Zoeken

 
De muziek die je in je jonge jaren mooi vond blijft een grote impact op je leven houden. Ik merk het als ik een lezing geef over de geschiedenis van de popmuziek. Het blijkt tevens uit de reacties die op deze website binnen komen.
   In één ervan las ik bijvoorbeeld: “Naar aanleiding van de stukjes over Artone zou ik willen vragen of u misschien meer informatie heeft over zangeres Maureen Rose, die in 1969 voor Artone een single opnam. Er stonden de volgende nummers op: ‘Love, where did you go?’ en ‘Mystery Man’. Beide nummers zijn volgens het label geschreven door Maureen Rose en H. de Ruyter. De plaats is geproduceerd door Brian Goldwyn (= Lion Swaab). Ik ben al ruim dertig jaar op zoek naar meer info. Wie was Maureen Rose? Heette ze echt zo? De single is al 44 jaar een jeugdherinnering voor mij”.
   Het antwoord moest ik schuldig blijven.
   Een andere e-mail luidde: “Ik ben al jaren op zoek naar een liedje dat in de jaren 80-90 een tophit is geweest, maar ik weet de titel niet. Ik geloof dat het door een Ierse popgroep werd gezongen en dat het in de top 40 gestaan heeft in Ierland of Engeland. Ik herinner me wel een stukje tekst, mogelijk voorkomend in het refrein. Het luidde: ‘We are in the right’. Ik vond het een goed nummer en vind het jammer dat ik het via google niet kan terugvinden. Misschien herinner jij je iets en kun je helpen”.
   Het antwoord was ‘The right side won’ (1983) van de Nederlandse groep What Fun.
 

Biologische verklaring van Midas Dekkers

 


Cliff Richard en de Shadows

 
Bioloog Midas Dekkers (geb. 1946) gaf tien jaar geleden een verklaring voor het fenomeen ‘muziek uit je jeugd’. “De oren zijn een van de oudste zintuigen van de mens. Ze zijn verbonden met het primitiefste deel van het brein, met de gevoelshersenen. Het zijn echte trechtertjes naar de ziel. Daarom kan muziek ook zo ontroeren: het komt rechtstreeks bij je gevoel. Bij sommige muziek ben je al doordrongen van de emotie, voordat je je er ook maar van bewust bent dat je muziek hoort.
   In hun kleutertijd zijn mensen extra gevoelig voor muziek. Kleuters lopen voortdurend te zingen. Ze verzinnen zelf liedjes en doen allerlei dansjes en spelletjes als handjeklap. Muziek is onontbeerlijk voor ze. Als kleine kinderen bang zijn, moet je ook geen arm om ze heen slaan, maar een liedje met ze zingen. Het is een bezwering van het gevaar.
   In de biologie noemen we dat inprentingsperioden. De bodem is vruchtbaar en het zaad kan ontkiemen. Zo kunnen kinderen ook tussen hun tweede en zevende jaar alle talen van de wereld leren. De puberteit is de tweede inprentingsperiode. Daarom heeft iedereen ook een hang naar de muziek uit die jaren. De hormonen gieren pubers door het lijf, de pukkels spatten aan alle kanten uit elkaar. Niets in een puberleven is rustig en die onrust hoor je ook in de muziek die ze mooi vinden”.
   Dekkers maakte voor zichzelf geen uitzondering. “Ik draaide als puber veel Cliff Richard, The Shadows en Bill Haley. Vooral zijn band The Comets vond ik geweldig. Bill Haley was toch een beetje een rare cowboy. Die hoefde er van mij niet zo nodig bij. Maar de jongens van de band, die gaven hun ziel en zaligheid. Hun muziek was heel rauw en puur, heel oprecht. Wanda Jackson, die had dat ook. Ik luisterde dagelijks naar ‘Fujiyama Mama’. De muziek dreinde door je voeten en je botten, alsof je hele lijf overspoeld werd.
   En natuurlijk heel veel ‘Apache’ van The Shadows. Ik was solist in een bandje. Niet dat mijn spel zo verschrikkelijk veel voorstelde, maar ik bezat de soldeerbout die we nodig hadden om de versterkers te repareren. Daaraan ontleende ik natuurlijk wel bepaalde rechten. We noemden ons The Cherokees. We wisten dat een apache een indiaan was en hebben toen in de encyclopedie de naam van een andere indianenstam opgezocht”.
   Na je jeugd was het volgens de bioloog min of meer afgelopen. “Muziek wordt nooit meer zo belangrijk als in je puberteit. Maar muziek heeft dan ook alles te maken met jong zijn en met seks. Het gaat vooral om het verlangen naar seks. Dat komt in muziek tot uitdrukking”.
   Volgens Dekkers ging het bij vogels precies hetzelfde. Eerst zingen en dan werken aan nakomelingen.
 

