paar maanden later kwam de eerste vloot terug in het vaderland. Onregelmatigheden waren al geconstateerd. Zo werd het de directie duidelijk dat supercarga Van den Abeelen en consul Bletterman niet alleen de belangen van de NHM en het land hadden gediend, maar ook hun eigen belangen. Van den Abeelen werd op het matje geroepen om een ‘specifieke opgave te vorderen van de inhoud der kisten, welke in de kajuit van den Schoon Verbond zijn geladen geweest, zijne toestemming te eischen dat al deze goederen onder onze agenten worden opgeslagen en blijven berusten, totdat wij omtrent deze zaak behoorlijk zijn ingelicht’. [85]
    Bletterman, die handelde zoals dat in VOC-tijd gebruikelijk was geweest, werd na veertig jaar verblijf in Canton ontslagen. [86] Toen bovendien in juli door taxateurs werd vastgesteld dat de thee ‘geenszins aan de verwachting en aan onze voorschriften blijkt te voldoen’ kreeg Van den Abeelen de rode kaart. [87] Op 8 november 1826 vond in de Brakke Grond, in de Nes te Amsterdam, een grote theeveiling plaats van de eerste expeditie van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. [88] Nadat de balans was opgemaakt kwam het verlies te staan op op ruim negenhonderdduizend gulden! [89]
 
 
De tweede vloot leverde eveneens een verlies van enkele tonnen op. [90] Expeditieleider Stulen werd het bijzonder kwalijk genomen dat hij op eigen initiatief in Canton was achtergebleven ten behoeve van het opzetten van de beoogde factorij. Hij werd vanuit het hoofdkantoor in ’s-Gravenhage gemaand om onmiddellijk terug te keren. Een zekere mate van paniek moet eind maart 1827 ontstaan zijn: gedacht werd om iemand vanuit de factorij van Batavia naar Canton te sturen, via Crommelin & Zoonen te Amsterdam werd met P. Ammidon, van de Engels-Cantonese firma Russell & Co, gesproken over samenwerking, opdracht werd gegeven om te bezuinigen op verzekeringen, uit Nantes kwam een aanbieding om Chinese thee in Frankrijk in te kopen. Op 18 april 1827 reisde de bejaarde president Van de Poll onverwacht naar Brussel, op 24 april deelde hij zijn directeuren mee dat hem eervol ontslag gegeven was, op 3 mei was hij voor het laatst aanwezig bij de directie zonder dat zijn opvolger, interim manager C.C. Baron Six van Oterleek, of de koning acte de présence gaf. [91] Het was géén fees­telijke afscheid.

Eind april 1827 ook trad Jacob Izaac Levien Jacobson als theeproever in dienst van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Opvallend is dat deze pionier in alle relevante boeken en encyclopedieën genoemd en geprezen wordt, maar dat geen der auteurs raad met zijn voorletters weet. Zijn voornamen worden nimmer genoemd. Bij onderzoek in het Rotterdamse gemeente-archief is mij gebleken dat hij als zoon van Izaac Levy Jacobszoon geboren is in maart 1799 en in elk geval op 21 maart (waarschijnlijk zoals gebruikelijk acht dagen na zijn geboorte) besneden is. Op 31 december 1811 bepaalde zijn vader (een nazaat van een rabbijn uit Emden) in de toen Franse stad Rotterdam bij ‘maire’ W. Suermondt zijn achternaam op Levien Jacobson. Hij woonde toen met acht kinderen op de gloednieuwe Napoleonskaay A 135/140 - die heette tot de geboorte van keizer Napoleons zoon in maart van dat jaar nog Boomkens. Jacob, de oudste zoon, woonde in 1826 als makelaar met zijn moeder en een knecht op Bierhaven 364, een pand met een jaarlijkse huurwaarde van driehonderd gulden. Op 11 oktober 1838 veranderde hij in Batavia zijn joodse voornamen Jacob Izaac (Levy) in de christelijke namen Jacobus Isidorus Lodewijk. Hij publiceerde later als J.I.L.L. Jacobson en verdoezelde derhalve zijn eerste achternaam Levien. [92]
  

 
Jacobus Jacobson: de thee-expert
 
Al in maart 1826 hadden president Van de Poll én directeur Schimmelpenninck gezamenlijk met Jacobson onderhandeld over een of andere vorm van samenwerking. Jacobson, zevenentwintig jaar oud, had onvervaard aangeboden om tijdens de tweede thee-expeditie tegelijk als supercarga én theeproever op te treden. In een geheime vergadering werd weliswaar met drie tegen twee stemmen aan Stulen de voorkeur gegeven, maar blijkbaar had de directie zich laten overtuigen van Jacobsons ‘erkende kunde van het thee-artikel’. Men probeerde hem dan ook te bewegen om slechts als theeproever naar Canton mee te gaan. De onderhandelingen sprongen af, enerzijds omdat men het niet eens kon worden over zijn gage, anderzijds omdat (na Van den Abeelen) ook Jacobson uit was op continuïteit in zijn dienstverband bij de NHM. [93]

