Zoeken


 
In 1957 kochten mijn ouders een platenspeler, van het merk Dual. Het was een wisselaar, je kon er verschillende platen achter elkaar mee afspelen. Toen ik veertien werd, op 1 maart 1958, mocht ik voor het eerst in mijn leven een 45 toeren-single zelf uitkiezen. Een moeilijke beslissing. Na veel wikken en wegen werd het ‘Diana’ van Paul Anka, met op de b-kant ‘Don’t gamble with love’. De winkelier verkocht de Anka-hit op het merk Columbia. Achteraf bleek het een ‘foute persing’ te zijn. De Nederlandse firma Artone had de rechten verworven voor het ABC Paramount-label waarop de Anka-platen in de VS uitgebracht werden. Bovema (Columbia) moest Artone een schadevergoeding betalen.

Zelf werd ik 14. Maar Paul Anka was niet eens zo veel ouder, ontdekte ik jaren later. Hij was pas op 30 juli 1941 in het Canadese Ottawa geboren en op dat moment dus zestien. Van iemand als Paul Anka wist je niets in die dagen. Toen er in november 1960 eindelijk een artikel over hem verscheen in het maandblad Tuney Tunes, was dat een half-verzonnen verhaal over zijn (nieuwe) neus. Skip Voogd schreef het. Hij had een foto weten te bemachtigen en beschikte evenmin over gegevens. Zo ging dat in die tijd.
 


Gesigneerde foto voor een fan

 
Tegenwoordig is het anders. Zo vond ik een goed-gedocumenteerd artikel uit het jaar 2000 in de Ottawa Citizin, de plaatselijke krant van zijn geboortestad. Paul en zijn familie waren van Libanese afkomst. Hij groeide op in een Libanese gemeenschap. Zijn ouders openden in 1951 de Locanda, een upper class restaurant. Zakenmensen, politici, journalisten en atleten kwamen er om te praten en van de Libanese keuken te genieten. Door alle beroemdheden, die hij als jongetje regelmatig ontmoette in de zaak van zijn ouders, pakte Paul al snel het leven op. Zelf zei hij: “I was pretty precocious, a pretty aggressive kid. I think my parents knew they had an unusual child”.
 
Paul Anka wilde het liefst journalist worden. Zijn studie kwam echter niet uit de verf. Van steno leren bracht hij zo weinig terecht dat hij uit de klas verwijderd werd. De muziek-business leek hem meer te bieden. Paul leerde drummen, spelen op trompet en piano. Zingen ging vanzelf. Wat hij wilde bereiken stond hem al snel helder voor de geest. Een klasgenoot: “Paul had a huge ego and therefore had his own agenda. He knew where he was going and he certainly thought he knew how to get there”.
   Ondernemend als hij was deed Paul op eigen initiatief mee aan talentenjachten. De winnaar ontving soms twintig dollar. “Anka always won” volgens het artikel in de Ottawa Citizin. Een bekend verhaal is dat hij stiekem een concert van Fats Domino bezocht. Irving Feld, manager van het idool, pakte hem bij zijn lurven en wilde hem buiten zetten. Paul reageerde brutaal door te schreeuwen: “Remember my name, I’ll be working for you one day”.
 

 

Anka wil teenager-idool worden

 


