Zoeken


Op verzoek van de redactie van de Maasgouw, tijdschrift van het LGOG (Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap) schreef ik een persoonlijk artikel over popmuziek in Zuid-Limburg vóór de grote doorbraak met Beatles en Stones in 1964. Het was het vervolg op een LGOG-lezing die ik eerder, 12 december 2011, in Maastricht gaf.
 
Harry Knipschild, 8 september 2014

De bijzondere rol van Zuid-Limburg bij het ontstaan van de popmuziek

 
Als geboren en getogen Limburger is me tijdens mijn opvoeding duidelijk gemaakt dat de regio waarin ik opgroeide (Maastricht en omgeving) anders, maar zeker niet minder, was dan de rest van Nederland. De Hollanders hadden eeuwenlang hun best gedaan om zich bij ons te laten gelden, maar hun invloed was toch maar beperkt gebleven. Zuid-Limburg had altijd zijn eigen kunst en cultuur gehad. Het gebied was een onderdeel van het Maasland en had meer banden met Aken, Keulen, Luik en Hasselt dan met de streek ‘boven de Moerdijk’.
 
In historisch opzicht, werd me later nog bijgebracht, liep Limburg vooruit op het westen. Een paar kilometer van het centrum van Maastricht waren sporen van menselijke bewoning gevonden die teruggingen tot misschien wel 300.000 jaar geleden. De Romeinen brachten hun beschaving vanuit Italië naar het noorden. Omdat er een handelsweg vanaf de Franse kust over Heerlen (mijn geboorteplaats) naar Duitsland liep bouwden de Romeinen een brug over de Maas, een plek die ze Mosae Trajectum noemden. In wat nu Holland is, kwamen ze niet verder dan Alphen, Leiden en Katwijk (forten langs de Rijn). Het duurde nog tot aan het einde van de middeleeuwen voor Amsterdam, de huidige hoofdstad van Nederland, ook maar iets voorstelde. Meer dan duizend jaar liep het beschaafde zuiden vóór op ‘Holland’, een onduidelijk moerasgebied met veel water.
 

 

Stuk oorspronkelijke Romeinse weg in Maastricht (kelder hotel Derlon, september 2000)

 

“Limburg ligt vaak voor”

 
In de tweede helft van de twintigste eeuw speelde Limburg opnieuw een rol van betekenis. Het is misschien een grote sprong vanuit de geschiedenis, maar toch... We praten nu over de ontwikkeling van de popmuziek. Een redacteur van een landelijk vakblad schreef in het begin van de jaren zestig een artikel over de Harp, een platenwinkel in Maastricht. “Men ligt in Limburg vaak voor op het westen” [1], moest hij constateren.
   In het tijdschrift werden een paar redenen aangegeven. Gewezen werd bijvoorbeeld op ‘de veel beluisterde radio Luxemburg’. Dat brengt me op de rol van de media in de jaren vijftig en begin zestig. In die tijd waren de verbindingen nog behoorlijk onontwikkeld. Om de eerste popmuziek te horen die af en toe door de Hilversumse omroepen werd uitgezonden, moest je gebruik maken van de middengolf (AM). Die had niet zo’n ver bereik. Alleen als je draadomroep had was de kwaliteit echt goed.
   Dat gold tevens voor de buitenlandse zenders. In Holland kon je ‘Hilversum’ wel goed ontvangen, maar die zond nauwelijks popmuziek uit. De zenders van over de grenzen waren bovendien ver weg van de Randstad. Zeker in het zuiden van Limburg, ik spreek uit eigen ervaring, waren de omstandigheden een stuk gunstiger. Radio Luxemburg lag een paar honderd kilometer dichterbij en die zond ’s morgens (Nederlands), ’s middags (Duits) en ’s avonds (Engels) steeds grammofoonplatenmuziek uit. Iets dat in Hilversum ondenkbaar was.
   Luxemburg was niet het enige station met muziek dat in Zuid-Limburg redelijk te ontvangen was. Wat te denken van de Amerikaanse legerzender AFN (American Forces Network) die continu de nieuwste tophits aan de soldaten in de Amerikaanse zone van West-Duitsland liet horen. In mindere mate gebeurde dat ook op de BFN (British Forces Network). En dan waren er nog al die Duitse, Franse en Belgische radiostations. De rock-revolutie hield niet op bij Aken, Visé of Smeermaas.
 

