Zoeken


 
Een paar honderd jaar lang wisten de Britten aardig de baas te spelen op deze planeet - in Europa, Amerika, Afrika, Australië en Azië. Op veel plaatsen werd sindsdien dan ook Engels gesproken. Maar het Britse rijk werd te groot en viel weer uiteen. In 1777 maakten de Amerikanen zich al los. De (Engelstalige) VS speelde een belangrijke rol in het beëindigen van de eerste en tweede wereldoorlog. Dat had consequenties voor de populaire muziek-cultuur vanaf 1945. Amerikaanse muziek werd dominant in Europa.
   Amerikaanse rock & roll, de nieuwe muziek voor de jeugd, werd in Engeland en de rest van Europa snel overgenomen. Bill Haley, Elvis Presley, Paul Anka, Buddy Holly en de Everly Brothers werden overal populair. New York, met al z’n grote platenmaatschappijen, was het (zakelijke) rock-centrum van de wereld. Pas in 1964 namen de Britten de bovenste plaats in, vooral dankzij de Beatles. Maar om internationaal goed te kunnen functioneren, besefte hun manager Brian Epstein, moest hij zijn kantoor verplaatsen van Liverpool naar Londen.  
   In de Sixties nam Londen de positie van New York over als de plek waar het allemaal gebeurde. Londen, de oude ‘koloniale’ hoofdstad werd het centrum van de pop-cultuur. Wilde je als popartiest iets bereiken was het ‘handig’ om eerst in Londen te scoren. Dan was de kans groot dat de rest van de wereld wel zou volgen.
 
Op één terrein waren de Britten beslist niet dominant: het populaire Eurovisie Songfestival dat vanaf 1956 jaarlijks georganiseerd werd. Elk Europees land had zijn eigen jury die bepaalde wat de beste liedjes waren. Omdat het Frans in veel (deelnemende) landen de gangbare omgangstaal was leverde die taal voorlopig verreweg de meeste winnaars op. Franstalige winnende liedjes kwamen uit Frankrijk, Zwitserland en Luxemburg. Luxemburg eindigde als eerste in 1961 (Jean Claude Pascal, ‘Nous les amoureux’), 1965 (France Gall, ‘Poupée de cire, poupée de son’), 1972 (Vicky Leandros, ‘Après toi’) en opnieuw in 1974 (Anne Marie David, ‘Tu te reconnaitras’).
 
Het kleine groothertogdom wilde (als winnaar) niet elk jaar de organisatie van het kostbare songfestival op zich nemen. Engeland nam het over in 1974. In de badplaats Brighton wist de Britse zangeres Olivia Newton John met het liedje ‘Long Live Love’ niet hoger dan een vierde plaats te komen. De overwinning ging dat jaar voor het eerst naar een popgroep. De Zweedse inzending, ABBA met ‘Waterloo’, zorgde in zekere zin voor een revolutie. Niet-Engelse popmuziek veroverde dat jaar een plek om zich aan een groot publiek te presenteren. En zo bleef het.
   De Europop was geboren. De Britten hadden een stukje van hun ‘monopolie’ als de Europese natie van de popmuziek uit handen moeten geven. Dat deed pijn - je beseft het als je leest wat Engelse popscribenten vanaf die tijd op papier gezet hebben. ABBA werd door hen nauwelijks serieus genomen en meestal kritisch gevolgd. ‘Eigen’ acts als bijvoorbeeld de Clash, Bowie, Pink Floyd en Sex Pistols konden op een aanzienlijk meer geïnteresseerde benadering rekenen.
 
 
 
 
 
Vanwege het onvermijdelijke succes van ABBA, ook in Engeland, was het zakelijk de moeite waard om boeken over het Zweedse viertal te publiceren. Omdat Engels nu eenmaal de internationale voertaal is, werden de boeken nogal vaak in Londen op de markt gebracht (en soms vertaald). Dat soort boeken zijn meestal vanuit Brits perspectief geschreven. Wat in Engeland gebeurde was van belang. De geschiedenis van ABBA op het Europese continent deed er niet toe, zorgde hooguit voor meer inkomsten. Een mooi voorbeeld is ABBA, the name of the game, in 1995 gepubliceerd door Tony Calder, Colin Irwin en Andrew Oldham, de voormalige manager van de Rolling Stones. De interessante rol van Nederland wordt niet aan de orde gesteld, de Engelse breed uitgemeten. En dat voor een Europop-groep.
   Over de betekenis van Nederland bij ABBA heb ik [HK] zelf een en ander opgetekend in mijn boek Money Money Money?.
 

