Zoeken


Rock & roll, de eerste popmuziek, ontstond min of meer als een soort van rebellie. Een nieuwe generatie, de teenagers, zette zich in Amerika af tegen de conservatieve en ‘brave’ smaak van ouderen. De nieuwe jeugd vond begin jaren vijftig inspiratie in de ‘zwarte’ populaire muziek. ‘Black became beautiful’, met die woorden definiëerde Arnold Shaw het in zijn boek over de Fifties (uit 1974).
   Mede door de weerstanden die de rock & roll-muziek in hoge Amerikaanse kringen opriep werd de muziek voor de blanke jeugd rond 1960 weer een stuk rustiger. ‘Wilde’ muziek kwam op de blanke Amerikaanse radio nauwelijks meer aan bod. De mainstream-muziekindustrie had zich maar aan te passen. Zwarte artiesten als Ray Charles, Chuck Berry, James Brown, Hank Ballard, Jerry Butler, Bobby Lewis, Bobby Bland, Sam Cooke, Gene Chandler en groepen als de Drifters, Coasters, Miracles, Isley Brothers, Contours, Marvelettes enzovoort hadden hun eigen radiostations, hitlijsten en afzetgebied.
   Halverwege de jaren zestig zorgden Britse groepen als de Beatles, Rolling Stones en Animals voor een nieuwe impuls aan de popmuziek. Zwarte muziek stimuleerde opnieuw de ontwikkelingen.

Ouderen reageerden in de jaren vijftig furieus op Elvis Presley en Bill Haley. De Beatles en Stones viel begin jaren zestig aanvankelijk een soortgelijke behandeling ten deel. Maar dat duurde niet lang. De jeugd was zelfbewust geworden in de sixties. Wilde je als oudere een beetje meetellen in de sixties dan moest je meedoen met de volgende generatie. In een eerder artikel besteedde ik [HK] aandacht aan de revolutie van 1965, zoals verwoord in het Amerikaanse weekblad Time.
   “Iedereen was aan het dansen geslagen op de nieuwe muziek. Jong en oud. Een oudere generatie, de jeugd van de jaren vijftig, had de merseybeat omarmd. In de loop van 1964 en begin 1965 waren er overal in de Verenigde Staten discotheken bijgekomen. Popmuziek zette iedereen aan het dansen. Bijna de helft van de omzet in ‘teenbeat’-grammofoonplaten, wezen statistieken uit, werd gekocht door personen ouder dan twintig jaar. Huisvrouwen luisterden fanatiek naar radiostations die uitsluitend rockmuziek lieten horen.
   Allerlei beroemdheden leefden zich uit op de klanken van de muziek van de Sixties: danser Rudolf Nureyev, ballerina Margot Fonteyn, Truman Capote, de auteur van ‘Breakfast at Tiffany’s’, zanger Sammy Davis, Ethel en Bobby Kennedy, senator voor de staat New York, Jackie Kennedy, de weduwe van de vermoorde president, televisiepresentator Walter Cronkite, de hertog en hertogin van Windsor, Peter, ex-koning van Joegoslavië, Adlai Stevenson, voormalig presidentskandidaat, Carol Channing, de ster van de musical ‘Hello Dolly!’. Voorbij was de tijd dat de Kerk zich afzette tegen de muziek van de aanstormende generatie. Studenten van een seminarie, ‘gewapend met elektrische gitaren en bongo drums’, hadden een beat-mis georganiseerd in verscheidene kerken van Washington en omgeving. Zelfs de president, Lyndon Johnson en Lady Bird, zijn echtgenote, hadden er acte de présence gegeven”.
 

Tommy, een rockopera

 
Een groep die zich manifesteerde als het boegbeeld van de jaren zestig was de Who. Na ‘I can’t explain’ en ‘Anyway, anyhow, anywhere’ verscheen op 4 november 1965 hun single ‘My Generation’ in de Britse charts om er op 4 december door te dringen tot de tweede plaats (achter ‘The carnival is over’ van de Seekers). “People try to put us down. Just because we get around. Things they do look awful cold. I hope I die before I get old. This is my generation, baby”, luidde de tekst van gitarist Pete Townshend.
   Popmuziek begon, zoals dat heet, volwassen te worden. De muziek was nu meer dan een weggooi-product, een 45 toeren-single. In de tweede helft van de sixties werd een pop-album voor menige artiest of groep belangrijker dan een gewone hit. Albums als ‘Sgt Pepper’, ‘Electric Ladyland’, ‘Pet Sounds’. ‘Woodstock’, ‘Déjà Vu’ en ‘Sticky Fingers’ werden bepalend.
 

