Zoeken

 

Teun de Reede werd op 8 september 1945 geboren in Leiden. Hij is van dezelfde generatie als de drie Gibb-broers die als de Bee Gees vanaf de tweede helft van de jaren zestig triomfen vierden met liedjes als ‘Massachusetts’, ‘How can you mend a broken heart’, ‘Nights on Broadway’ en ‘You should be dancing’.
   Teun verbaast er zich wel eens over dat de hedendaagse jeugd nog nooit van de Bee Gees gehoord heeft, vertelde hij me toen hij op 18 december 2014 op bezoek kwam om over zijn ervaringen in de wereld van de popmuziek te vertellen. De Bee Gees maakte hij ook persoonlijk uitgebreid mee tijdens zijn ‘normale’ werk.
 
 
Je bent jong en je wilt wat
 
 
Teun de Reede was de jongste van drie kinderen. Broer Rien speelde tot 2003 fluit in het Concertgebouworkest, klassieke muziek dus. Zus Frenny was hoofd van een kleuterschool. Teun deed zijn eerste muzikale ervaringen op bij de Leidse show- en marchingband K&G (Kunst & Genoegen, uit 1928), waarvan zijn vader secretaris-penningmeester was. K&G werd enkele malen wereldkampioen.
   Favoriete radioprogramma’s waren het verzoekprogramma voor militairen op zondagmiddag (presentatie: Roel Balten, Avro) en de Engelse top 20 van radio Luxemburg op zondagavond.
   De wereld van Teun veranderde radicaal toen hij de eerste platen van de Rolling Stones hoorde. ‘Hey Joe’ van Jimi Hendrix maakte de muzikale revolutie helemaal compleet. Door de popmuziek werd Teun een ander mens. In de tijd dat beatbandjes als de Motions en Golden Earrings van zich lieten horen was het voor hem bijna vanzelfsprekend om ook zo’n beatband te beginnen. Omdat hij geen instrument bespeelde werd hij de zanger. Na enige tijd fuseerde de Leidse groep met een soortgelijke formatie uit Leiderdorp. De zes man sterke ‘Nou &’ was geboren.
 

 

Nou & met Teun de Reede (derde van links)
 
 
Teun: “We deden mee aan een talentenjacht tijdens het Brasem Concours. In de jury zat Theo Joosten, die eerder Margie Ball ontdekt had. Een ander lid was niemand minder dan Peter de Ronde van de Golden Earrings. We werden tweede. Dat leverde ons een contract bij Negram Records op. Maar toen de plaat opgenomen werd had ik de groep al verlaten. Ik werd deejay”.
   Als zanger van Nou & maakte Teun tevens kennis met Aad van Delft. De Leidenaar was manager van de White Shoes, die meestal in Duitsland optraden voor Amerikaanse militairen. “Om ons te laten horen hoe goed zijn groep was liet hij de jongens vanuit Duitsland naar Leiden komen. Zanger Theo van Es zong in die tijd ‘My ship is coming in’ van de Walker Brothers en ‘Hold on I’m coming’ van Sam & Dave. De White Shoes werden de Shoes. Aad van Delft bracht ze in contact met Freddy Haayen. Die produceerde voor Polydor hits als ‘Standing and Staring’, ‘Na Na Na’, ‘Peace and Privacy’ en ‘Don’t you cry for a girl’”.
   Als jongen van die tijd had Teun lang haar. “Je kunt je niet voorstellen wat dat soms voor problemen gaf in die tijd. De kapper wilde je niet knippen. Sommige horeca-zaken kwam je niet binnen. Ik zat op het Rembrandt Lyceum. Van rector Blom mocht ik alleen eindexamen doen als ik mijn haar kort liet knippen”.
   Dat deed hij niet. Teun heeft nooit eindexamen gedaan. Ook zijn diensttijd verliep niet soepel. Die duurde niet lang. Na zes weken was hij wegens O5 weer gewoon burger.
 