 
Rik Eijer
 
 
 
Een Nederlander die zich al lange tijd met ABBA bezig houdt is Rik Eijer, op 27 januari 1966 geboren in Amsterdam. In dat jaar hadden de Hep Stars een hit in Zweden met het nummer ‘Sunny Girl’, geschreven en geproduceerd door toetsenman Benny Andersson en (buitenstaander) Bjorn Ulvaeus. De single kreeg geen erkenning in Engeland maar bereikte twee jaar later wel een vierde plaats in de Nederlandse top 40.
   Rik was de zoon van een binnenvaartschipper. Zijn ouders werkten ondermeer voor het ministerie van Defensie. Ze lagen onder andere met twee schepen in het Lauwersmeer, één met wapens, het andere met de ontstekingen ervan. Aan boord waren radio en televisie. Rik vertelde me op 7 juli 2014 dat zijn moeder van de Bee Gees hield, terwijl zijn vader het Nederlandstalige repertoire prefereerde. Eén van de favoriete platen van zijn vader was ‘Het spel kaarten’ van Gerard de Vries (Cowboy Gerard). Zijn oudere zus, Rachel, was gek op de Beatles (Paul McCartney). Op cassettebandjes nam ze liedjes van de radio op.
   Rik had in een artikel gelezen hoe Jan Marijnissen tijdens zijn verblijf in een kostschool een aanhanger van de Kinks, Stones en Pretty Things geworden was. Ook hij bracht, samen met zijn beide zussen, jaren door op een internaat om er de lagere en middelbare school te volgen en af te ronden (1975-1982, voor schipperskinderen in Vreeswijk). Op het internaat was altijd veel reuring, gezelligheid en bovenal muziek, veel muziek. Rik luisterde er veel naar de radio, vooral de top 40. Elke donderdag haalde hij het gedrukte exemplaar bij een grammofoonplatenzaak. Zo kon hij het weekend muzikaal beginnen, hoorde ik.
 
 
 

Uitslag Eurovisie Songfestival 1974
 
 

In 1974 keek Rik, bij een tante van zijn moeder, naar het Eurovisie Songfestival en beleefde mee dat ‘Waterloo’ van ABBA het winnende liedje was.
   Met de groep uit Zweden had hij niets speciaals. Dat veranderde een beetje in 1976. Op een huishoudbeurs werd zijn moeder lid van de ECI (Europa Club International). Als welkomstpremie mocht ze twee langspeelplaten uitzoeken. Eén van die albums was ‘The Best of ABBA’, in Nederland samengesteld en vervolgens in heel wat andere landen uitgebracht.
   Kennelijk zag zijn moeder de muziek van ABBA wel zitten. Dat bleek een paar maanden later toen Rik voor zijn elfde verjaardag het album ‘Arrival’ cadeau kreeg. Zelf had hij er niet om gevraagd. ABBA had in november met drie liedjes van ‘Arrival’ (‘When I kissed the teacher’, ‘Why did it have to be me’, ‘Money Money Money’) opgetreden in ‘Een van de acht’, dat door Mies Bouwman gepresenteerd werd. Evenals veel andere Nederlanders zat Rik naar het populaire tv-programma te kijken. Als gevolg van die promotie werden er op de maandagochtend erna binnen een uur honderdduizend elpees verkocht. De verkoop liep weldra op tot boven het half miljoen, en verder. Rik werd dus één van de vele Nederlandse bezitters van die plaat in januari 1977.
   ‘Arrival’ was niet het laatste ABBA-album dat hij (ongevraagd) van zijn ouders voor zijn verjaardag kreeg. ‘The Album’ bijvoorbeeld een jaar later. Het was een jaarlijkse traditie, vertelde hij. Toen hij, eerder, op eigen gelegenheid, een single mocht kopen was dat ‘Donna’ van 10cc.