Na de negatieve resultaten van de eerste Canton-expedities had de NHM zonder handelsmonopolie weinig lust meer in nieuwe Chinese avonturen, maar de koning zag het bedrijf in een ruimer kader van economische stimulansen (bijvoorbeeld de scheepvaart). Hij gaf Schimmelpenninck in een onderhoud dan ook opdracht gewoon door te gaan [94] In de maanden die voorafgingen aan de voorbereidingen van de derde Canton-expeditie boden zich diverse thee-proevers aan. Zo solliciteerde de Amsterdammer J. Franken Pronk herhaaldelijk met een ‘certificaat van bekwaamheid’. Telkenmale besloot de directie echter zijn brieven voor ‘notificatie bij zijn vroegere requesten te deponeren’ [95] - tegenwoordig zouden we spreken over het ronde archief.
   Pas op 7 april 1827 - terwijl de schepen al volgeladen voor vertrek op de kade lagen - besloot de NHM tot een gesprek met een theeproever en wel Jacobson omdat duidelijk was dat deze ‘de meeste kundigheden in dit vak schijnt te bezitten’. Het onderhoud vond wederom plaats met president Van de Poll en directeur Schimmelpenninck samen, een indicatie dat de aanstelling van een theeproever gezien werd als een zaak van het allergrootste belang.
   Jacobson, die blijkbaar voelde dat hij vanuit een sterke positie onderhandelde, vroeg naast een vrije overtocht en vergoeding van al zijn onkosten onderweg en tijdens zijn verblijf in Canton, een gage van twintigduizend gulden, zestig procent meer dan het jaarsalaris van de president. En hij eiste een optie om (onder gelijke condities) betrokken te zijn bij een volgende expeditie.
   In de maand april werd het aantrekken van Jacobson vrijwel dagelijks besproken in de directievergadering. Uiteindelijk bereikte men overeenstemming over een gage van 12.500 gulden, een voorschot daarop van 2.500 gulden en een vaste onkostenvergoeding van 500 gulden.
   Ondanks de overeenstemming nam Jacobson (of zijn familie) achter de rug van de directie rechtstreeks kontakt op met koning Willem I om de condities scherper te stellen. Het moet duidelijk zijn dat de directie met deze handelwijze niet blij was: Jacobson werd in elk geval op het matje geroepen en te verstaan gegeven dat het ‘op handen zijn van de expeditie naar China ten dezen geen langer uitstel gedoogt’. Wilde hij nu wel of wilde hij nu niet?
   Jacob Jacobson, zo liet zijn broer Edward (Emanuel) schriftelijk weten, wilde wel. Maar een week later - de schepen lagen nog steeds op de kade gereed voor vertrek - stuurde Jacobus een nieuwe brief met aanvullende ‘vragen en voorstellen’. [96] Er moet ongetwijfeld sprake geweest zijn van een haat-liefde-verhouding. De onderhandelingen doen een beetje denken aan die van Ajax met de tweelingbroertjes De Boer, onze hedendaagse ‘voetbalhelden’, door wie een op hun verzoek getekende overeenkomst in het openbaar opengebroken wordt als achteraf wellicht betere voorwaarden bedongen kunnen worden.
 

Jacobson
 
Jacobson was uit Rotterdam vertrokken en zou zonder onderbreking tientallen jaren - tot 1848 - in de Oost doorbrengen [97]. Tijdens zijn eerste oponthoud in Batavia op 27 september 1827 vroeg de tijdelijk gouverneur-generaal, Bus de Gisignies, hem om bij zijn verblijf in China toch vooral inlichtingen over de theecultuur aldaar te verzamelen. [98] Jacobson voldeed aan de wensen van Bus en riskeerde zelfs zijn leven voor de thee door het bezoeken van Chinese theetuinen die voor hem streng verboden terrein waren. [99] Een medewerker van de factorij, Meijer, was zowaar zelfs meegereisd naar Canton. Geconstateerd werd nog eens dat vreemdelingen ‘zich bevinden in een staat van opsluiting; [...] de Nederlander vindt in China onbeschoftheid, en is zijn leven in gevaar, bij de minste afwijking van de door hem gebaande weg’. [100] Ook deze thee-expeditie leverde weer zeshonderdduizend gulden verlies op, vooral omdat kort voor de terugkeer een Amerikaanse theevloot de Nederlandse markt met goedkope thee overspoeld had. [101]

Het was onderhand wel duidelijk geworden dat een andere aanpak noodzakelijk was. Het kapitaal van de NHM was teruggebracht van zevenendertig tot twintig miljoen gulden, de factorij in Batavia had van de koning opdracht gekregen een grotere rol te spelen, de jaarlijkse vloten naar Canton werden gehalveerd, steeds meer ook werd gedacht om thee (en andere produkten) zelf te produceren in plaats van met enorme risico’s te verhandelen. In elk geval was de regering tot de conclusie gekomen dat er nu eindelijk eens winsten gemaakt moesten worden. De koning had intussen een mannetjesputter gevonden in de persoon van Johannes van den Bosch.
 
4. INTRODUCTIE VAN DE THEECULTUUR IN NEDERLANDS-INDIë
 

Neêrlands hoop in bange dagen: Johannes van den Bosch

 
Johannes van den Bosch was al in 1780 geboren. Een broer van zijn vader was in Indië als arts werkzaam geweest, eind 1799 maakte hij zelf als militair in Indië het einde van de V.O.C. mee. Na het vertrek van Daendels kwam ook Van den Bosch terug in Nederland. Hij had zich op Java ontwikkeld tot een krachtdadig persoon en was onder meer een expert in vestingwerken. Op 1 april 1815 werd hij met het oog op de komst van Napoleon bij generaal De Constant Villars als chef van de generale staf in vestingstad Maastricht gede­tacheerd, en heeft dus niet meegevochten in Waterloo. In 1816 werd hij generaal-majoor.
 


