In een recent artikel maakte Hans van Liempt, oprichter van de Brabantse popgroep de Shuffles duidelijk, dat hij voor het eerst door popmuziek gegrepen werd toen hij rond 1960 de Amerikaanse legerzender AFN ontdekte. “Er ging een nieuwe wereld voor me open, vertelde hij later aan Peet Kappen. Ineens kon hij de nieuwste country & western hits uit Amerika beluisteren. Hans noemde namen als Jim Reeves en Marty Robbins.
   Ook ik [HK] stemde in die tijd op mijn kamer (Waldeck Pyrmontstraat 2, Maastricht) af op de ‘American Forces Network in Germany’. Mede onder invloed van dat radiostation ging ik me interesseren voor de actuele country-hits van dat moment. Zo ontwikkelde ik mijn smaak. Mijn favorieten in die tijd waren die van Van Liempt maar ook bijvoorbeeld George Jones, Patsy Cline, Bill Anderson, Bonnie Owens, Buck Owens, Don Gibson, Hank Locklin, Hank Snow, Andy Doll, Stonewall Jackson, Johnny Horton, Floyd Cramer, Kitty Wells, Faron Young, noem maar op.

 

Patsy Cline

 
Toen ik in 1962 naar Utrecht verkaste kwam ik in contact met de Dutch Stickbuddy Club. Voorzitter was Jo Eummelen, die in Eindhoven woonde. Op enkele avonden van de club maakte ik kennis met meer traditionele country, muziek van de Carter Family, Stanley Brothers, Jimmie Rodgers, Hank Williams, Bill Monroe en Lester Flatt & Earl Scruggs. De mensen die op dat soort bijeenkomsten kwamen waren voor mijn gevoel brave huisvaders en -moeders. Aardige mensen. Ik stond open voor hun muzikale ideeën, maar zij niet voor voor de nieuwe muziek, meen ik me een halve eeuw later nog goed te herinneren.
   Toch gaven ze mij de kans om in hun blad Hillbilly Hayride artikelen te schrijven. Maar als ik in hun ogen te ver ging aaarzelden ze niet hun eigen muzikale standpunt nadrukkelijk aan de orde te stellen.

 

Lester Flatt (gitaar) & Earl Scruggs (banjo)

 
Ook in andere bladen publiceerde ik over country & western-muziek. Zoals in het blad Hitwezen op 31 oktober 1964:
 

Spotlight on Country Music

 
“Hoog in de country & western hitparade van het ogenblik staat George Jones. George is de oorspronkelijke uitvoerende zanger van het welbekende ‘Tender Years’ dat hij in 1961 opnam. Een jaar geleden kwam er plotseling weer belangstelling voor deze wals-ballad, dit dank zij Brook Benton en Johnny Halliday. De versie van Johnny Halliday werd in ons land zo bekend dat ook Willeke Alberti ‘Tender Years op de plaat vastlegde. In een Nederlandse versie natuurlijk. De titel werd toen ‘Spiegelbeeld’ en nu weet iedereen meteen over welke grandioze melodie ik het heb. George Jones heeft overigens niet over belangstelling te klagen want zijn versie van ‘Tender Years’ werd in de States ook zeer goed verkocht en het was een van de meest populaire country & western platen van 1961.
   Maar nu staat hij dan in de C & W-hitparade met zijn nieuwste: ‘The Race is on’. Hij klom deze week van 15 naar 7 en dat belooft een grote country hit voor mr. Jones. Ook de vaste begeleiders van George Jones, de Jones’ Boys, hebben nu een LP opgenomen. Instrumentaal brengen zij tal van grote hits uit de carrière van de grote George.
 