De gevoelige snaren van Jan Marijnissen en Femke Halsema

 

 
De uitspraken van Midas Dekkers kwamen niet zomaar uit de lucht vallen. Ze werden opgenomen in een boekje dat in 2004 verscheen. Het was getiteld Gevoelige snaren. 30 bekende Nederlanders over de muziek die hen raakt. Al die BN’ers keken terug naar hun jeugd, hun puberteit. Toen gebeurde het echt. Het boekje verscheen ten behoeve van War Child. Op de omslag was te lezen: “Per boekje gaat er 4,50 euro naar War Child Nederland. Met gebruik van creatieve middelen, waaronder muziek, helpt War Child kinderen in oorlogsgebieden bij de verwerking van hun ervaringen".
   Ondermeer werden enkele politici aan het woord gelaten. Politici aan de linkerkant van het politieke spectrum. Jan Marijnissen (geb.1952, Oss) van de SP vertelde: “Ik heb erg veel met muziek. Dat is begonnen op de kostscholen in Heeswijk en Oldenzaal waarop ik heb gezeten. Muziek was er de ontsnapping, het enige aangename in het leven. Eén jongen had een kleine pick-up en twee platen: van The Pretty Things en The Kinks. De eerste vond ik al geweldig, maar die van The Kinks wilde ik heel graag zelf hebben. Het werd mijn eerste zelf gekochte lp: ‘Kinda Kinks’, hun tweede album uit 1965. Een dierbaar bezit”.
   Jan wist nog precies hoe dat gegaan was. “We zaten in de trein vanuit Den Haag naar Oss. Het was bloedheet, en ik heb uren aan mijn moeders hoofd gezanikt: ik wil die plaat! Mijn moeder had het niet breed. Ze had vier kinderen van wie er twee studeerden. Mijn vader was al jong overleden. De elpee kostte een heel kapitaal: ƒ 16,50”.
 

 
Het gedram van Jan hielp. De plaat van de Kinks kwam er, evenals de single ‘I want to hold your hand’ van de Beatles. Maar hij was een fervente fan van de Rolling Stones. “In het begin speelde die band nog heel veel bluescovers. Ook van The Stones heb ik al op jonge leeftijd een elpee gekocht: ‘Out of our heads’ was de eerste. Op school was het knokken tussen fans van The Beatles en The Stones, je had echt twee kampen. The Stones brachten toen ‘Let’s spend the night together’ uit en The Beatles ‘Strawberry Fields Forever’. Het was februari 1967, en het ging er heftig aan toe.
   Ik ben The Stones altijd trouw gebleven. Ze kwamen destijds [in 1966, HK] ook naar de Brabanthallen in Den Bosch, maar ik mocht daar niet naartoe. Vreselijk vond ik dat. Sindsdien ben ik er elke keer heen geweest dat ze in Nederland speelden”.
 
