Zoeken

 
Als je regelmatig een radioprogramma maakt, weet ik uit ervaring, krijg je verzoekjes. Draai dat en dat nummer eens, besteed eens wat aandacht aan die artiest of groep. Zo gaat het eveneens als je over allerlei onderwerpen of personen uit de geschiedenis van de popmuziek schrijft. Het is echter makkelijker een liedje in een uitzending te plaatsen dan een aardig verhaal te schrijven.
   Proberen kan geen kwaad. Recentelijk spoorde mijn broer Paul (geb. 18 september 1946, Maastricht) me aan Gerry Rafferty (1947-2011) op deze site voor het voetlicht te brengen.
 

Oh, wat een mooie plaat

 
Rafferty werd in het Schotse Paisley geboren op 16 april 1947, een half jaar na mijn broer dus. Als je tegenwoordig op het internet kijkt lees je dat Gerry’s vader een meer dan stevige drinker was. En dat zijn moeder hem naar folksongs leerde luisteren.
   Een van de eerste Nederlanders die behoorlijk positief schreef over de Schotse zanger en liedjesschrijver was Jan Donkers. In 1971 bracht de kleine Britse platenmaatschappij Transatlantic een album van de nog nauwelijks bekende Gerry Rafferty uit. In het blad Aloha liet Donkers zich in superlatieven uit over ‘Can I have my money back?’. Alleen de kop van de recensie al: “Oh, wat een mooie plaat”, sprak boekdelen.
 

 
Jan wist dat de artiest al eerder platen gemaakt had als de helft van een duo. “De Humblebums was een van die groepen waarvan je bijna nooit iets hoorde, tot er weer eens een plaat van ze verscheen die je deed afvragen waarom die jongens niet bekender werden. Dat waarom bleek achteraf eigenlijk tamelijk duidelijk: het was een vrij schizoide duo en men hoeft beide lp’s nog maar eens te beluisteren om dat te kunnen beamen.
   Billy Connolly schreef grappige, folky en soms wat cabaret-achtige nummers en zong die zelf, Gerry Rafferty weemoedige dromerige liedjes en zong die óók zelf, met zijn indrukwekkend mooie stem, die tot vervelens toe met die van Paul McCartney werd vergeleken. Tot een echte integratie van beider inbreng kwam het nooit, en achteraf bleken het onveranderlijk Rafferty’s prestaties te zijn die bij de meeste liefhebbers bleven hangen.
   Van de eerste lp vooral ‘Please sing a song for us’, ‘Rick Rack’ en niet te vergeten ‘Her father didn’t like me anyway’, een van de weemoedigste introverte ballades ooit geschreven; van de tweede lp vooral een nummer als ‘Song for Simon’ en ‘I can’t stop now’, ook weer nummers met diezelfde kwaliteit, werk van een lieve jongen uit Schotland met een erg romantische, nostalgieke inslag.
   Weinig verwondelijk dan ook dat Gerry Rafferty’s eerste solo-lp een prachtplaat is geworden, misschien wel bewust zonder het tegenwicht van Connolly, maar het zijn nog altijd diezelfde lieve nummers die de meeste indruk maken.
   Rafferty zingt over emoties en gebeurtenissen die zo algemeen zijn als maar kan, naief gedroom dat voor iedereen dicht bij huis moet liggen; over jeugdherinneringen, liefdesverdriet, afscheid nemen, een thematiek kortom waarbij je erg gemakkelijk over de schreef kan gaan, maar zo niet Gerry Rafferty”.
   ‘Can I have my money back?’, dat Rafferty niet erg veel succes bracht, was een album met louter hoogtepunten, aldus Jan Donkers.
 

