Vier jaar geleden kwam Peter Kok (geb. 30 november 1949, Den Haag) op bezoek om een en ander te vertellen over zijn leven. Elke vraag, elk antwoord, bleek weer eens, roept nieuwe vragen op. Reden om het gesprek op 17 november 2014 over te doen en wat meer op details in te gaan, met name over de periode dat hij deel uit maakte van Greenfield & Cook.
  Op negenjarige leeftijd kreeg Peter een gitaar van zijn moeder. Zijn neefje in Schoonhoven had een ukelele. In de zilverstad zongen ze met z’n tweeën liedjes van artiesten als de Everly Brothers (‘Devoted to you’, ‘Bird Dog’) en Paul Anka (‘Diana’). Toen hij een jaar of twaalf was kwam Peter tot de overtuiging dat hij later iets in de popmuziek wilde doen. Zijn moeder steunde hem. Maar hij moest wel eerst zijn school afmaken. Dat laatste kostte hem moeite.
   De muziek speelde zo’n dominerende rol in zijn belevingswereld dat alles er voor opzij ging. Het kon gewoon niet anders. Samen met Hans van Eijk (van de Jumping Jewels) had Peter gitaarles van Ab Bronkhorst. En passant vertelde hij over het optreden van de Who in de Haagse Marathon op 21 september 1965, de popzaal die eerder onderdeel van een rolschaatsbaan was. “Het was een piepkleine ruimte waar we met een man of honderd op de vloer zaten. Wat een geweldige indruk op me maakte was de vernielzucht van drummer Keith Moon en Pete Townshend, die zijn gitaar aan diggelen sloeg. Dat instrument zal wel door iemand betaald zijn. Maar het was toch zonde dat hij het bij zo ongeveer ieder optreden in elkaar ramde”.
 


Pete Townshend en zijn gitaar

 
De laatste jaren van zijn middelbare schooltijd bracht Peter door op het Haags Lyceum (Plein 1813, HBS A). “Het was een particuliere school. Mijn moeder betaalde er flink voor en je ging nogal makkelijk over. Een zoon van Jozef Luns zat bij me op school. Het laatste jaar, 1966, was een crime. Evenals heel wat andere leerlingen (‘de halve school’) spijbelde ik regelmatig. Ik weet nog dat ik regelmatig bij Balemans zat (nu: café De Kleine Witte) en er steeds ‘Sounds of Silence’ van Simon & Garfunkel hoorde. Maak die HBS nou af, zei mijn moeder. Dat heb ik gedaan maar een diploma heb ik nooit ontvangen. Dat was niet belangrijk voor me op dat moment”.
 

In de muziek

 
Met zijn groep, de Hurricanes, leek het voortvarend te gaan. “We wonnen een talentenjacht aan de Kaag. Cees Mentink zat in de jury. Omdat we gewonnen hadden mochten we een single opnemen bij platenmaatschappij Negram. Niemand minder dan Peter de Ronde, die in de Golden Earrings zat, schreef de song ‘One Day’ voor ons. Bovendien was hij bereid om in de Bovema-studio een beetje als producer op te treden. Niemand had echt de leiding bij de opname. We waren behoorlijk onervaren. Toentertijd vonden we het eindresultaat geweldig. Tegenwoordig denk ik daar heel anders over. Hoe dan ook, de single werd in Hilversum niet opgepakt”.
   De Hurricanes hadden volgens Peter een uitstekende manager. “Dat was de vader van bandlid Piet de Kruijff. Die had een reclamebureau. Hij maakte grote billboards en richtte stands voor beurzen in”. De groep kwam echter niet van de grond.
 