 
Vertegenwoordiger bij Polydor
 
 

Aan het einde van de jaren zestig solliciteerde Teun de Reede met succes bij Polydor, de platenmaatschappij die de Shoes en Golden Earrings onder contract had. De omzet van Nederlandse groepen had maar een beperkte betekenis voor het het bedrijf op het Haagse Piet Heinplein. Polydor sloeg in die tijd onder leiding van Evert Garretsen zijn slag omdat iedereen een stereo-installatie aanschafte en mooie albums in stereo wilde hebben. Vooral de Duitse orkestleider Hans ‘James’ Last was een money-maker.
   Stereomuziek was er niet alleen voor de draaitafel thuis. Je favoriete muziek kon je ook in de auto tot zijn recht laten komen. “Er waren twee systemen, het Amerikaanse 8-track (van RCA) en de Europese musicassettes (van Philips). Om te winnen van de concurrentie had Polydor, als onderdeel van PolyGram, verbonden met Philips, besloten om zijn vertegenwoordigerscorps met twee personen uit te breiden. Twee mannen die het land moesten doortrekken om uitsluitend musicassettes te verkopen aan de platenwinkeliers. Ik kwam in dienst van Polydor als mc-vertegenwoordiger. We deden het met z’n tweeën. Mijn collega trok vijf dagen per week door het zuiden, zelf kreeg ik de bovenste helft van Nederland onder mijn hoede”.

De aanpak van Polydor betekende dat Teun alle werkdagen van huis was. “Op maandagmorgen stapte ik in de auto. ’s Avonds verbleef ik een hotel. Pas op vrijdag was ik weer thuis. In de personeelswinkel van Philips had ik onder voordelige condities de beste geluidsboxen kunnen kopen. Onderweg had ik dus prachtig stereogeluid als ik een musicassette afspeelde. Spoedig ontdekte ik overigens dat niet alle muziek goed verkoopbaar was op cassette. Rock-muziek was niet erg in trek. Mensen die naar de winkel gingen om voorbespeelde mc’s te kopen waren voornamelijk uit op makkelijk in het gehoor liggende muziek. De grote knaller, ik weet het bestelnummer na al die jaren nog uit mijn hoofd, was 914.606: ‘James Last in Concert’. Alles van James Last verkocht goed, maar ook Herb Alpert (op A&M), de Bee Gees en Crosby Stills Nash & Young (‘Déjà Vu’, Atlantic).
   Het geluid van 8-track was beter dan dat van de mc. Waarschijnlijk kwam dat omdat het een bredere band was. Maar ons Philips-systeem kwam als overwinnaar uit de bus”.

 
Plugger bij Polydor
 
 
 

Richie Havens
 
 
Teun de Reede viel goed bij de directie van Polydor. “Na anderhalf jaar stelde Nico van Biemen me voor om plugger in Hilversum te worden. Het waren de dagen van de film ‘Woodstock’ (1970).
   Eén van de artiesten uit de film was Richie Havens [1941-2013]. Aan mij de taak om de zanger van Schiphol af te halen en te begeleiden. Het vliegtuig was vertraagd. Richie, op sandalen, kwam op z’n gemak aanlopen. We waren maar net op tijd in Bellevue (Amsterdam) waar regisseur Peter van Halm en presentator Eddy Ouwens het programma ‘Pop Zien’ maakten. Alles pakte gelukkig goed uit. Dat was mijn vuurdoop als plugger”.
   Teun de Reede werkte samen met Diana Ridderikhoff die eerder in dienst gekomen was. “Diana deed vooral de gewone omroepen, ik hield me meer bezig met Veronica, Noordzee en de televisie. Het was niet altijd even makkelijk. Ik moest concurreren met ervaren rotten als Pim ter Linde (Phonogram), Kees Helleman en Bob Bernards (Bovema). In zekere zin werd ik in het diepe gegooid. Zo ging dat in het vak. Een opleiding voor medewerker van een grammofoonplatenmaatschappij bestond niet. Je werd aangenomen en moest je eigen koers zien te bewandelen”.