 

 
Op de televisie werd vóór en kort na 1960 nóg minder aandacht besteed aan de muziek die de toenmalige ‘nozems’ en ‘bakvissen’, zoals de nieuwe jeugd soms aangeduid werd, ten onrechte mooi vond – ten onrechte volgens de oudere generatie, die aan de touwtjes trok. Dat gold met name voor de Nederlandse tv, één kanaal dat vanuit Lopik via Roermond in Limburg te bekijken was. In Maastricht kon je tevens twee Belgische en twee Duitse tv-zenders ontvangen.
   Dankzij de internationale ligging van Zuid-Limburg had de toenmalige jeugd er dus meer kansen dan in Holland om te absorberen wat er aan internationale muzikale ontwikkelingen geboden werd.
   Het artikel in het vakblad over platenwinkel de Harp gaf dan ook duidelijk aan: “Eén van de grote moeilijkheden voor Limburgse dealers is dat er plotseling platen gevraagd worden, die de importeurs [in de Randstad] nog niet voorradig hebben. Dat komt door de contacten met België en Duitsland”.
   De Limburgse platenwinkeliers moesten immers door platenmaatschappijen in Amsterdam, Haarlem en Den Haag beleverd worden.
 

Maddy Bleize, een vroege popartiest

 
Je zou denken: als Limburg dan voorop liep in de ontwikkeling van de popmuziek in Nederland, dan zullen de eerste teenager-idolen ook wel uit die regio komen. In zijn boek over de geschiedenis van de Nederlandse rock & roll zat Constant Meijers op die golflengte. Eén voor één liet de Amsterdamse popjournalist de platen uit de jaren vijftig passeren. Genadeloos haalde hij soms de producties uit die tijd onderuit. Totdat hij kwam bij Maddy Bleize. Nu werd Constant enthousiast.
   “Maddy Bleize kwam uit Maastricht en werd de ‘Limburgse Elvis’ genoemd. In 1957 nam hij twee covers van Elvis op. Genoeg om duidelijk te maken dat de belangstelling voor Elvis zich niet beperkt tot het land boven de rivieren, waar de gevestigde platenmaatschappijen zaten.
   Wat het meest aan Bleize opvalt, en wat zijn plaat uniek maakt, is dat hij behalve een goede rock & roll-zanger, ook een virtuoos accordeonist is. De accordeon is nou niet het instrument dat je in de rock & roll verwacht, daar draait het om de saxofoon en de elektrische gitaar, zowel in de begeleiding als voor de solo’s. Accordeonmuziek was in de jaren vijftig en zestig zeer populair in Nederland. Het [Limburgse] duo Schriebl en Hupperts bracht de ene succesvolle potpourri na de andere uit. In danscafés werd de muziek verzorgd door accordeon(s), soms aangevuld met een drummer. Bleize brak met zijn rock & roll-accordeon op een bijzondere manier door de walsen, foxtrots en quicksteps heen”. [2]
  


 
Een zekere Frank, een Hollandse journalist, zag Bleize toentertijd al zitten: “Ik heb Maddy and his Rockets nu enkele keren horen spelen en eerlijk is eerlijk: ‘rocken’ kunnen ze! Die accordeon doet het verdraaid goed in deze bezetting. Het geeft hun rock iets eigens, iets origineels. Trouwens, origineel zijn ze toch wel. Want Maddy maakt ook zelf songs, jawel, en de teksten, en de muziek. En helemaal niet zo kinderachtig, integendeel”.
   In hetzelfde artikel, dat ik als knipsel ontdekte, was te lezen met welke problemen vroege Limburgse popartiesten te maken hadden. Als de vier rockers optraden ‘was er geen ander vervoermiddel ter beschikking dan een kleine Renault 4, waarin niet alleen een hele band, maar ook alle instrumenten vervoerd moesten worden: een drumstel, een levensgrote bas, een accordeon en enkele gitaren’. Het is bijna niet te geloven.
 
