Zoeken

 
In de vroege jaren van de popmuziek publiceerde het Amerikaanse blad Billboard wekelijks lijsten met de meest populaire ‘zwarte’ grammofoonplaten. Het verhaal gaat dat toenmalig redacteur Jerry Wexler het woord rhythm & blues voor die muziek bedacht. In het begin van de jaren zestig verzandde de lijst. Typisch ‘blanke’ muziek als die van David Seville, Paul & Paula en Lesley Gore stond er hoog geklasseerd. Mede om die reden verdween de zwarte hitparade.
   Op 30 januari 1965 kwam er een nieuwe R&B top 40 in Billboard. Een echte ‘zwarte’ lijst. In 1993 publiceerde het blad in boekvorm een verhaal over alle R&B nummer één hits vanaf 1963 tot en met 1990. Adam White en Fred Bronson waren de auteurs.
   Zeker in de eerste jaren lag het percentage Motown nummer één hits nogal hoog. In 1965 begon het al meteen met ‘My Girl’ van de Temptations, in dat jaar gevolgd door ‘I’ll be doggone’  en ‘Ain’t that peculiar’ van Marvin Gaye, ‘Back in my Arms again’ (Supremes),  en ‘I can’t help myself’ (Four Tops).
   In dat rijtje nummer één hits van 1965 hoorde ook ‘Shotgun’ thuis. De single verscheen op Soul, één van de vele labels van Motown. Vanaf 13 maart 1965 verbleef ‘Shotgun’ vier weken op de bovenste plaats. De single was geproduceerd door studio-technicus Lawrence Horn en niemand minder dan Berry Gordy zelf, de eigenaar van Motown. ‘Shotgun’ was geschreven door Autry DeWalt Mixon (1931-2005), de eigenlijke naam van de artiest: Jr. Walker.
 

 

‘Shotgun’

 
In het Billboard-boek vertelde sessie-muzikant Earl Van Dyke dat Berry Gordy een demo hoorde van ‘Shotgun’. Jr. Walker had zelf een tape gemaakt met zijn band die bekend werd als de All Stars. Volgens Van Dyke was Gordy meteen razend enthousiast. “Hij hoorde het, hij voelde het. Maar toen zei hij: ‘Zo kunnen we het niet uitbrengen. We moeten een meer gepolijste versie maken’”. De All Stars werden voor de plaatopname uitgebreid met (of vervangen door) Benny Benjamin op drums, James Jamerson op bas en op gitaar Joe Messina en Eddie Willis, vertelde Van Dyke. De toetsenman voegde er ook zelf nog een en ander aan toe.
   Toen ‘Shotgun’ een grote hit werd begin 1965 moest Walker uitleggen wat zijn song betekende. Het was een soort dans. “I was watching a couple of kids doing this different kind of dance in a club”.
   De muziek van Jr. Walker and the All Stars was uniek voor Motown. In tegenstelling tot bij de Supremes, Four Tops, Marvin Gaye en vele andere artiesten van die maatschappij was het niet louter een studio-product. De band was voortdurend op pad om levende muziek te maken in clubs of wat voor zalen dan ook. ‘On the road’ werden ook de muzikale ideeën opgedaan.
   Lamont Dozier (van Holland-Dozier-Holland), die eveneens met Walker samenwerkte, benadrukte in het artikel dat de saxofonist-zanger zelfs grote twijfels had bij het opnemen van platen. “I guess he figured being in the studio was a gamble, and he needed to be out there on the road, picking up the money. That was a sure thing, right? He could see it in his hand, not like waiting six months for a royalty check”.
   Johnny Bristol (1939-2004), een andere Motown-producer in die jaren, had Jr. Walker zien optreden en hem bij de platenmaatschappij geïntroduceerd. In het boek bevestigde Bristol de theorie van Lamont Dozier. “Junior’s guys were basically a road band. Ik ben er zeker van dat je in de studio een opname met ze kon maken. Maar het werkte veel efficiënter en professioneler om de jongens van de company te gebruiken, Earl Van Dyke, James Jamerson enzovoort”.
   Wie met Jr. Walker werkte moest wél improviseren. Bristol had bijvoorbeeld een sessie in de studio geboekt. “Maar dan belde Junior op vanuit Indiana en zei: ‘Iemand nodigde me zojuist uit voor een optreden. Ik moet geld verdienen. Morgen kunnen jullie op me rekenen. Kun je iets voor morgen organiseren”. Zo kwamen de platen van Jr. Walker and the All Stars tot stand. Motown had het er voor over om in dat geval op die manier te werken. Want bestsellers liet je nu eenmaal niet lopen.
 