 
Pluggen en zingen
 
 
 
Het leven van een plugger was geen negen-tot-vijf baan. Evenals in zijn tijd als vertegenwoordiger was Teun steeds maar op pad. Intussen had hij in Leiden ook nog een rugby-club opgezet. Bovendien manifesteerde hij zich onverwacht opnieuw als zanger. Teun: “Theo van Es, de zanger van de Shoes, liet me een Spaans liedje horen. Dat vond ik geweldig. Waarom nemen jullie dat niet op, vroeg ik hem. Daar kwam niks van. In mijn auto had ik er een musicassette van.
   Regelmatig kwam ik op het kantoor van Red Bullet, dat met Polydor gelieerd was. Directeur Willem van Kooten, die het N.A.P.-label begonnen was, vertelde dat hij vergeefs op zoek was gegaan naar een idee voor een karnavalshit. Ik heb misschien wel zo’n nummer, zei ik. Uit de auto haalde ik de cassette en liet die horen. Willem zag het meteen helemaal zitten.
   Binnen de kortste tijd zaten we in de Haagse GTB-studio. Harry van Hoof maakte het arrangement, Cees Schrama trad op als producer. De zang werd gedaan door Jean-Pierre Burdorf, de plugger van Red Bullet, en mij zelf. Voor die gelegenheid noemden we ons de Gebroeders Grimm.
   Het was maar enkele weken voor karnaval. Veel tijd hadden we niet. Toch lukte het ons ‘En we nemen er nog een’ op plaats 21 van de top veertig te krijgen. Jammer genoeg slaagden we er echter niet in bij de Tros op tv te komen. Een plaat, gezongen door twee pluggers, daar wilden ze bij die omroep niet aan”.

 
Teun de Reede met Jean-Pierre Burdorf (Gebroeders Grimm)
 


Twee jaar later, in 1974, stond Teun de Reede als zanger opnieuw in de top 40. Met de groep Us, pluggers van alle platenmaatschappijen, onder wie Diana Ridderikhoff en Paul Corduwener, bereikte hij met ‘Music in the air’ zelfs de vijfde plaats. Het gezelschap mocht bij die gelegenheid in Top Pop op de tv verschijnen.
   Teun: “Vanaf ‘En we nemen er nog een’ maakten we als Gebroeders Grimm elk jaar een karnavalsplaat. In die periode deden we dan enkele tientallen optredens in het land. Dat was een mooie bijverdienste en we hadden een hoop lol. Heel leuk was het als je in Hilversum een artiest begeleidde die een hit probeerde te scoren, terwijl je zelf in de hitlijst stond”...
   In zijn Polydor-jaren trouwde Teun met zijn Corry. De receptie in Leiden (Haagse Schouw) was afgeladen. Weldra werd hij vader van dochter Leontine. Teun: “Ze is nu programmeur van Gebr. de Nobel, een nieuwe poptempel in Leiden”.

 
Optrekken met internationale artiesten
 

Als promotieman van Polydor wist Teun heel wat artiesten in televisieprogramma’s te plaatsen. Zo was hij actief betrokken bij tv-optredens van ABBA, Slade, Bee Gees, Freddy Quinn, Gary Glitter, Osmonds en David Cassidy om een paar grote namen uit die tijd te noemen.
   Teun: “Over het algemeen waren de kontakten met die artiesten uiterst plezierig. Tijdens een opnamedag, bijvoorbeeld van Top Pop of Eddie [Becker] Ready Go, stonden we ’s morgens op Schiphol om de artiesten op te halen. De hele dag waren we met ze op sjouw. En dan ’s avonds terug naar het vliegveld. De meeste artiesten waren zeer erkentelijk voor wat we voor ze deden. Ze beseften ook wel dat ze ons nodig hadden om in Nederland te scoren. En Nederland was een belangrijk land op het Europese continent. Daar werden de hits vaak als eerste geboren”.
   Tijdens het gesprek haalde Teun tal van herinneringen op. Zijn ouders hadden thuis platen van de Duitse schlagerzanger Freddy, ‘Heimweh’ en ‘Heimatlos’ op Polydor. Nu trok hij zelf op met de beroemde artiest, die bovendien een talenwonder was. Freddy sprak bijvoorbeeld Nederlands, Chinees, Turks en zelfs Iers. “Freddy Quinn had in België op school gezeten. Zo had hij geleerd vrijwel vlekkeloos Nederlands te spreken. Als hij hier in een televisie-programma optrad was hij uiterst voorkomend. Ik heb een keer meegemaakt, in Groningen, dat hij een briefje van honderd gulden tevoorschijn haalde en dat aan de floormanager (Ton Bourgonje) gaf, ook voor de cameramensen, ‘om met z’n allen nog wat te drinken’. Dat was volkomen acceptabel. Op die manier kreeg Freddy alle aandacht zodat hij goed uit de verf kwam”.