 

 
Zangers Rink Groenveld en Peter Kok bleven over. Vergeefs probeerden ze met z’n tweeën in Parijs een en ander te bereiken. Terug in Nederland wisten ze door te dringen tot Freddy Haayen, de producer van onder anderen de Earrings en de Shoes.
   Peter: “Rink en ik hadden in 1969 een repertoire van acht liedjes. Het waren allemaal covers. Bij Anneke en Freddy Haayen thuis in Rijswijk hebben we ze allemaal mogen voorspelen. Na afloop hoorden we dat we zo nooit verder zouden komen. We moesten met eigen liedjes komen. Rink en ik gingen aan de slag. Na een tijdje klopten we opnieuw bij Freddy aan. Op een cassettebandje hadden we eigen stukken staan. Opnieuw traden we voor Anneke en Freddy op in hun flat. Deze keer was hij zeer positief.
 

Het begin: ‘The End’

 
Rink en ik werden in Hilversum uitgenodigd op het kantoor van productiemaatschappij Red Bullet. We maakten er kennis met Willem van Kooten en Jaap Eggermont. Willem had intussen de cassette beluisterd. Het nummer ‘The End’ zag hij wel zitten. Dat zou een hit worden, vonden hij en Freddy. Jaap was geen lid meer van de Golden Earrings en was bij Red Bullet als producer in dienst getreden. Aan hem de taak om ‘The End’ met ons te produceren. Zelf was ik enigszins verbaasd dat ze bij Red Bullet ‘The End’ hadden uitgekozen. Alleen al de titel voor een eerste plaat. Als dat een flop zou worden, zou het meteen het begin en het einde zijn. Bovendien was ‘The End’ bijna helemaal instrumentaal”.
   Greenfield & Cook werden ondergebracht bij de Haagse platenmaatschappij Polydor, op het Piet Heinplein. “We maakten een artiestencontract met Nico van Biemen. Een hoge royalty zat er niet in. Maar wat deed dat er toe. Bovendien brachten we onze liedjes onder bij Dayglow, de muziekuitgeverij van Willem van Kooten. Dat betekende dat hij in Nederland een derde ontving van alle inkomsten en wij de rest met z’n tweeën deelden. Buiten Nederland bleef de helft in zo’n land. Het resterende gedeelte werd dan verdeeld volgens de zelfde verdeelsleutel.
   Ik weet haast wel zeker dat die eerste single in de Haagse GTB-studio is opgenomen, hoewel ik laatst op een hoes las dat dat bij Soundpush in Blaricum gebeurd zou zijn. Louis Debij was de drummer en Jaap Eggermont deed nog mee met percussie-instrumenten.
 


Producer Jaap Eggermont in het midden

 
De opname van ‘The End’ werd in 1970 door Red Bullet ingezonden naar een jury, die voor radio Luxemburg elk jaar de prijzen voor de beste internationale plaatproducties vaststelde. Peter Koelewijn was er als deejay werkzaam. Bovendien was hij in dienst van Red Bullet. ‘The End’ werd geselecteerd voor de tv-uitzending waarin de prijzen bekend gemaakt werden en de artiesten, onder wie Lulu en Richard Harris, optraden. Ook wij vielen in de prijzen.
   Waarschijnlijk vanwege het succes in Luxemburg wist Red Bullet ons een plekje te bezorgen in het populaire tv-programma ‘Voor de Vuist Weg’ met Willem Duys. We moesten er (met de orkestband) live zingen en gitaar spelen. Ik ben nooit zo zenuwachtig geweest als toen we de ochtend van de rechtstreekse uitzending aan het repeteren waren. Udo Jürgens, die ook in het programma zat, merkte dat en kwam naar me toe. ‘Ik heb wel een oplossing voor je probleem’, zei hij, ‘kom maar met me mee’. In zijn kleedkamer bood hij me een glas Asbach Uralt aan. ‘Hier, drink dat maar op. Dan gaat het weer. Ik doe het zelf ook’. Het was elf uur in de ochtend. Zoiets had ik niet eerder meegemaakt. Maar het hielp wel. Later die dag gaf hij me nog meer Asbach Uralt. Tijdens de uitzendig had ik nergens last van”.
 