 

Stealers Wheel

 
Begin 1973 kwam er opeens die grote internationale hit van de gloednieuwe band Stealers Wheel op het A&M-label. De single ‘Stuck in the middle of you’, een song van Gerry Rafferty en Joe Egan, bereikte zowel in Engeland als Amerika de top-tien. Reden voor Jan Smeets de groep uit te nodigen op te komen treden tijdens het Pinkpop-festival.
   In die tijd vond dat plaats in Geleen. Ik [HK] ging er heen om Alquin en Colin Blunstone te zien. Toen ik kwam aanlopen hoorde ik van grote afstand de keiharde klanken van Stealers Wheel. Ik vond dat de groep het geweldig deed. Vooral ‘Late Again’ trof me. Om in de sfeer van Jan Donkers te blijven: “Wat een prachtige song!”, op de plaat uitgevoerd met een harmonium en een saxofoonsolo in het midden. Radio Veronica riep ‘Late Again’ tot alarmschijf uit. De song, opnieuw van de hand van Joe en Gerry, bereikte een vierde plaats in de top 40. Het was een echte grote hit in Nederland.
   Er waren meer mensen van de muziekindustrie aanwezig bij het nog prille Pinkpop. Eén van hen was Hans Becker van radio Veronica. In het blad van de zeezender publiceerde hij op 21 juli 1973 een interview.
   In de inleiding schreef Becker: “De single ‘Stuck in the middle with you’ van Stealers Wheel had nu niet bepaald iets van een knaller, maar om de een of andere reden bracht hij het toch nog ver in de top 40. Misschien was het de zang, met een duidelijke knipoog naar Dylan, dat het nummer zo apart maakte.
   Toen van Stealers Wheel intussen een bijzonder aardige lp verscheen en hun single ‘Late again’ alarmschijf werd, was het voor velen duidelijk dat de groep meer pretenties moest hebben dan toen algemeen werd verondersteld.
   Nieuwsgierigheid bracht me ertoe de groep eens te gaan bezoeken in Paradiso en op het Pinkpop Festival tijdens het pinksterweekeinde. Meer nog dan de muziek was ik onder de indruk van de wijze waarop de jongens zich onder elkaar gedroegen en je te woord stonden. Tussen de optredens waren ze nagenoeg altijd in elkaars nabijheid en de onderlinge kommunikatie deed vaak denken aan een diskussieklupje. Maar ook naar buiten waren Gerry, Joe, Paul, Luther, De Lisle en Rod erg innemend en vriendelijk.
   ‘Als je een interview wilt maken, dan kun je beter morgenochtend naar het hotel komen’, zei drummer Rod Coombes mij onder het rumoer van het Pinkpop, ‘dan kunnen we veel gemakkelijker praten’.
 


Pinkpop Festival 1973

 
Op een kamer van de derde verdieping in het Rotterdamse Atlanta-hotel werd ik door Rod gastvrij onthaald met de vraag of ik misschien ook trek had in een ontbijt. Onder het genot van sandwiches met gebakken ei, stukjes spek erdoor en bakken onvervalste Engelse thee, kwam het interview tot stand.
   ‘In het begin’, zei Rod, ‘hadden Gerry Rafferty en ene Billy Connolly een groep die The Humblebums heette. Billy ging weg en ook Gerry zag het niet meer zo zitten. Hij voelde eigenlijk meer voor een solokarrière en nam kontakt op met Joe Egan uit Schotland met het verzoek hem daarbij behulpzaam te zijn. Te hooi en te gras verzamelden de twee nog enkele andere musici, waaronder de gitarist Roger Brown uit North Carolina en zij maakten Gerry’s solo-lp, die overigens niet erg goed verkocht.
   Gerry was hierdoor een beetje uit het veld geslagen en zocht daarom naar musici die hem ook on the road konden begeleiden, als ondersteuning van zijn solo-bestaan. Dat bracht wel de nodige strubbelingen met zich mee want de jongens weigerden Gerry als solist te erkennen, want wie was hij tenslotte.
   Na diverse bezettingswisselingen hadden we geloof ik de goeie line-up gevonden. Dat waren Gerry als gitarist-zanger. Joe Egan die gitaar en piano speelde en zong. Paul Pilnick als gitarist en ikzelf op drums. Later voegde zich nog de bassist Tony Williams  bij ons. In deze bezetting werd vorig jaar de lp opgenomen, maar Tony Williams deed toen nogal raar. Af en toe kwam hij eens kijken in de studio, deed mee aan een paar tracks en verdween weer.
   Tussen toen en nu is er nog heel wat gebeurd in de groep. In deze bezetting bestaat Stealers Wheel pas een maand. Ik zal dat uitleggen. Na de opnamen voor de lp vond Gerry dat alles niet liep zoals hij zich dat had voorgesteld. Hij voelde zich doodongelukkig en verdween. Toen stonden wij voor het besluit er ook maar mee op te houden of door te gaan. We waren nogal entoesjast over de opnamen van het album en kozen voor het laatste.
   Gitarist Luther Grosvenor uit Spooky Tooth liet zich overhalen bij ons te komen spelen. Dat was dus de zoveelste line-up van Stealers Wheel. Het pakte allemaal erg goed uit en we hadden veel werk. We deden diverse toernees, o.a. met David Bowie en Colin Blunstone. Het verdwijnen van Gerry maakte het mogelijk onszelf in de muziek te vinden. Het had een erg positieve werking.
   Na een maand of zes kwam Gerry toevallig eens langs en op een of andere manier bleek er iets te klikken. Misschien dat we van beide kanten volwassener waren geworden. Nu precies een maand geleden is hij weer bij ons terug gekomen en het gaat uitstekend. Het werken met Gerry had destijds iets frustrerends. Hij zag zichzelf steeds als de solo-artiest, als de leider van de groep en dat bracht de nodige wrijvingen met zich mee. We hebben het nu eens helemaal uitgepraat en we zijn nu hechter met elkaar dan ooit”.
 