 
\
Slade met vlnr Hans Rouw (pers), Teun de Reede (tv-promotie) en Nico van Biemen (product management)
 
 
 
Als popartiesten naar Nederland kwamen waren er vaak fotografen aanwezig om van de gelegenheid gebruik te maken wat actuele plaatjes te schieten. Teun had nog wat foto’s bewaard waar hij zelf en zijn Polydor-collega’s (Hans Rouw, Nico van Biemen) op vastgelegd waren.
   Zoals met David Cassidy op Schiphol: “De mensen van Polydor International en Bell Records, onder wie Alan Watson (internationale promotor van Bell), hadden een klein vliegtuig gehuurd en daarmee trokken ze, samen met de hier nog onbekende zanger van de Partridge Family door Europa. Rien van Wijk, producer en regisseur van Top Pop, kwam met een filmploeg naar Schiphol waar het vliegtuig landde. Hij had grote gipsen letters (T O P P O P) laten maken. Op een groen veld werden de letters opgesteld met David Cassidy ervoor. Zo filmde hij de toekomstige singles ‘Rock me baby’ en ‘How can I be sure’. Dat was nog eens professioneel en zo ging het in die tijd. Ik kan me niet voorstellen dat Prince later tot zo’n actie overgehaald kon worden”.
 
Bijzondere ervaringen had Teun bovendien met de Osmonds. Polydor had de zingende familie in 1972 weten te plaatsen in het tv-programma ‘Eén van de acht’ (Mies Bouwman). De Osmonds, mormonen, braken zo van het ene moment op het andere in ons land door met liedjes als ‘Crazy Horses’ en ‘Down by the lazy river’. Tijdens de tv-uitzending vanuit Utrecht deden de jongste telgen, Marie en Little Jimmy, nog niet mee. Maar niet veel later maakten ook zij hits met ‘Paper Roses’ en ‘Long Haired Lover from Liverpool’. Jimmy (geb. 16 april 1963) kwam, samen met een oudere broer en zijn vader naar Nederland om zijn plaatje onder de aandacht te brengen. Omdat hij tijdens zijn verblijf in ons land tien jaar werd, wilde Teun een cadeautje voor het jongetje kopen. Tot verdriet van zijn vader – Little Jimmy mocht niet te veel verwend worden!
   Het gezelschap toog voor een interview bovendien naar radio Veronica. Daar aangekomen zagen ze de hoes van de succesvolle elpee ‘Osmonds Greatest Hits’ aan een wand hangen. Het album had ik [HK] in 1972 met toestemming van het Polydor-hoofdkantoor in Hamburg, samengesteld. Teun: “De Osmonds zeiden dat ze van niets wisten. Dat album had er niet mogen komen vonden ze. Aan mij de taak om de zaak te sussen. Blijkbaar met succes. We hebben er tenminste nooit meer iets van gehoord”.
   Zo had je als promotie-man meer taken dan het bij de deejays onder de aandacht brengen van nieuwe platen.
 