 
Een volgende stap in de erkenning voor popmuziek, zou je kunnen stellen, was een rock-opera. In 1967 ontwikkelde platenproducer Mark Wirtz het idee van een ‘teenage opera’. De single ‘Excerpt from a teenager opera (Grocer Jack)’, gezongen door Keith West, werd op 30 september van dat jaar alleen van de top van de Britse hitlijsten afgehouden door ‘The Last Waltz’ van Engelbert Humperdinck.
   Ook Pete Townshend van de Who hield zich bezig met een opera. Een uitprobeersel was ‘A quick one (while he’s away)’. Achteraf gezien was het een opstapje naar ‘Tommy’, het dubbelalbum uit 1969. De groep voerde de rockopera in zijn geheel uit tijdens het Woodstock-festival. Nederland volgde op 30 januari 1970. Niet zomaar in een popzaal, maar in het walhalla van de klassieke muziek, het Amsterdamse Concertgebouw.
 

Vera Brodsky Lawrence

 
In die zelfde tijd, het begin van de jaren zeventig, was de zwarte bevolking van Amerika zich meer dan ooit bewust van een eigen identiteit. De kreet ‘Black is beautiful’ had algemeen opgang gedaan. ‘African Americans’ lieten hun haar duidelijk zien. James Brown had met ‘Say it loud I’m black and I’m proud’ de toon gezet. Maar hoe ver kon je in de tijd terug om het hoge niveau van de zwarte cultuur aan te tonen?
   Vera Brodsky Lawrence (1909?-1996) speelde een interessante rol bij de geschiedenis van de zwarte muziek. Ze was begonnen met onderzoek naar Louis Moreau Gottschalk (1829-1869). De (blanke) pianist en componist was in New Orleans geboren. Lawrence, zelf pianiste, zorgde er vervolgens voor dat ‘The Collected Works of Scott Joplin’ in 1971 gedrukt werden. Zo kwam er een revival voor de ‘koning van de ragtime’.
 

 
Al in 1967 had Vera de rags van Joplin ontdekt. “I picked Joplin not because he was black, not because he wrote ragtime, but because he was great”. Vervolgens ging ze aan het werk. Dat was niet makkelijk schreef Robert Jones. De muziek van Scott Joplin (1868?-1917) was al tientallen jaren niet meer als bladmuziek verkrijgbaar. Het leek wel alsof veel van hetgeen op papier gezet was voor altijd verloren was. Langzamerhand leverde haar onderzoek echter resultaat op. Uit alle hoeken en gaten kwamen er materiaal en gegevens te voorschijn.
   Het ene contact leidde tot het andere. Een belangrijke vondst, aldus Jones, was die van ‘Solace, a Mexican Serenade’. Vera Lawrence kreeg een artiest aan de lijn die de muziek in New Orleans aan het vertolken was, om twee uur ’s nachts. Tot haar grote vreugde vernam ze om die tijd dat hij, Bill Russell, beschikte over de originele bladmuziek. “I could hear them playing ragtime in the background. It was a warm and amazing experience”.
   Het uitgeven van de muziek van Scott Joplin bleek anno 1971 niet eenvoudig te zijn. De eerste 24 uitgevers zeiden nee tegen de onderzoekster, totdat de New York Public Library bereid was tot drukken over te gaan.
 