 
In zijn autobiografie, dertig jaar later geschreven, vertelde Berry Gordy over de eerste hit van Jr. Walker: “Ik had steeds minder tijd om de studio in te gaan. Maar begin 1965 deed ik ook een duit in het zakje en co-produceerde een plaat met technicus Lawrence Horn. Het was het nummer ‘Shotgun’, dat Jr. Walker voor zichzelf en zijn groep de All Stars had geschreven.
   Junior was ongelooflijk. Hij had een saxofoongeluid dat met geen ander te vergelijken was. Het simpele en vertrouwde gevoel dat hij en zijn band opriepen als hij zong en sax speelde, maakte dat hij gemakkelijk te produceren was. Het enige dat we hoefden te doen, was te zorgen voor een goede balans in de studio en vervolgens alleen maar af te wachten. Hij kon aankomen met de meest verdraaide teksten die je ooit gehoord had – en dan toch een kanjer van een hit afleveren. Hij trad alle regels met voeten, maar toch vond ik het nog steeds prachtig”.
 

Een regen van hits in Amerika

 
Niet alle singles van Jr. Walker haalden de top van de hitlijsten. Maar over verkoop, althans in de Verenigde Staten, hoefde niemand te klagen. In 1965 stonden de All Stars geklasseerd met ‘Do the boomerang’, ‘Shake and fingerpop’ en ‘Cleo’s back’, in 1966 met ‘Cleo’s Mood’, ‘Road Runner’, ‘How Sweet it is’ en ‘Money’, in 1967 met ‘Pucker up buttercup’, ‘Shoot your shot’ en ‘Come see about me’.
   In Nederland lukte het niet. Voorlopig kwam geen enkele Jr. Walker hit hier in de top 40. Om een mogelijke doorbraak te forceren, niet alleen van Jr. Walker maar tevens van de in ons land nog niet ontdekte Stevie Wonder, kreeg Pete Felleman, labelchef van Motown, toestemming om twee albums met recente Amerikaanse hits tegen de budget-prijs van ƒ 9,90 (omgerekend 4,5 euro) in de winkels te brengen. Hierover schreef ik [HK] op 26 november 1966 in Kink:
   “Binnenkort komen in Nederland de eerste twee ƒ 9,90 lp’s uit op het Tamla-Motown label, netjes gecompiled door Pete Felleman jr. De eerste is van Stevie Wonder, maar waar het mij op dit moment om gaat is ‘Road Runner’, het nieuwste album van Jr. Walker & The All Stars in de States, dat hier de R&B-markt zal gaan openbreken.
   Op deze langspeler natuurlijk ‘Road Runner’ en ‘How Sweet it is’, maar ook de allernieuwste van Junior, namelijk zijn versie van ‘Money’, meer dan zes jaar geleden geschreven door Berry Gordy zelf en meteen [voor Motown] tot een hit gemaakt door Barrett Strong en verder opgenomen door iedereen die zich zelf respecteert – van de Beatles tot John Lee Hooker”.
   Een interessant gegeven is dat Walker nogal wat hits maakte met songs die al door andere Motown-artiesten opgenomen waren. ‘Money’, ik schreef het al, was van Barrett Strong. ‘How Sweet it is’ scoorde eerder (1964) in de versie van Marvin Gaye. De Supremes hadden in 1965 een hit met ‘Come See About You’. De rechten van al die nummers waren ondergebracht bij muziekuitgeverij Jobete. Jobete was een afkorting van Joy, Berry en Terry, drie kinderen van Berry Gordy, eigenaar van de uitgeverij. Alle Motown artiesten werden ‘aangezet’ om songs uit de Jobete-catalogus in hun repertoire op te nemen. Bij Junior Walker pakte dat goed uit. Met dat soort repertoire haalde hij zijn hoogste verkopen.
 