 
 
Teun de Reede met twee Osmonds
 
 
In 1972 traden de Bee Gees in Nederland op tijdens het Grand Gala du Disque kon Teun zich nog goed herinneren. De broers Gibb, die na ruzies eindelijk weer samen door één deur konden, waren bovendien door Toon Gispen van de NCRV-tv uitgenodigd om op diverse plaatsen in het land filmopnamen te maken.
   Teun: “In tegenstelling tot Slade en zoveel andere artiesten met wie het plezierig werken was, gedroegen Barry, Maurice en Robin zich minder coöperatief. In Muiden gaf Robin vroeg in de ochtend de wens te kennen dat hij een fles whiskey wilde hebben. Ik had er helemaal geen zin in om voor dat soort onzinnige zaken te zorgen. Ik heb er dan ook niet voor gezorgd. De Bee Gees verschenen soms ook niet op de afgesproken tijd voor de camera’s. In Amsterdam trokken ze liever met de Beach Boys op. En wij maar wachten. Door hun gedrag waren we ook veel geld aan taxi’s kwijt”.
   Teun noemde het gedrag van de Bee Gees ‘onaangepast’. Dat was vervelend. Hij maakte ook andere bijzondere figuren mee onder de artiesten, zoals Gary Glitter en later Udo Jürgens bij Ariola. “Die hadden hun eigen netwerk als ze in Nederland waren”.

 
Ariola
 

Na een aantal jaren had Teun de Reede een goed netwerk opgebouwd bij de tv-makers in Hilversum. “Bij Polydor heb ik veel geleerd, veel moeten leren. Vervolgens kwam ik in dienst bij Ariola, Kenaustraat 3 in Haarlem. De platenmaatschappij, eigendom van Bertelsmann, had zich los gemaakt van Negram-Delta, die eerder hun platen verhandelde. Met mijn verworven contacten kon ik een goede bijdrage leveren aan de groei die het nieuwe bedrijf in de jaren zeventig doormaakte. Eerder had Bob Holwerda wat promotie in het Gooi bedreven, maar die beperkte zich voortaan tot de contacten met de geschreven media”.
   Teun wist bijvoorbeeld in 1974 Alvin Stardust in Top Pop te krijgen. “Alvin was een speerpunt van Magnet Records waarvan we bij Ariola de rechten verworven hadden. Het was zaak zijn single ‘My Coo Ca Choo’ onder de aandacht te brengen. Ik wist Rien van Wijk over te halen hem in de studio uit te nodigen en een gedeelte van de single als hittip uit te zenden aan het einde van het programma. De uitzending van de tip duurde maar enkele tientallen seconden. Maar dat was genoeg voor een doorbraak. ‘My coo ca choo’ haalde de twaalfde plaats van de top 40. Later hadden we bij Ariola succes met andere Magnet-artiesten, zoals de Guys and Dolls”.
   Het leven van een plugger, een promotie-man, bestond uit teleurstellingen (als iets waar je in geloofde maar niet wilde lukken), maar ook uit blijdschap als het geleverde werk zijn vruchten afwierp. Dat was bijvoorbeeld het geval met ‘Tubular Bells’ van Mike Oldfield, het eerste album van Virgin, de nieuwe platenmaatschappij van Richard Branson.
   Teun: “Virgin bezette in het begin niet meer dan een paar kantoortjes ergens boven een winkel in Londen. Ik ben er samen met collega Evert Wilbrink wel eens geweest om te praten over al die albums die buiten Ariola om in Nederland verkocht werden. Branson hoorde ons aan. We merkten dat het hem niets kon schelen”.
   De eigenaar van Virgin Records had Ariola geholpen door middel van een lange muziekfilm van Mike Oldfield. Teun: “Die probeerde ik in Hilversum te slijten. Nic Notten van de KRO reageerde positief. De film ging op 6 april 1974 de ether in. Op het andere net was het Eurovisie-songfestival met onder anderen ABBA, Olivia Newton-John en Mouth & McNeal. Om die reden was de kijkdichtheid relatief gering. Slechts 700.000 mensen gaven de voorkeur aan ‘Tubular Bells’. Maar, zo bleek, ze waardeerden de muziek van Mike Oldfield geweldig. Vanaf 6 april ging de verkoop van het album in een stroomversnelling”.
   Teun had een ingang bij de KRO. “Met Willem Ruis en zijn team kon ik het goed vinden. In die tijd had Ariola een pandje naast restaurant de Jonghe Graef van Buuren in Hilversum. De panden, inclusief het restaurant, werden uitgebaat door Rein van den Broek, trompettist van popgroep Ekseption.
 