Scott Joplin

 
Als je tegenwoordig op het internet zoekt vind je (soms) dat Scott Joplin op 24 november 1868 geboren werd in Linden, in het noordoosten van de staat Texas. In 1976 schreef Lawrence dat zijn geboorte in of omstreeks 1868 plaats vond, niet in Linden maar in het nabij gelegen Texarkana, op de grens met Arkansas.
   Kort voor de geboorte van Scott was de slavernij door president Lincoln afgeschaft in de Verenigde Staten, in 1863 in het zuiden en in 1865 in de rest van het land. Zijn vader, Giles Joplin, was nog als slaaf in North Carolina ter wereld gekomen. Diens huwelijk met de vrij-geboren Florence Givens (Kentucky) had zes kinderen voortgebracht. Scott was op één na de oudste.
   Het waren de jaren dat in Amerika overal spoorlijnen aangelegd werden. Geen wonder dat de familie zich in Texarkana vestigde. Daar was werk vanwege het aanleggen van een nieuwe lijn. Lawrence: “Als kind was Scott omringd met muziek. Vader Giles had in het huis van zijn meester tijdens feestjes met zijn viool al voor vermaak gezorgd. Moeder Florence speelde banjo en zong erbij. Alle kinderen maakten muziek. In het gezin Joplin was muziek even vanzelfsprekend als adem halen”.
   Scott leerde zichzelf op jeudige leeftijd een beetje piano spelen op het instrument dat de buren bezaten. Volgens Lawrence werd het jongetje in de zwarte gemeenschap van Texarkana als een muzikaal wonderkind gezien.
   Giles Joplin liet zijn vrouw na een aantal jaren in de steek. Florence was genoodzaakt in haar eentje voor die zes kinderen te zorgen. Ze werkte als hulp in de huishouding bij blanken in Texarkana. Terwijl zij schoonmaakte mocht haar zoontje op de piano spelen bij haar werkgevers. Dat deed hij blijkbaar zo goed dat een Duitse immigrant, Julius Weiss, zich voor hem begon te interesseren. Weiss was zelf grootgebracht met de muziek uit zijn vaderland. Als ‘zwart’ jongetje kreeg Scott dank zij hem pianoles en zelfs onderricht in harmonieleer. Vera Lawrence benadrukte in haar biografie dat de jongeman zich al heel vroeg in zijn leven bewust was dat opleiding en algemene ontwikkeling van het grootste belang waren om vooruit te komen in het leven.
 


Spoorweg complex centraal in Taxarkana

 

Rondtrekkende muzikant

 
In de jaren tachtig van de negentiende eeuw besloot Scott Joplin als muzikant door het leven te gaan. Dat was waarschijnlijk aantrekkelijker dan bij het spoor werken. Scott sloot zich aan bij rondtrekkende zwarte artiesten. De lokaties waren meestal niet verheven. Lawrence noemde saloons, bordelen en het ‘red light district’ in steden en dorpen overal in Texas en Louisiana. Het meeste werk was te vinden in St. Louis, een stad langs de Mississippi waar veel handel gedreven werd en er behoefte was aan amusement. Joplin arriveerde er in 1885. Hij moet dus een jaar of zeventien geweest zijn.
   Jarenlang, lijkt het, was St. Louis een thuisbasis voor Scott totdat hij in 1893, 25 jaar oud, met andere muzikanten meetrok naar de World’s Columbian Exposition in Chicago. De populaire zwarte piano-muziek daar was de ragtime, een vervolg op jig-muziek, door Vera Lawrence aangeduid als een primitieve voorloper van klanken zoals die in drank- en andere gelegenheden nu door zwarte muzikanten ten gehore gebracht werden.
 
Na de grote tentoonstelling vond Scott Joplin onderdak in Sedalia (Missouri), een stadje waar spoorwegarbeiders hun vertier zochten. Sedalia werd nog wel eens aangeduid als het Sodom en Gomorra van de negentiende eeuw. Een plek dus met amusement in velerlei vorm.
   Joplin maakte er niet alleen muziek, zoals in de Maple Leaf Club, maar besefte hier opnieuw hoe belangrijk opvoeding en ontwikkeling was. Scott studeerde er op het ‘George R. Smith College for Negroes’ – harmonie- en compositie-leer. Hij speelde er niet alleen in bedenkelijke gelegenheden maar maakte tevens deel uit van de Queen City Concert Band, het eerste orkest dat ragtime op niveau ten gehore bracht. Ook als zanger en cornettist was hij actief in Sedalia. Hij richtte er tevens (voor de tweede keer) het Texas Medley Quartet op. In die tijd bedacht Scott bovendien eigen repertoire.
 
In de tweede helft van de jaren negentig slaagde Scott Joplin erin zijn ragtime-stukken in druk te laten verschijnen. John Stark, een muziek-handelaar in Sedalia, en Carl Hoffman, uitgever in Kansas City, lieten bladmuziek van de persen rollen. Eén van die songs, ‘Maple Leaf Rag’, moet een sensatie geweest zijn. Er zouden meer dan een miljoen exemplaren van gedrukt zijn in die tijd. ‘Maple Leaf Rag’ maakte Scott Joplin tot de koning van de ragtime.
 