Johannes van den Bosch

 
In 1818 reageerde Van den Bosch op een publicatie van Daendels over Indië door in een anonieme Brief, inhoudende eenige onpartijdige aanmerkingen, zijn bewondering voor het oude V.O.C.-stelsel met zijn gedwongen cultures en steunen van de plaatselijke elites niet onder stoelen of banken te steken. De Java-oorlog (1825-1830) sterkte hem in zijn overtuiging dat Nederland alleen verder kon met die steun. Intussen was Van den Bosch een van de drijvende krachten geweest achter het oprichten van de Maatschappij van Weldadigheid, die de armoede wilde bestrijden met het opzetten van landbouwkolonies voor arme werklozen.
   Bij het oprichten van die Maatschappij kwam hij in kontakt met de koning en trok diens aandacht. Toen rond 1825 bleek dat de situatie in West- en Oost-Indië verre van rooskleurig was, zond Willem I Van den Bosch naar het westen en L.P.J. burggraaf du Bus de Gisignies naar het oosten. Binnen een jaar had Johannes aantoonbaar resultaat geboekt met zijn aanpak; hoewel de West-Vlaamse graaf weliswaar van 145 naar 85 kilo was afgevallen, kwam hij niet met de spectaculaire successen zoals Van den Bosch die leek aan te tonen. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de koning in Johannes van den Bosch meteen de man zag die de zaken in Oost-Indië voor hem zou gaan regelen.
   Van den Bosch, die zich met enige moeite liet overhalen om voor drie jaar terug te gaan naar het oosten, vond de Javanen lui omdat ze slechts 120 dagen per jaar werkten en kwam met een plan om de opbrengst van Java met vijftien à twintig miljoen gulden per jaar te vermeerderen. Willem I had de ‘financiële tovenaar gevonden, die geld kon kloppen uit de koloniën, zoals Mozes water sloeg uit de rots’. [102] Zíjn plan ‘tot stijving van de Nationale Cas’, dat wij nu het Cultuurstelsel noemen, leverde de Nederlandse schatkist tussen 1830 en 1870 achthonderd miljoen gulden op, en het inspireerde de Engelsman James Money in 1861 tot het schr­ijven van een boek met de veelzeggende titel Java, or how to manage a colony.
   Van den Bosch voerde zijn plan zeker niet op drijfzand uit. Integendeel. Zo had Raffles tijdens het Engelse bewind (1811-1816) al proeven genomen met het kweken van theeplanten. [103] Reinwardt was in 1815 met het nieuwe Nederlandse bestuur naar Indië gereisd om daar als ‘directeur tot zaken van landbouw, kunsten en wetenschappen’ ’s Lands Plantentuin, een ‘kruidtuin, geschikt ter aankweking van gewassen en tot het doen van land-bouwkundige proeven’ aan te laten leggen, ‘eene fraaijen lusthof [...], in welken het nuttige met het schoone gepaard gaat. [104]
    De Fransman Pierre Diard, in 1825 tot inspecteur van de cultures in Nederlands-Indië benoemd, beweerde in 1839 dat hij al in 1821 en volgende jaren theepitten uit China had laten invoeren, maar die kwamen telkens bedorven aan. [105] Geen wonder, zo schreef Dr. A.W. Nanninga, leraar aan de middelbare koloniale landbouwschool te Deventer, in 1915: De Chinezen wilden zelf de exclusieve leveranciers van thee blijven en als slimme kooplieden zagen zij in dat zij de Nederlanders daarom geen goed kiembare pitten moesten meegeven. Om hun afnemers niet tegen het hoofd te stoten leverden zij wel pitten, maar die waren te oud en van tevoren nog even in kokend water gedompeld. [106]
    De Duitser Dr. Blume [107], opvolger van Reinwardt als directeur van ’s Lands Plantentuin in Buitenzorg, vroeg zijn vriend en landgenoot Philipp Franz von Siebold, die op Decima voor de Japanse kust als arts werkzaam was, om allerlei produkten [108]. Daarbij hebben waarschijnlijk ook theepitten (zaden) of theeplantjes gezeten die vanaf eind 1826 in ’s Lands Plantentuin en elders gekweekt werden. [109]
   Verantwoordelijk hiervoor was de toen nog zwaarlijvige Bus de Gisignies. Bus had de Belgische predikant G. de Serière naar Indië meegenomen en hem in 1828 secretaris der hoofdcommissie van landbouw gemaakt. Deze veelzijdige man, die bovendien journalist was, schreef weldra in de Bataviasche Courant: “Buitenzorg, dat te voren slechts een prachtige plantentuin was, werd spoedig in de nuttigste en heerlijkste kwekerij herschapen. De plaatsen die tot dusverre alleen met gras begroeid waren, en die hoegenaamd geen nut aanbrachten, zag men weldra met de nuttigste cultures prijken; de thee, de kaneel, de moerbeziënboom, de indigo van vreemde streken vervingen het gras en stelden het gouvernement in staat, om aan die planters, die deze nuttige zaden of planten ontbraken, de middelen te verschaffen, om die cultures uit te breiden". [110] In 1867 werd De Serière voor zijn nuttige werk beloond met een gouden medaille. [111]
    Bus en De Serière lieten Von Siebold steeds nieuwe partijen theezaden opsturen en zij spoorden Jacobson aan om in China niet alleen thee te selecteren, maar ook planten en zaden te vergaren, en tevens te onderzoeken hoe de theeplant gekweekt en de theebladen bewerkt moesten worden. [112] Die kennis was in Indië niet aanwezig. In 1827 werd de helft van de theeplanten door insecten aangetast [113], maar begin 1828 werd door lokale Chinezen dan toch het eerste kopje Java-thee gezet. Op 16 april bood Bus optimistisch een eerste thee-monster aan de hoofdcommissie van landbouw aan; de commissie was vier maanden later echter negatief (na eerst overleg met de NHM gepleegd te hebben) en geadviseerd werd om eens een deskundig Chinees uit Canton te laten overkomen. [114] De burggraaf maakte in 1828 een goed rapport met plannen op middellange termijn om plantages op woeste gronden op te zetten, maar de koning had haast en stuurde Van den Bosch zonder pardon naar Batavia om hem af te lossen.
 

Jacobson: De vader van de theecultuur

 