Femke Halsema van GroenLinks (geb. 1966, Haarlem) is veertien jaar jonger dan Jan Marijnissen en afkomstig uit een ander milieu. Dat uitte zich ook in de muziek. “Vanaf mijn zevende kreeg ik vioolles. Ik ben toen een aantal jaren heel fanatiek fan geweest van Herman Krebbers. De muziekrevolutie is niet bij ons thuis geboren. Ofschoon mijn ouders wel van die generatie zijn, hebben ze de jaren zestig niet echt meegekregen. Zo weet ik nog dat we op zondagochtend naar Willem Duys luisterden, en dat, toen het bericht kwam dat Wim Sonneveld (1917-1974) was overleden, mijn vader begon te huilen. Pas op de middelbare school kwam ik bij vriendinnen thuis wier ouders wél blowden en van The Stones hielden”.
   Femke was naar eigen zeggen nogal braaf in haar jonge jaren. “Een vriendin van mij liep op haar vijftiende van huis weg en werd twee weken later teruggevonden in een kraakpand in Duitsland, zwaar aan de drugs. Zo bont heb ik het bij lange na niet gemaakt. Wel ben ik met vioolspelen gestopt. Ik vond het geen vertoning om met een vioolkoffer over straat te gaan. Ik was punk – althans, ik flirtte ermee, het mocht geen naam hebben”.
   In 2004 vertelde Halsema dat ze een tikkeltje in de jaren tachtig was blijven hangen. Aan het einde van de jaren negentig was er bij haar ingebroken. “Ook mijn cd-collectie werd meegenomen. Ik ben dingen gaan terugkopen. Japan. Nog steeds heel mooi. Een tikje zweverig, maar wel heel muzikaal. Ook Tom Waits heb ik teruggekocht. Daarvan had ik alles. Die muziek is blijvend, wat ook geldt voor Bruce Springsteen. Diep roerende muziek. Als je hem ‘The River’ hoort zingen, die hele connotatie van de Amerikaanse arbeidersmaatschappij, de emancipatie ervan, klinkt door in dat liedje.
   Ik kan nog steeds heel intensief naar muziek luisteren. Zo heb ik een liefde voor Nick Cave, die eigenlijk vooral op één, voor hem atypische cd is toegespitst: ‘No more shall we part’. Ik kreeg die chanson-cd van vrienden, net om en nabij de moord op Pim Fortuyn. Cave is daarin heel cultuurkritisch en ook erg aan het zoeken naar God.
   Nu ben ik volstrekt a-christelijk, maar op mijn manier kan ik het wel waarderen: getergd en verwijtend. Er is een liedje, ‘Darker with the day’, waarin hij beschrijft hoe de maatschappij er volgens hem uitziet. Waar de Little Caesars, Napoleons en Cunts al scheldend over straat lopen, met hun ‘tiny plastic phones’. Een samenleving waarin alles plat en gevulgariseerd is. En hoe Cave beschrijft hoe hij daar dan met zijn liefde tussen staat: werkelijk prachtig”.
   Door haar politieke loopbaan had ze in 2004 nog maar weinig tijd. “Vroeger las ik muziekrecensies en ging ik naar concerten. Maar wat ik nu in huis haal komt van mijn vrienden die zeggen: ‘Daar moet je eens naar luisteren’. Het valt me op dat muziek tegenwoordig geconsumeerd wordt. In de jaren tachtig was het een levensstijl. Ik was punk en dus links en radicaal. Je plande dat je werkeloos zou worden. Ook ik ben heel consumerend geworden”.
 