De hits

 
‘The End’ werd goed opgepakt in Hilversum. Het liedje belandde op de tipparade, maar brak niet door in de top 40. Rink en Peter gingen door met liedjes schrijven. Met ‘A Day Begins’, was het raak. Hun tweede single bereikte in het voorjaar van 1971 de dertiende plaats op de Nederlandse hitparade. Greenfield & Cook waren definitief op de goede weg. Ook de inkomsten kwamen nu op gang.
   Peter: “Red Bullet boekte de meeste van onze optredens. Dat deden Rob Gerritsen (de broer van Earring-bassist Rinus Gerritsen) en Ernst Fijn (die later voor John Seine ging werken). We werkten ook wel eens voor Paul Acket. In Noord-Brabant waren er weer andere boekingskantoren. Rink en ik zaten altijd in een programma waar ook andere artiesten van de partij waren. Begeleidende muzikanten hadden we niet. We namen de orkestbanden van onze liedjes en de gitaren mee. Dan belden we bijvoorbeeld naar de Shoes of we de betreffende avond (weer) gebruik mochten maken van hun geluidsapparatuur. Dat was nooit een probleem.
   Een bijzondere overeenkomst hadden we met de welzijnszorg van het Nederlandse leger. Op dinsdag, een stille avond in het uitgaansleven, organiseerde de krijgsmacht entertainment voor de dienstplichtige militairen. Niet alleen in Nederland maar tot in het Duitse Seedorf toe. Het was een vast contract. Elke dinsdag stapten we in de artiestenbus. Wij niet alleen. We waren in het gezelschap van Sandra & Andres, Mouth & McNeal, Bonny St. Claire, Euson, Albert West, Ekseption, Rob Hoeke en vele anderen. Omdat we een vast contract hadden leverde ons dat een stukje zekerheid op. Zo verdienden we elk jaar enkele tienduizenden guldens, dat was best een boel geld in die tijd. Bovendien waren de soldaten een dankbaar publiek. We begonnen elk optreden met ‘The Boxer’ van Simon & Garfunkel. Je kon er op rekenen dat ze zaten te wachten om ‘la la la – la la la la’ mee te brullen. Dan zaten we weer gebeiteld met ons eigen repertoire”.
 


Nico van Biemen, Polydor

 
Het kon niet meer stuk in 1971. In het vroege najaar verscheen ‘Only Lies’ en werd door radio Veronica gebombardeerd tot alarmschijf. Het duo mocht met dit nummer optreden in een tv-programma van Unicef. Dat soort uitzendingen voor een goed doel, met tal van topartiesten, trokken altijd veel kijkers en hielpen mee aan een hoge klassering in de hitlijsten. ‘Only Lies’ steeg door naar de vierde plaats in de top 40.
   Peter: “Zoals ik al vertelde ontvingen we geen hoge royalty. Maar met die hit klopte ik aan bij Nico van Biemen van Polydor. Hij zorgde ervoor dat ik een voorschot ontving. Van dat geld kon ik een Martin-gitaar kopen. Die is altijd bij me gebleven. Ik speel er nog steeds op. Bij Red Bullet (Dayglow) heb ik nooit voorschotten ontvangen”.
   Anders dan bij de Hurricanes werkten Greenfield & Cook zonder manager. Ze regelden hun zaakjes zelf en gaven veel uit handen aan de mensen om hen heen, bij Polydor en Red Bullet. Als ze optraden maakten ze tegen betaling vaak gebruik van de diensten van Willem Jan van de Wetering, een free lance journalist, die een eigen public relations bureau in Hilversum had en tevens interviews voor het duo regelde. Van de Wetering verzorgde bovendien een programma met Jomanda bij radio Noordzee. Peter was er al wel eens bij als het medium water instraalde in de studio van de zeezender. Die studio was gevestigd op het terrein van hofstede Oud-Bussem, eigendom van uitgeverij Strengholt.
   De hit ‘Only Lies’ werd begin 1972 gevolgd door ‘Don’t turn me loose’ en een album. De nieuwe single haalde een klassering op 6 in de top tien. Het album ‘Greenfield & Cook’ werd op 1 april 1972 door radio Veronica uitgeroepen tot ‘elpee van de week’ en bereikte een zevende plaats in de elpee top 20 van het popstation.
 