Bus de Gisignies

 
Terug in Batavia van zijn eerste reis naar Canton bekeek Jacobson, expert bij de NHM, de theeplanten in ’s Lands Plantentuin. In een brief van 10 juni 1828 bracht hij verslag uit aan Bus de Gisignies. Hij wees nog eens op de ‘stipte geheimhouding’ van de theecultuur in het Chinese rijk, maar gaf in een rapport blijk van de door hem vergaarde kennis over grond, zaden, (twaalf soorten) heesters, pluk, droging en krulling, en verpakking. Zo schreef hij over de grond: “Dat de theeën eenen matigen en zuiveren grond vorderen is zoo wel bekend als dat deze het best tegen heuvelen aan op de bergen tieren; dit laatste verleent aan de plant eene gelijkmatige warmte en verkwikt door noodige koelte, en hiermede kan (zoo ik verneem) Java bevredigen”. [115] In de tweede helft van de negentiende eeuw zou blijken dat het Preangergebied met zijn bergruggen inderdaad het ideale territorium voor thee was. Jacobson wees op de verschillen in klimaat tussen China en (het hete) Java en had er zijn twijfels over of de nog zeer jonge Japanse theeplantjes in het schaduwloze Buitenzorg op dat moment wel de juiste theebladen konden opleveren. [116]
    In tegenstelling tot zijn voorgangers Loots en Thueré werd Jacobson niet na één reis afgedankt door de NHM of het gouvernement in Indië. Integendeel, Jacobson maakte vanuit Batavia tot in 1833 een jaarlijkse reis naar Canton. Over zijn beloning, reis- en verblijfkosten werd door het hoofdkantoor in Nederland geen enkel probleem meer gemaakt. [117] Een eventuele repatriëring begin 1829 was zelfs aanleiding tot grote bezorgdheid bij de directie - Jacobson ‘moest maar in Batavia blijven tot een besluit voor een vijfde expeditie’ genomen was. [118] In dit jaar bracht hij elf echte thee-heesters uit China mee. De uiterst kostbare plantjes werden met de grootst mogelijke voorzichtigheid overgebracht naar Tsi-soeroepan in Bandoeng om daar zaden en dus nieuwe theeplantjes op te leveren. [119] In ’s Lands Plantentuin waren de Japanse heesters verder gegroeid.
   Het was Jacobson in China ondanks alle problemen gelukt om zich weer nieuwe kennis van de theecultuur eigen te maken. Hij was nu in staat om souchon-, pecco- en groene thee te maken. Op de eerste door het gouvernement georganiseerde tentoonstelling (van 27 juni tot 10 juli 1829) werd Jacobsons thee met zilver bekroond ‘voor deszelfs betoonden ijver om de bereiding van dit belangrijke product te bevorderen’. Volgens de factorij van de NHM ‘lijdt het geen twijfel dat de kwaliteit zeer gunstig afsteekt bij vroegere bereidingen’. [120] In het jaarverslag aan het hoofdkantoor meldde de factorij: “Meer en meer begint zich de hoop te verlevendigen dat men slagen zal op Java thee voort te brengen, aan die van China gelijkstaande”. Een jaar later was men op Java niet verder; de factorij meldde nu: “Ten aanzien van de thee mag men niet zeggen reeds zeker te zijn van met de Chinezen gelijk staande te zullen voortbrengen, doch zijn de uitzichten gunstig genoeg, om ook daarvan de aanplantingen met kracht te mogen doorzetten”.
   Het besef groeide dat er op korte termijn resultaten geboekt moesten worden. Dat vroeg om actie en investeringen. De rechtstreekse theehandel met Canton, die al miljoenen aan verliezen had opgeleverd, werd stopgezet zodat Jacobson voor de NHM overbodig was. Op 26 januari 1830 besloot de NHM-directie dat ‘de maatschappij niet in de gelegenheid is om van zijn verdere diensten gebruik te maken’. [121] Hij had zich echter voor de gouvernementscultuur onmisbaar gemaakt en maakte derhalve geen gebruik van het aanbod om zoals eerder overeengekomen op kosten van de NHM naar Nederland terug te keren. Jacobson was tot de conclusie gekomen dat het om de thee-cultuur goed aan te pakken noodzakelijk was om tien tot twaalf Chinezen te laten overkomen. Daar had men echt verstand van thee, maar de taken bij de productie waren er zodanig verdeeld dat de ene Chinees niet wist wat de ander deed [122] - zoals later in het westen ieder zijn eigen taak aan de lopende band zou krijgen.
   Onder gouverneur-generaal Johannes van den Bosch werden cultuurzaken groot aangepakt. De factorij rapporteerde in haar jaarverslag op 21 december 1831 dan ook: “Men heeft in dit jaar bijna de zekerheid gekregen dat in een onzer residenties, Krawang, de thee niet minder goed dan in China zal zijn en er is nu bevolen de aanplantingen [op Wanajasa] zo snel mogelijk uit te breiden, en vleit men zich over vier à vijf jaren twee miljoen ponden thee te zullen kunnen uitvoeren”. Jacobson, in 1832 bevorderd tot Inspecteur van de thee-cultuur, kreeg opdracht om zijn twaalf Chinezen in Canton te gaan halen. En het lukte hem nog ook: De thee-inspecteur vond de juiste mensen, wist ze te werven en slaagde er (na gemolesterd te zijn ternauwernood) in met zijn groep heelhuids uit China te ontsnappen.
 

De theeproductie komt eindelijk op gang

 
Jacobson arriveerde rond de jaarwisseling van 1832/33  met onder meer zeven miljoen (!) theepitten en 15 Chinezen: een theemeester, twee zwarte- en twee groene-theemakers, twee timmerlieden, een plakker, twee schilders, twee tingieters en drie papiermakers. Gouverneur-generaal Van den Bosch had de resident van Bantam opdracht gegeven om bij de komst van het schip van de Nederlandsche Handel-Maatschappij in de haven van Anjer schoten af te vuren en vlaggen te hijsen. De Chinezen moesten meteen van boord gehaald worden en met postpaarden onder geleide naar Batavia gebracht worden. [123] Ze gingen door naar theeplantage Wanajasa in Krawang, waar Jacobson onder resident De Serière de scepter zwaaide.
   Kort daarna brak elders op Java een Chinezenopstand uit die met militaire middelen bloedig onderdrukt werd. De vlam sloeg in de pan en en passant werd Wanajasa door de militairen ook maar even aangepakt: op twee na, die wisten te vluchten, werden alle Chinezen zonder de minste aanleiding vermoord. [124]
    De nieuwe consul in Canton, Senn van Basel, zond nieuwe Chinezen en de productie kwam verder op gang. Eind december 1833 groeiden op Wanajasa al zeshonderdduizend heesters [125], weldra breidde de theecultuur zich over vrijwel geheel Java uit. Tussen 1829 en 1834 had de thee-cultuur inmiddels wél bijna driehonderdduizend gulden aan het gouvernement gekost. [126] In november 1834 rapporteerde de factorij: “Hoezeer men op het welgelukken der thee kultuur hoop schijnt te hebben, gaat het echter maar langzaam vooruit en denkt men in de loop van dit jaar nog niet meer dan 3.000 pond voor de verzending te kunnen leveren, welke in het volgend jaar met een paar duizend ponden vermeerderen kan”. Thee-etablissementen (fabriekjes) werden her en der opgezet.
 

 
In 1831 was het eerste kistje thee naar koning Willem I in Nederland gestuurd [127], op 19 november 1835 vond de eerste veiling van Java-thee door de NHM in de Brakke Grond plaats. De theekisten waren gemerkt met de schepen waarop ze vervoerd waren en bovendien werd ‘het land van herkomst’, een appellation cont­rôlée, door de assistent-resident persoonlijk getekend. De op­brengst was boven verwachting. [128] Door het gouvernement, dat binnen het cultuurstelsel de theecultuur ter hand werd genomen, werd echter structureel verlies geleden. In 1842 werd de gouvernementscultuur beperkt tot de Preanger Regentschappen, Cheribon en de Bagelen. [129] In de loop van de jaren veertig groeide de productie naar vele honderdduizenden ponden, soms tot meer dan een miljoen pond per jaar. [130]
    Jacobson, die zijn werkzaamheden op Jawanasa in 1840 beëindigd had, ging in deze tijd handboeken schrijven die nog vele tientallen jaren als stan­daardwerken gebruikt werden. Een van de intekenaars in 1843 was J.H. Bletterman [131] in Batavia, die vijfenvijftig jaar eerder, in 1788, in dienst van de VOC was aangekomen. Jacobus I.L. Levien Jacobson, nog steeds Inspecteur der thee-kultuur, werd benoemd tot ‘Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw’. In 1848 keerde hij naar Nederland terug, in 1849 werd Wanajasa verlaten.
 