Als jongen van veertien kwam Anka tot de conclusie dat hij nooit de top zou bereiken als hij in Ottawa bleef. Bij een prijsvraag won hij de hoofdprijs, een trip naar New York. Een mooie gelegenheid om aan de deur te kloppen van de grote platenmaatschappijen die er meestal hun hoofdkantoor hadden. Die reis leverde niets op. Maar hij maakte in Ottawa steeds meer indruk als jonge artiest.
   Paul was super-ambitieus. Hij wilde een idool worden van zijn generatie – de teenagers. Dat was een nieuw begrip in die tijd. Jonge Amerikanen spiegelden zich steeds minder aan de manier waarop ouderen tegen het leven aankeken en hoe ze eruit zagen. Paul spaarde 150 dollar. Die investeerde hij in een reis vanuit Ottawa naar Los Angeles. Hij logeerde er begin 1956 bij oom Maurice Anka die opera-zanger was.
   Om een idool voor de teenagers te kunnen zijn was hij om te beginnen te dik. “I was a heavy kid and I didn’t look like I was meant for showbusiness. But I had this bubbling inside of me and I wanted to sing. You’ve got to have an appeal and look like you’re in showbusiness”. Hij sportte zich gek om er beter uit te zien en ruim vijftien kilo af te vallen.
   In Los Angeles deed Paul nog meer dan in New York zijn uiterste best om een plaatcontract te bemachtigen. Want wilde je als teenager-idool iets bereiken dan moest je een hit hebben. Ook in L.A. waren er platenmaatschappijen. Misschien nog wel meer dan in New York. Op de West Coast had je kleine muziekbedrijfjes die zeer alert waren op de nieuwe ontwikkelingen in de muziek die de jeugd mooi vond.
   Dagelijks bladerde Paul de ‘Gele Gids’ door en probeerde een en ander voor elkaar te krijgen door bijvoorbeeld over de telefoon een liedje te zingen dat hij samen met zijn oom geschreven had. Zonder resultaat. Wilde je wat bereiken dan moest je persoonlijk contact hebben, ervaarde hij.
   Paul was een kind van zijn tijd. De moderne jeugd hield van rhythm & blues-muziek. Thuis stemde hij af op deejay George Lorenz die vanuit Buffalo in de staat New York uitzond. Tot zijn favorieten hoorden Chuck Berry, Frankie Lymon, de Platters en de al eerder genoemde Fats Domino.
   In Wallack’s Music City, een platenwinkel downtown in Los Angeles, luisterde hij in een cabine naar ‘Stranded in the Jungle’, een nieuwe hit van de Cadets uit L.A. Op het label zag hij dat de plaat was uitgebracht door Modern Records en dat het kantoor dichtbij in Culver City was. Paul stak zijn hand omhoog en liftte naar Culver City.
   “Ik liep een garage binnen. Daar waren de Bihari-broers, eigenaren van Modern Records. Ik vertelde dat ik uit Canada kwam. Ze keken me vreemd aan en zeiden: ‘Sing your song’. Dat deed ik. ‘Kom over twee weken terug, dan nemen we je song op’, hoorde ik. Toen ik er weer heen ging bleek dat de [beroemde] Cadets als koortje fungeerden. Ik kon niet geloven dat me zo iets overkomen was”.
 

 
De a-kant van die single was ‘Blau Wile Deveest Fontain’, een liedje dat hij samen met oom Maurice geschreven had. Modern Records was gespecialiseerd in rhythm & blues en zo klonk Anka’s eerste plaat dan ook op beide kanten (op de b-kant: ‘I confess’). Succes bleef echter uit. Paul, vijftien jaar, was nog steeds geen idool. Dat was flink slikken voor iemand die er zeker van was dat hij het helemaal zou maken. “My life had ended, I thought. I was a failure at 15 and I was going to kill myself”.
 

 

De doorbraak: ‘Diana’

 


Na die bittere pil pakte Paul Anka, lijkt het, de draad toch weer op en bouwde verder aan zijn carrière. Zijn eerste liedje had hij geschreven naar aanleiding van het boek ‘Prester John’ dat hij op school had moeten lezen. ‘Diana’ ging over een Libanees-Amerikaans meisje van vlees en bloed, Diana Ayoub.
   Ayoub: “Paul was 16 going on 17, I was 18 going on 25. We were worlds apart. Paul used to entertain at church functions and he became friends with my friend and I. We started hanging around together and he would call me. My girlfriend said he was in love with me and I told her, ‘Don’t be so ridiculous, he’s our friend’”.
   In de familie Ayoub was de jonge zanger veelvuldig onderwerp van discussie. De vader van Diana werd boos omdat Paul, die bekend stond als een doordrammer, steeds maar avances maakte tegenover zijn dochter. Diana en haar vriendin wisten hem zo ver te krijgen dat hij zijn nieuwe song liet horen. Alleen de muziek, niet de tekst. Diana Ayoub: “Paul said ‘I’ll play the music, but I won’t sing the words. It was the only time I saw Paul blush”.
   Thuis ging de jonge artiest net zo lang door tot zijn vader hem toestemming gaf opnieuw naar New York te reizen. Van haar eigen geld (ze werkte bij warenhuis Sears) stopte moeder Camelia hem nog wat geld toe. Paul nam de bus naar Manhattan. In New York mocht hij in een zijkamertje van het President Hotel slapen.
 