 

Connie Palmen: muziek geeft een gevoel van verbondheid

 
Wat je in je jeugd mooi vond hing sterk af van de omgeving en het tijdperk waarin je opgroeide. Jan Marijnissen en Femke Halsema maakten dat al duidelijk. Dat gold eveneens voor de andere BN’ers die in Gevoelige Snaren aan het woord kwamen.
   Connie Palmen (geb.1955) was bekend geworden door romans als De wetten, De vriendschap en I.M. Ze groeide in Limburg op, dichtbij de Duitse grens. Dat bepaalde haar muzikale smaak. “Schlagers vind ik fantastisch. Mijn collectie overtreft echt alles. Alleen is die liefde in de randstad soms wat moeilijk uit te leggen. Schlagers horen voor mij ook bij Limburg. Als ik schlagers hoor ben ik terug in het dorp [St. Odilënberg, bij Roermond]. Met carnaval, op de kermis, bij mijn oma, op familiefeesten: altijd werden er schlagers gedraaid en dan zong iedereen mee. Roy Black, Freddy Quinn, Heino. Die muziek hoort bij het dorp”.
   Ook Connie Palmen haalde de biologie erbij. “Het is een mooi mechanisme van de hersens, dat bepaalde klanken je kunnen terugwerpen in de tijd. Het is een heel ontastbare sensatie, maar het geeft een groot gevoel van geluk. Dat je op de jukebox X15 indrukt en Chubby Checker hoort. Of dat op de kermis bij de botsauto’s Roy Orbison uit vier speakers schalt. Orbison was echt een genie. Liedjes als ‘Only the lonely’ en ‘Crying’ zijn prachtig”.
   Palmen bleef haar jeugdidool volgen, ook in latere jaren. Zo gaat dat wel vaker. Je blijft een beetje een ‘fan’, maar laat nieuwe idolen niet meer toe. “Vlak voor zijn dood [in 1988] heeft Orbison nog met k.d. lang een meesterlijke uitvoering van ‘Crying’ opgenomen. Als zij de zang van hem overneemt – met die dramatische theatrale stem van haar en die typische country tremolo – gebeurt er iets bijzonders, iets tussen de meester en de leerling. Iets wat te maken heeft met toewijding, eerbetoon en onderlinge verbintenissen. Je kunt me dan werkelijk opdweilen”.
 


Roy Orbison, 1967

 
De schrijfster bekende dat ze eind jaren zestig, begin jaren zeventig zo’n beetje van alles hield. “Ik luisterde zowel naar Neil Young als naar James Brown, zowel naar Johnny Cash als naar Willie Nelson, maar ook naar Herman van Veen en Heintje”.
   Wat voor haar sterk bij muziek gold was een gevoel van verbondenheid. “Andere kunsten zijn solitair. Je kunt niet samen een boek lezen of een schilderij maken. Maar je kunt wel met anderen muziek maken of naar muziek luisteren. Muziek doet een appèl op het sociale, het verbindt mensen die elkaar niet kennen. Ik kan me ook helemaal niet vinden in het beeld van de puber die zich in zijn kamertje opsluit en twintig keer hetzelfde liedje draait. In je eentje muziek draaien vind ik link. Als je muziek met elkaar deelt, dan is het alles”.
   Palmen verschilde in dat opzicht nadrukkelijk van Jan Marijnissen. Toen die door een ongeluk blaren had draaide hij ‘I wanna hold your hand’ wel honderd keer achter elkaar, vertelde hij. Alleen. “Met mijn hand naast mijn bed in een bak water”. Alleen luisteren naar popmuziek was bij hem gebleven. “Coldplay draai ik ’s nachts op mijn werkkamer. U2 en Guns N’ Roses in de auto”. Femke Halsema kocht cd’s omdat vrienden haar dat aanraadden, niet omdat ze die zelf ontdekte. Ik schreef het al.
   Misschien beleven vrouwen en mannen de muziek, al dan niet uit hun jeugd, wel op een andere manier. Maar dat de klanken uit hun jeugd nooit verloren gaan blijkt steeds weer.
 