 
Het verlies voor het gouvernement bleef jaar in jaar uit voortbestaan. De thee bracht gewoon te weinig op in Amsterdam. Steeds meer werd de cultuur daarom via pachtkontrakten in handen van particulieren gegeven. En zoals in de inleiding gemeld: in 1860, tien jaar voor het einde van het cultuurstelsel, werd de gouvernements-theecultuur geheel aan het particulier initiatief overgelaten. Het woord en de daad was nu aan de ‘heren van de thee’, zoals beschreven in de baanbrekende historische roman van Hella S. Haasse.
 
5. EPILOOG: HEREN VAN DE THEE
 


Illustratie uit boek over Holle.

 
In 1843 en 1844 vertrokken enkele Nederlandse families naar Indië. De expeditie stond onder ‘bevel’ van Willem (Guillaume Louis Jacques) van der Hucht, kapitein en eigenaar van het fregat Sara Johanna. Willem had de financiële middelen, zijn vijftien jaar oudere broer Jan Pieter, makelaar in effecten [132], was verantwoordelijk voor de ideeën: in de brochure Betoog tot aanprijzing ener kolonisatie van Nederlanders naar Java had hij geschreven over de bestrijding van de werkeloosheid in Nederland en de bevordering van het stoffelijk en geestelijk welzijn van de bevolking daarginds. [133]
    Jan Pieter overleed kort na aankomst, Willem slaagde er niet in een lucratief suikerkontrakt te verwerven [134]; als alternatief stak hij zijn geld daarom - met groot succes - in de thee, dat wil zeggen in allerlei particuliere pachtcontracten.
   Van der Hucht had enkele tientallen familieleden naar Java meegebracht; ze heetten onder meer Holle, Kerkhoven of Wijnbergen. Everdine Huberta (Tine) van Wijnbergen, een wees en verarmde barones, trouwde al op 10 april 1846 met de jonge commies Eduard Douwes Dekker [135], die in 1860 onder het pseudoniem Multatuli Max Havelaar schreef.
   In een periode dat het gouvernement zich aan het terugtrekken was uit de onvoordelige theecultuur, nam Willem van der Hucht vanuit de plantage Parakan Salak (ten zuiden van Bandoeng in de Preanger) als een aartsvader het bewind op zich over al zijn familieleden. [136] Vooral de gebroeders Adriaan, Albert en Karel Frederik Holle profiteerden van de middelen van Willem, die geen (mannelijk) nageslacht had.
   Voor zijn vertrek naar Indië in 1871 ging Rudolf E. Kerkhoven, hoofdpersoon in het boek Heren van de thee, nog op bezoek bij de inmiddels gerepatriëerde oudoom Willem, die zich op het riante landgoed Duin en (Kruid)Berg in de Kennemerduinen met zijn tweede vrouw had teruggetrokken. [137]
    In die tijd was een hoofdrol weggelegd voor Karel Frederik Holle, woonachtig op de theeplantage Waspada (Soendanees voor ‘mooi uitzicht’), eveneens in de Preanger. K.F. Holle werd in 1871 benoemd tot adviseur honorair van het gouvernement, wat hij tot zijn dood in 1896 zou blijven. In navolging van Jacobson schreef de theeplanter Holle enkele tientallen artikelen en ‘nuttige’ boekjes, niet over thee - want die waren al geschreven -  maar (vooral) over rijst.
   Zowel in de recent verschenen biografie van Holle als in de roman van Haasse wordt nog eens duidelijk gemaakt dat het opzetten van een theeplantage geen eenvoudige zaak was. De planter maakte weliswaar gebruik van de arbeidskracht van de ‘inlander’, maar moest er bovenop zitten om rendabel te werken.
 

 
De echte grote doorbraak voor de Javaanse theecultuur kwam pas na 1878 toen de Java-planters theezaad uit Assam in Brits-Indië lieten overkomen. Assam-thee bleek veel beter te zijn voor de markt. [138] Bovendien kwam in die tijd de machinale bereiding op gang, zodat een beter en goedkoper product gemaakt kon worden. [139]
    Het Nederlandse marktaandal op de wereldmarkt van thee kon gaan groeien naar de vijftien procent waar Dr. Rutgers tijdens zijn openingsrede tijdens het eerste theecongres in Bandoeng in 1924 met trots melding van maakte. De productie van winstgevende thee in Indië was in 1922 gestegen naar 110 miljoen (Engelse) ponden. Rutgers kon terecht spreken van ‘lachende theevelden’. Eindelijk.
 