  Paul Anka met Diana Ayoub (links)

 
Aan Arnold Shaw vertelde Paul later hoe het hem op dat moment verging. “Je hoort altijd vertellen dat ik zo maar binnenstapte bij ABC Paramount op Broadway 1501. Dat is niet helemaal waar. Ik kende de Rover Boys – die hadden op dat moment met ‘Graduation Day’ een hit bij Paramount. Ik kende ze van een club in Canada waar ze optraden. De Rover Boys deden een goed woordje voor me bij Don Costa die besliste over het onder contract nemen van nieuwe artiesten”
   Costa, omgepraat door de Rover Boys, liet weten dat hij Paul maximaal vijf minuten te woord wilde staan. De zanger kwam bij hem binnen, ging achter de piano zitten en zong verscheidene liedjes. De auditie duurde dus aanzienlijk langer dan de geplande vijf minuten. Costa was onder de indruk en haalde er enkele collega’s bij. Iedereen was enthousiast. Vader Andy Anka moest uit Ottawa overkomen om een contract met de platenmaatschappij te tekenen omdat Paul zelf nog te jong was. ‘Diana’ was het nummer dat men bij Paramount uitkoos voor de eerste single.
   Paul had wat uit te leggen aan Diana Ayoub. Vanuit New York schreef hij haar een brief op de dag vóór de opname van zijn tweede single. “Well, in twenty-hours I’ll be recording my next record. I have picked all the material and all the arrangements are made. You want me to tell you .... it’s ‘Diana’. It’s favoured as the hit record by everyone. They said it is a different sound and it’ll be the big one. You should hear the arrangement on it. Now listen, don’t you say a word. I’ll just kiss you if it sells, ’cause you started it”.
   De opname van ‘Diana’ verliep niet zo simpel als je zou denken. Het liedje was namelijk nog niet helemaal af toen Paul in de Capitol-studio (‘West Forty-sixth Street, just across the street from Variety’) verscheen. Ze moesten een nood-oplossing bedenken, een stukje ‘uh-oh’ in plaats van gewone woorden. Dat bleek de gimmick te zijn die van ‘Diana’ een hit maakte. Don Costa kwam nog helemaal naar Ottawa voor de finishing touch.
   Paul Anka: “On the record of ‘Diana’, we used just five pieces – piano, bass, guitar, sax, and drums – plus three voices. ‘Diana’ was finished in Ottawa. That’s why I used those ‘uh-oh’s’ that every rock group was doing. I just didn’t have any words for those notes. And the ‘uh-oh’ became the gimmick of the record. The three background voices, all male, were used for padding. They telled footballs (whole notes) and sang a couple of licks”.
   Diana Ayoub had geen leven meer toen het liedje waarin zij de hoofdpersoon was een wereldsucces werd. Overal waar ze kwam moest ze op de foto, graag of niet. “I had reporters waiting for me when I graduated from high school. Guys would not ask me out because their picture would be in the newspaper the next day. People were showing up at my house all the time. One time my father found a stepladder rising to my bedroom”.
   Paul Anka zelf was toe aan een manager die hem tot een echt idool kon maken. Dat werd niemand anders dan Irving Feld, de man die hem een paar jaar eerder verwijderd had bij een optreden van Fats Domino.
 
Als je Tania Long van de New York Times mag geloven, zette Paul Anka, zestien jaar, zijn geboortestad op de wereldkaart. Op 20 april 1958 liet de journaliste afdrukken: “Just as the cold air from Canada tends to move south into the United States, American manners and mores, ignoring border formalities, sweep northward across the 3,987 miles of undefended frontier to become part of the Canadian way of life. There are not a few Canadians who wryly wonder whether some defenses should not be set up against some such invasions – specifically rock ’n’ roll.
   It didn’t take long for Canadian young people to take to blue jeans, leather jackets and ducktail haircuts, and it didn’t take long to set them rocking and rolling.
   They are still rocking and rolling at a great rate. Ottawa claims to be the capital of rock ’n’ roll, a claim which might be disputed by Toronto. Both cities gave tremendous welcomes to Elvis Presley, and Ottawa boasts of the successes of its own native son, Paul Anka, whose hits sold over two million records in the United States and the United Kingdom. When Ottawa had its large rock ’n’ roll show (the first was with Elvis) last November, the musicians and artists included Fats Domino, LaVern Baker, the Everly Brothers and The Diamonds, and 7,000 fans attended”.
   Volgens de New York Times was Ottawa de hoofdstad van de rock & roll geworden.
 