Omslag van de bladmuziek

 

Meer ambities

 
Scott Joplin bleef zich steeds ontwikkelen. In Sedalia al werkte hij aan ‘The Ragtime Dance’ – een compositie met een choreografie erbij. Stark zag er niet veel in, volgens Lawrence, maar gaf het in 1902 toch uit. Joplin, 34 jaar, wilde zich meten met de verheven muziek van het superieure ras, de blanken. Hij werd de oprichter van de Scott Joplin’s Ragtime Opera Company. Zijn ragtime-opera ‘A Guest of Honor’, waarvan hij zelf het copyright in beheer hield, werd in St. Louis uitgevoerd, maar waarschijnlijk daarna niet meer. Misschien had Scott zijn ambities wel te hoog gesteld. Bovendien verslechterde zijn gezondheid en kwam er een einde aan zijn (eerste?) huwelijk.
 
In 1907 zette Scott Joplin een grote stap in zijn leven – hij verhuisde naar New York. Het schrijven van een ragtime-opera lijkt zijn bestaan beheerst te hebben. Die opera moest ‘Treemonisha’ gaan heten. Waarschijnlijk werden de ideeën van ‘A Guest of Honor’ erin verwerkt. De partituren van die eerste opera zou hij vernietigd hebben.
   Een volgende huwelijk, in 1909, schijnt goed uitgepakt te hebben. Lottie Stokes Scott steunde haar man in zijn muzikale ambities. Scott was echter niet succesvol. In 1911 besloot hij daarom zijn ragtime-opera ‘Treemonisha’ in eigen beheer en met eigen financiën uit te geven. Nu was het zaak tot een uitvoering te komen. Dat zou op 7 augustus 1913 moeten gebeuren. Joplin plaatste een oproep voor artiesten in de ‘New York Age’. Tijdens haar onderzoek vond Lawrence echter geen aanwijzing dat ‘Treemonisha’ ooit vertoond werd.
   In 1915 zette Scott Joplin alles op het spel om financiers voor zijn project te interesseren. In de wijk Harlem was er een soort informele doorloop van de opera. Joplin ging zelf achter de piano zitten. De activiteiten leidden tot niets. Lottie, die constateerde dat haar man in alle opzichten zienderogen achteruit ging, liet hem opnemen in het Manhattan State Hospital. Op 1 april 1917 kwam de koning van de ragtime er op 49-jarige leeftijd te overlijden.
 

De Scott Joplin-revival

 
In een artikel in het tijdschrift Time was in 1972 te lezen dat de ragtime na verloop van tijd aan zijn eigen succes (‘overexposure’) ten onder ging. Jazz was de nieuwe favoriete muziek van de zwarte bevolking in Amerika. De revival van de ragtime zou rond 1950, ruim dertig jaar na de dood van de ‘koning’, begonnen zijn toen Rudi Blesh en Harriet Janis het boek They all played ragtime lieten verschijnen. Pianist Eubie Blake (1887-1983) en Max Morath (geb. 1926) introduceerden de ragtime opnieuw bij het publiek. Platenmaatschappij Nonesuch bracht platen met ragtime-muziek uit, gespeeld door Josua Rifkin en William Bolcolm. Gunter Schuller, een Amerikaanse componist van Duitse afkomst, won in 1973 een Grammy met het album ‘Standard High-Class Rags’.
 

 
Een sensatie was ‘The Sting’ (1973) met Paul Newman en Robert Redford in de hoofdrol. De speelfilm bracht het woelige leven van Chicago van 1936 in beeld. De film was goed voor zeven Oscars, inclusief die voor de beste film van het jaar en de beste muziek. Marvin Hamlisch (1944-2012) verzorgde de film-muziek. Hij liet zich inspireren door de ragtime-muziek van Scott Joplin. ‘The Entertainer’, een compositie van Joplin was de herkenningsmelodie van ‘The Sting’ en bereikte in 1974 een derde plaats in de toptien van Billboard. ‘The Entertainer’ bezorgde Marvin Hamlisch en Scott Joplin anno 1974 bovendien een hoge klassering in de Nederlandse top 40.
 

Treemonisha op het toneel en op de plaat

 
Vera Lawrence was betrokken bij de wedergeboorte van de opera ‘Treemonisha’, die tijdens het leven van de componist niet uitgevoerd werd. Zij noemde de muziek daarom de ‘sleeping beauty of American music’. “It slumbered for more than a half century. It was not until Joplin’s collected works were published in 1971 that a long overdue opportunity was provided for a fresh appraisal of the opera. To a generation unhampered by early twentieth-century prejudices and newly enchanted by Joplin’s ragtime, it was obvious that ‘Treemonisha’ was a work of great quality as Joplin believed it to be. Unquestionably, it had to be heard”, schreef de musicologe.
   In 1972 vond de eerste uitvoering plaats door het symfonie-orkest van Atlanta onder leiding van Robert Shaw. Andere uitvoeringen volgden. De meeste impact had een grote productie in de Houston Grand Opera in mei 1975. Gunther Schuller had de muzikale supervisie. Hij was al eerder betrokken geweest bij concerten van een bewerking van Kafka’s ‘Het Proces’ (1966) en ‘Van de visser en zijn vrouw’ (Gebroeders Grimm, 1970).
 