6. CONCLUSIE
 


Indische theeplantage, Preanger, negentiende eeuw

 
De cultuur en fabricage van, en zelfs de handel in, thee was niet zo eenvoudig. In de Franse tijd werden de handelskontakten tussen Nederland en theeproducent China verbroken. Na Waterloo (1815) was de theemarkt in Europa in Amerikaanse en Engelse handen. Bij zijn aankomst in Nederland nam de soeverein en vervolgens koning Willem I onmiddellijk maatregelen om de Nederlandse theehandel te bevorderen. Particulier initiatief leverde niet voldoende resultaten op en gedacht werd om de krachten te bundelen.
   Bij zijn plannen voor de oprichting van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, in zekere zin de opvolger van de oude V.O.C., hechtte Willem grote waarde aan het opnieuw op poten zetten van de Chinese handel. Wat hij niet deed was het oude V.O.C.-monopolie in ere herstellen.
   De NHM kon beschikken over ruime financiële middelen. Willem had in de directie mensen neergezet die blij waren met de door hem verstrekte baantjes, min of meer handelden naar zijn inzichten en slechts over een beperkte handels- en produktkennis beschikten. China was ver, een vloot deed er een jaar over om naar Canton te varen, daar zaken te doen en dan weer Nederland te bereiken. Om zich op de markt van de concurrentie te onderscheiden besloot de directie van de NHM, met toestemming van en/of op instigatie van de koning, om de Chinese theehandel groot aan te pakken. Diverse expedities reisden vanaf 1825 naar het onbekende Canton, eenzaam bemand door ex-VOC medewerker Bletterman, die nauwelijks wist wat er in Nederland gebeurd was sinds zijn aankomst in 1788.
   Door geen gebruik te maken van bestaande Nederlandse of buitenlandse expertise, door de zaken veel groter aan te pakken dan de ondeskundige directie kon overzien, door de concurrentie, en door de verantwoordelijken niet aan zich te binden, waren de verliezen voor de NHM enorm.
   In die zelfde tijd ging men er langzaam toe over om van gouvernementswege de thee zelf te gaan cultiveren. Johannes van den Bosch heeft met zijn cultuurstelsel het crediet gekregen, maar eerder hadden Bus de Gisignies en anderen al het nodige in gang gezet. De aanpak van de thee-aanplantingen was nóg moeilijker dan de handel opnieuw winstgevend te maken. Met enige moeite werden zaden en plantjes op Java geïmporteerd, maar de kennis om daarmee om te gaan was voorlopig minimaal, temeer daar de Chinezen het monopolie op hun populaire product wilden behouden.
   De Rotterdammer Jacobson slaagde er met gevaar voor eigen leven in om goede theezaden, theeplantjes en zelfs Chinese theeplanters en theefabrikanten naar Java over te brengen. Java heeft echter een ander klimaat dan China en het duurde dan ook nog vele jaren voor men de consequenties trok uit de onderzoeken van thee-inspecteur Jacobson en zijn conclusie om de bergen in te trekken. Het cultuurstelsel was een geweldig succes voor koffie en suiker, maar ‘in de thee’ werd door het gouvernement in navolging van de NHM-theehandel structureel verlies geleden.
   Toen Batavia zich steeds meer terugtrok uit de thee, werd het initiatief door particulieren overgenomen. Patriarch Willem van der Hucht met zijn grote familie was genoodzaakt om zélf geld te verdienen met het planten van thee en slaagde in het klein in de Preanger-bergen, waar het gouvernement in het groot gefaald had. Zijn neef Karel Frederik Holle, de ‘vriend van de landman’, bracht het tot grote roem en werd adviseur voor het leven van de gouverneur-generaal.
   Rudolf Kerkhoven, een ander ‘neefje’ van Van der Hucht en de hoofdrolspeler in de bestseller Heren van de thee van Hella Haasse, maakte van de uit Brits-Indië geïmporteerde Assam-thee een groot zakelijk succes. Vanuit Java werd een geslaagde campagne gevoerd om een interessant aandeel op de wereldmarkt voor thee te verwerven.
 
Clips

* Russ Conway, China Tea
* Productie van thee
* Chinese clip over factorijen in Canton
* 100 jaar thee op Java
Karel Frederik Holle
* Toneelstuk 'Heren van de Thee', 2009 
* Hella Haasse, 2011

Geraadpleegde bronnen
Primaire bronnen
 
Algemeen Rijksarchief, Den Haag
* Archief van de Nederlandsche Handel-Maatschappij 1824-1864 (2.20.01)
Register van het confidentieel verhandelde tussen november 1824 en oktober 1832 (inventaris 415-419)
Jaarlijksche verslagen van de factorij te Batavia tussen 1826 en 1848 (inventaris 4548 en 4549)
Bijlagen directievergadering 1826 (inventaris 465)
Correspondentie uit maart 1825 (inventaris 8033)
Notulen van de gewone vergaderingen van de directie (inventaris 277 en 278) maart-mei 1827
 
Gemeentearchief Rotterdam
Besnijdenissen 1737-1811
Naamsaannemingen van Israelieten in 1811
 
Geraadpleegde literatuur
Beekman, E.M., Paradijzen van weleer. Koloniale literatuur uit Nederlands-Indië, Amsterdam 1998
Berge, Tom van den, Karel Frederik Holle, theeplanter 1829-1896, Amsterdam 1998
Bernard, Ch., 'De geschiedenis van de theecultuur van Nederlands-Indië', in Gedenkboek der Nederlandsche theecultuur 1824-1924, Weltevreden 1924
Bree, L. de, De Nederlandsche Handel-Maatschappij. 29 maart 1824-29 maart 1924, Batavia 1924
Chijs, J.A. van der, Geschiedenis van de gouvernements thee-cultuur op Java. Zamengesteld voornamelijk uit officëele bronnen, Batavia/Den Haag 1903
Cohen Stuart, C.P., ‘Het begin der theekultuur op Java’, in Gedenkboek der Nederlandsch Indische theecultuur 1824-1924, Weltevreden 1924
Cohen Stuart, C.P., ‘Een familie van patriarchen’, in Gedenkboek der Nederlandsch Indische theecultuur 1824-1924, Weltevreden 1924
Doel, H.W. van den, Het Rijk van Insulinde, Amsterdam 1996
Doel, H.W. van den, De stille macht. Het Europese binnenlands bestuur op Java en Madoera, 1808-1942, Amsterdam 1994
Eyck van Heslinga, Els van, ‘In een pijnlijke onzekerheid. De Nederlandse factorij in China na 1795’, in Spiegel Historiael, Amsterdam 1991
Encyclopaedia Britannica, volume 21, Chicago e.a.
Fasseur, C., Kultuurstelsel en koloniale baten. De Nederlandse exploitatie van Java 1840-1860, Leiden 1975
Geerts, Anneke, Thee, de Gouden Drank (Koffie en Thee Informatie Bureau, Amsterdam, ±1998)
Gernet, Jacques, A history of Chinese civilization, Cambridge 1997
Haasse, Hella S., Heren van de thee, Amsterdam 1992
Handelingen van het thee-congres met tentoonstelling. Gehouden te Bandoeng van 21 tot 26 juni 1924. Weltevreden 1924
Houben, Vincent, Van kolonie tot eenheidsstaat, Leiden 1996
Hucker, Charles O., China's Imperial Past. An Introduction to Chinese History and Culture, Stanford 1975
Jacobson, J.I.L.L., Handboek voor het sorteren en afpakken van thee, Batavia 1845
Jacobson, J.I.L.L., Handboek voor de kultuur en fabrikatie van thee, (drie delen), Batavia 1843
Lintum, C. te, De Nederlandsche Handelmaatschappij, Amsterdam ±1916
Mansvelt, W.M.F., Geschiedenis van de Nederlandsche Handel-maatschappij, (twee delen), Haarlem 1924
Memorie boek van pakhuismeesteren van de thee te Amsterdam 1818-1918 en de Nederlandschen theehandel in den loop der tijden, Amsterdam
Money, J.W.B.,Java or how to manage a colony, Londen 1861
Nanninga, A.W., De theecultuur op Java, Baarn 1915
New Encyclopaediae Brittanica in 30 Volumes, Volume 18, Chicago 1975
Paul, H., Nederlanders in Japan 1600-1854, Weesp 1984
Peyrefitte, Alain,China en het Westen, Kampen 1991
SalemMaritime National Historic Site. National Park service, U.S. Department of the Interior. (±1998)
Spence, Jonathan,Op zoek naar het moderne China, Amsterdam 1991
Spence, Jonathan, God's Chinese Son, Londen 1996
Thema Thee. De geschiedenis van de thee en het theegebruik in Nederland, Rotterdam 1978
Wesseling, H.L., ‘Nederland als koloniaal model’ in H.L. Wesseling, Indië verloren, rampspoed geboren, Amsterdam 1995
Westendorp Boerma, J.J., Een geestdriftig Nederlander: Johannes van den Bosch, Amsterdam 1950
Zhuang Guoto, ‘Tea, silver, opium and war. From commercial expansion to military invasion’, in Itinerario, Leiden 1993
Zürcher en B.J. ter Haar, E., Chinese geschiedenis, Leiden 1990
 