Paul Anka was niet iemand die op zijn lauweren rustte. Meteen al schreef hij liedjes voor andere artiesten. Zoals voor Buddy Holly toen die in New York in de Brevoort kwam wonen. ‘It doesn’t matter any more’, de laatste opname van Buddy vóór hij op 3 februari 1959 verongelukte, was een Anka-song.
 

 

Een interview met Billboard

 


Ren Grevatt van het vakblad Billboard publiceerde op 23 februari 1959 een interview met de inmiddels 17-jarige artiest uit Canada. In korte tijd, schreef hij, was het al de tweede keer dat hij uitgebreid aandacht aan diens loopbaan besteedde. Zoiets deed hij anders nooit. Maar Paul Anka had geweldig veel te vertellen en zoveel meegemaakt. Dat wilde hij zijn lezers niet onthouden. “Paul is terug van een nieuwe triomfantelijke overzeese invasie, deze keer uit West-Europa. De vorige keer dat we met hem spraken, zes maanden geleden, had hij een sensationele toernee in Japan achter de rug”.
   In een tijd dat popartiesten de USA nauwelijks verlieten, had de zanger van ‘Diana’ een volstrekt andere aanpak. “In minder dan twee jaar”, aldus Grevatt, “heeft Anka in vier van de vijf continenten opgetreden. Hij staat op het punt om naar Zuid-Amerika te vertrekken. Ze hebben hem in India uitgenodigd. Israel staat op het programma. Optredens in Zweden en Noorwegen zijn georganiseerd met waarschijnlijk een tussendoortje in IJsland”.
   Hoe was dat succes in vreemde landen, ver weg van de VS te verklaren? Hoe pakte Paul dat aan?
   De jonge zanger had zijn antwoord paraat. “Het zit hem vaak in kleine dingen. Je moet je best doen om het de mensen die hun geld hebben neergeteld voor je optreden naar de zin te maken. Als ik in Italië ben praat ik een beetje Italiaans. Misschien zeg ik dan wel hoe lekker ik gegeten heb in een plaatselijk restaurant. Ik praat met de mensen in het publiek. Dat is bewust een onderdeel van mijn optreden. Dat soort dingen. ‘They get the people on your side’. Tijdens mijn show in Olympia, Parijs, viel me op dat er meer volwassenen dan kids waren. In Italië idem dito. In Rome kreeg ik een staande ovatie, zowel van de ouderen als van de jeugd. Ik wist niet hoe ik moest reageren. Dus kwam ik terug op het toneel en vroeg mijn gehoor met me mee te zingen. We deden ‘Diana’ en ‘You are my destiny’. De mensen kenden ieder woord! Achtduizend mensen zongen die liedjes met me mee. What a thrill!”
   Anka had nog een tip voor de Billboard-redacteur. “Nu we het toch over Italië hebben, heb je de nieuwe plaat van Domenico Modugno al gehoord? Dat is ‘Ciao ciao bambina’ [‘Volare’]. Met die song heeft hij het San Remo-festival gewonnen. Wat een geweldig nummer. Ik heb meteen geprobeerd de rechten voor mijn eigen firma te verwerven”.
   Al op jeugdige leeftijd ontpopte Paul zich als zakenman. Grevatt: “Anka, beyond being an artist, is also a songwriter, publisher and keen observer of the current disk scene, all at the age where most kids are more concerned with the doings at the corner soda shop”.
   De wereldster was niet te stuiten. Hij gaf nog een hele lijst op van artiesten die bij hem favoriet waren of die het volgens hem gingen maken. “Take Bobby Darin. He can sing just about anything. He’s got a great talent I think. But I have quite a list. There’s Connie Francis, Jimmy Rodgers, Frankie Avalon, Clyde McPhatter, Andy Williams, the Everly Brothers, and Fabian. Everyone of them have a likeable commercial appeal. I think they can all stand on their own anytime”. Maar zijn grote favoriet op dat moment was Perry Como.
   In het interview in Billboard gaf Paul Anka nog een nieuwe draai aan zijn eerste plaatopname. “In Ottawa las ik de Billboard. Ik vond er een advertentie van Modern Records, weet je wel, het label dat door meneer Bihari gerund wordt. Er stond een telefoonnummer bij. Voor de grap heb ik toen gebeld. Toen ik mijn oom in Californië bezocht heb ik opnamen voor Modern Records gemaakt. Zo kwam mijn eerste single tot stand”.
 