Terug naar de muziek van vroeger

 
Als je weet in welk jaar iemand geboren is en uit welk milieu hij of zij komt, kun je een beetje een inschatting maken welke muziek van invloed is geweest. Cesar Zuiderwijk (1948, Den Haag), sinds 1970 drummer van de Golden Earring, was zich dat goed bewust. “Je wordt natuurlijk beïnvloed door je omgeving. Stel dat mijn ouders veel jazz hadden gedraaid, of nog erger: reli-rock. Wie weet hoe ik dan was geworden”.
   Het ging dus anders. “Elke zondagmorgen om tien uur schalde Mario Lanza of Benjamino Gigli door de huiskamer. Of, ook mooi, ‘Porgy and Bess’. Daarvan zag ik ook de film [uit 1959], samen met mijn ouders. Dat vond ik als klein jochie helemaal te gek. Ik vond die operazondagen geweldig.
   Bij ons thuis werden ook platen van Paul Anka en Little Richard gedraaid. Ik ben zelf enig kind, maar mijn beide ouders kwamen uit een gezin van negen kinderen. Ik had tientallen neefjes en nichtjes, sommigen wel twintig jaar ouder dan ik.
   Zondagen waren belangrijk bij ons thuis. Mijn eerste muzikale herinneringen bewaar ik aan de vele familiefeestjes op zondagmiddag. Ik moet toen een jaar of vier, vijf geweest zijn. Ik zat meestal met wat neefjes onder de tafel en keek dan vanonder het tafelkleed de kamer in, zag al die meiden met hun wijde petticoats swingen, rocken en jiven op de muziek van Louis Prima, ‘Buona Sera Senorita’ [uit 1958]. Ja, dat ging tekeer hoor, op die typische jaren vijftig rock van Prima, Buddy Holly en Paul Anka. En ook The Everly Brothers en Bill Haley. Iedereen had een hell of a time. En zij niet alleen, want ik voelde me helemaal geweldig daar onder die tafel. Echt gelukkig”.
 


Louis Prima en Keely Smith

 
Zuiderwijk kon zich nog goed herinneren hoe hij drummer geworden was. “Op mijn dertiende overleed mijn vader. In dat jaar bouwde ik mijn eerste drumstel van augurkenblikken, ik heb het nog staan. Drummen was niet echt een bewuste keuze. Ik wilde gewoon mijn hersens verzetten door ergens helemaal in te duiken. Ik zat urenlang te oefenen, in mijn uppie op mijn kamertje. Ik had altijd al een grote fantasie en zag in die aan elkaar getimmerde plankjes al snel een heel vikingschip. Mijn vriendjes, met hun zelfgebouwde en tot op de millimeter uitgemeten schepen, begrepen er helemaal niets van. Zo was het ook met mijn zelfgemaakte drumstel. Het was voor mij een fantastische uitlaatklep voor al mijn verdriet en woede. Al besefte je dat als dertienjarige natuurlijk niet”.
   Cesar Zuiderwijk besefte bovendien dat je muzikale smaak beïnvloed werd door je achtergrond. “Over het algemeen komen de beste [pop]muzikanten niet uit de betere milieus. Als je uit een arbeidersmilieu komt, moeten je ouders kromliggen om voor jou een gitaar of drumstel te kopen, of, zoals in Rinus’ geval, bouwt je vader er zelf een (Rinus Gerritsen is bassist van de Golden Earring). Dat is dan zeer waardevol en het enige wat je hebt. Je verkeert niet in de positie om na een maand te zeggen: ‘Pap, ik vind er niks meer aan, mag ik nu wat anders?’”
 