Eindnoten


[1]. Handelingen van het thee-congres met tentoonstelling. Gehouden te Bandoeng van 21 tot 26  juni 1924. Weltevreden 1924, 22.
[2]. Ibidem, 26.
[3]. Ibidem, 9-13.
[4]. Ibidem, 15.
[5]. Ibidem, 16-17.
[6]. Ibidem, 26-27.
[7]. Ibidem, 36-44.
[8]. Thema Thee. De geschiedenis van de thee en het theegebruik in Nederland, Rotterdam 1978, 9.
[9]. E. Zürcher en B.J. ter Haar, Chinese geschiedenis, Leiden 1990, 42.
[10]. Charles O. Hucker, China's Imperial Past. An Introduction to Chinese History and Culture, Stanford 1975, 22.
[11]. Thema Thee, 9.
[12]. The New Encyclopaediae Brittanica in 30 Volumes, Volume 18, Chicago 1975, ‘Tea Producti­on’.
[13]. Jacques Gernet, A history of Chinese civilization, Cambridge 1997, 264.
[14]. Anneke Geerts, Thee, de Gouden Drank (Koffie en Thee Informatie Bureau, Amsterdam, ±1998).
[15]. New Encyclopaediae Brittanica, Tea Production.
[16]. Thee, de Gouden Drank.
[17]. Thema Thee,12.
[18]. Handelingen thee-congres, 36.
[19]. Thema Thee, 24-25.
[20]. Zhuang Guoto, 'Tea, silver, opium and war. From commercial expansion to military invasi­on', in Itinerario, Leiden 1993, 10-14.
[21]. Encyclopaedia Britannica, volume 21, Chicago e.a., "Tea".
[22]. Zürcher, Chinese geschiedenis, 21.
[23]. Ibidem, 14-17.
[24]. Jonathan Spence, Op zoek naar het moderne China, Amsterdam 1991, 122.
[25]. Alain Peyrefitte, China en het Westen, Kampen 1991, 45.
[26]. Spence, moderne China, 787.
[27]. Zhuang, Tea, silver, opium and war, 22.
[28]. Ibidem, 28.
[29]. Zürcher, Chinese geschiedenis, 123.
[30]. Spence, moderne China, 150-155.
[31]. Zürcher, Chinese geschiedenis, 124.
[32]. C.P. Cohen Stuart, 'Het begin der theekultuur op Java', in Gedenkboek der Nederlandsch Indische theecultuur 1824-1924, Weltevreden 1924, 20-23.
[33]. W.M.F. Mansvelt, Geschiedenis van de Nederlandsche Handel-maatschappij, Haarlem 1924, 134.
[34]. SalemMaritime National Historic Site. National Park service, U.S. Department of the Interior. (±1998).
[35]. Mansvelt, Nederlandsche Handel-maatschappij, 49.
[36]. Ibidem, 50.
[37]. H.W. van den Doel, Het Rijk van Insulinde, Amsterdam 1996, 12.
[38]. Mansvelt, Nederlandsche Handel-maatschappij, 51.
[39]. Idem.
[40]. Van den Doel, Insulinde, 21.
[41]. C. te Lintum, De Nederlandsche Handelmaatschappij, Amsterdam ±1916, 5-7.
[42]. L. de Bree, De Nederlandsche Handel-Maatschappij. 29 maart 1824-29 maart 1924, Batavia 1924, 2.
[43]. Mansvelt, Nederlandsche Handel-maatschappij, 136.
[44]. Lintum, Nederlandsche Handelmaatschappij, 6.
[45]. Mansvelt, Nederlandsche Handel-maatschappij, 52.
[46]. Ibidem, 134-136.
[47]. Memorie boek van pakhuismeesteren van de thee te Amsterdam 1818-1918 en de Nederlandschen theehandel in den loop der tijden, Amster­dam, 118-119.
[48]. Mansvelt, Nederlandsche Handel-maatschappij, 217.
[49]. Ibidem, 136-137.
[50]. Ibidem, 48.
[51]. Ibidem, 47.
[52]. Ibidem, 54.
[53]. Ibidem, bijlage.
[54]. Ibidem, 65.
[55]. Ibidem, 71.
[56]. Ibidem, 73.
[57]. Ibidem, bijlage.
[58]. Ibidem, 109.
[59]. Idem.
[60]. Ibidem, 110.
[61]. Ibidem, 111.
[62]. Ibidem, 111-113.
[63]. Ibidem, 113-114.
[64]. Ibidem, 115.
[65]. Idem.
[66]. Ibidem, 118.
[67]. ARA, Register van het confidentieel verhandelde tussen november 1824 en oktober 1832 (inventaris 415-419), 24 november 1824.
[68]. ARA, confidentieel verhandelde, 25 januari 1825.
[69]. Mansvelt, Nederlandsche Handelmaatschappij, 137.
[70]. ARA, confidentieel verhandelde, 25 januari 1825.
[71]. Ibidem, 1 maart 1825.
[72]. Ibidem, 1-7 maart 1825.
[73]. Ibidem, 1 maart 1825.
[74]. Ibidem, 1-7 maart 1825.
[75]. Els van Eyck van Heslinga, 'In een pijnlijke onzekerheid. De Nederlandse factorij in China na 1795', in Spiegel Historiael, Ams­terdam 1991, 10-15.
[76]. ARA, Jaarlijksche verslagen van de factorij te Batavia tussen 1826 en 1848 (inventaris 4548 en 4549), 1827, pagina 14.