 

 
 
 
Regelmatig kwamen we bij elkaar over de vloer. Heel wat Ariola-artiesten traden in het programma van Ruis op, zoals de Sparks, Kiki Dee (waarmee ik volgens ‘Story’ een relatie had) en Roxy Music. Directeur Wim Schippers is nog naar Amerika gevlogen om te proberen Burt Bacharach over te halen dat ook te doen (optreden). Maar zover is het niet gekomen”.
   Heel moeilijk bleek het te zijn om de eerste single van Anita Meyer bij de televisie onder te brengen. Teun: “De belangstelling was aanvankelijk minimaal. Alleen producer Toon Gispen van de NCRV toonde tekenen van interesse. Hij moest en zou over de streep getrokken worden. Op een avond zaten we samen in de kroeg. Op mijn manier gaf ik niet op. We dronken zoveel dat het onverantwoord was nog naar huis te rijden. Ik mocht op de flat van Gispen in Utrecht slapen. Toen we de volgende ochtend wakker werden zei hij: ‘Anita zit in het programma’. Na die escapade van de vorige avond kon hij misschien moeilijk anders”.
   Bij het bedrijven van tv-promotie bij de omroepen in Hilversum, vertelde Teun, speelde geld soms een nogal grote rol. Zonder geld kwam je bij sommige omroepen niet ver. Dat was hem al enigszins gebleken in zijn Polydor-tijd. “Bij Nico van Biemen diende ik een keer een declaratie in van zestig gulden. Voor mij persoonlijk was dat een flink bedrag. Nico gaf me in zekere zin op mijn donder. Niet omdat ik te veel uitgaf, maar juist het tegenovergestelde. Ik moest meer geld besteden in het Gooi, liet hij me weten. In mijn Ariola-tijd ging dat nog veel verder. Degenen die besloten welke artiesten in hun programma’s zouden worden uitgenodigd, hadden in heel wat gevallen slechts een beperkte kennis van populaire muziek. Door wat te schuiven, direct of indirect, kreeg je voor elkaar wat anders niet zou lukken. Vooral bij de ‘grootste familie van Nederland’ was dat het geval”.  
   Bij het verdwijnen van de zeezender had Tom Collins (Ton Droog, Veronica) een baan als labelmanager van Ariola gekregen. Na een paar jaar had Collins er genoeg van en stapte uit de muziek-business. Mede op zijn initiatief werd Teun de Reede bevorderd tot zijn opvolger, naast Evert Wilbrink. Anton Witkamp (ex-Phonogram) had als adjunct-directeur de leiding over die afdeling. Teun: “Dat werk lag mij niet goed. Je moest heel geordend werken, vergaderen en papieren invullen. Ik was er te weinig gestructuereerd voor”.
 

 
Zwarte tijd
 
 
Met een kantoorbaan was Teun, lijkt het, in verkeerd vaarwater gekomen. Teun: “Die job als labelmanager heb ik maar een half jaar gedaan. Ik was blij dat ik gebeld word door Martin Kleinjan. Martin had een aantal jaren als chef van de internationale afdeling bij Bovema gewerkt en was vervolgens directeur geworden van J.R., het succesvolle productiebedrijf dat Jack de Nijs (Jack Jersey) en Henk Voorheijen hadden opgezet.
   Van artiesten als Jack Jersey en André Moss werden honderdduizenden albums verkocht. Dat kwam onder meer door hun samenwerking met de Tros-televisie. Een stukje saxofoonmuziek van André Moss werd regelmatig een Tros-tune en als zodanig steeds gebruikt om pauzes in de uitzendingen ‘op te vullen’. Als Jack Jersey weer eens een album maakte besloot de Tros om een tv-uitzending rond zo’n album in een ver en exotisch land op te nemen en uit te zenden. Zoiets pakte in omzet geweldig uit. J.R. had ook uitstekende contacten met Hans Pohl, de samensteller van de Tros-programma’s met Nederlandstalige muziek”.
   Martin Kleinjan haalde Teun over om Ariola te verlaten en als tv-promotor bij J.R. te komen werken. “Ik was terug op de plek waar ik me thuis voelde. Zo was ik al snel betrokken bij het tot stand komen van een Indonesische tv-special die Jack Jersey voor de Avro zou gaan maken. Jan van Veen (ex-Veronica deejay) – met wie ik goed kon opschieten – was in die tijd hoofd amusement van die omroep. Een collega bij J.R. was Jacques van Loon die later voor Joop van den Ende ging werken.
   Door mijn werk bij J.R. kwam ik even later automatisch terecht in het EMI-kamp. Hun platen werden immers door EMI gedistribueerd. Mijn werk als plugger voor J.R. ging vrijwel automatisch over in optreden als promotor voor de nationale afdeling van EMI.
   Het moment was uitermate slecht. EMI-Nederland had in 1977 besloten een grote fabriek in Uden op te zetten. Voor het Nederlandse repertoire zette men onder leiding van Kick Klimbie een eigen bedrijf op onder de naam ‘Negram’. Het pakte zeer slecht uit. De fabriek in Uden bijvoorbeeld functioneerde niet. Platen waren krom, op elpees was de verkeerde muziek geperst. Op beslissende momenten kon niet geleverd worden. Het was werkelijk een ramp”.