 

Een fanclub voor Paul Anka

 


De onvoorstelbare carrière van de nog zo jonge Paul Anka bleef in Nederland goeddeels onbekend. Maar zijn platen deden het geweldig. Na ‘Diana’ waren dat ondermeer ‘I love you baby’ (1957), ‘You are my destiny’, ‘Crazy Love’, ‘Midnight’, ‘All of a sudden my heart sings’ (1958), ‘Lonely Boy’, ‘Put your head on my shoulder’, ‘It’s time to cry’ (1959), ‘Puppy love’, ‘My home town’ (1960) en ‘Dance on little girl’ (1961). Allemaal eigen nummers, eigen copyrights (Spanka Music).
   Paul Anka liet zich vaak inspiren door ‘zwarte’ artiesten. Dat was bijvoorbeeld het geval met ‘You are my destiny’. “Als ik een idee had belde ik Don Costa vanuit Canada. Ik had ‘Stardust’ van Billy Ward en de Dominoes gehoord, een van de eerste rhythm & blues-platen met violen. Onmiddellijk nam ik contact op met Don. Zo’n geluid moeten wij ook hebben, liet ik hem weten. In het vliegtuig naar New York legde ik de laatste hand aan het liedje”.


 


Fanclub lidmaatschap

 


Op 21 januari 2014 kreeg ik [HK] bezoek van Floor Hazelzet. Floor zette in 1960 de Paul Anka fanclub ‘Diana’ op. Hij was op 19 januari 1945 in Den Haag geboren. Maar na het Britse bombardement van Bezuidenhout op 3 maart vluchtte het gezin naar het nabijgelegen Voorburg. Hun huisraad namen ze op een handkar mee. Floor kwam te wonen op Rembrandtlaan 27.
   Floor hield vooral van klassieke muziek. Maar toen hij zich op 12-jarige leeftijd eigenaar van een radio mocht noemen hoorde hij in het programma Arbeidsvitaminen de muziek van Johnnie Ray en Bill Haley. Later volgde radio Luxemburg met de zang van Buddy Holly en een orgelplaat: ‘Happy Organ’ van Dave ‘Baby’ Cortez.
   Humphrey van Ewijk, een kennis die in Amsterdam woonde, begon een fanclub voor Frankie Avalon. Zoiets leek Floor wel een aardig idee, een fanclub opzetten, vertelde hij me. Samen met zijn moeder keek hij naar een ‘gat in de markt’. Van welke populaire artiest was er nog geen fanclub? Dat bleek bijvoorbeeld Paul Anka te zijn. Moeder Hazelzet zag het wel zitten. ‘Diana’ was een van haar favoriete liedjes. Zo kwam de Paul Anka fanclub ‘Diana’ in 1960 tot stand. Floor was 15 jaar en Paul Anka zelf was intussen 19 geworden.
   Op de lidmaatschapskaarten van de fanclub, die hij liet drukken, werd hij zelf als ‘president’ aangeduid. Maar de club runde hij samen met anderen. Rob Snip, die aan de overkant van de straat woonde, deed volop mee als secretaris/penningmeester. Rob kon over een echte stencilmachine beschikken. Bij Gestetner in Den Haag kochten ze foliovellen voor dat apparaat. Elke maand verscheen er een fanblad, dat zij vooral samen vol schreven.
   Volgens Floor was het in 1960 niet zo moeilijk om aan nieuwtjes over Paul Anka te komen. “In Den Haag waren veel muziekbladen in de losse verkoop. Regelmatig keek ik of er iets over Paul Anka in afgedrukt stond. In dat geval kocht ik zo’n tijdschrift, anders niet. Het waren niet alleen Nederlandse maar ook Engelse en Amerikaanse bladen”.
 