[77]. Jonathan Spence, God's Chinese Son, Londen 1996. Spence noemde het eerste hoofdstuk van zijn boek niet voor niets ‘Walls’.
[78]. Van Eyck, 'pijnlijke onzekerheid', 13.
[79]. Ibidem, 15.
[80]. ARA, Correspondentie uit maart 1825 (inventaris 8033).
[81]. ARA, confidentieel verhandelde, 22 mei 1826.
[82]. Ibidem, 29 augustus 1895.
[83]. Ibidem, 17 maart 1826.
[84]. Ibidem, 28 maart 1826.
[85]. Ibidem, 2 juni 1826.
[86]. Mansvelt, Nederlandsche Handel-maatschappij, 177.
[87]. ARA, confidentieel verhandelde, 8 juli 1826.
[88]. ARA, Bijlagen directievergadering 1826 (inventaris 465).
[89]. Mansvelt, Nederlandsche Handel-maatschappij, 176.
[90]. Ibidem, 177.
[91]. Notulen van de gewone vergaderingen van de directie (inventaris 277 en 278) maart-mei 1827.
[92]. Gegevens uit Gemeentearchief Rotterdam.
[93]. ARA, confidentieel verhandelde, 22-28 maart 1826.
[94]. Mansvelt, Nederlandsche Handel-maatschappij, 177.
[95]. ARA, gewone vergadering, bijvoorbeeld 15 maart en 5 april 1827.
[96]. ARA, "confidentieel verhandelde" en "gewone vergaderingen", april 1827.
[97]. J.A. van der Chijs, Geschiedenis van de gouvernements thee-cultuur op Java. Zamengesteld  voornamelijk uit officëele bronnen, Batavia/Den Haag 1903, 603.
[98]. Chijs, gouvernements thee-cultuur, 4.
[99]. Encyclopaedia Britannica, volume 21, Chicago e.a., ‘Tea’.
[100]. ARA, factorij, 1827 - 14.
[101]. Mansvelt, Nederlandsche Handel-maatschappij, 177.
[102]. H.W. van den Doel, De stille macht. Het Europese binnenlands bestuur op Java en Madoera, 1808-1942, Amsterdam 1994, 57.
 J.J. Westendorp Boerma, Een geestdriftig Nederlander: Johannes van den Bosch, Amsterdam 1950, hoofdstukken ‘Officier’ en ‘Koloniaal Hervormer’.
[103]. Cohen Stuart, 'Het begin der theekultuur', 30.
[104]. Van den Doel, Insulinde, 29.
[105]. Ch. Bernard, 'De geschiedenis van de theecultuur van Nederlands-Indië', in Gedenkboek der Nederlandsche theecultuur 1824-1924, Weltevreden 1924, 3.
[106]. A.W. Nanninga, De theecultuur op Java, Baarn 1915, 4.
[107]. Gedenkboek der Nederlandsche theecultuur 1824-1924, 175-177.
[108]. H. Paul, Nederlanders in Japan 1600-1854, Weesp 1984, 178.
[109]. J.I.L.L. Jacobson, Handboek voor het sorteren en afpakken van thee, Batavia 1845, bijlage  dd. 10 juni 1828. In 1828 schreef Jacobson dat het zaad was. In zijn boek uit 1845 corrigeerde hij zichzelf en schreef: ‘het waren plantjes’.
[110]. Cohen Stuart, 'Het begin der theekultuur', 27.
[111]. Ibidem, 37.
[112]. Chijs, gouvernements thee-cultuur, 4.
[113]. Cohen Stuart, 'Het begin der theekultuur', 31.
[114]. Idem.
[115]. Jacobson, sorteren en afpakken van thee. Bijlage van 10 juni 1828.
[116]. Idem.
[117]. ARA, confidentieel verhandelde, 10 maart 1829.
[118]. Ibidem, 2 januari 1829.
[119]. Chijs, gouvernements thee-cultuur, 7.
[120]. Ibidem, 9.
[121]. ARA, confidentieel verhandelde, 26 januari 1830.
[122]. Jacobson, sorteren en afpakken van thee, bijlage rapport dd. 17 juni 1829.
[123]. Chijs, gouvernements thee-cultuur, 21-22.
[124]. Cohen Stuart, 'Het begin der theekultuur', 37.
[125]. Chijs, gouvernements thee-cultuur, 25.
[126]. Ibidem, 28.
[127]. Cohen Stuart, 'Het begin der theekultuur', 37.
[128]. Memorie boek, 129-135.
[129]. Ibidem, 135.
[130]. ARA, factorij, diverse jaren.
[131]. J.I.L.L. Jacobson, Handboek voor de kultuur en fabrikatie van thee, (drie delen), Batavia 1843, 2.
[132]. Tom van den Berge, Karel Frederik Holle, theeplanter 1829-1896, Amsterdam 1998, 16.
[133]. Hella S. Haasse, Heren van de thee, Amsterdam 1992, 27.
[134]. Berge, Holle, 16.
[135]. E.M. Beekman, Paradijzen van weleer. Koloniale literatuur uit Nederlands-Indië, Amsterdam 1998, 219.
[136]. C.P. Cohen Stuart, 'Een familie van patriarchen', in Gedenkboek der Nederlansch Indische  theecultuur 1824-1924, Weltevreden 1924, 149.
[137]. Haasse, Heren van de thee, 35.
[138]. Bernard, 'theecultuur van Nederlands-Indië', 8.
[139]. Idem.
Harry Knipschild
15 januari 1999