 

Internationale aanpak

 
De arrangementen die Jr Walker van voormalige Motown-hits maakte zorgden bovendien voor zijn doorbraak in Engeland. In de zomer van 1966 slaagde de platenmaatschappij uit Detroit (Michigan), er voor het eerst in een single van Walker in de Britse charts te krijgen. Dat was zijn versie van Marvin Gaye’s ‘How Sweet it is’, een song van het trio Holland-Dozier-Holland.
   Eerder in de sixties had Motown met succes heel wat artiesten voor promotie naar Engeland gestuurd om er interviews te maken en voor de televisie op te treden. Jr. Walker was daar niet bij. Maar in 1967 kwam hij naar Europa. Nederland, waar hij bij het pop-publiek nog nauwelijks bekend was, werd overgeslagen. Maar in Londen gaf Jr. Walker een show die goed overkwam.
   De All Stars deelden het toneel van het Saville-theater met ondermeer bluesgitarist Freddie King, de Amboy Dukes en reggae-artiest Jimmy Cliff. Norman Jopling van het blad Record Mirror schreef in een positieve recensie: “Jr. Walker put on a very happy act and had the audience in the palm of his hand. From sing-alongs with ‘How Sweet It is’, to the violence of ‘Shotgun’, the Allstars were competent and musicianly. Junior’s sax work was excellent. They went through ‘Shake And Fingerpop’, ‘Cleo’s Back’, ‘Road Runner’, ‘Pucker Up Buttercup’ etc. An enjoyable evening”.
 


De Road Runner van Jr. Walker

 
Het duurde nog bijna twee jaar voor Jr. Walker opnieuw in Groot-Brittannië was. Waarschijnlijk viel er voor hem in Amerika nu eenmaal veel meer geld te verdienen met zijn optredens. In mei 1969 publiceerde Peter Jones, eveneens van Record Mirror, een interview met Jr. Walker. Op dat moment stond de artiest voor de tweede keer in de Britse hitlijsten, opnieuw met een H-D-H-song: ‘(I’m a) Road Runner’, dat drie jaar eerder al in de Amerikaanse top twintig gestaan had.
   Jones legde zijn lezers uit waar de naam Jr. Walker vandaan kwam. “This guy Autry DeWalt was a school kid en he walked everywhere. Everyone else at the school had a bicycle, or a bus, or a train... but there was this guy who walked. And walked and walked. So Autry DeWalt got himself a  nickname. And the nickname was ‘Junior The Walker”.
   Zo kon de popjournalist een mooie verbinding maken met ‘Road Runner’, het nummer dat eindelijk een Britse hit greworden was.
   Niet aan de orde kwam waar zijn voornaam Autry vandaan kwam. Zijn moeder had hem zo genoemd omdat ze een bewonderaarster was van de blanke hillbilly-zanger Gene Autry (1907-1998).
 


 
 

“We’re not part of the Tamla-Motown Sound”

 
Uit de kop van het interview bleek dat Jr. Walker zich ondanks al die successen nog steeds niet naar voren liet schuiven als representant van Motown. De artiest liet het als volgt noteren: “Het is moeilijk de zogenaamde Tamla-Motown sound te definiëren. Toen we in deze business terecht kwamen maakten we al opnamen buiten de West Grand-studio’s waar de sound geboren was. De mensen zeiden dat we nooit de originele sound konden reproduceren als we West Grand verlieten. Maar we hebben bewezen dat het gedaan kan worden.
   Ik beweer nog steeds dat we niet echt onderdeel zijn van de Tamla-Motown-sound. We hebben altijd gestreefd naar een eigen geluid en in de loop van de jaren is dat wel gelukt. Niet voor niets zijn we al tien jaar bezig”.
   Walker vertelde aan Peter Jones dat hij niet alleen repertoire van liedjesschrijvers uit de Jobete-hoek speelde maar ook zelf actief was met songs schrijven. Bij Motown hadden ze hem waarschijnlijk uitgelegd hoe hij dat moest doen. “People tell me how you can write with a sort of pattern. Maar zo werkt dat bij mij niet. Meestal begin ik een melodietje te neuriën. Dan bedenk ik er wat woorden bij. Vervolgens komen de andere jongens. I try and create something on my bare bones”.
   De saxofonist-zanger had gescoord met ‘Come See About Me’, een voormalige hit van de Supremes (maar wel uit de koker van Holland-Dozier-Holland). Wat zou er mooier zijn als Diana Ross eens een nummer van hem als nieuwe single zou brengen? Maar zoiets was volgens hem ondenkbaar. De Supremes werden afgeschermd. “My ambition was to have a song accepted by the Supremes but brother believe me that was somethin’ else. Nobody got near to those gals”.
   Peter Jones had niet alleen met Jr. Walker gesproken. Hij had de All Stars bovendien zien optreden. Een aanrader, vertelde hij aan de lezers van Record Mirror. “Tell you this, though. If they do come back to this country, don’t miss out on a visit. They are very good value for money as entertainers and as musicians. That’s for sure”.
 