Snelwegen om Zuid-Limburg met ‘Hilversum’ te verbinden waren er nog niet. Toch deden Maddy and his Rockets mee aan een talentenjacht voor de televisie. De artiesten werden niet voor vol aangezien. “Een paar nummers, waar ze lang op geoefend hadden, werden afgekeurd door de tv-mensen, zodat ze in allerijl een paar nieuwe songs moesten bijschaven.
   Doodzenuwachtig waren ze dan ook, toen zij eindelijk onder het helle licht van de tv-lampen hun kunnen moesten demonstreren, en ze waren er zo van overtuigd, dat het fout zat en dat ze niets hadden klaargespeeld, dat Maddy weigerde te wachten op de uitslag en alvast in de auto ging zitten om terug te rijden naar Maastricht”. Bleize moest teruggeroepen worden toen bleek dat hij toch de tweede prijs gewonnen had.
   Deze Limburger had het in zekere zin nog gemakkelijk, vergeleken bij anderen. Hij en zijn rockband stonden op dat moment onder contract bij Phonogram (Hilversum/Amsterdam). Die had relaties bij de omroep. Hoe moeilijk was het niet om zo ver te komen?
 


 
In het artikel werd het vastgelegd. “Maddy moet iets van het hart. ‘We zitten hier in een vergeten hoek’, klaagt hij, en alle bandleden zijn het hartgrondig met hem eens. ‘Alle teenagerartiesten, alle jonge bands, komen uit het westen. Je ziet hier nooit talentenjagers van grammofoonplatenmaatschappijen of radio en tv. Goed, we zijn één keertje voor de tv geweest. Maar hoelang hebben we daarop moeten wachten? Weet je, Frank, wat ze hier in Limburg zeggen, als ze horen dat je naar Hilversum gaat voor een auditie? ‘Ben je Limburger? Oh blijf dan maar thuis, want ze moeten je dan toch niet hebben’. En dat is helemaal niet leuk, integendeel. En waarom eigenlijk? Zijn wij soms niet goed genoeg?’” [3]
  

Talentenjachten in Eindhoven

 
Het verhaal van Maddy Bleize is exemplarisch voor het gebrek aan kansen voor Limburgers aan het einde van de jaren vijftig. Jongelui met talent in Eindhoven en omgeving hadden het aanzienlijk makkelijker. Ze zaten maar liefst honderd kilometer dichter bij het westen. Bovendien was het hoofdkantoor van Philips, eigenaar van Phonogram, de grootste platenmaatschappij van Nederland, in die stad gevestigd. Het bedrijf organiseerde talentenjachten in de Brabantse lichtstad.
    Pieter Boer, zoon van Phonograms opnameleider Nico Boer in die tijd, legde me uit: “In een zaal werd opname-apparatuur geïnstalleerd. Iedereen was welkom om met zijn repertoire een demo-opname te maken. Ik meen me te herinneren dat Phonogram zelfs in de krant adverteerde als zo’n auditie plaatshad. Ik was er bij toen de Blue Diamonds en Anneke Grönloh zich bij zulk een gelegenheid in Eindhoven presenteerden. Vervolgens werden de demo’s in Hilversum zorgvuldig beluisterd. Dan bepaalde Phonogram in alle rust met wie het bedrijf in zee wilde gaan”. [4]
    Ook de Eindhovense zanger Peter Koelewijn werd in het Phonogram-kamp ingelijfd.
 


Peter Koelewijn op Decca (= Phonogram) 
 

Limburg heeft zijn eigen muziek

 
In deze context is het geen wonder dat de muziekliefhebbers in Limburg een eigen smaak hadden. Ook al vanwege de afstand met het westen trokken ze zich niet zoveel aan van wat daar gebeurde. De Limburgse muziek had relatief veel meer aansluiting bij wat zich in het oosten en zuiden afspeelde. Het gebruik maken van een accordeon, zoals Maddy Bleize deed, is daar een mooi voorbeeld van.
   Sowieso had Limburg zijn eigen amusementscultuur die meer ‘bourgondisch’ was dan die van het ‘calvinistische’ noorden. En wat te denken van de carnavalsliedjes die elk jaar met verve geschreven, uitgevoerd en meegezongen werden. Mijn eigen opa kocht in de jaren vijftig een groot radiomeubel met een platenspeler erin. De enige platen die werden aangeschaft, en die voor de kleinkinderen op zondagmorgen opgezet werden, zomer en winter, waren carnavalsplaten.
  De teksten behandelden regelmatig actuele thema’s. Zoals de opkomst van de nieuwe jeugd en de popmuziek. In 1957 schreef Pie Bex (in het Maastrichts) : “Bij Zjeng thuis zijn ze muzikaal. Bijna iedereen speelt een instrument. Het is een gekkenhuis. Soms hoor je niets als rock & roll, het lijkt wel een kippenhok. Als Zjeng op zijn harmonica speelt en Merie op haar trompet dan hoor je niets als ‘rong rong rong’, het lijkt de neger [Louis] Armstrong wel”. [5] Het winnende carnavalslied uit 1961 ging over de moderne jeugd, de nozems. “Tegenwoordig lopen er van die jongetjes op straat. Met haren op hun hoofd, het lijkt wel prikkeldraad. Een broekje met smalle pijpen, een hemd, geen stropdas. Zo’n nozem heeft ze soms niet goed op een rijtje” [6] (tekst van Mat Niël in het Maastrichts).
 