Henk Hofstede (1951, Amsterdam) was drie jaar na Cesar Zuiderwijk geboren. Voor de beleving van popmuziek uit je jeugd kan dat een enorm verschil uitmaken. Toen Henk zijn herinneringen in Gevoelige Snarenliet vastleggen werden de namen van Bill Haley, Louis Prima en Paul Anka dan ook niet meer genoemd. In zijn jonge jeugd pakte hij het staartje mee van de ‘mooie teenagermuziek’ vlak voor de komst van de Beatles en de Stones.
   “Ik begon ontzettend vroeg met muziek, met het naspelen van liedjes die ik op de radio hoorde. Ik herinner mij het Cocktail Trio, Neil Sedaka met ‘Oh Carol’ [1959] en ‘Ritme van de regen’ [1963] van Rob de Nijs. En ook Ria Valk, die net als Rob de Nijs bij mij in de buurt in Amsterdam woonde. Dat was rond 1960. Als ik ’s nachts in bed lag hoorde ik in de Fahrenheitstraat een band repeteren. Ik geloof dat de buurt het daar niet helemaal mee eens was. Later bleek dat ZZ & De Maskers te zijn.
   Rob de Nijs repeteerde in buurthuis Frankendael bij mij in de straat. Vanuit de speeltuin kon ik hem zien spelen met The Lords. Zij repeteerden in een ruimte van de plaatselijke fanfare. Ik heb van hem nog een keer een roze plectrum gekregen. Dat was voor mij een soort sieraad. Het eerste singletje dat ik had was ‘Trees’ / ‘Stil Verdriet’ [1963] van Rob de Nijs. Een fantastisch plaatje vond ik dat. Vooral ‘Trees’.
   Een tijdje daarna had ik een vriendje op school met wie ik liedjes van The Everly Brothers zong. En vooral The Blue Diamonds, want zij zaten naturlijk in de imitatie-cultuur. Het was de eerste muziek die ik heel intensief beluisterde. Door muziek te imiteren ga je altijd een stapje verder dan wanneer je er alleen naar luistert: je luistert veel aandachtiger”.
 

 
Volgens Henk Hofstede heeft de muziek uit zijn jeugd juist géén invloed gehad. “Want toen The Beatles, Them en The Kinks kwamen liet je die hele soepzooi natuurlijk achter je”. Muziek die hem ging interesseren was die van Tim Hardin (‘How can we hang on to a dream’, 1966), Bob Dylan, Byrds en The Band. “De Amerikanen hebben de poëzie in de popmuziek gebracht. Zij vertelden verhalen. En dat ga je belangrijk vinden op je achttiende”.
   Hofstede luisterde in die tijd ook nog op een speciale manier naar popmuziek. “Met een stelletje vrienden hadden wij jarenlang een illegale schoonmaakploeg in het Concertgebouw. ‘Ome Dirk’ liet ons tijdens concerten binnen via een zij-ingang. Iedereen speelde daar in die tijd. Ik heb er heel wat gezien: Beach Boys, Janis Joplin, Joni Mitchell, Leonard Cohen en Jackson Brown toen ie nog heel jong was. En The Who met de première van ‘Tommy’. Dat was keihard een stalen muur in het gebouw”.
   Is Henk Hofstede, de zanger van liedjes als ‘Nescio’ (1983) ‘In the Dutch Mountains’ (1987) en ‘J.O.S. Days’ (1988) een uitzondering? Heeft hij de muziek uit zijn prille jeugd echt verdrongen? Als ik [HK] naar de Nits luister geloof ik dat niet.
 
Dolf Jansen (geb. Amsterdam, 1963) was een jongetje in het Toppop-tijdperk. Dat is duidelijk te merken aan het muzikale gevoel van de cabaretier.
   “Mijn favoriete bandje destijds was Mud, een Engels gitaarbandje. Toen ik een jaar of elf was, was ik daar een groot fan van. Mijn favoriete liedje was ‘Lonely This Christmas’ [1974]. Die heftige liedjes als ‘Dynamite’ [1973], ‘Tigerfeet’ [1974] en ‘L’L’Lucy’ [1975] waren natuurlijk hartstikke stoer, maar dat kerstliedje was iets heel anders. Ik vind het nog steeds erg mooi, een beetje fifties-pastiche. Eigenlijk vond ik alles van ze goed, ook die cover van ‘Oh Boy’ van Buddy Holly. Die jongens deugden gewoon.
   Ik had weinig geld vroeger, dus haalde ik wel de gratis hitparade-krantjes, maar kon de singletjes niet betalen. Van Mud kocht ik de elpee met daarop de singletjes en een hoop opvulling. Dat was goedkoper dan de singletjes apart kopen. Verder moest je het doen met de radio en Toppop”.
 