 


Fanclub op bezoek bij Artone in Haarlem, links Mieke Goudswaard, rechts Floor Hazelzet
Let op de Paul Anka-speldjes

 


Floor wist bovendien contact te leggen met platenmaatschappij Artone in Haarlem. Toen ik hem de naam John Vis noemde, wist hij meteen: “Die was het!”. Bij John Vis kon hij goed terecht, vertelde hij. “Zodra er een nieuwe single in Nederland uitgebracht werd kreeg ik die toegestuurd. Net als het nieuws over Paul Anka. Artone deed er altijd ook andere platen van het platenbedrijf in de Kruisstraat bij. De single ‘Lonely Boy’ hadden ze van rood vinyl geperst weet ik nog goed. De platen die we op die manier ontvingen konden we gebruiken om onder de leden van de fanclub te verloten. Dat deden we door middel van een prijsvraag in het fanblad”.
   Floor benaderde Artone of die ook financieel wilde meedoen. Zo ver wilde de platenmaatschappij niet gaan. Maar op instigatie van John Vis reisde Floor in zijn eentje per trein naar Brussel. Daar hield iemand kantoor die zich de zaakwaarnemer van Paul Anka noemde. De reis was niet vergeefs. In België wist Floor een bijdrage van 250 of 300 gulden los te peuteren. En het alleenrecht voor zijn fanclub in de Benelux. Dat geld was een heel bedrag in die tijd. Mede daardoor hoefde de contributie niet meer dan 2,50 gulden per jaar te bedragen. Een briefje van 2,50 kon een nieuw lid bovendien gemakkelijk meesturen in een enveloppe. Als lid kreeg je voor dat geld niet alleen het maandblad (meestal vijf gevouwen foliovellen), de gedrukte lidmaatschapskaart, gemaakt door Repko in Voorburg, maar ook een kleurrijke speld met de beeltenis van Paul Anka.


 


  Fanclubs in Tuney Tunes
(november 1960)

 


Aan werving hoefde de fanclub, zo bleek, nauwelijks iets te doen. De naam van de fanclub, met het adres, werd in bladen als Tuney Tunes, Muziek Expres en Muziek Parade afgedrukt. Platenmaatschappij Artone maakte reclame voor de fanclub en veel enthousiaste leden deden aan mond-op-mond reclame. Bovendien kwam er een verslaggeefster van het tijdschrift Romance op bezoek en publiceerde een artikel over de Paul Anka fanclub ‘Diana’. “Op het hoogtepunt had de fanclub zo’n 250 tot 300 leden. Die kwamen niet alleen uit de nabije omgeving maar uit het hele land en zelfs uit het buitenland: Belgie, de Nederlandse Antillen en zelfs Canada. De contributie werd dan per internationale postwissel overgemaakt. Vanuit Oostende aan de Belgische kust werd een Belgische tak opgezet door het enthousiaste lid Rosa Steenbeek. Ik ben er nog eens heen geweest”.
 
Floor Hazelzet zat gewoon op school in Voorburg terwijl hij zich als president van de fanclub manifesteerde. Dat kwam zijn studieresultaten niet ten goede. Omdat hij een paar keer bleef zitten kwam hij zelfs tijdelijk op een mulo terecht, totdat hij tenslotte op het Huygens Lyceum in Voorburg belandde.
   Floor: “Door mijn werk voor de fanclub heb ik veel geleerd. Dat vond ik even belangrijk als de lessen volgen. Bovendien leerde ik allerlei mensen kennen. Eén ervan was Raymond Dobbe die op de Koningin Wilhelminalaan in Voorburg woonde bij zijn moeder en zus.
   Raymond werkte aanvankelijk voor Muziekexpres bij Paul Acket. Wegens onenigheid met Paul vertrok hij daar. Daarna zette Raymond in 1965 een eigen popblad, Teenbeat op, waarbij ik als een soort eindredacteur fungeerde. Ik weet nog dat ik maandelijks ook de drukproeven corrigeerde bij drukkerij Dico in Amsterdam-Sloterdijk. Teenbeat zag er voor die tijd fantastisch uit: het was toen het mooiste teenagertijdschrift! Helaas is Raymond Dobbe, die intussen ook producer werd van het AVRO radioprogramma ‘Tussen 10+ en 20-’ en correspondent van Billboard, aan het einde van dat jaar bij een auto-ongeluk in Halfweg om het leven gekomen. Hij had net zijn grote oude Jaguar (Mark V) voor een kleine nieuwe Triumph Herald verruild. Anders had hij misschien nog geleefd. Raymond werd niet ouder dan 27 jaar”.
   Na ruim twee jaar had Floor genoeg geleerd met het runnen van de Paul Anka-fanclub. Mieke Goudswaard uit Dordrecht, één van de actiefste leden, nam ‘Diana’ van hem over. Floor werkte daarna nog een tijd samen met Harry Brienen in Kampen, organisator van teenager-concerten in het noorden van het land. “In gebouw Van der Heem in Den Haag organiseerde ik nog eens een teenagerconcert voor een goed doel met onder meer een optreden van de Jumping Jewels. Op het laatste moment lieten ze het afweten. Ik wist ervoor te zorgen dat ik goede vervangers kreeg van het impresariaat Brienen, die minstens evenveel succes hadden”.
   Floor kwam goed terecht in het leven. Evenals Paul Anka wilde hij het liefst journalist worden. Toen hij uit dienst kwam waren er echter veel gegadigden voor de School voor de journalistiek in Utrecht, die net begon. Alleen een handjevol studenten werd aangenomen. Omdat Floor daar niet bij hoorde ging hij politicologie en planologie bij de UvA in Amsterdam studeren. Als bestuurskundige kwam hij daarna in diverse functies bij de overheid. Floor woont tegenwoordig in de omgeving van het Franse Aix-en-Provence, in de buurt van de Middellandse Zee.
   Heb je Paul Anka wel eens ontmoet, vroeg ik hem. Ben je naar één van zijn concerten geweest?
   Dat was niet het geval, hoorde ik. Nog steeds heeft klassieke muziek eigenlijk zijn voorkeur.
 