Rod Coombes (Paradiso, foto Hans Becker 1973)

 
Coombes keek terug op Pinkpop. “We zijn nu vier dagen in Nederland en het is ons prima bevallen. Het publiek is hier minder gereserveerd dan we verwacht hadden. Het prettigst hebben we gewerkt in Americain in Dordrecht en Tin Pan Alley in Emmen. Pinkpop in Geleen viel ons een beetje tegen. Ik weet niet wie dat zo geregeld heeft, maar we waren de eerste act en dat had nogal invloed op de stemming, zowel bij de groep als bij het publiek. De sfeer ontbrak een beetje. Men had beter een groep als Fairport Convention in het begin kunnen zetten. Die zijn er aan gewend de boel een beetje los te maken. Jullie eigen groep Alquin vond ik trouwens te gek. Maar ach, wat geeft het. Het weer was goed en dat is toch het belangrijkste bij een open lucht-festijn”.
   Samenwerken met Rafferty, bleek, verliep niet altijd zonder horten of stoten. Joe Egan moest zelfs de zang van de hit ‘Stuck in the middle of you’ op tv playbacken omdat Gerry er geen zin in had.
  
Niet alleen bij de solo-plaat van Gerry Rafferty, ook als gepraat werd over Stealers Wheel werd al snel een band met de Beatles uit Liverpool gelegd.
   Gitarist Paul Pilnick: “Ik was een jaar of 18 toen ik pas met muziek maken begon. En dat gebeurde onder invloed van, hoe kan het ook anders, The Beatles. Ik kom zelf uit Liverpool en was een regelmatig bezoeker van The Cavern. Daar heb ik The Beatles persoonlijk leren kennen. Wat zij deden, wilde ik ook wel. Ik kocht een gitaar en die nam ik toen altijd mee. In de pauzes en na het optreden ben ik bij de jongens in de kleedkamer gaan meepielen. Ik werd helemaal rock ’n roll gek en dat is zo gebleven ook. Toen ik vond dat ik het een beetje kon, heb ik met nog een paar lui een plaatselijke groep gevormd, maar vraag niet hoe.
   We waren met drie gitaristen, maar niemand van ons kon bas spelen en de drummer had niet eens een grote bass-drum, dus kan je nagaan hoe dat klonk. ‘Vince & The Volcanos’ was de naam. En kapsones dat we hadden. Op een gegeven moment hadden we een pracht van een aanbod in een hele grote zaal te spelen, maar onze apparatuur was niet toereikend. Toen bood Gerry Marsden ons aan de apparatuur van The Pacemakers [eveneens uit Liverpool] te gebruiken. We kregen zoveel goeie reakties dat het ons in de kop sloeg. Al die spullen zijn van ons, zeiden we toen en het regende aanbiedingen totdat Gerry er de lucht van kreeg en die heeft om ons te straffen, tijdens een optreden alle apparatuur achter onze kont weggesleept!”
   Vanzelfsprekend kwamen de saxofoonpartijen aan de orde. Die waren sterk bepalend geweest voor de grote hit ‘Late Again’.
   Rod Coombes: “Die zijn van Chris Mercer, een musicus die eens bij Juicy Lucy gespeeld heeft. Hij maakt zich nu verdienstelijk als sessiemuzikant”.
   De meeste leden van Stealers Wheel zaten op een kluitje bij elkaar. “Enkel en alleen gekleed in een handdoek kwam Joe Egan de kamer binnen en zei iets over een tandenborstel. Ietwat verbaasd keek hij in mijn richting. Na wat komplimenten mijnerzijds over zijn tenue, kaatste hij terug: ‘You’re the guy from Radio Veronica, huh?’