6 mei 1972
 

 

Het succes

 
Voor artiesten die doorbreken is omgaan met die verandering in hun leven niet altijd even eenvoudig. Dat was bij Peter Kok eveneens het geval, moest hij in 2014 toegeven. “In het begin liep ik wel eens naast mijn schoenen. Ik bulkte van het zelfvertrouwen. Ineens was ik financieel helemaal onafhankelijk. Ik kon doen wat ik wilde. Na een tijdje was ik in staat een eigen woning te huren in Leidschendam (Schout van Eijklaan). Jerney Kaagman, zangeres van popgroep Earth & Fire, woonde een paar huizen verder. Rink en ik verdienden weldra zoveel geld dat we over de top van ons inkomen wel zeventig procent belasting moesten betalen. Onze boekhouder adviseerde ons eens om niet meer op te treden dan nodig was. De rest ging toch alleen maar naar de belasting.
   Een belangrijke aanschaf was een Revox-recorder. Met dat apparaat konden we op verschillende sporen werken bij het maken van demo’s voor producer Jaap Eggermont. De liedjes schreven we meestal samen. Eerst de muziek, daarna de tekst. De ene keer schreef Rink een couplet meer, de andere keer deed ik dat. Zeker in het begin werkten we perfect samen. Bovendien hebben we ons nooit laten verleiden om drugs en (veel) alcohol te gaan gebruiken”.
   Peter en Rink werden nu ook belaagd door (vrouwelijke) fans. “We moesten steeds foto’s met handtekeningen uitdelen. Er was in Amsterdam zelfs een fanclub voor ons opgericht. Tijdens het winkelen in Leidschendam werd ik een keer opgemerkt. Thuis gekomen ging de bel. Er stonden onverwacht 25 meisjes voor de deur. Of ze binnen mochten komen. Natuurlijk heb ik ze even ontvangen”. In die tijd woonde Peter samen met Joke Ancher, werkzaam op de persafdeling van Polydor.
   Ook zijn moeder deelde mee in de roem. Peter: “Ze had meestal wat gesigneerde foto’s van Geenfield & Cook bij zich. Die deelde ze wel eens uit bij de bakker en de slager. In die winkels werd ze met voorkeur behandeld. Ze was vaak meteen aan de beurt, ook als er andere klanten waren. Bij de slager kreeg ze het beste vlees”.
 