EMI-Nederland had op dat moment niet minder dan 750 mensen in dienst, waarvan vijfhonderd in Haarlem en 250 in Uden. Door alles wat er fout ging moesten heel wat mensen de organisatie onvrijwillig verlaten. Teun: “Met grote moeite wist ik een goede afvloeiïngsregeling af te dwingen. Voor mij stond vast dat ik de muziekbusiness voorgoed wilde verlaten. Tony Berk (Roba, ex-Noordzee) benaderde me nog om bij bij zijn bedrijf te komen werken, maar het hoefde voor mij niet meer. Met succes solliciteerde ik bij de Postbank voor de functie van chef codeercentrum. Ik heb er nooit spijt van gehad”.
 
 
Klaus und Klaus
 
 
Teun de Reede stapte uit de muziekbusiness. Maar hij bleef wel aktief als zanger, als de helft van de Gebroeders Grimm. Na ‘En we nemen er nog in een’ verscheen het duo regelmatig in de hitregionen met liedjes als ‘Achter de wolken schijnt de WW’ (1975), ‘Bloesjes van seringen’ (1977) en vooral ‘Een meissie van alledag’ (1979).
   Teun: “Plugger Ronnie Mol nam de plaats van Jean-Pierre Burdorf in, die een horeca-zaak begon. We hadden geen vast contract met een platenmaatschappij. Zo werden we een keer uitgenodigd door Annie de Reuver, die voor Johnny Hoes in Weert werkte. We werden door het Telstar-gebouw rondgeleid, inclusief de perserij en het magazijn. Tot mijn grote verbazing trof ik er een grote voorraad Ariola-platen aan, met name de succesvolle albums van de Carpenters. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat die in Weert illegaal geperst werden”.
   De Gebroeders Grimm namen ook platen op voor Ariola, CNR en (later) Bunny. Eén van hun singles op CNR was ‘De Opera’, geschreven door Henk Bemboom en Jan Bloemsma en gearrangeerd door Harry van Hoof. Op de b-kant kwam een Iers volksliedje, ‘Wild Rover’, gearrangeerd door Piet Souer. Dat liedje werd in 1984 omgedoopt in ‘Ammenooitniet’.  
   Teun: “De Nederlandse tekst werd geschreven door Ronnie, producer Bert Schouten en mijzelf. Omdat het een traditional was konden wij onze nieuwe aanpak bij Buma-Stemra claimen als een nieuw nummer. Jammer genoeg flopte de single. Maar met name de b-kant werd opgepakt door de radio en bovendien met wat andere woorden op voetbalvelden, zoals bij Veendam, stevig meegezongen. Ronnie en ik traden traden nog wel eens op zaterdagmiddag op in het pogramma ‘Los Vast’ bij de NCRV met presentator Jan Rietman”.