   Joe liet de tandenborstel voor wat-ie was en ging even zitten om iets over zichzelf te vertellen. ‘Ik speel piano, gitaar en ik zing bij Stealers Wheel. Dit doe ik al vanaf het begin van de groep, bijna twee jaar geleden. Daarvoor zat ik bij diverse onbekende groepjes in Glasgow, waar ik vandaan kom. Hoofdzakelijk in de tijd die ik op school doorbracht. Nu zit ik dus bij Stealers Wheel en het bevalt me goed. Ik schrijf teksten en ik komponeer, samen met Gerry Rafferty.
   Het fijnste nummer van de lp vind ik ‘Late again’ en de song die mijn gevoelens het beste weergeeft is ‘Gets so lonely’. Het wekt bij mij gevoelens van isolement op en daaruit is het nummer ook voortgekomen. Ik voel me weleens geïsoleerd, weet je, maar dat heeft niets met de groep te maken. Dat zit ergens diep in me’.
   Verder kwamen we niet, want een telefoontje van beneden liet de heren weten dat de taxi’s voor het vliegveld al klaar stonden. In allerijl werden de spullen bij elkaar gezocht en schoof het gezelschap de lift in. Beneden ving ik nog een glimp op van Gerry Rafferty en Luther Grosvenor. Jammer, graag had ik ook met hen even gepraat”, aldus Hans Becker.
 

 

Jip Golsteijn laat Gerry Rafferty aan het woord

 
In tegenstelling tot Hans Becker slaagde Jip Golsteijn er in Gerry Rafferty te spreken te krijgen. Het duurde even voor de Schot op stoom kwam, liet de popjournalist van de Telegraaf zijn lezers weten. “Tijdens het Chinees eten heeft hij me, na een korte begroeting vooraf, slechts af en toe argwanend bekeken en tijdens het eerste kwartier van het interview – later die avond en nacht in de achterkamer van mijn stamcafé – deed hij zijn reputatie van zichzelf en zijn omgeving in de weg levend Schots genie alle eer aan. Antwoorden van drie woorden wisselden stug schouderophalen en het zich beroepen op een ‘taalbarrière’ af. Tot het hem duidelijk werd dat het me niet alleen ernst was met het interview, maar dat ik ook van plan was er alle tijd voor te nemen die nodig zou blijken te zijn, al zou ik hem de volgende dag in een wegrijdend vliegtuig moeten zetten.
   Beetje bij beetje kwam hij los en op het laatst hield hij lange monologen op de voor hem karakteristieke binnensmonds mompelende manier, van tijd tot tijd een ferme teug nemend van zijn whisky die hij met steeds minder water aanlengde”.
   Het drinken van whisky was geen toeval. “Alcohol is een volksziekte bij ons. Elke vorm van idealisme begint in Schotland bij drankbestrijding. De werkende stand vlucht in drank, dat is al sinds mensenheugenis zo, want het feit wordt in elke eeuwenoude ballade gememoreerd. Het is de enige kans voor de arbeider om de ellende te vergeten. Wij maken jong met drank kennis en popmusici, de spreekbuizen van de arbeidersklasse, komen er helemaal nooit meer van los”.
 