Willem Jan van de Wetering
 

  
Namens Greenfield & Cook was het meestal Peter Kok die (samen met Willem Jan van de Wetering en Polydor) naar buiten trad. Die rol lag hem wel. Zo werd hij in Zeeland ondervraagd naar aanleiding van de nieuwe hit ‘Where’, die opnieuw door Veronica tot alarmschijf uitgeroepen was. Zeker deze keer was het een heel persoonlijke song, legde hij uit in 1972.
   In de krant liet Peter noteren: “Het is erg snel gegaan. Maar ik geloof dat het nu pas gaat beginnen. We mogen erg tevreden zijn. Een ander wacht soms jarenlang op succes”.
   Een Zeeuwse popjournalist meldde: “Peter schreef de tekst [en de muziek] voor het nummer ‘Where’, waarmee Greenfield & Cook thans hoog op de hitparade tronen. Hij schreef het naar aanleiding van de dood van [een oom], twee jaar geleden. ‘Ik heb het van nabij meegemaakt’, vertelt Peter. ‘Het maakte een ontzettende indruk op me. Het heeft heel lang geduurd eer ik erover kon schrijven, want het is erg moeilijk om de situatie goed weer te geven. Ik heb het geschreven als een herinnering. Het was niet mijn bedoeling om het ooit op de plaat te zetten’.
   Over het succes gaf de Provinciale Zeeuwsche Courant in die tijd aan: “Rink en Peter kennen elkaar nu zo’n acht jaar. Ze maken samen hun muziek en corrigeren elkaars teksten.
   Peter: ‘We hebben nooit ruzie gehad, afgezien van de kleine dingetjes. Ons privé-leven houden we meer en meer gescheiden om spanningen te vermijden. Daarom gaan we nooit meer samen uit. We hebben niet veel contact met de artiestenwereld. In die kringen bewegen we ons niet veel. Er zijn veel mensen die altijd overal gezien willen worden, omdat ze dan ‘in’ zijn. Dat hoeft niet voor ons. Wij besteden onze vrije tijd liever aan het schrijven van muziek. Aan een zekere top blijven is meestal moeilijker dan er te komen. Dan is er niet veel tijd om party’s af te lopen’.
   Greenfield en Cook ontvangen stapels post van fans. Over vrouwelijke belangstelling hebben ze niet te klagen. ‘Het is een moeilijk onderwerp’, bekent Peter. Telkens als hij daar uitspraken over doet, overstelpen jeugdige fans hem met boze brieven.
  ‘Je kunt er niet aan beginnen’, legt Peter uit. Hij bedoelt daarmee het gelukkig maken van de zich offrerende [vrouwelijke aanhangers], die hem omzwermen. ‘Het gebeurt wel dat ze na een optreden m’n auto staan te wassen. Of ze vragen of je toevallig een bepaalde kant op moet, terwijl ze precies weten welke richting je uitgaat. Sommigen beschouwen ons als kleine godjes. Dat hoeft voor mij niet allemaal. Ze vinden het te gek om met mij gezien te worden. Daar heb ik niet zoveel zin in’.
  Het snelle succes heeft de jongens nauwelijks veranderd. ‘Waarom zouden we nu anders zijn?’, vraagt Peter zich af. ‘We zijn wel nuchterder en zakelijker. In het begin weet je van niets. Als alle beloftes werkelijkheid waren geworden, dan zouden we al een landhuis hebben gehad, voordat we ooit een contract hadden getekend’”.
  Het artikel had (ook) als kop: “Sommige fans beschouwen ons als kleine godjes”. Daar moest je maar mee zien om te gaan.
 


 

 

Muziek uit het avondland

 
Op 28 oktober 1972 plaatste Berry Zand Scholten een artikel in de Telegraaf. In het Amsterdamse Concertgebouw traden de volgende dag enkele van de beste Nederlandse popartiesten op. Willem van Kooten van Red Bullet zag er een trend in: “Zo langzamerhand ontstaat er een nieuw muzikaal geluid, ‘muziek van het avondland’ zou ik bijna zeggen. Ik bedoel: nieuwe muziek die niet is afgeleid van de oude roots, zoals blues en rock ’n roll. Bij die nieuwe Europese generatie zitten wat Franse groepen, een Italiaanse en een paar Nederlandse. Earth & Fire bijvoorbeeld, Alquin, Solution en natuurlijk Supersister. Ik weet zeker dat die continentaal-Europese ontwikkeling doorgaat. Er is ook belangstelling voor. Het tikt aan”.
   Berry was het helemaal met Van Kooten eens. Nederlandse popmuziek stond internationaal op het hoogste peil. Jaap Eggermont werd aangeduid  als ‘wonderproducer’. In de Telegraaf was te lezen: “Earth & Fire is hard aan het werk met een nieuwe elpee. De groep van de gebroeders Koerts, Ton van der Kleij en Jerney Kaagman draait als een trein en de vorige elpee ‘Song of the Marching Children’ is bijna goud geworden. Ook de Sandy Coast is in de lift. Na de doorbraak van ‘True Love that’s a wonder’ kunnen de wakkere doorzetters van Hans Vermeulen geen kwaad meer doen. De laatste hit ‘Summertrain’ staat op dit moment op één in Japan en dat houdt een niet geringe plaatverkoop in. De groep heeft de afgelopen dagen in de studio gestaan voor een nieuwe elpee, die in december uitkomt. Onze bloedeigen Shocking Blue doet het ook nog uitstekend in het Verre Oosten”.
   De krant ging verder: “Greenfield & Cook zijn ook al op de internationale toer. Hun manager Roel Bos opereert vanuit Italië en in Spanje en Italië hebben ze al een paar bescheiden hits gehad in de talen van die landen”.
   Van al die artiesten werd er slechts één aan het woord gelaten. Dat was Peter Kok. Bescheiden stelde deze: “Voor ons is het erg moeilijk een zaal plat te krijgen. Wat wil je? Twee jongens met een akoestische gitaar! Tussen al dat popgeweld komt zo iets snel in de verdrukking. Je moet echt met kwaliteit komen om het dan te maken. We hebben er in het begin dan ook tegenop gezien om in grote zalen op te treden. Maar daar zijn we nu wel overheen.
   We werken veel met Mouth & McNeal op feestavonden, voor militairen en zo. Nu staan we voor het eerst in één programma met de Sandy Coast en Earth & Fire in het Concertgebouw in Amsterdam. Daar hebben meer duo’s het waar gemaakt. Simon & Garfunkel bijvoorbeeld en de Everly Brothers. Ik heb er dan ook veel vertrouwen in, vooral omdat ons nieuwe repertoire in de diverse tryouts enthousiast ontvangen is!
   Van het odium dat we naäpers zijn, zijn we afgekomen. Elk duo in dit genre krijgt die kat er op. Neem nou Bolland & Bolland, die kregen toch ook onmiddellijk voor hun kop dat ze een tweede Greenfield & Cook waren!”
 