 
Geen hitmachine
 

Rik was in die tijd dus gewoon, zou je kunnen zeggen, een consument van de popmuziek van dat moment. Dat ABBA geen hit-machine was besefte hij niet. In de media leek het wel alsof je maar op de knop hoefde te duwen of er kwam weer een nummer één. Zo simpel was het zeker niet.
   In het eerder genoemde boek werd nog eens uitgelegd hoe moeizaam een song van ABBA tot stand kwam. De auteurs benadrukten de muzikale bronnen van de twee songwriters: Beatles, Beach Boys, Stevie Wonder en Leiber & Stoller. In een interview met het blad Songwriter legde Bjorn uit dat het internationale succes mede het gevolg was van de gunstige ligging van Zweden. “We zijn opgegroeid met Amerikaanse en Engelse rock & roll, maar ook met Duitse schlagers en Italiaanse liedjes”.
   Benny vertelde dat hij nooit wist waar een idee vandaan kwam en hoe een ingeving eindigde, in een ballad of een rock-song. “Daarom trekken we er ook zo veel tijd voor uit. Je weet nooit wat er gebeurt. In mijn eentje speel ik heel veel piano of op synthesizers. Zo bereid ik me voor op een muzikale vondst”.
   Als er een basis-melodie tot stand gekomen was, aldus het boek, ging Bjorn aan het werk. Hij schreef een ruwe tekst. Vervolgens maakten ze een ruwe opname die voornamelijk instrumentaal was. Op dat moment hadden ze meestal een gevoel van paniek. Bjorn werd erop uit gestuurd om met woorden te komen die pasten bij de sfeer van de muziek en iets betekenden. Als hij die gevonden had presenteerde hij een en ander aan Benny. Diens reactie was bepalend bij een eventueel besluit om verder te gaan en de twee zangeressen, Agnetha (blond) en Frida erbij te betrekken.

In het boek werd benadrukt dat Benny en Bjorn elkaar op dat beslissende moment niet spaarden. “They were always brutally honest about each other’s contributions and if either had misgivings about something then it would automatically be scrapped, irrespective of how brilliant its creator felt it to be”.
   De een deed dat uit respect voor de ander. Ze stonden heel dichtbij elkaar en werkten intensief samen om de song te voltooien. Alleen met z’n tweeën wisten ze er iets moois van te maken. Hun bereidheid om dat van elkaar te erkennen was een cruciale factor om stabiel verder te gaan in het schrijven van popsongs.
   Van Benny werd geciteerd: “If we get stuck, we go away and we eat, sleep and write twenty-four hours. It opens your mind. It’s easy to get stuck, but there’s nobody on our backs. No record companies or agents or managers or lawyers. We just relax because we know that if it’s not good enough, we don’t release it”.
   Benny en Bjorn deden steeds meer hun uiterste best om een song te perfectioneren maar die dan toch weer zo te maken dat hij simpel bleef klinken. Zodat iedereen het mooi kon vinden.
   Voor de auteurs waren ze daar met ‘S.O.S.’ (1975) bijzonder goed in geslaagd. Geen wonder, achteraf. Met die single hadden de Zweden hun eerste grote hit in Engeland na ‘Waterloo’. En om Engeland, ik heb het al eerder geschreven, draaide nu eenmaal alles in de wereld.
   De auteurs vertelden er niet bij dat het ABBA-team er zelf helemaal niet van overtuigd was dat ‘S.O.S.’ geschikt was om op single uitgebracht te worden. Na een opname-sessie stuurde manager en uitgever Stig Anderson het resultaat rond met de enigszins angstige vraag: wat moet de single worden. Paul Corduwener, promotieman bij Polydor in Nederland, was de eerste die onmiddellijk riep: “Dat moet natuurlijk ‘S.O.S.’ zijn”. In Stockholm was men enorm blij die mening uit Nederland te vernemen. “Als jullie dat echt vinden, breng hem dan maar zo snel mogelijk uit”. Met dat soort woorden kwam de release tot stand. Bovendien was ABBA bij dat nummer meer dan ooit bereid om naar Nederland te komen voor een tv-optreden.

 

Paul Corduwener
 
 
Nog onzekerder was men over ‘Fernando’ meen ik me goed te herinneren. Het nummer was niet eens door de groep opgenomen. ‘Fernando’ verscheen op een Zweedstalig album van Frida. Toen ik het album te horen kreeg viel ik er meteen op. Er stond geen nieuwe ‘hit’ in de planning. Stig Anderson was verheugd met mijn reactie. Als jij het vindt gaan we het met de groep opnemen. Dat soort woorden bezigde hij, is in mijn geheugen vastgelegd, al dan niet ten onrechte. ‘Fernando’ werd een wereldwijde nummer één-hit, zelfs in Engeland.
   Achteraf ga je natuurlijk twijfelen. Klopt mijn verhaal wel? Heb ik mijn rol niet geweldig opgeblazen?
   Tijdens het gesprek me Rik Eijer, die het hoofdstuk over ABBA in Money Money Money? gelezen had, haalde deze een boek te voorschijn. ‘Kijk, hier staat het”, las hij me voor. “ABBA liet zich door Stig Anderson overtuigen om ‘Fernando’ op te nemen en uit te brengen”.
   Rik: “Een boek van Carl Magnus Palm vermeldt de meest bijzondere gegevens over alle opnames van de groep. Behalve bij ‘Fernando’. Daar is de auteur vaag”.
 