Een hit met een ballad: ‘What does it take to win your love’

 
Met zijn uptempo uitvoeringen van Jobete-songs maakte Jr. Walker muziek die prettig in het gehoor lag en waar je lekker op kon dansen. Een langspeelplaat van de All Stars deed het prima op feestjes. Maar na een aantal jaren gingen de verkopen geleidelijk aan omlaag. Was de formule passé?
   In het boek met nummer één hits was een tweede artikel over Jr. Walker opgenomen. Want kort na zijn tweede Britse toernee bereikte de artiest opnieuw de top van de Amerikaanse zwarte lijst. Dat was in juli 1969 met het nummer ‘What does it take to win your love’.
   Walker werd een beetje in het keurslijf van Motown geperst. Daar was steeds het idee om liever mooie nummers dan rock & roll te produceren. Walker liet zich overhalen om het spelletje mee te spelen. In het hoofdstukje over die hit bevestigde hij nog eens hoezeer hij buiten het machtscentrum in Detroit stond. Zijn top-albums waren ‘Shotgun’, ‘Soul Session’ en ‘Roadrunner’. Volgens de auteurs van het boek hadden die meer weg van Stax-muziek dan van Motown.
   Walker was het achteraf met die stelling helemaal eens. “’You could say that’, agreed Walker years later, ‘but I didn’t pay much attention to what I was doing in that sense. I didn’t pay that much attention to what people or magazines were saying either’”. Voor dat soort dingen, schreven White en Bronson, had hij geen tijd. Walker: “Because we were always steady traveling”.
   Jr. Walker was eigenlijk maar een rare artiest. Hij was niet eens een echte zanger, volgens Lamont Dozier. “He liked to sing little riffs or something while he was playing the sax. He had done ‘Shotgun’ and a few other things, but he didn’t consider himself a singer”.
 


Johnny Bristol

 
Bij Motown vond menigeen dat hij en zijn groep maar eens op een andere toer moesten gaan. Johnny Bristol en Harvey Fuqua begonnen te experimenteren. Misschien waren die twee ook wel de meest aangewezen personen om die klus te klaren. Fuqua (1929-2010) was indertijd een eigen maatschappijtje begonnen en had dat aan Berry Gordy verkocht – inclusief zijn artiesten, onder wie Jr. Walker. Zo was de saxofonist bij Motown terecht gekomen. Als nieuwe employee van Motown had Fuqua bovendien Bristol binnengehaald, die in het verleden al met Walker gewerkt had. Fuqua, Bristol en Walker moeten elkaar dus goed gekend hebben.
   Hoe dan ook, dat betekende niet altijd iets in het op dat moment steeds verder uitdijende muziek-concern. Iedereen werkte met iedereen, als het maar omzet en geld genereerde. In een wekelijkse vergadering van hit-deskundigen onder leiding van eigenaar Berry Gordy werden dan wel de prioriteiten uitgestippeld. In geval van twijfel werd er gestemd.
   Johnny Bristol had het idee voor een ballad. Maar in zijn eentje kwam hij er naar eigen zeggen niet helemaal uit. Daarom wendde hij zich tot collega Vernon Bullock. “Vernon worked with me in artist development, and he was more versatile than I was on the piano. I said, ‘Vernon, play this, because I’ve gotten as far as I can go. I want a couple of different feelings right in through here that I can’t play but I can hum’”.
   Het resultaat was een nummer dat je helemaal niet zou verwachten van Jr. Walker. Dat besefte Bristol zelf ook. “Junior aarzelde een beetje. He’s a real ‘Shotgun’ kinda guy, just yell it out. I said, ‘No, Junior, a little prettier, a little warmer’. And I sang harmony with him. He loved it after it was finished, it just blew him away”.
 