Over de top

 
Anno 2014 kon Peter Kok zich nog goed herinneren hoe hard Red Bullet werkte aan een internationale doorbraak voor Greenfield & Cook. Hij is er Willem van Kooten altijd dankbaar voor gebleven. Daarom maakte hij zich ook nooit druk over het eventueel niet volledig uitbetalen van de internationale inkomsten op de liedjes. “Van Kooten heeft bij Britse uitgevers echt zijn best voor ons gedaan in Londen. Bovendien was er in Californië een populair radiostation dat ons als hittip presenteerde. Maar we bereikten veel meer op het Europese continent. Regelmatig werden we uitgenodigd voor een optreden in een tv-programma”.
 


Greenfield & Cook ontvangen Zilveren Harp uit handen van Willem van Kooten, 1973
 

 
Had je gedacht dat het succes blijvend zou zijn, vroeg ik hem.
   Peter: “In 1973 ontvingen we de Zilveren Harp van Conamus, samen met Earth & Fire en Euson. Een belangrijke erkenning. De prijs was eerder uitgereikt aan Thijs van Leer, Herman van Veen, George Baker en George en Rinus van de Earring. Opnieuw hadden we een top 10-hit met ‘Easy Boy’. Ik was ervan overtuigd dat we nog vele jaren aan de top zouden blijven staan.
   Het pakte anders uit. Misschien hadden we dat wel aan ons zelf te wijten. Rink en ik groeiden uit elkaar. Hij zat vooral thuis en begreep niet dat ik met de regelmaat van de klok te vinden was in de Jonge Haan, de Jonge Graef van Buuren, Red Bullet, radio Veronica en Noordzee, allemaal in het Gooi. Om succes te kunnen blijven houden moesten je platen gedraaid worden en het was nodig daar steeds aan te werken.
   Wellicht om die reden gingen we ook afzonderlijk componeren. ‘Where’ was een song van mij, ‘Far too late’ en ‘Maybe a lifetime’ kwamen uit de koker van Rink.
   Ik begon bovendien te merken dat we minder in trek waren dan daarvoor. Steeds weer kwamen er nieuwe ambitieuze jonge artiesten die hard aan de weg timmerden en onze plek aan het overnemen waren. Je vocht ervoor om aan de top te blijven. Maar op den duur lukte het niet meer. ‘Far too late’ kwam niet hoger dan 27, ‘Maybe a Lifetime’ bleef in 1974 steken op de tipparade. Het was voor mij een geweldige frustratie. Wat ik ook deed, onze populariteit was tanende.
   Aan onze samenwerking met Polydor kwam ook een einde. ‘The End’ en de andere eerste singles waren betrekkelijk goedkope produkties. Ze werden nog op acht sporen opgenomen. Maar al snel zaten we in Soundpush op zestien sporen te werken. Onder leiding van Jaap Eggermont werkten we met de beste muzikanten. Frans Mijts maakte arrangementen en speelde af en toe trompet. Louis Debij was de drummer, Hans Hollestelle speelde gitaar, zijn broer Jan bas, Fred Berrier piano, John Lagrand mondharmonica, enzovoort. Vocaal werden we bijgestaan door Yvonne en Patricia Paay, Anita Meijer, Hilde en Hans Vermeulen, noem maar op. Benny Behr en Sem Nijveen stonden aan het hoofd van een strijkersgroep die voor heel wat ‘kantjes’ konden tekenen. We waren steeds langer in de studio bezig. Geweldig allemaal.
   De opnamekosten schoten echter omhoog. De verkoop bleef daarentegen steken. In 1974 waren onze platen verliesgevend. Greenfield & Cook had geen toekomst meer. Nico van Biemen liet ons weten dat Polydor niet met ons door wilde gaan. Ik had er begrip voor”.
   In dat jaar kwam er bovendien een einde aan de samenwerking met Rink Groenveld.
 