 
Rik Eijer gaat zich voor ABBA interesseren
 
 
 

Gouden plaat 'Dancing Queen', november 1976 in Den Haag overhandigd aan Frida, nu in het ABBA-museum
 
 

Naarmate het succes van ABBA blijvend leek te zijn was er een soort vast patroon. De wereld lag aan de voeten van het Zweedse viertal. De muziekpers, meestal bestaande uit liefhebbers van vernieuwende stromingen als punk en new wave, bleef ABBA kritisch volgen. De hoge inkomsten als gevolg van het succes in steeds meer landen, Australië vooral, maar ook Japan en Zuid-Amerika, werd in de meeste media zeker niet met gejuich begroet.
   Het verst, vond ik, ging Stephen Holden in het blad Rolling Stone bij de kort-gehouden recensie van ‘Super Trouper' in 1981. De rocker ‘On and on and on’ noemde hij een Beach Boys-imitatie. ‘The Winner takes it all’ vergeleek Holden met ‘O Sole Mio’. Bij de titelsong sprak de popjournalist laatdunkend over ‘a goose-stepping beat and images of angelic übermenschen pining in the spotlight for their long-distance lovers – it evokes a tinselly fantasy of Europop Über Alles’.
   In die tijd werd Rik, evenals vele anderen, een uitgesproken liefhebber van ABBA-muziek. “Het kon me helemaal niks schelen wat ze schreven. Ik liet het gewoon aan me voorbijgaan. Ik was natuurlijk ook jong. Dat ABBA in 1977 in de Jaap Eden-hal optrad drong niet eens tot me door. Toen ze twee jaar later in Rotterdam optraden was ik nog maar dertien. Er was geen sprake van dat ik er heen ging”.
   Ondanks de afwezigheid van de nog te jonge Rik Eijer zat het concert vol met liefhebbers. Op het internet noemde ene Paulus Kerpels het de meest opmerkelijke show in zijn leven. “Ahoy Rotterdam op 24 oktober 1979. In Schiedam waren slechts vier kaarten verkrijgbaar, dus eigenlijk moest er een rij staan. Dat deed mijn zus niet (toen werkzaam bij de VVV) dus kocht ik ze gewoon alle vier voor mijzelf en wat vrienden. Frida kwam op in een Feyenoord shirt en Ahoy werd afgebroken. Ook toen ‘I Have A Dream’ gezongen werd, met een kinderkoor met Nederlandse schoolkinderen. Alle kinderen hadden een microfoon en alle plopkapjes hadden een andere kleur, zodat de technicus het geluid een beetje kon regelen. Dat ging in het begin niet goed (veel valse stemmetjes), maar later klonk het een stuk beter (waarschijnlijk gewoon een aantal microfoontjes uitgezet). Alles onvergetelijk!”
 
De eerste keer dat Rik twee leden van ABBA daadwerkelijk zelf zag spelen was op 29 oktober 1984. ABBA bestond zelfs niet meer. Na de singles ‘The day before you came’ en ‘Under Attack’ liet men in Stockholm weten dat, zoals Rik het tijdens ons gesprek benadrukte, een pauze in hun bestaan ingelast werd. De groep hield niet op te bestaan. Het was een tijdelijk stop. Rik: “Dat klonk ook zeer aannemelijk. De genoemde nummers waren uitgebracht op het album ‘ABBA, The First Ten Years’, dus de volgende tien jaar viel natuurlijk nog wat te verwachten”.
   Benny en Bjorn bleven liedjes componeren. Samen met Tim Rice, die eerder teksten voor Andrew Lloyd Webber schreef, werkten ze aan ‘Chess’. Rik Eijer (inmiddels 18) was erbij in het Amsterdamse Concertgebouw. Rik: “Iedereen die er op dat moment toe deed in de showbiz was er, constateerde ik. Deejay Tom Mulder zat een paar stoelen van me vandaan”.
 