Country and western is weliswaar niet hetzelfde als folk music, maar liefhebbers van het een houden meestal ook van het andere. En ze zijn uiteindelijk wel verwant, die twee genres. De liefhebbers van folk music kwamen op 13 oktober j.l. ruimschoots aan hun trekken, toen de NCRV-televisie een gedeelte uitzond van een echte Amerikaanse hootenanny. We zagen in dit programma de bekende Rooftop Singers die hun grote hit ‘Tomcat’ brachten, helaas iets te gewrongen; op de langspeelplaat ‘Walk Right In’ hebben we hun beter aan het werk gezien en gehoord.
   Heel goed voor de dag kwam het Chad Mitchell trio, een paar jaar geleden op de hitparade met ‘Lizzie Borden’. Hun grote hit brachten ze niet maar met ‘Mighty Day’ en ‘You can tell the world’ toonden ze toch weer hun grote klasse op het terrein van de folk music. Onbekend was voor mij Nancy Ames, maar nu ik haar op de televisie gezien heb, zal ik haar naam niet meer vergeten. Met eigen gitaarbegeleiding en helemaal alleen kwam zij tot grootse dingen. Het zou mij verbazen als we van Nancy Ames in de toekomst niet meer gaan horen.
   In elk geval hebben de folk-liefhebbers kunnen genieten van een programma van de bovenste plank; het tempo waar alles afgewerkt mee werd was enorm en een dergelijke show kan dan ook alleen bij de Amerikaanse t.v. gemaakt worden. Jammer alleen, dat de NCRV voortijdig ging afknijpen. Maar dat nemen we wel op de koop toe.
 
Nummer een op de country and western-hitparade staat op het ogenblik de nieuwe van Buck Owens, ‘I don’t care’. Daarmee is dat dan de zoveelste plaat in successie waarmee Buck Owens de top gehaald heeft. Deze keer ging het iets moeilijker dan bij zijn vorige hits, op de eerste plaats omdat Jim Reeves zo populair is op het ogenblik, en op de tweede plaats omdat het uiteindelijk de minder verzorgde achterkant is geworden die het ging doen. Maar de Buck Owens-fans kan dat blijkbaar niet schelen en ‘I don’t care’ staat dus op nummer een.

 

Buck Owens

 
Nummer twee is dan Jim Reeves’ ‘I guess I’m crazy’ die na 15 weken aan de aftocht begonnen is. Ook in Nederland is Jim’s USA country-hit nu verschenen op RCA 47-8383 en dat zal zijn vele fans hoogstwaarschijnlijk plezier doen. Het is een uitstekende plaat in de bekende ‘I can’t stop loving you’-stijl. Niet zo goed echter als zijn twee grote Europese hits.
 
Op de derde plaats de eigenaardige nieuwe van Roger Miller: ‘Chug-a-lug’. Er zit nogal wat rhythm & blues vermengd met country and western-ritme van dit plaatje en misschien daarom is het ook een pop-hit geworden. Er werd zelfs gefluisterd dat het wel eens een ode aan Chuck Berry kon zijn, en dat kan inderdaad. Er zit een waar Detroit-ritme in, wat overigens niets wil zeggen want Chuck komt niet uit Detroit. Maar Roger Miller slaat weer in en terecht. Want wij vinden ‘Chug-a-lug’ weer geslaagd”.
 

***

 
In 1965 schreef ik een aantal artikelen voor het blad Tuney Tunes, dat Paul Achet van uitgever Van Haaren overgenomen had. In onderstaand artikel (september) probeerde ik een verband te leggen tussen pop- en country-muziek.
 

Del Shannon & ‘pop’

 
“De Europese country & western liefhebbers zijn altijd erg ‘conservatief’ geweest. Ze vinden hun idolen vaak alleen maar goed als ze muziek maken op de klassieke manier d.w.z. op de manier van hun voorvaderen en met de instrumenten van hun voorvaderen. Dat is altijd goed gegaan totdat in 1956 de rock & roll begon door te breken. Sam Phillips ontdekte toen dat je door voor een stevige begeleiding te zorgen en wat af te wijken van wat traditioneel is i.p.v. 100.000 stuks precies tienmaal zo veel kunt verkopen. Andere heren voegden met ongeveer hetzelfde resultaat strijkers en zoemkoortje in.
   Diverse bekende C&W zangers zijn ‘er in getrapt’ en werden ondanks verguizingen van hun oude fans steenrijk. Jim Reeves, Marty Robbins, Johnny Cash e.a. U kent ze. Hun muziek is nu het eigendom van een miljoenenpubliek behalve enkele duizenden die desnoods platen van de Beatles kopen maar niet van Jim Reeves omdat hij zo kommercieel geworden is.
   Ook het omgekeerde komt voor, maar niet zo veel. Toch zijn er ‘pop’-artiesten die het af en toe in de richting van de country & western zoeken. Vooral de firma MGM heeft zich daarin gespecialiseerd: Connie Francis, Johnny Tillotson e.a. hebben zich soms een popcountry stijl aangemeten, ook weer met violen en koortjes – op het suikerzoete af.