 
De ‘original cast recording’ van ‘Treemonisha’ onder leiding van Gunther Schuller werd bovendien op de plaat vastgelegd, zelfs bij het gerenommeerde Deutsche Grammophon met het gele label. Het dubbelalbum verscheen anno 1976 in een prachtige doos, inclusief een boekwerk met een inleiding van Vera Brodsky Lawrence, die alles uit de kast had gehaald om Scott Joplin zo goed mogelijk te introduceren bij het verheven publiek dat de componist, lijkt het, zo graag had willen bereiken.
 
In 1976 had ik [HK] bij Polydor in Rijswijk de leiding over de afdeling promotie. In 1970 was ik betrokken bij de rockopera ‘Tommy’ met de hit ‘See me feel me’ van de Who.
   Dat je met klassieke muziek kon scoren wisten we bij Polydor te bewijzen met ‘Erik Satie. Early Pianoworks deel 1’. Adriaan Verstijnen, getrouwd met Marijke, de eerste echtgenote van Herman van Veen, had dat album met Reinbert de Leeuw voor het Harlekijn-label opgenomen in Breukelen. Op Hilversum 3 werd de plaat regelmatig ten gehore gebracht tijdens een van de treinkapingen door Molukkers in de jaren zeventig. De deejays waren genoodzaakt aangepaste muziek te draaien en gebruikten Reinbert de Leeuw voor dat doel. Geleidelijk aan werd de muziek van Satie, zoals gespeeld door Reinbert de Leeuw, een ware bestseller.
 
Voor het dubbel-album ‘Treemonisha’, met de opera van Scott Joplin, was aanvankelijk weinig belangstelling. In Nederland met name veranderde dat toen pluggers van Polydor de Avro wisten de interesseren voor het nummer ‘Aunt Dinah has blowed the horn’.
   Besloten werd de originele mastertape van de opname zodanig te verknippen dat er een single op het Deutsche Grammophon-label van kon worden uitgebracht. Zoiets was, bij mijn weten, niet eerder gebeurd. Op 27 september 1976 werd ‘Aunt Dinah has blowed the horn’ uitgeroepen tot Avro’s radio- en tv-tip. Dat betekende dat de single op die maandag elk uur gedraaid werd en dat het tv-programma Top Pop er aandacht aan besteedde. Een clip was niet voorhanden. Een Nederlands balletgroepje danste daarom op de muziek van Scott Joplin, zoals vastgelegd door Gunther Schuller.
   De single verscheen op 2 oktober 1976, 69 jaar na de dood van Scott Joplin, voor het eerst in de Nederlandse top 40 en steeg door naar een vijfde plaats. Van het dubbel-album ‘Treemonisha’ werden hier, als ik me goed herinner, in 1976 meer exemplaren verkocht dan in de rest van de wereld bij elkaar. Heel bijzonder heb ik altijd gevonden. De opera ‘Treemonisha’ wordt tegenwoordig trouwens nog steeds uitgevoerd. Scott Joplin heeft inmiddels de erkenning gekregen die hij tijdens zijn leven heeft moeten missen.
 