 
Het verhaal van een liefhebber van ABBA
 
 

Bjorn met het ART-magazine
 
 
 
Het moge duidelijk zijn, Rik Eijer was intussen een echte liefhebber van de muziek van ABBA geworden. In 1979 werd hij lid van de Nederlandse fanclub om zodoende meer informatie over de muziek en de platen te krijgen. Rik: “Het verzamelen van ABBA-spullen doe ik vanaf eind jaren zeventig en heb daardoor een hoop contacten opgedaan. Veel corresponderen met voornamelijk medeverzamelaars uit het buitenland, grammofoonplatenbeurzen en rommelmarkten afstruinen op zoek naar dat ene item dat ontbreekt of iets nieuws ontdekken, ik heb dat altijd als zeer ontspannen en leuk ervaren, hoewel het natuurlijk niet altijd ontspannen was, maar ook hard ‘werken’”.
   Na het ‘tijdelijk’ uit elkaar vallen van ABBA in 1982 was er voor fanclubs geen lang leven meer beschoren. “Halverwege de jaren tachtig hield de ABBA-fanclub in Nederland op te bestaan. Ook fanclubs in het buitenland hielden het voor gezien. Er was niet veel te melden over de groep en alles liep op een dood spoor. Mijn oudste zus was/is een Paul McCartney en Beatles-fan. Met haar ging ik altijd mee naar de Beatles-conventies die door de Nederlandse Beatles Unlimited werden georganiseerd. Ik was daar altijd erg jaloers op. De Beatles bestonden al geruime tijd niet meer als groep, John Lennon was dood en toch was daar zoveel over te zien, te melden en werd daar op een zeer professionele manier mee omgegaan. Hoe anders was dat bij het ABBA-circuit waarin ik mij bevond”.
   Rik besloot om zelf in actie te komen. “Met het ter ziele gaan van de fanclub hadden een kennis (Mark Herok) en ik het idee opgepakt om een internationale fanclub op te richten. Samen zetten we het ABBA-’round-the-world magazine (ART-world magazine) op. Elk kwartaal een magazine uitgeven en een totaal ander aanpak en lay-out dan voorgaande fanclubs. We onderscheidden ons door het meer op het verzamelen en uitbrengen van geluidsdragers te gooien. Ook de nieuws-items en reviews waren open en verfrissender, vonden wij. Niet alleen maar praten over ‘sugar and spice and all things nice’, maar ook kritisch. Ook hebben we zaken gecatalogiseerd, de uitgaven van alle vinyl uitgebracht op het Polar-label en deze beschikbaar gesteld voor onze leden/lezers”.
   De aanpak van Rik kreeg erkenning in de media. Zo organsiseerde Avro’s Toppop in 1986 een pop-quiz. Als je wilde meedoen moest je je maar opgeven. Eén van de deelnemers liet het op het laatste moment afweten. Rik: “Ik werd onverwacht gebeld door Leonie Sazias die Toppop samen met Bas Westerweel presenteerde. Ze nodigde me uit om aan de quiz mee te doen en samen met zus Ans toog ik naar naar de studio in Hilversum. Na de voorronde kwam ik op tv in de finale terecht. Ik heb er een AKAI-videorecorder aan overgehouden. In die tijd was dat een prachtig en kostbaar cadeau”.
   Rik en Mark hadden buitenlandse contacten. Voor het maken van een internationale discografie werkten ze nauw samen met medeverzamelaar Bjorn Waldenstrom. “Bjorn was woonachtig in Norrkoping. Hij had een enorme collectie. Dat kon ook niet anders Bjorn zat per slot van rekening dicht bij het vuur in Zweden. Bovendien een erg amaibele man. Met hem onderhield ik goede contacten. Wij zijn bij elkaar over de vloer geweest, ik bij mijn rondreis door Scandinavië en hij meerdere keren tijdens zijn bezoeken aan Nederland”.
 