 

Er is één figuur die ik hier speciaal speciaal wil noemen nl. Del Shannon. Normaal zoekt Del het in de richting van fikse rock & roll en de meeste TT lezers zullen platen als ‘Keep Searching’, ‘Runaway’, ‘Swiss Maid’ en Break Up’ wel niet onbekend zijn. Maar Del Shannon wilde bewijzen dat hij meer kan dan alleen rock & roll. Hij heeft het gedaan!
   Een hele LP vol heeft hij gezongen met country & western van het zuiverste water – met de typische begeleiding, de kopgeluiden die hij met een verbluffend gemak neemt; kortom dit is iets wat je moet horen. Iedereen die het hoort gelooft eerst niet dat het Del is, maar als hij de stem heeft herkend is hij razend enthousiast.
   Zelden heeft een popzanger zóveel veelzijdigheid aan de dag gelegd als Del Shannon op de elpee ‘Del Shannon sings Hank Williams’ (Stateside SL 10.130). Tevens is deze LP het bewijs dat country & western ‘reële’ muziek is en niet alleen in besloten gelederen hoeft te blijven.
   Del Shannon, dank je voor je medewerking aan de verbreiding van goede country muziek!”
 

***

 
In november 1966 schreef ik weer eens voor de Hillbilly Hayride:
 

Country & Western in de pop-wereld

 
“Pop-muziek is afhankelijk van twee belangrijke stromingen. De eerste is de negroïde, de rhythm & blues, tegenwoordig vaak ‘soul’ genoemd. De tweede is zuiver blank en heet country & western flavour. De c&w flavour is nauw verwant met de ‘Nashville Sound’, het technisch eindprodukt van een geluid, ontwikkeld door Anita Kerr en Chet Atkins en toegepast in bv. alle platen van Jim Reeves, Hank Locklin en (momenteel vooral) Eddy Arnold.

 

Eddy Christiani en Chet Atkins

 
In tegenstelling tot pakweg 5 jaar geleden is de pop-sound veel meer de negroïde kant opgegaan; dat komt vooral omdat de beatjongens hun volledige repertoire overgenomen hebben uit of in elk geval geïnspireerd hebben op dat van de grote r&b artiesten. Met pop-sound bedoel ik dan alleen de tienermuziek, die op dit moment niets meer met c&w te maken heeft.
 
In tienerprogramma’s hoor je hier in Europa dan ook vrijwel geen c&w meer, uitgezonderd ‘Distant drums’ van Jim Reeves, ‘The last thing on my mind’ van Hank Locklin en Iers-getitinte muziekjes zoals ‘Off to Dublin in the green’.
 
Anders is de situatie in de ‘betere’ Amerikaanse muziek, waar het nog steeds en vogue is ‘ouwe kerels’ te laten begeleiden door Kerr-achtige koortjes en strijkers op de bekende manier. Speciaal Dean Martin heeft zich op dit gebied als een specialist ontpopt, in de goede zin van het woord, zoals hij op stapels platen en in zijn 14-daagse tv-show demonstreert.
 
Als je evenwel de Amerikaanse vakbladen leest, lijkt het alsof de muziekwereld voor 99 % uit country-invloeden bestaat. Billboard heeft nu een c&w-single-hitparade met 75 nummers, terwijl de r&b-hitparade slechts uit 50 nummers bestaat. Van die 75 c&w-nummers staan er misschien 5 in de hot-100, van de r&b-songs minstens 20! Van de andere kant is het opvallend hoeveel mensen zich in advertenties c&w-artiest noemen. Al Hirt bv. en Boots Randolph. Dat zal beslist geld in het laatje brengen, anders zouden ze die onzin wel laten. Waarmee ik natuurlijk niet wil zeggen dat die artiesten niet goed zijn! Al Hirt bv. was voor mij een van de allergrootsten op het laatste GGdD, maar van country-muziek heb ik niets gemerkt.
 
Het valt mij in c&w-bladen altijd op dat er minachtend gepraat wordt over c&w-artiesten die op de kommerciële toer zijn gaan werken. Alsof ze ineens slechter zijn geworden omdat ze hun muziek bereikbaar hebben gemaakt voor een groter publiek. De groei van de c&w zou er beslist mee gediend zijn als de country-sound wat dichter bij de pop-sound zou komen. Je kunt je nu eenmaal niet in een torentje opsluiten zoals de jazz-liefhebbers dat al jaren doen met alle gevolgen van dien.
  