Toen de mastertape uit de studio kwam moest hij nog goedgekeurd worden in de hit-vergadering. Zo eenvoudig ging het niet, was in het R&B-boek te lezen. Wat moest de nieuwe single worden? Een meerderheid van stemmen ging naar een productie die Hank Cosby (broer van Bill Cosby) met Jr. Walker gemaakt had. Het nummer ‘Home Cookin’’ was meer wat je van de All Stars kon verwachten. Er was weinig twijfel. Motown ging op zeker. ‘Home Cookin’’, zo werd beslist, zou de nieuwe hit worden.
   Johnny Bristol nam het niet, kon je in het boek lezen.
   “I stood up confidentially and said, ‘Well, if you want a song that’s going to sell 200,000 or 300,000, release ‘Home Cookin’. But if you want a million seller, release ‘What does it take’”.
   De eigenaar van het concern kon zo’n standpunt wel waarderen, liet Bristol vastleggen. “Mr. Gordy said, ‘Well, that’s fine, John, we understand why you feel that way’. He said it with a smile – but the proof was in the pudding”.
   ‘Home Cookin’’ bereikte de 42ste plaats in de hitlijsten van Billboard. Dat was onbevredigend. Gordy nam vervolgens het advies van Johnny Bristol over. ‘What does it take to win your love’ werd alsnog als single op de markt gebracht. De ballad steeg door naar een vierde plaats in de pop-charts en werd nummer één in de zwarte lijst. De single haalde bovendien een goede klassering in Engeland, maar bleef in ons land opnieuw onopgemerkt.
 

Euforie over triomf in Nederland

 
Jr. Walker brak nog steeds niet door in Nederland. Het duurde nog tot 1972 voor de saxofonist in ons land voor het eerst (en voor het laatst) in de top 40 wist te komen. Dat was met het instrumentale nummer ‘Walk in the night’. Voor het ‘vocale gedeelte’ liet producer Johnny Bristol een koortje met de woorden ‘What good am I’ de saxoonpartijen van Jr. Walker aanvullen. Bij radio Veronica maakte Tom Mulder (Klaas Vaak) er zijn persoonlijke hittip van. Zo kwam de single automatisch op de tipparade, een belangrijke inkooplijst voor platenwinkeliers.
   Ook in Engeland deed ‘Walk in the night’ het goed in de charts. Walker was dan ook blij met zijn voortdurende succes in dat land, schreef David Nathan in het blad Blues & Soul. Toen de redacteur hem het goede nieuws persoonlijk overbracht wilde hij meteen in het vliegtuig stappen om in dat land op te treden. Nathan was het met hem eens. “Het is al drie jaar geleden dat we hem voor het laatst in actie gezien hebben”.
   Walker kon niet meteen overkomen, want hij zat vol verplichtingen in de VS. Kort voor het telefoongesprek had hij nog opgetreden met de Temptations, Smokey Robinson en de Miracles en andere Motown acts. Dat was waar hij een kick van kreeg. Vooral een recente show in de Amerikaanse hoofdstad was hem goed bevallen. “Our last show was in Washington D.C. at an open air theatre. Martha Reeves opened the show, then they chose to put Smokey on, with me closing the bill. Being the last date on the tour, there were big crowds naturally – despite the fact that it was pouring with rain! And in an open air theatre, man, I really got wet!”
   In het interview maakte de artiest duidelijk dat hij bij Motown nog maar weinig inbreng had over hetgeen op zijn platen verscheen. “Selection of material for recording is in the hands of his producers and the recent tendency for more vocals from Junior – notably on his last two albums, ‘Moody Junior’ and ‘Rainbow Funk’ – is the decision more of his producers than himself”.