 
Toppop was voor iedereen. “Het grappige was dat je dan zag dat een heleboel mensen dezelfde band als jij leuk vonden, dat was dan wel speciaal. Als ik alle meisjes op het schoolplein het dansje van een bepaald liedje zag nadoen, dan dacht ik: goh, ik ben dus niet de enige die dat goed vindt!
   Supertramp was ook zo’n geval, mijn broer en ik luisterden daar veel naar. Dat was een elpeegroep waarvan ik dacht dat helemaal niemand ze kende, totdat ze ook ineens een hit scoorden en in Toppop stonden”.
   En toen was het voor Dolf Jansen afgelopen. Een volgende generatie was aan de beurt. “‘Grease’ en ‘Saturday Night Fever’, daar waren wij helemaal tegen. Wij hadden de Federatie Anti Travolta, en alles wat met hem te maken had was volkomen kut”.
   Bij  het ter perse gaan van Gevoelige Snaren had Jansen nog steeds sympathie voor de zanger van Mud. “Les Gray [1946-2004] ziet er tegenwoordig totaal verlopen uit. Geweldig! Ze spelen ook nog steeds, ik vind dat wel goed. In elk geval beter dan instorten of een overdosis nemen”. Tien jaar geleden had de Amsterdammer de groep dan ook nog steeds hoog in het vaandel. “Ik vind zo’n bandje als The White Stripes wel leuk, maar het kan me niet zo bekoren als Mud dat vroeger deed. Dat zal wel met mijn leeftijd te maken hebben”.
   Mud had Dolf Jansen zelfs geholpen in zijn carrière. “De eenvoud van bandjes als Mud heeft het mogelijk gemaakt dat mensen als ik, die nou niet bepaald natuurlijk gevormde zangers zijn, muziek kunnen maken en liedjes zingen waar mensen naar willen luisteren”.
 
Jacqueline Govaert (1982, Kaatsheuvel), zangeres van Krezip, was nog lang niet geboren toen Mud en John Travolta hun grote hits maakten. Govaert, nu 32 jaar, was dan ook van na het Toppop-tijdperk. Voor iemand als Jacqueline kwamen idolen als Buddy Holly, Rob de Nijs, Little Richard en de Shadows waarschijnlijk uit het stenen tijdperk.
   Naar eigen zeggen luisterde ze als jong meisje vooral naar punkmuziek. “Social Distortion bijvoorbeeld en Undeclinable Ambuscade uit Den Bosch. Hun album ‘Soft Speaking Ernie On Swing’ uit 1994 was mijn allereerste cd”.
   Op veertienjarige leeftijd keek Jacqueline naar Pinkpop. Vooral (andere) vrouwen maakten grote indruk. De zangeres, die beroemd werd met haar band Krezip, vertelde een paar jaar later: “Pinkpop 1996 heeft mijn muzieksmaak vorm gegeven. Ik was op school al bezig met een bandje en het schrijven van nummers. Maar na het zien van K’s Choice op televisie, wist ik opeens wat ik het allerliefste wilde: ik wilde [zangeres] Sarah Bettens zijn. De doorrookte toverstem van Sarah, zangeres van K’s Choice, maakte diepe indruk op mij. Met tranen in de ogen zat ik als versteend voor de buis. Toen ze later die dag ook nog een duet zong met Skin van Skunk Anansie, was ik helemaal verkocht.
   Kort na Pinkpop kreeg ik van mijn moeder het album ‘Paradise in Me’. Ik heb uren voor de spiegel gestaan om het nummer ‘Not an Addict’ net zo te zingen als Sarah Bettens. Mét een kapsel als het hare, want ik wilde er precies zo uitzien.
   Een aantal weken later speelde K’s Choice in Tilburg. Het optreden in Noorderligt was uitverkocht, maar omdat het eerder was afgelast, was er toch nog een aantal kaarten verkrijgbaar. Het was mijn allereerste popconcert. Mooier kon het niet. Vóór het optreden zag ik Sarah Bettens nog door de zaal lopen. Ik wilde graag een handtekening van haar, maar daarvoor had ze het helaas te druk. Toen Krezip bekend werd kwam muziekblad Oor op het idee mij samen met Sarah op de cover te zetten. Ik heb haar dus toch eens ontmoet.
   Naast K’s Choice en Skunk Anansie, stond ook Alanis Morisette op die editie, namen die een rode draad vormen in mijn muziek-ontwikkeling. Vrouwen die hun mannetje staan. Daar hou ik wel van. Zelf behoor ik ook tot die categorie”.
 