Op de een of andere manier zal de c&w zich van binnenuit moeten vernieuwen en opnieuw aansluiting moeten zoeken bij de mensen van de hitparade. Het moet mij inderdaad van het hart dat er in de country & western-wereld weinig of niets gebeurt (op wat dodelijke ongelukken na), dat nieuw talent weinig kansen geboden wordt en dat de muziek weinig ontwikkeling doormaakt. Een hit van Buck Owens van nu verschilt niet essentieel van een van een paar jaar terug, wat in schrille tegenstelling staat tot bv. de opnamen van de Beatles. Een publiek dat juist nu steeds naar nieuwe geluiden zoekt, zal daarvan weinig in de c&w vinden.
 
De c&w-liefhebbers sluiten zich teveel op in het bekende torentje. We mogen enorm blij zijn dat elke omroep zijn eigen country-programma heeft, maar het is minstens even belangrijk voor de verbreiding van de c&w dat in de gewone programma’s c&w-platen gedraaid worden. Wat dat laatste betreft is er beslist sprake van een grote achteruitgang. Er moet in dat opzicht iets gebeuren. Verder lijkt het me ook geen pro voor de country-muziek als je naar de tv kijkt en gouverneur Wallace zich op zijn publiciteitskampagnes voor rassenscheiding laat begeleiden door c&w bands. Alsof er verband zou zijn! (dat laatste even een losse opmerking).
 
Alles bij elkaar zou ik willen zeggen dat de country- en pop-wereld van elkaar aan het vervreemden zijn. Natuurlijk zijn er (vooral hier in Nederland) heel wat mensen die het enorm zouden toejuichen, maar de populariteit van de c&w zou het enorm goed doen als er eens een frisse wind ging waaien en er nieuwe geluiden zouden komen, die inspiratie zouden zijn voor de liefhebbers van popmuziek in het algemeen”.
 

***

 
In het zelfde nummer van Hillbilly Hayride reageerde de Dutch Stickbuddy Club:
 

Reaktie van de redaktie

 
“Country & Western-muziek, tenminste de c&w, die wij in ons blad beogen, is wellicht het beste te vergelijken met klassieke muziek. Beide soorten zijn vóór ons tijdperk ontstaan en vormen nu een vrijwel afgesloten geheel. C&W is ontstaan uit de volksmuziek, die is gegroeid in de verschillende levensgemeenschappen in Amerika: de cowboys, de bergbewoners, de spoorwegarbeiders en noem maar op. Met de verbetering van de kommunikatie zijn de diverse soorten volksmuziek van deze verschillende groepen samengevloeid en samengevoegd en gevangen onder de noemer ‘Country & Western’.
  
Nu die gemeenschappen in de maatschappij zijn opgelost, kan deze muziek niet verder meer groeien! In wezen is het tijdperk der echte, natuurlijke c&w-muziek in de jaren 1930-1940 afgesloten en is men van toen af begonnen met het kreëren van muziek, gebaseerd op deze oorspronkelijke verzameling volksmuziek. Lange tijd was de kommercie van slechts weinig invloed op deze muziek en bleef de c&w het eigendom van een groep artiesten, die meestal in persoonlijke relatie stonden met de streken, waaruit de c&w stamt. De muziek bleef dus vrij puur.

 

Met de toenemende invloed van de kommercie echter begon men steeds andere varianten op de c&w-muziek te bedenken. Deze varianten werden dan aan het publiek voorgeschoteld als c&w, maar waren dat vaak al niet of nauwelijks meer. Voorbeelden uit de jaren ’50 zijn bv. de produkten van Elvis Presley en de Everly Brothers. Thans zijn we opnieuw zover dat vele zgn. c&w zich niet meer onderscheidt van gewone pop-muziek.
 
Onze stelling luidt: Country & Western-muziek is in wezen niet te veranderen. Een muzikale gevoelsuiting van een levensgemeenschap kan niet veranderd worden buiten die gemeenschap! Om onze vergelijking weer op te nemen: Ludwig van Beethoven kan zijn 5e piano-koncert niet herschrijven voor het repertoire van de Motions. Als Rob van Leeuwen van de Motions er een bewerking van maakt, is het geen klassieke muziek meer! Derhalve is de moderne c&w-muziek en zeker pop-country in feite geen Country & Western muziek meer in de goede zin van het woord!
 