 

Floor Hazelzet, januari 2014

 

 

Paul Anka tiener-idool af

 

 
Evenals Floor gooide ook Paul Anka het roer om. De zanger kwam tot het inzicht dat je waarschijnlijk niet zo lang een idool voor teenagers zou kunnen blijven. Hij bekeek, lijkt het, zijn carrière nogal uit zakelijk oogpunt. Tijd dus om andere activiteiten op te zetten, de basis van bestaan te verbreden. Op 20-jarige leeftijd manifesteerde hij zich bijvoorbeeld als entertainer in de Copacabana te New York.
   Paul Anka ontpopte zich als acteur in speelfilms. In het begin waren dat, achteraf gezien, nog wel eens niemendalletjes. Maar in 1962 baarde hij toch opzien met zijn rol in ‘The Longest Day’, over de verovering door de Amerikanen van de kusten van Normandië in 1944. John Wayne, Henry Fonda, Richard Burton en Sean Connery waren van de partij, maar ook Fabian (Forte) en Tommy Sands.
   Misschien wel dankzij zijn zakelijk inzicht wist Anka zelfs de British Invasion van 1964 te overleven. Dat geluk was niet weggelegd voor de meeste grote tienersterren van weleer. Die werden weggevaagd, hij niet. Paul Anka zei het zo: “I had enough credentials to break away from the pack. Other singers were not as fortunate and their careers suffered because they did not diversify”.
    In het artikel Ottawa Citizen gaf Tony Lafaro een (te?) rooskleurig verslag van hoe het hem verging: “Anka trok zich terug in de showrooms van Las Vegas en Europa. In 1964 verhuisde hij naar Italië en nam er als zanger twaalf albums in het Italiaans op. Zijn song ‘Ogni Volta’ [‘elke keer’] verkocht meer dan vier miljoen exemplaren. Bovendien won hij de eerste prijs op het San Remo Songfestival”.
   Vast staat dat de songs van Paul Anka voor andere artiesten van doorslaggevende betekenis waren. Buddy Holly had ‘It doesn’t matter anymore’ al op de plaat gezet. Tom Jones scoorde in 1970 met ‘She’s a lady’, Donny Osmond met ‘Puppy Love’ in 1972.
   Tijdens een verblijf in Europa hoorde Anka in 1967 de song ‘Comme d’habitude’ van Claude François en Jacques Revaux. Zoals wel vaker onderhandelde hij meteen, en met succes, over de uitgave-rechten. Het verhaal gaat dat Frank Sinatra in die tijd een punt achter zijn carrière wilde zetten. Letterlijk zou hij tegen Paul gezegd hebben: “I’m quitting the business. I’m sick of it. I’m getting the hell out”.
   Paul voelde zich naar eigen zeggen gedreven om iets te doen. Midden in de nacht kwam de inspiratie. “At one o’clock I sat down at an old IBM electric typewriter and I said, ‘If Frank were writing this, what would he say?’ And I started, “And now the end is near’”...
   De aanpak van het Franse lied was veel meer dan een vertaling. Zelfs de muziek ging er flink op vooruit.
   Anka: “I called Frank in Las Vegas and said, ‘I’ve got something special for you’”.
   ‘My way’ was geboren, een van de meest gezongen nummers van de afgelopen decennia. Voor Frank Sinatra werd het zijn lijflied. Het is zo vaak uitgevoerd dat het bijna kitsch geworden is. De versie van Herman Brood (op single uitgebracht na zijn overlijden in Amsterdam) haalde de bovenste plaats in de top 40. Bij menige uitvaart ontbrak ‘My Way’ niet. Het is moeilijk er nu nog iets van te vinden.
 