Sarah Bettens

 
Jacqueline Govaert, die eerder dit jaar het album ‘Songs to soothe’ op de markt bracht, heeft dus, om het zacht te zeggen, een volstrekt andere muzikale jeugd-beleving dan voorgangers Midas Dekkers (1946), Cesar Zuiderwijk (1948), Henk Hofstede (1951), Jan Marijnissen (1952), Connie Palmen (1955), Dolf Jansen (1963) en zelfs Femke Halsema (1966).
 

Van Morrison

 
Eén van de redenen voor mij om het bovenstaande te schrijven is een persoonlijke ervaring. In het vroege voorjaar van 1967, met hits van de Beatles (‘Penny Lane’), Petula Clark (‘This is my Song’), ‘Engelbert Humperdinck (‘Release me’), Outsiders (‘Monkey on your back’) en de Rolling Stones (‘Let’s spend the night together’) was ik in Almelo om een optreden bij te wonen van Van Morrison, de zanger van de in Nederland op dat moment populaire groep Them.
   Ik wilde van de gelegenheid gebruik maken om als redacteur van Kink een praatje met hem te maken. Morrison, geboren in 1945 en dus 21 jaar op dat moment, stond niet bekend als een ‘sociaal dier’. Eerder het tegendeel. Maar toen ik met hem over blues kwam te praten was het ijs onmiddellijk gebroken. Van enige terughoudendheid was van het ene op het andere moment geen sprake meer. Morrison praatte honderd uit en aarzelde niet mij een top tien te geven van zijn favoriete nummers. Die luidde:
1. Montana Taylor, I can’t sleep
2. John Lee Hooker, Tupelo, Mississippi
3. Howlin’ Wolf, Going Down Slow
4. Eddie Boyd, Five Long Years
5. Lightnin’ Hopkins, Katie Mae
6. Bobby Bland, Stormy Monday
7. Otis Spann, Rock Me
8. Big Maceo, 32-20
9. Sonny Terry, Goodbye Leadbelly
10. Muddy Waters, Walkin’ Blues
 

 
Van Morrison was op die zondagmiddag in Almelo, als ik me goed herinner, niet meer te stuiten. Ineens waren we ‘blues brothers’.  Zijn solo-carrière, Them, ‘Gloria’ en ‘Here comes the night’ kwamen in het gesprek niet meer aan de orde. We gingen als ‘vrienden voor het leven’ uit elkaar. Maar we hebben elkaar nooit meer gesproken.
 
Harry Knipschild
11 juni 2014

Clips

* Louis Prima, Buona Sera, uit 1958
* Shadows, Apache, 1960
* Eddy Boyd, Five Long Years, 1965
* Kinks, Tired of Waiting, 1965
* Mud, Lonely this Christmas, 1974
* What Fun, The right side won, 1983
* Roy Orbison en k.d. lang, Crying
* K's Choice, Not an addict, 1995
* Nick Cave, Darker with the day, 2001
* Henk Hofstede, Trees, 2013
    
Literatuur
‘Harry Knipschild’s R&B’, Kink 27, maart 1967
Gevoelige Snaren. 30 bekende Nederlanders over de muziek die hen raakt, Utrecht 2004