Mede door het succes van ‘Walk in the Night’ deed Jr. Walker in 1973 voor het eerst het Europese vasteland aan. Dat deed hij samen met de Temptations die, in een nieuwe samenstelling en met een nieuw soort muziek, in 1972 grote hits hadden met ‘Ball of Confusion’ en vooral ‘Papa was a Rolling Stone’. Walker keek in mei 1973 met veel genoegen terug op zijn eerste verblijf in onze contreien. Met name over Nederland uitte hij zich in juichende bewoordingen. “The tour wasn’t just in Britain, it took me to the Continent too, for the first time. In Amsterdam there were 2,700 people in the concert hall, then another 1,000 who had been unable to get tickets broke down the doors and got in. The atmosphere was incredible; the audience had even spread out on to the stage but they were really well behaved and we had no trouble”.
   Walker bleef in het Britse blad Beat International maar lyrisch doorpraten over Nederland. Binnen twee nummers, zei hij, kwam iedereen uit de stoelen omhoog om nooit meer te gaan zitten, zelfs niet in de pauze. “I got such a good thing going with the audience that I lost all sense of time, I just wanted to keep on playing – I got into trouble with the promoters for that. You see, we had to clear the hall by a certain time because there was a classical concert scheduled”.
   Bij het middag-optreden in Nederland introduceerde Jr. Walker bovendien zijn zoon ‘Junior Junior’ bij het publiek. “My boy is only sixteen but he’s been playing drums for some years and he lives for music”.
   In het Engelse tijdschrift werd benadrukt dat de hoge opkomst bij de show in Amsterdam van Jr. Walker en de Tempations nog eens bewees hoe populair Motown-artiesten intussen geworden waren. Er was namelijk nٕóg een beroemde Amerikaanse pop-artiest in Nederland om er op te treden: niemand minder dan het (toenmalige) idool David Cassidy, de Justin Bieber van de seventies. En toch zat Amsterdam vol. Dat was toch wel het bewijs vond men.

In de euforie van het moment vertelde Walker nog eens hoe hij aan zijn voornaam ‘Autry’ gekomen was en dat hij en zijn moeder gek waren op country & western muziek. “I always used to listen to the Gran’ Ol’ Opry on radio and I learned quite a few of them songs”. 
   Van een oom kreeg hij zijn eerste saxofoon, vertelde hij vol enthousiasme. Het duurde niet lang voor hij zijn eerste groep had om ermee op te treden. Toen hij zelf muziek begon te maken had hij vooral belangstelling voor blues en jazz. “When I started out I was very much into modern jazz – cats like Charlie Parker and Gene Ammons. Then there’s the blues. My wife comes from the same town as B. B. King and I’ve always listened to a lot of his stuff. When I started I used to play a lot of it too, things like ‘Sweet Sixteen’ and ‘Sweet Little Angel’ – I even did his ‘The Thrill Is Gone’, quite recently. Howlin’ Wolf and Muddy Waters are also favourites of mine”.
   Jr. Walker leek niet meer te stuiten in zijn enthousiasme. Hij legde nog eens precies uit hoe hij bij Motown terecht gekomen was. “I met Johnny Bristol who was to produce many of my early hits. Johnny in turn introduced me to Harvey Fuqua who was lead singer with the Moonglows and had just formed his own Harvey label. Motown were handling his distribution and when he decided to merge operations with them I found myself on Motown’s Soul label and in 1965 I got my first hit with ‘Shotgun’”.
 

 
In de tijd dat Jr. Walker zijn echte grote hits maakte, wisten we niets of vrijwel niets van hem. Dat was niet ongebruikelijk in die tijd. Maar langzamerhand kwam er steeds meer boven water en kon een en ander worden opgetekend. Zo probeerde hij aan het einde van het interview ook zijn blijvende succes te verklaren. “I think I have stayed successful because I have always kept my ears open for what’s going on in popular music. I listen to everything, you have to listen to find out what they are trying for. Even if you don’t like it, there might be some element in there which you can use to help develop your own sound. If you want to survive you’ve got to keep coming through with fresh ideas”.
 

Het verval

 
 
Met name in de Engelse muziekbladen werd duidelijk gemaakt dat Motown zich steeds minder betrokken voelde bij de echte muziek van Jr. Walker. Het bedrijf was van Detroit naar Californië verhuisd. De Jackson Five was de belangrijkste act geworden.
   Cliff White, redacteur van New Musical Express noemde de saxofonist ook in 1975 een ‘underrated performer’. Maar toen hij zijn recente album ‘Junior Walker and the All Stars’ moest bespreken schreef hij dat Walker nog nooit zo’n ongeïnspireerd album gemaakt had. De arrangementen vergeleek hij met die van Ray Conniff en dat was niet als een compliment bedoeld. White omschreef het opnemen van twee Stevie Wonder-songs zelfs als ‘moord’. Het was natuurlijk een persoonlijke mening, zoals in elke recensie, maar toch...
   Twee weken na de negatieve bespreking had de journalist een ontmoeting met de artiest en zijn echtgenote. White liet de kans niet voorbij gaan om Walker min of meer ter verantwoording te roepen voor de slechte kwaliteit van zijn recente albums. Hoe kwam dat nou?
   Het antwoord liet aan duidelijkheid weinig over. Walker had de plaat zelf nog niet eens gehoord. “I haven’t heard the final pressing. What happened, we didn’t really finish the album. Usually, after they master it they get your OK for release, but it didn’t turn out that way. I guess they decided they’d go ahead and release it. Clarence Paul was the producer and I think he probably wanted it released right away”.
 