Basart

 
Dankzij de door hem opgebouwde contacten was het na het uiteenvallen van Greenfield & Cook voor Peter mogelijk om alleen door te gaan. Steeds meer trad hij op als manager van zanger Euson. Als artiest ging hij op de solo-toer en tekende een plaatcontract bij Basart Records, een onderdeel van uitgeverij Strengholt in Naarden.
   Peter: “Dat was wel even wennen. Bij Polydor op het Piet Heinplein in Den Haag liep je zo overal binnen. Het was een grote familie. Basart was gevestigd in een statig pand. Guus Jansen had de leiding. Als hij binnen kwam boog iedereen als een knipmes. Ik geloof dat ik hem één keer even gesproken heb. Bij Basart voelde ik me veel minder thuis. Van een collegiale band heb ik nooit iets gevoeld.
   Mijn platen daar werden uitgebracht op het label Poker dat door Tony Berk gerund werd. Ton van den Bremer werkte er keihard aan het internationale repertoire, vooral Donna Summer die hij als zijn ontdekking beschouwde. John Brands runde de muziekuitgeverij. Kees de Blois deed op een aktieve manier de plugging. Al die pluggers in het Gooi waren trouwens goede vrienden van me, zoals Teun de Reede (Polydor) en Jean-Pierre Burdorf (Red Bullet). Ik zat midden in dat wereldje.
   Op mijn eerste Basart-single ‘California Sun’ zaten Rob en Ferdi Bolland in het koortje. In de pers werden wij van Greenfield & Cook enigszins tegen elkaar opgestookt. In werkelijkheid konden we het juist goed met elkaar vinden. In die tijd trad ik tevens op als manager van Euson, met wie ik bevriend was geraakt. Samen gingen we naar Chili. Onze ervaringen daar waren een inspiratie voor het liedje ‘Chilean Girl”’.
 
Aan de pers vertelde Peter in die tijd: “Ik ben een management-bureau begonnen. Gewoon omdat ik ook de andere kant van het vak wilde leren kennen. De andere kant, waarbij het zaken doen voorop gaat. En ik had het geluk dat zanger Euson zich bij mijn bureau aansloot, waardoor ik dus o.a. zijn zakelijke belangen ging behartigen. Aan zelf zingen dacht ik gewoon niet meer. Vreemd genoeg verlangde ik er ook niet meer naar.
   Enfin, om een lang verhaal kort te maken, onlangs was ik met Euson op toernee door Chili. En tijdens die trip leerde ik een meisje kennen van wie ik meteen helemaal weg was. Dat meisje inspireerde me zo hevig dat ik meteen na onze eerste ontmoeting een nummer schreef dat ik aan haar opdroeg”.
   Er was nog even sprake van dat niet Peter Kok maar Euson ‘Chilean Girl’ zou gaan zingen.
   In de Hitkrant was te lezen: “De Hilversum 3 deejays waren op slag gewonnen voor ‘Chilean Girl’, bombardeerden het singletje van Peter Cook tot troetelschijf. En wat gaat Peter nu doen in de toekomst? Wordt het weer zanger?
   ‘Nee, beslist niet’, laat Peter weten. ‘Ik blijf gewoon manager en laat het zingen liever aan anderen over’”.
  