Duo Pie Bex en Theo Menten


 
Een uiterst actieve winkelier als Henk Severs van de Harp in Maastricht speelde gretig in op de eigen smaak van de regio. Hij luisterde zoveel als hij maar kon naar de radiozenders in de omgeving. Tijdens de markt op vrijdagmorgen en op zaterdagmiddag kwamen er heel wat Belgen en Duitsers zijn ‘pijpenla’ binnen en neurieden een nieuwe melodie waarvan ze een plaat wilden kopen. Severs was alert op de vraag van zijn Limburgse en buitenlandse klanten. Bovendien had hij als een van de weinige detaillisten een abonnement genomen op het Amerikaanse vakblad Billboard.
  In zijn inkoopbeleid wachtte Severs niet op ‘Hilversum’. Dan kon hij lang wachten. Zodra hij een nieuwe artiest, een nieuwe potentiële hit, ontdekte, waar die ook vandaan kwam, zette hij alles op alles om die stevig in voorraad te nemen. Dan zette hij zijn eigen lokale promotie op, samen met jukeboxexploitanten, en wist op die manier een baanbrekende rol te spelen in de Nederlandse muziekbusiness. Bekende voorbeelden hiervan zijn onder andere ‘Marina’ (Rocco Granata, 1959), ‘Sans toi mamie’(Adamo, 1964) en ‘The French Song’ (Lucille Starr, 1965). Grote hits werden regelmatig in Limburg geboren om vervolgens de rest van Nederland en (soms) de westerse wereld te veroveren. Als de nieuwe artiesten, door Henk Severs gelanceerd, hun promotor in de Maastrichtse Spilstraat kwamen opzoeken, dan zag het zwart van de mensen.
   “Men ligt in Limburg vaak voor op het westen”. De journalist van het muziekvakblad legde het in het begin van de sixties goed vast.
 


 
Harry Knipschild
13 februari 2014


Clips

* Theo Menten & Pie Bex, Zjeng de Moneka, 1957
* Schriebl & Hupperts, Schneewalzer
* The Browns treden op voor Amerikaanse legerzender
* Maddy Bleize, Koekepan
* Lucille Starr, The French Song
* Adamo, Sans toi mamie, 1992 (Japan)
Reportage over de Harp, platenwinkel in Maastricht, 2012
* Reportage over AFN (American Forces Network)


Eindnoten
[1] Knipsel, waarschijnlijk ‘Muziek Mercuur’, 1961 of 1962, over Henk Severs en de Harp.
[2] Constant Meijers, Kom van dat dak af. Geschiedenis van de Nederlandse rock & roll, Amsterdam 2003, 118.
[3] Interview ‘Frank’ met groep Maddy Bleize: knipsel, onbekende herkomst/datum (eind jaren vijftig?).
[4] website www.harryknipschild.nl, artikel 22, ‘Vader en zoon: Nico en Pieter Boer’, 26 maart 2010.
[5] Bei Zjeng thoes zien ze muzikaal. Dao späölt hoas ederein. Dat is miech dao e gekkehoes. Soms huurste niks es roll en rock, zjus in ’n hinnehok. Es Zjeng spaolt op dee moneka en Merie op häör trompöt. Daan huurste niks es ‘rong rong rong’, zjus dee neger Aremstrong. Vertaling Harry Knipschild.
[6] Dao loupe allewijl vaan die jungskes op de straot, mèt haore op dee kop, dat is sjus taankeldraod. E breukske mèt smal piepe, e humme, gein krevat. Zoe ’ne nozem, dee heet ze soms neet good op ’n rei. Vertaling Harry Knipschild.