Poster van echte, optredende Jr. Walker

 
Het idee om een easy listening-album te maken was uit de koker van de platenmaatschappij gekomen. Walker had er zich maar bij neergelegd. “The idea, the thing they had in mind when we recorded it, was to get both AM & FM stations to play the record. That was the general idea. AM would be the funky side and FM the smooth. Then they would get more DJs to play the record. It could have been a good thing if it was mastered right and come out right. I don’t know how it’s doing though”.
   Evenals bij ‘Walk in the night’ had Motown een koortje ingevoegd, de Broadmax Singers. Hoe meer je er naar luisterde, hoe irritanter werd het, vond White. Waarom was dat zo gegaan?
   Walker: “I don’t know those girls. A guy brought them in. I think Clarence knew them and he had them come down to the session. I don’t think they were professionals – he could get them cheaper. They did pretty good on the smooth side, but perhaps they didn’t fit so well on the funky stuff. But he was using them and if they’d have called in anyone else it’d have cost more money”.
   Zelfs een gastoptreden van niemand minder dan Stevie Wonder was zonder nadenken tot stand gekomen. “That wasn’t planned. He just came into the studio while we were doing his songs – so he played on them”.
   Van de eertijds zo succesvolle Detroit-sound was niets meer over. Walker: “We recorded this particular record in L.A. My home is in Michigan, about 100 miles outside of Detroit, but Motown don’t record at all in Detroit anymore. I think they’re trying to sell the studios. No one’s using it that I know of”.

Jr. Walker keek nog eens terug naar die nummer één hit van zes jaar eerder. ‘What does it take to win your love’. Toen had hij zich laten verleiden om dingen te doen waar hij niet helemaal achter stond. “That was Johnny Bristol putting me into a different field. You have to learn to sing something besides blowing all the time – and me and Mr. Gordy had a big argument about that. I told him I didn’t really want to get into singing”. Maar om een hit te krijgen had hij het toch maar gedaan. Daarbij had hij een stuk van zijn eigen identiteit ingeleverd.
   En het ging steeds maar verder, zei hij zuchtend. “Now they want to put me into the disco thing. I’m going in to start recording when we get back to LA. We need something... I guess”.
   Junior Walker liet zich voor alles gebruiken bij Motown. Als hij buiten de studio maar gewoon de muziek kon maken die hij lekker vond om te spelen.
 



 Graf Jr. Walker, Battle Creek (Michigan)

 
Harry Knipschild
26 juni 2014
 
Clips

Gene Autry zingt z'n hits in 1953
Jr. Walker, Shotgun, 1965
* Jr. Walker, Money, 1967
Temptations, Papa was a Rolling Stone, 1972
* Jr. Walker, Walk in the night, 1972
* Johnny Bristol, Hang on in there baby, 1974
* Jr. Walker bij Sonja Barend, How sweet its is, 1984
* Standing in the shadow of Motown, 2002
  
Literatuur
 
Harry Knipschild, ‘Gordy’s Money’, Kink, 26 november 1966
Norman Jopling, ‘Junior Walker & the Allstars, Freddie King, Jimmy Cliff: Saville Theatre, London’, Record Mirror, 21 oktober 1967
Peter Jones, ‘‘We’re not part of the Tamla Sound’, says Junior Walker’, Record Mirror, 17 mei 1969
David Nathan, ‘Junior Walker’, Beat & Soul, 3 november 1972
‘Junior Walker: Out at last’, Beat International’, mei 1973
Cliff White, elpee-recensies, New Musical Express, 2 augustus 1975
Cliff White, ‘Junior Walker’, New Musical Express, 16 augustus 1975
Adam White and Fred Bronson, The Billboard Book of Number One Rhythm & Blues Hits, New York 1993
Berry Gordy, Autobiografie. Motown, de mensen, de muziek, de magie, Amsterdam 1995
Gerald Posner, Motown. Music, Money, Sex, and Power, New York 2002