Zaken

 
 


Peter Kok, november 2014
 

Peter Kok ging andere dingen in het leven doen. Eenmaal ‘definitief’ in Chili beland kwam hij in een wereld terecht met een totaal andere muzikale cultuur. “De echt grote sterren waren Julio Iglesias en Roberto Carlos. Van hetgeen er in West-Europa gebeurde had men daar niet het minste idee. Natuurlijk kende men er Elton John en Rod Stewart. Dat kwam evenwel omdat die Britse artiesten succes in Amerika hadden. Dat telde. Op die belangstelling voor Amerika haakte ik in. Voor de Chileense radio ging ik als ‘gringo’ de Amerikaanse hitparade in het Spaans presenteren. Een mooie manier om die taal goed te leren.
   Van het een kwam het ander. Met hulp van Willem Jan van de Wetering, Henk van der Vliet en David Ciclitira kwam ik bij Sky Channel terecht. Voor Rupert Murdoch deed ik er bijvoorbeeld de internationale marketing in Spanje”.
   Vijf jaar geleden kwam Peter Kok terug naar Nederland om er in Leiden een eigen bedrijf te beginnen. Maar door een overmaat aan lokale bureaucratie kreeg hij niet voor elkaar wat hij wilde. “De burgemeester kwam persoonlijk bij me op bezoek om me dringend te verzoeken een bord te verwijderen dat ik in de Breestraat geplaatst had en dat me heel wat klanten bezorgde. Ik ben opnieuw naar Chili vertrokken en zet er momenteel een handel op in Aziatische produkten, die er steeds meer in trek komen”.
   Vorig jaar was Peter in Nederland om afscheid te nemen van zijn zus Raghnild. Geïnspireerd door haar schreef hij de prachtige song ‘When you leave me behind’.
   Tijdens zijn verblijf viel hem op hoe kort de levensduur van een talentvolle artiest heden ten dage vaak is. “Er zijn talentenjachten aan de lopende band op televisie. Iemand die opvalt staat meteen nummer één in de hitlijsten. Maar een paar maanden later is zo’n artiest al weer bijna helemaal vergeten".
   Peter denkt er aan om met enige regelmaat zelf weer te gaan optreden. Dat doet hij met twee Haagse artiesten. Dan begeleidt hij zich zelf op de gitaar die hij kocht naar aanleiding van de Greenfield & Cook-hit van ruim veertig jaar geleden. Zijn gitaar is nooit aan diggelen geslagen, zoals Pete Townshend dat deed. Integendeel, het dierbare muziekinstrument is met hem de wereld doorgetrokken...
 
Harry Knipschild
21 november 2014

Clips

* Pete Townshend stoeit met gitaren 
* Everly Brothers, Devoted to you
* Paul Simon, The Boxer
* Greenfield & Cook, The End, 1970
* Greenfield & Cook, Only Lies, 1971 (Duitsland)
* Meespelen met Greenfield & Cook, Easy Boy
* Jaap Eggermont, Stars on 45 interview, 1981  
* Willem Jan van de Wetering over gedrag 

Literatuur
 
‘Succesvol Nederlands duo Greenfield and Cook: ‘Sommige fans beschouwen ons als kleine godjes’’, Provinciale Zeeuwsche Courant, 20 juni 1972
Berry Zand Scholten, ‘Nederpop in het Concertgebouw’, Telegraaf, 28 oktober 1972
‘Fanclub van Rink en Peter’, Muziek Epres, januari 1973