 


Paul Anka en Frank Sinatra

 
Achteraf is het onvoorstelbaar hoeveel hits Paul Anka in de jaren kort na 1957 heeft kunnen maken. Het ging maar door, hit na hit en vrijwel allemaal eigen songs. Waarom schrijft iemand het ene sterke nummer na het andere? En waarom houdt dat van het ene moment op het andere ook weer op? Dat gold ook voor Paul Anka. Nog één keer kwam hij met zo’n eigen nummer. Dat was “Having my baby’ in 1974, een duet met Odia Coates. Anka voelde zich geïnspireerd omdat zijn vrouw Anne, dochter van een Libanese diplomaat met wie hij op het vliegeveld Orly bij Parijs trouwde, in verwachting was.
 

 

Paul Anka kijkt terug op zijn hits als idool

 


Hoe kunnen we nu terugkijken op die creatieve periode toen Paul Anka zo’n toonaangevende rol in de hitlijsten speelde? In 1974 praatte hij er tijdens een interview met Greg Shaw openlijk over. De journalist vroeg hem of hij nog positief kon denken over die oude tienerliedjes.
   Uit de mond van Paul Anka tekende Greg op: “Yeah, I do. For awhile I didn’t, around 1966, 1967, that period when everybody was saying that stuff was old fashioned, I believed them. But now I’ve come to respect them again. You have to. Sure it was primitive; the technology, the conditions we worked under. You had so many hours to finish a song, and that was it.
   You couldn’t take months like they do today, bring in all the top session guys and so on. You had to do it, and do it right. But that very pressure brought out the best in a lot of people. There were some real geniuses in those days, and you’ve got to give them credit. Those records, not just mine but a lot of the stuff that came out in that era, were forgotten for awhile, but now a whole new generation is discovering how good they were”.
   Paul Anka gaf nog een mooi inkijkje in de muziekbusiness van rond 1960. “There was something very special that happened there, in the late Fifties, early Sixties. It was a new business; the old was on its way out, and the people who were building the music business as we know it today, we all had something in common. There was some kind of force, driving us all on; it was almost like watching a child come forth. There weren’t that many and we all knew each other – the publishers, the managers, the producers, the artists, it was like we were all part of a cast, like somebody somewhere said ‘Okay, let’s get about 1,000 people and start a thing called the music business’.
   It was a real phenomenon, and we could all feel it happening. I think that whole atmosphere brought out heights of creativity in everybody”.
 
Harry Knipschild
29 januari 2014

Clips
* Perry Como-show met de Platters na bijna 24 minuten, The Great Pretender, 1956
* Cadets, Stranded in the jungle, 1956
* Paul Anka, Blau wile deveest fontaine, 1956
Paul Anka, Diana, 1957
* Paul Anka, Time to cry (film Girls Town), 1959
* Paul Anka in Finland, 1959 
* Paul Anka in Italië, Ogni Volta, 1965
* Claude François, Comme d'habitude, 1967
* Tom Jones, She's a lady, 1971
* Donny Osmond, Puppy Love
* Paul Anka introduceert 'It doesn't matter anymore', 2003
     
Literatuur
 
Skip Voogd, ‘Paul Anka: ‘Ik heb een nieuwe neus’, Tuney Tunes, november 1960
Tania Long, ‘Canada. Rocking at a great rate’, New York Times, 20 april 1958
Ren Grevatt, ‘On the Beat’, Billboard, 23 februari 1959
Arnold Shaw, ‘We’re so young and they’re so old’, in Arnold Shaw, The Rockin’ Fifties, New York 1974
Greg Shaw, ‘The rebirth of Paul Anka’, Phonograph Record, 1 september 1974
Tony Lofaro, ‘Paul Anka doesn’t live here anymore’, Ottawa Citizen, 10 maart 2000