 

Klaus und Klaus, een grote hit dankzij de Gebroeders Grimm
 
 
 
De b-kant belandde ook in Duitsland. Het duo Klaus und Klaus (Klaus Baumgart, Klaus Büchner) maakten in 1983 een Duitse versie van ‘Er staat een paard in de gang’ (André van Duin). Teun: “In 1984 werd ik door iemand van CNR gebeld of ik autorisatie wilde verlenen voor een Duitse versie van mijn tekstuele bijdrage aan ‘Ammenooitniet’. In principe wilde ik dat wel doen. Maar ik vroeg: ‘Voor ik mijn toestemming geef wil ik eerst weten wat er in Duitsland aan gedaan wordt. Komt het nummer dan bijvoorbeeld op de Duitse televisie?’ Daarna hoorde ik voorlopig niets meer.
   Van Nico Haak had ik wel eens vernomen hoeveel geld daar in de muziekbusiness omging. Nico scoorde er gigantisch met ‘Schmidtchen Schleicher’, de Duitse versie van ‘Foxie Foxtrot’. Ook hoorde ik vage berichten dat onbekende artiesten ons nummer hadden opgenomen en dat je dat op de Duitse radio kon horen. Meer wist ik niet. Ik was helemaal uit het muziekvak en werkte bij de Postbank.
   Totdat ik een keer op mijn girorekening mijn saldo bekeek. Er was een bijschrijving van een omvang dat ik dacht: ‘Dat moet een vergissing zijn’. Van dat bedrag kon je een hele mooie BMW kopen. Ik ontdekte dat het een overschrijving van Buma-Stemra was. Klaus und Klaus hadden ons nummer omgedoopt in ‘An der Nordseeküste’ en het stond bovenaan de Duitse hitparade. De Duitse platenmaatschappij Teldec had de originele orkestband gebruikt. Omdat ik nog geen autorisatie gegeven had voor mijn aandeel in de tekst waren er dus geen rechten afgestaan. Dat pakte in financiële zin prachtig uit. Er werden aanzienlijk meer dan een miljoen platen verkocht en ‘An der Nordseeküste’ is tot op de dag van vandaag een veel-uitgevoerde meezinger geworden. Elk jaar ontvang ik nog steeds een aardig bedrag”.
 
***
 
 

Teun de Reede met loper en wielrenner Joop Zoetemelk
 

 
Na de ‘zwarte jaren’, zoals hij het noemde, ging het Teun de Reede weer voor de wind. Hij wist zijn positie bij de Postbank steeds te verbeteren. In zijn vrije tijd ging hij nog meer sporten dan hij al deed. Teun Schreef wekelijks een pagina over sport in een lokale krant en maakte radioprogramma’s voor de regionale omroep over sport.
   Met name het lopen van de marathon was een uitdaging. Maar liefst vijftig keer liep hij die afstand, natuurlijk ook in New York. Bovendien werd hij door 3M ingehuurd als coach voor enkele tientallen medewerkers om die ‘tocht der tochten’ te volbrengen. Bij de marathon in Leiden en andere sportevenementen als triathlons werd/wordt Teun steeds uitgenodigd als speaker ter plaatse. Een vaste plaats heeft hij bovendien als gastheer bij de musical ‘Soldaat van Oranje’ in Katwijk (‘in een net kostuum’). Meer dan genoeg om te doen, merkte ik. Teun had slechts een beperkte tijd om met me te praten. Hij werd al gauw elders verwacht die dag.
 
Harry Knipschild
23 december 2014
 
Clips

Richie Havens, Freedom, Woodstock, 1969
* Slade, Mama weer all crazee now, Top Pop, 1972
* David Cassidy, Rock me baby, Schiphol, 1972
* Kiki Dee, Amoureuse, 1973
* Mike Oldfield, Tubular Bells, 1973
* Sparks, This town ain't big enough for the both of us, 1974
* Us, Music in the air, 1974
* Gebroeders Grimm (Teun de Reede, Ronnie Mol), Een meissie van alle dag, 1979
* Klaus und Klaus, An der Nordseeküste, 1985
* Bee Gees, Las Vegas, 1997
* Teun de Reede als speaker, Singelloop Leiden, 2011

Literatuur
 
‘New HQ for EMI-Holland. $ 17 mil outlay’, Billboard, 12 maart 1977