Avro's radio- en tv-tips in 1976

Nieuw onderzoek

 
Vera Lawrence was een pionier met haar onderzoek naar de muziek en het leven van Scott Joplin. Mensen als Edward A. Berlin zetten haar werk voort. Berlin publiceerde in 1994 het boek King of Ragtime. Scott Joplin and his era. Op het internet is een ‘brief biographical sketch’ van Scott Joplin te lezen. Evenals Lawrence stelde hij vast hoe moeilijk het was om gegevens te vergaren. “Filling in the details is a daunting task as his life was so poorly documented. Joplin left no journal of his thoughts and activities, no personal letters are known to exist, and his associates’ reminiscences have proven to be notoriously unreliable. His full story remains frustratingly elusive”.
   Volgens de door Berlin verzamelde, gedeeltelijk onbetrouwbare snippers is Scott Joplin wellicht geboren in Marshall (eveneens in het noordoosten van Texas) en eerder dan 24 november 1868. Op basis van vergaarde gegevens zou de artiest tussen 19 juli 1867 en half januari 1868 ter wereld gekomen zijn.
   Volgens Berlin was de Duitser Julius Weiss opgevoed in de Europese muziek-traditie en bovendien een groot opera-liefhebber. Weiss gaf muziekles aan Joplin in Texarkana. Gedurende zijn hele leven bleef deze kontakt houden met de Duitse immigrant.
   De vroege opera ‘A Guest of Honor’ zou teruggaan op een gebeurtenis uit 1901 die van grote betekenis was. In dat jaar nodigde president Theodore Roosevelt de Amerikaanse zwarte voorman Booker T. Washington uit voor een diner op het Witte Huis.
   In aanvulling op hetgeen Vera Lawrence boven water had weten te krijgen maakte Edward Berlin er bovendien melding van hoe het bekende nummer ‘Alexander’s Ragtime Band’ in 1910 tot stand gekomen kan zijn. Dat was een eerste succes voor de Russische immigrant Irving Berlin (1888-1989). Irving werkte in 1910 voor muziekuitgeverij Ted Snyder Music in New York. Scott Joplin, die in die tijd leurde met de muziek van zijn nog niet uitgegeven opera ‘Treemonisha’ zou die aan Ted Snyder Music en het verwante Seminary Music hebben aangeboden.
   “Irving Berlin, as the story goes, returned the manuscript, saying they couldn’t use it. In March 1911, Berlin published his major hit song ‘Alexander’s Ragtime Band’. Joplin, on hearing it, exclaimed that the song was stolen from his still-unpublished opera, and he thereupon changed the section that resembled Berlin’s song. That section was the ‘Marching Onward’ portion of the opera’s closing number. Even with Joplin’s changes, it still bears some resemblance to the verse of ‘Alexander’s Ragtime Band’”.
   Voor Irving Berlin was ‘Alexander’s Ragtime Band’ in 1911 een belangrijke doorbraak.
 


Schildering Scott Joplin op parkeerterrein in Sedalia

 

Luisteren naar Scott Joplin zelf

 
In de halve eeuw dat Scott Joplin leefde, muziek vertolkte en componeerde, waren er nog geen grammofoonplaten. Maar de muziek, zoals hij die zelf speelde, is wellicht toch vastgelegd. Niet alleen in gedrukte bladmuziek maar ook in de vorm van wasrollen die kort voor zijn dood gemaakt zijn. Het blijft allemaal gissen.
   In het digitale tijdperk waarin wij leven komt er steeds nieuw materiaal op het internet beschikbaar. Oude kranten, documenten, tijdschriften en boeken zijn ineens voor iedereen leesbaar. Onderzoek wordt soms een stuk gemakkelijker en minder kostbaar. Wie weet wat er allemaal nog aan gegevens beschikbaar komt...
 
Harry Knipschild
25 maart 2014

Clips
* Scott Joplin?, Maple Leaf Rag, 1916
* Bessie Smith, Alexander's Ragtime Band, 1927
* Texarkana, film jaren vijftig
* Gene Chandler, Duke of Earl, 1962
* Keith West, Excerpt from a teenage opera, 1967 
* Who, See me feel me, Woodstock, 1969
Marvin Hamlisch, The Entertainer (Scott Joplin), trailer The Sting, 1973   
* Treemonisha (Gunther Schuller), Aunt Dinah has blowed the horn, 1975 
* Treemonisha, Aunt Dinah has blowed the horn, Toppop, 1976
* Sedalia, 2012
* Marti Newland, George Spitzer, A Real Slow Drag, Treemonisha, 2013

Literatuur
‘The sound of the sixties’, Time, 21 april 1965
‘From rags to rags’, Time, 7 februari 1972
Arnold Shaw, The Rockin’ ’50s, New York 1974
Robert Jones, ‘Vera Lawrence. An appreciation ’, boekwerk bij Treemonisha’, Deutsche Grammophon 2707 083, 1976
Vera Brodsky Lawrence, ‘Scott Joplin and Treemonisha’, boekwerk bij Treemonisha’, Deutsche Grammophon 2707 083, 1976
Allan Kozinn, ‘Vera B. Lawrence, 87, Pianist And American Music Historian’, New York Times, 22 september 1996
Edward A. Berlin, ‘Scott Joplin: brief biographical sketch’, op zijn website, gedownload maart 2014