De muziek, die geënt is op c&w-muziek, maar waarbij met zangkoortjes, elektrische gitaren, drums, trompetten etc. wordt gewerkt, noemen we ‘moderne’ c&w. Deze muziek is meestal nog wel zo verschillend van pop-muziek, dat wij het als een soort c&w kunnen accepteren. Maar het dreigt toch zover te hellen naar pop-muziek, dat we niet anders kunnen dan zeer kritisch zijn, willen we grond onder de voeten houden.
 
Pop-country is normale pop-muziek, maar er zijn nog enkele nietszeggende relaties met de c&w: de artiest, komponist of producer kan vroeger in de c&w-business verkeerd hebben, melodie of tekst kunnen niet uit het c&w-repertoire stammen.
 
Net zo min als in de klassieke muziek-wereld, gebeurt er in de c&w-wereld eigenlijk veel, althans, het genre verandert op zichzelf niet. Wel worden aan de verzameling uitvoeringen steeds nieuwe (en soms betere) toegevoegd. Voor de c&w-liefhebber is elke goede plaat een thrill.
 
De huidige c&w-business is in wezen voor een groot deel een farce. C&W-muziek is in feite toch heel wat anders dan de kommerciële gewetenloze kitsch, die tegenwoordig onder de naam country & western de studio’s uitstroomt. Dit dient slechts om een nog grotere stroom dollars terug te laten komen!
 
In ons blad doen we ons best te wijzen op de echte, autochtone c&w-muziek. We trachten de moderne c&w zo positief mogelijk te benaderen, maar zullen steeds aan de kaak stellen die artiesten, maatschappijen etc., die de naam ‘country & western-muziek’ misbruiken. De aard van de country & western-muziek is wezenlijk anders dan die van de pop-muziek in al haar schakeringen.
 
Wij willen laten blijken dat we niet erg happy zijn met de ideeën van de huidige platenproducers, welke ideeën maar al te identiek zijn met die van Harry Knipschilds artikel!”

 
***

 

 
Aan het einde van de jaren zestig kwam er een nieuwe stroming. Misschien begon die wel met ‘Sweetheart of the Rodeo’ van de Byrds (1968, met Gram Parsons). Daarna kwamen onder meer de de Dillard & Clark Expedition (1968), Flying Burrito Brothers (1969) en vooral de Eagles (1971) die dankzij ‘Hotel California’ de absolute wereldtop bereikten, onnoemelijk veel albums deden verkopen en anno nu nog steeds bereid zijn om (voor veel geld) op te treden.

 

Buck Owens en Bert Bossink (1990)

 
Met veel dank aan Bert Bossink die er steeds in slaagt oude artikelen weer boven water te halen. Bert schreef me afgelopen week over zijn ontmoeting met Buck Owens in 1990.
   Bert: “Het was een speciale wens van mij om Buck te ontmoeten. Vanaf 1966 had ik met hem gecorrespondeerd. Er mochten toen maar tien personen in de kleedkamer komen en ik heb zeker vijftien minuten met hem kunnen spreken. Hij vond het geweldig, vertelde hij, te ontdekken dat de Beatles fan van hem waren. Zijn management stuurde toen iedere nieuwe LP van Buck naar de Beatles via Brian Epstein (NEMS Enterprises) en later zijn broer Clive. Brian en Clive stuurden iedere nieuwe Beatles album naar Buck Owens in Bakersfield, Californië. In 1989 namen Ringo Starr en Owens samen ‘Act Naturally’ op.
   Buck Owens vertelde me bovendien dat hij in 1957 rock-artiestern als Gene Vincent en Eddie Cochran op gitaar begeleid had”.
  
Harry Knipschild
23 januari 2014

Clips

* Chet Atkins, Mr Sandman
* Don Gibson, Lonesome number one
* Lester Flatt & Earl Scruggs, Foggy Mountain Breakdown 
* Patsy Cline, I fall to pieces
* Faron Young, Sweet Dreams
* Del Shannon, Rambling Man, 1965
* Buck Owens Show
* Bonnie Owens, Somewhere between
* Byrds, You ain't going nowhere, 1968
* Everly Brothers, Mama Tried