Golsteijn kwam er achter waarom het niet gemakkelijk was Gerry Rafferty te interviewen.
   “Ik ben niet echt onwillig om te praten, ik ben alleen ijselijk verlegen. Als kind al. Nee, ik was absoluut geen geboren performer. Ik stond eerder overal buiten. Tot ik op mijn dertiende mijn eerste gitaar kreeg en voor het eerst bleek dat ik iets beter kon dan andere kinderen. Andere kinderen met een gitaar hadden geen schijntje van de intensiteit die mij beving als ik het ding ter hand nam. En omdat die niet gepaard ging met enige verbale begaafdheid ervoeren velen mij als gluiperig. Ik kan me nog altijd moeilijk uiten in een gesprek.
   In feite heb ik maar één manier van communiceren: muzikaal. Dat is tekenend voor mijn karakter. Het gaat het beste in eenrichtingsverkeer. Er komt nog iets bij. Ik kon me nooit voorstellen dat mensen nog iets meer willen dan de muziek zegt. Nu begrijp ik dat beter. Mensen identificeren zich met een song en idealiseren en romantiseren de geschilderde situatie voor zichzelf. Vervolgens willen ze in interviews met de maker hun gelijk bevestigd zien. Ik doe mijn best om die uitleg te verschaffen, maar het blijft iets wezensvreemds voor mij, een regelrechte bezoeking. De angst om verkeerd begrepen te worden is werkelijk wurgend voor me. Veel vermoeiender dan een volle dag in de studio.
   De wrijving tussen het zakelijke en het artistieke gedeelte van de popmuziek is totaal en permanent. Maar als je je maar wilt verdiepen in één van de twee aspecten, zoals de meeste artiesten doen, ga je er onherroepelijk aan onderdoor. Ik ken niemand onder mijn collega’s die niet de vreselijkste ervaringen heeft opgedaan. Als je er niet – zoals ik – van overtuigd bent dat dit het enige is dat je in dit aardse leven wilt doen, dan moet je er nooit aan beginnen, want de popbusiness is de agressiefste, meest karakter misvormende en in veel opzichten pijnlijkste business die er bestaat.
   Billy Connolly en Joe Egan zijn de beste vrienden die ik in mijn leven heb gehad en de business heeft kans gezien ons uit elkaar te drijven tot het punt dat we elkaar begonnen te haten! Tussen mij en Billy viel dat nog mee. Hij was tenslotte een komiek en ik een muzikant, dus dat onze wegen vroeg of laat zouden scheiden was te voorzien, maar niet dat het met ruzie gepaard zou gaan. Joe en ik waren bijzonder ‘close’. We zaten vanaf ons zeventiende jaar samen in bands. We konden zo goed samen zingen dat we in Glasgow met de Everly Brothers vergeleken werden. En verdomd hoor, met Lennon en McCartney en Gram Parsons en Emmylou Harris waren Joe en ik er het dichtste bij”.
 

Terugblik op Stealers Wheel door Gerry Rafferty

 


Stealers Wheel, Coolsingel Rotterdam 1973 (foto Hans Becker)