Na 1982 kwamen er geen nieuw materiaal van ABBA meer op de markt – alleen enkele verzamel-elpees. In interviews lieten de leden van de groep steeds weten dat er geen restopnamen waren. Er viel niets meer te verwachten.
   Rik: “De werkelijkheid  was anders. Van allerlei ABBA-nummers bestonden demo’s, niet voltooide opnamen en alternatieve versies. De leden van de groep hadden die bijvoorbeeld op cassette bij zich in de auto. En ze kwamen boven water. Voor een grote verrassing zorgde studio-technicus Michael B. Tretow. Tijdens een radioshow bij een lokaal station liet hij ‘Dreamworld’ horen. Een perfecte maar nooit uitgebrachte ABBA opname, wellicht in 1978 opgenomen. De song leek op andere liedjes, vooral op ‘Does your mother know’. De ideeën in ‘Dreamworld’ waren bij andere producties gebruikt.
   Bij rockgroepen was het niet ongebruikelijk om met bootlegs te komen. Omdat er genoeg materiaal was, verscheen er in 1987 ook zo’n plaat van ABBA met als titel ‘Take a chance on us’”. Met behalve ‘Dreamworld’ ook o.a. ‘Voulez-vous’, ‘Summer Night City’, ‘Just like that’ en ‘Two for the price of one’”. In 1999 verscheen ‘Take a chance on us’ ook op cd.
   Er bleek dus wel degelijk nog een en ander te zijn. Rik: “Onlangs is er weer eens een ABBA-box verschenen. Daarbij is per vergissing een alternatieve versie van ‘Andante Andante’ gebruikt. In september verschijnt bovendien een live-album met het Wembley-concert van 10 november 1979. Met daarop het niet eerder formeel verkrijgbare ‘I’m still alive’, gezongen door Agnetha”.
 

 

De bootleg LP van ABBA, 1987
  
 
Soloplaten
 
 
 
Rik Eijer werd ook zelf binnenvaartschipper. Toen zijn moeder overleed vormde hij samen met zijn vader een vennootschap onder firma. Ze vervoerden droge lading zoals veevoer, soja, koffiebonen en tabak. De laatste jaren werkt hij bij Rijkswaterstaat in Amsterdam als scheepvaartverkeersleider.
   Zijn belangstelling voor ABBA is gebleven. Vooral als verzamelaar van hun platen. Rik: “De een spaart postzegels, de ander platen. Dat wil niet zeggen dat ik elke dag naar die muziek luister – alleen al om mijn vrouw Marga en zoon Jens tegemoet te komen. Maar de muziek heeft voor mij wel een bijzondere uitwerking. Ik vergelijk het wel eens met goede wijn: hoe langer die rijpt, des te beter die smaakt.
   Als tiener luister je naar vrolijke melodieën en wat somber getinte nummers. ABBA was een kei wat betreft break-up songs. Naarmate ik ouder ben geworden, ben ik het tekstuele in de songs meer en meer gaan waarderen en moet zeggen dat daar een paar krachtige, spitsvondige teksten bij zitten. Het verzamelen van platen is mijn passie. Ik heb een mooie collectie opgebouwd van in de hele wereld. Vooral de eerste platen in Japan zijn zeldzaam. Die werden er op Philips uitgebracht, later op Discomate. Van ‘Waterloo’ heb ik wel 45 verschillende persingen”.
   Rik heeft niet alleen de platen van de groep maar ook bijvoorbeeld de soloplaten in zijn bezit. Maar helemaal enthousiast erover is hij niet. Wat hij me vertelde sloot haarfijn aan op wat in het boek The name of the game te lezen is. Rik: “De opnamen van ABBA zijn ontstaan in een spanningsveld. Ze spaarden elkaar niet in het kritisch beluisteren van wat op de band gezet was. Nog vóór ABBA ophield waren Agnetha en Frida al in de weer met hun eigen projecten. Frida met Phil Collins als producer, later Steve Lillywhite. Agnetha met Mike Chapman en Eric Stewart (van 10cc). De solo-albums kwamen op een andere manier tot stand. Beroemde en succesvolle producers werkten met de ABBA-vedettes. De spanning, de magie, zoals bij het tot stand komen van de ABBA-platen, ontbrak. Ze verkochten wel, maar zowel de kwaliteit als de verkoop konden niet tippen aan wat ABBA gezamenlijk deed”.
   Benny en Bjorn bleven op de achtergrond nog wel eens meedoen. In 1984 schreven ze de song ‘Slowly’ voor het tweede album van Frida. Rik: “Het was een echte ABBA-song, maar de magie was er niet. Drie jaar later produceerden Benny en Bjorn ‘Slowly’ zelf. Niet met ABBA, die hielden immers pauze, maar met het Zweedse duo Gemini. Ook die productie lukte niet goed. Het was niet het echte ABBA-geluid. Alleen met z’n vieren samen hadden ze dat bijzondere”.
 
 
 

Reclamebord in Londen, voorjaar 2014
 
 
 
Intussen was het contact met de Zweed Bjorn Waldenstrom verwaterd, zeker toen de internationale fanclub ophield te bestaan. Rik: “Vorig jaar ben ik samen met ‘partner in crime’ Robert Verbeek (van de website ABBA Plaza) een week naar Stockholm geweest om aan de festiviteiten rondom de opening van het ABBA-museum deel te nemen. Geen achterban mee (wie zijn vrouw lief heeft laat haar thuis) en een week lang niks anders dan ABBA, ABBA en nog eens ABBA. Geweldig mooie tijd meegemaakt, veel gezien, veel gedaan en ondernomen.
   Ook het afstruinen van tweedehands platenzaken stond op het programma. Tijdens mijn bezoek van een winkel kwam ik in gesprek met de eigenaar. In deze zaak waren zeer mooie items te koop die je niet snel op eBay tegenkomt. Tijdens het gesprek vertelde de eigenaar dat de ABBA-spullen uit een nalatenschap kwam van een fan uit Norrkoping. Direct viel bij mij het kwartje: Bjorn Waldenstrom.
   De eigenaar vertelde dat deze een jaar daarvoor was overleden, dat zijn erfgenamen het huis hadden ontruimd en dat de collectie die hij had aan een opkoper was aangeboden en verkocht. Deze handelaar had op zijn beurt weer contact gezocht met de eigenaar van deze platenzaak en zodoende stonden de spullen van Bjorn uitgestald in zijn winkel.
   De nabestaanden van Bjorn hadden geen flauwe notie van de waarde welke de collectie met zich mee bracht. Ik schrok van het bericht. Schrok van het bericht van het overlijden van Bjorn op vrij jonge leeftijd (62 jaar) en van het feit dat niemand binnen zijn directe omgeving op de hoogte was van zijn passie en verzameling van ABBA.
   Ik heb in die winkel een biografie van Agnetha gekocht, Som jag ar, gesigneerd en gepersonaliseerd door haar voor Bjorn. Op deze manier voelt het alsof er een stukje van hem bij mij thuis is gekomen.
   Met Robert heb ik een pact gesloten dat wie van ons als eerste komt te overlijden, de ander de collectie gaat beheren/verkopen, whatever. Als het maar niet bij de kringloopwinkel belandt”.
   De meest bijzondere plaat in de collectie van Rik, vindt hij zelf, is een 12 inch plaat, afkomstig uit 1981. De leden van ABBA staken zich ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van hun manager Stig Anderson (1931-1997) weer in hun Waterloo-kleren en zongen hem in het Zweeds toe met het liedje ‘Hovas Vittne’. Van de plaat werden niet meer dan honderdvijftig exemplaren geperst. Rik: “Tijdens een veiling uit de verzameling van Thomas Nordin (augustus 2013) heeft die 6.500 dollar opgebracht, bijna het dubbele van wat ze bij het veilinghuis van Stockholms Auktionverker verwachtten”.            
 
 
 

Rik Eijer met de plaat die ABBA in 1981 speciaal voor manager Stig Anderson maakte
 
 
 
Ontmoetingen
 
 
 
Bij Rik Eijer gaat het om het verzamelen. Maar vanzelfsprekend heeft hij zijn ‘idolen’ ook wel eens ontmoet. Als ABBA zich op de een of andere manier manifesteerde was er altijd minstens één van de leden van de groep in het openbaar bij. Rik: “Zo trof ik bij de première van de musical ‘Mamma Mia’ (Londen 1999) Benny en Bjorn, evenals bij het tienjarig bestaan van de musical daar. Bjorn en Frida waren in Londen bij de opening van de expositie ABBA-world, opnieuw in Londen. Bij de première van de film in Stockholm waren ze er ineens alle vier. Dat was een uitzondering. Ik ben ervan overtuigd dat ze een spelletje spelen met hun publiek en de media om de mythevorming krampachtig te bewaken en bewaren. Om steeds maar die vraag te voorkomen: ‘Wanneer treden jullie weer eens samen op?’”
   Rik voegde er nog aan toe: “2014 markeert het jaar dat ‘Waterloo’ veertig jaar geleden het Eurovisie Songfestival heeft gewonnen. Op 7 april 2014 waren Bjorn en Frida in het Tate Modern (Londen) aanwezig bij de feestelijke boekpresentatie van ABBA The Official Photobook. In een emotionele toespraak gericht aan een selecte groep van duizend ABBA-fans, die bij de presentatie aanwezig waren, bedankten Frida en Bjorn voor de loyaliteit en jarenlange support aan de groep ABBA”.   
   Rik kwam nog een keer terug op zijn bezoek aan Stockholm in 2013, samen met Robert Verbeek. “We zaten op een terras en Frida kwam langslopen. Niemand in onze omgeving, alleen Robert en ik. Ze zwaaide hartelijk naar ons. Een onbeschrijflijk mooi, sereen moment”.
   Je hebt natuurlijk van de gelegenheid gebruik gemaakt om een praatje met haar te maken en haar wat vragen te stellen, suggereerde ik.
   Rik: “Dat durfde ik niet. Daar ben ik te verlegen voor. Maar later zijn we naar haar toe gelopen en hebben om een handtekening gevraagd. Die kregen we”...
 