 
Rafferty keek nog eens terug op Stealers Wheel, de groep waarvan Joe Egan en hij de kern uitgemaakt hadden. Het was vreemd gegaan, vooral met die hit ‘Stuck in the middle with you’.
   “Alles was rozegeur en maneschijn. We hadden een platencontract, een manager en twee wereldberoemde Amerikaanse producers. Dit keer kon er absoluut niets mis gaan. Het geld kon niet op. A&M huurde een peperduur restaurant aan King’s Road, waar Joe en ik en de rest van Stealers Wheel eens uitgebreid gefêteerd zouden worden. Jerry Leiber en Mike Stoller maakten hun entree onder klaterend welkomstapplaus van de New-Yorkse maffia, die met dames en al was overgevlogen.
   Joe en ik wisten niet wat we zagen. We wilden zo gauw mogelijk weg, maar het bleek dat er na het diner een soort ongedwongen samenzijn was georganiseerd, waarbij iedere aanwezige ons nog eens in haar of zijn eigen woorden kon vertellen hoe goed we wel waren en hoeveel succes we nog zouden krijgen. Van narigheid werden we zo dronken als een tor en van de avond zelf herinner ik me niet veel meer dan allerlei opgeverfde dames in bontjassen die hun wang ophielden en ‘Daaaarling’ riepen.
   De volgende dag zaten Joe en ik elkaar verdwaasd aan te kijken in onze Londense hotelkamer. In een uur tijd schreven we ‘Stuck in the midle’. Toen de tekst op papier stond schrok ik er zelf van. Het was niet alleen duidelijk waarover de song ging, maar voor bepaalde mensen ronduit beledigend. We hoopten maar dat Jerry en Mike het zich niet persoonlijk zouden aantrekken, want we moesten binnen een paar weken immers samen aan de slag voor de eerste elpee van Stealers Wheel. En om de samenwerking nou te beginnen met ‘Clowns links, jokers rechts en ik zit hier met jou klem, ergens midden in de troep’, dat leek ons toch wat ver te gaan. We lieten ‘Stuck in the middle’ aan het management horen, aan de platenmaatschappij en aan Leiber en Stoller. Iedereen vond het fantastisch! Een schitterende love-song! Niemand, maar dan ook niemand had door waarover het in werkelijkheid ging. Toen de plaat klaar was, wilde iedereen het op single hebben.
   Joe en ik waren totaal verbluft. We vonden het nummer helemaal niet representatief voor het werk van Stealers Wheel en bovendien vonden we dat we aanzienlijk betere songs hadden geschreven. Maar ‘Stuck in the middle’ kwam op single uit en het werd een wereldhit. En wat bleek? De disk-jockeys, de pers en het publiek vonden het een prachtige love-song. Toen wist ik zeker wat ik al lang vermoed had. De pop-business is geschift en wie er op een of andere manier mee te maken wil hebben, is nog veel gekker”.
 
Gerry Rafferty besefte heel goed dat zijn groep Stealers Wheel met geslaagde producers gewerkt had, vertelde hij aan Golsteijn. Het had, naar zijn zeggen echter averechts uitgepakt.
   “Na de Humblebums dacht ik nooit meer met een groep te zullen werken, maar de gelegenheid om met mijn maatje Joe in één band te zitten lokte me heel erg aan. Bovendien leek alles goed te zitten. We hadden een bedrijf achter ons staan als management en de platendeal met A&M was rond. Nu zochten we een producer. Toen de namen van Jerry Leiber en Mike Stoller vielen, waren Joe en ik in alle staten. Per slot van rekening waren ze onze jeugdhelden. Mensen die ‘Hound Dog’, ‘Jailhouse Rock’, ‘Searching’, ‘Youngblood’ en ‘Charlie Brown’ geschreven hadden en Elvis hadden geproduceerd.
   Maar de samenwerking was van het begin af aan stroef. Ten eerste was er een duidelijk generatieconflict. Die jongens hadden alles in hun leven gezien en het werken met twee hongerige Schotten was voor hen net zo’n karweitje als alle andere. Zo bekeken ze het ook. Ze werkten een aantal uren per dag en hielden ermee op als het voor hen mooi was geweest. Of Joe en ik dan net bijzonder geïnspireerd waren interesseerde hen niet. Morgen weer een dag. En dan: twee joodse New-Yorkers en twee Hooglanders, dat klikte gewoon niet. Soms verstonden we elkaar niet eens. Halverwege de sessies begon de irritatie te komen. Voor die tijd had ik nog wel iets van: ze zullen het wel beter weten. Maar het werd hoe langer hoe erger. Ik had het gevoel dat we gewoon werden opgeofferd aan het genie van de heren”.
   Mike Stoller legde het later anders uit. Ook tijdens de studioopnamen kon Rafferty de fles niet laten staan. Zodra de pub open ging hadden de leden van de groep andere interesses.
 