 

Handtekening van Frida, Stockholm, 2013
 
 

Harry Knipschild
15 juli 2014

Op 2 februari 2016 ontving ik een e-mail van Rik Eijer met de volgende inhoud:
 
“Enige tijd geleden heb ik een uitnodiging ontvangen van Björn van ABBA om de Gala-première bij te mogen wonen van de opening van zijn laatste project ‘Mamma Mia! the Party’, een diner-show in een thematisch Griekse stijl.
   Mijn bezoek aan de première van ‘Mamma Mia! The Party’ was een onvergetelijke avond die voor altijd bij zal blijven.
   Wat begon met een persoonlijke uitnodiging, die een complete en zeer aangename verrassing was, heb ik mijn feestkostuum aangetrokken en kon het feest voor mij beginnen. “No party without you, Rik!”, zoals vermeld stond op de persoonlijke uitnodiging van Björn.
 
Zonder enkele verwachtingen ging ik naar Stockholm. Wat er daarna gebeurde, bij het betreden van de zaal, was een rollercoaster-rit van plezier, eten, drinken, vrienden en het beste wat een ABBA-fan zoals ik ooit zou kunnen overkomen. Dineren met alle vier de leden van ABBA, hun vrienden en zakenrelaties. De voltallige inner-circle van hen was aanwezig! Tot mijn verbazing werd ik gevraagd om te poseren op de blauwe loper samen met acteur Michalis Koutsogiannakis, hoofdrolspeler van de avond. Ik moest enorm lachen, toen Michalis vertelde dat hij wat Nederlandse woorden wist. De ene zin die hij noemde was niet erg netjes, maar de tranen van het lachen rolden van mijn wangen.
   Toen ABBA het podium betrad werd ik weggeblazen door hun gezamenlijke optreden en hun enorme gebaar. Ruim 30 jaar hebben zij namelijk voor het laatst op deze wijze zij-aan-zij naast elkaar gestaan. Ik heb geen idee waar het vandaan kwam, maar een prehistorische oergeluid kwam vanuit mijn tenen. Gillen, schreeuwen en juichen had bezit van me genomen. Veertig jaar van een ABBA-fan zijn werd op een grote wijze beloond met de hoofdprijs.

‘Mamma Mia! the Party’ was een once-in-a-lifetime ervaring. In mijn wildste dromen zou ik nooit  hebben gedacht dat dit mij zou overkomen. Ik had niets verwacht of ergens op gerekend, gewoon een leuk avondje uit, maar het bleek het beste wat een ABBA-fan zou kunnen overkomen. Het doet me beseffen hoe bevoorrecht ik ben geweest dat ik deel van deze avond mocht zijn.
   Wonderen gebeuren en op momenten dat je het minst verwacht. Ik ben nog steeds in de wolken en niet van plan te gaan om daar vanaf te komen. Over mijn reis naar Stockholm ben ik nog steeds niet uitgepraat en kan moeilijk bevatten dat ik daadwerkelijk heb mogen meemaken dat ik onderdeel ben geweest van een stukje popgeschiedenis”.

Clips

* 10cc, Donna, 1972
* ABBA bij Eddy Becker (NCRV), SOS, 1975
* ABBA, Dream World, 1978
* ABBA, Hovas Vittne, 1981
* 'Chess', One Night in Bangkok, 1984
* Gemini, Slowly, 1986
* Iemand die zelf niets met ABBA heeft in Roosendaal
* Engelse benadering van opening museum in Stockholm, 2013 
* ABBA-reünie, 20 januari 2016

meer informatie: www.ABBAPlaza.com
 
Literatuur
 
Stephen Holden, ‘Super Trouper’, Rolling Stone, 30 april 1981
Andrew Oldham, Tony Calder & Colin Irwin, ABBA. The Name of the Game, Londen 1996 (1995)
Agnetha Fàlstkog, ABBA van binnenuit (Som jag är), Haarlem 2009 (1996)