‘Baker Street’ van het album ‘City to City’

 

 
‘Late Again’, de grote hit van Stealers Wheel met de saxofoon-solo’s van Chris Mercer, lijkt in onze tijd enigszins vergeten te zijn. Anders is het met ‘Baker Street’. Rafferty legde het nummer vast op het album ‘City to City’ dat in 1978 verscheen. De elpee was al op de markt toen Jip en Gerry in een Amsterdamse kroeg over van alles en nog wat zaten te praten. Maar over ‘Baker Street’ toen nog geen woord.
   In een overzichtsartikel over ‘City to City’ dat Johnny Black in 2011 publiceerde – achteraf dus – stond ‘Baker Street’ juist centraal. Het nummer had, schreef Black, direct te maken met Stealers Wheel. Toen alle problemen rond het uit elkaar vallen van de groep opgelost moesten worden, woonde Rafferty bij (het meer van) Loch Lomond in Schotland. Regelmatig was hij gedwongen om voor overleg naar Londen te gaan. Dat waren lange treinritten. Tijdens een verblijf in Londen had hij de hele nacht door met zijn vriend Ian Campbell gitaar zitten te spelen. Ian woonde om de hoek bij Baker Street.
   “In the summer of 1977 we stayed up, playing guitars until the sun came up. I had to get the train to Glasgow from Euston, and as I walked down there with my guitar case in my hand, it was such a beautiful morning, such a positive feeling”. In de trein naar het noorden zou hij ‘Baker Street’ geschreven hebben. Thuis in Schotland voltooide hij het schrijven van die song.
   In de tekst kon je goed terughoren, zei hij, over wat hem op dat moment bezig hield. “Those lines – ‘He’s got the dream about buying some land, give up the booze, but you know he’s the rolling stone’, – that’s about Ian, but as a whole the song’s about the loneliness and alienation of being a stranger in a big city when I wanted to be home in my cottage with my wife and child”.
 
Na Stealers Wheel viel Gerry Rafferty terug op de manier zoals hij ook ‘Can I have my money back?’ had aangepakt. Zo werkte hij met producer Hugh Murphy die eerder zijn debuut-album in 1971 opgenomen had. Platenmaatschappij United Artists was deze keer bereid de opnamekosten op te hoesten.
   Murphy legde uit dat hij op het idee gekomen was de song ‘Baker Street’ te verfraaien met saxofoonnsolo’s. “I tried the melody line on a guitar and that didn’t work, and tried it with voices and that didn’t work. Then one day I was listening to a Joni Mitchell record and there was a sax playing and it really sounded great, so I thought, ‘Sax, of course – a street sound’”.
   Rafferty gaf toe dat hij de solo’s in ‘Baker Street’ eerst zelf op gitaar wilde spelen – of misschien wel door een ander laten zingen. “At the last moment I decided the song needed a wailing, lonely, big-city sound to it’.
   Evenals bij ‘Late Again’ werd er een saxofonist bij gehaald. Aan Chris Mercer werd blijkbaar niet meer gedacht. In eerste instantie probeerden ze Pete Zorn in te huren. Maar die was op toernee met Steeleye Span. Rafferty zei het zo: “The guy who eventually played the solo was called Raphael Ravenscroft. With a name like that, I reckoned he had to be good – and he was”. De saxofonist ontving als sessiemuzikant een cheque van 27 Britse ponden en kon vanuit de Chipping Norton-studio weer naar huis. Maar Gerry Rafferty had een wereldhit. Het schrijven en zingen van “Baker Street’ was het pensioen voor de Schot, zoals bijvoorbeeld ‘Venus’ dat is voor Rob van Leeuwen die nu in Wassenaar kan rentenieren.
   Gerry was een echte Schot, zoals hij zelf aan Jip Golsteijn vertelde. Drank was zijn grote probleem. Veel sensationeel nieuws kwam er niet meer na ‘Baker Street’. In 1987 produceerde hij nog een mooie hit voor twee broers uit Schotland: ‘Letter from America’ van de Proclaimers. Drie jaar geleden, op 4 januari 2011 gaf zijn lichaam hem op.
 

 
De volgende dag vatte Menno Pot in de Volkskrant het leven van Gerry Rafferty nog eens samen:  “Zodra op zaterdagavonden rond 1950 de pubs sloten in Paisley, voorstad van Glasgow, ging Mary Skeffington de straat op met haar zoontje, bang als ze was dat de dronken agressie van haar alcoholistische man Joseph zich op de kleine Gerry zou richten.
   Gerry Rafferty, die met ‘Stuck In The Middle’ (1972) en ‘Baker Street’ (1978) twee van de grootste Schotse pophits schreef, leek de laatste decennia van zijn leven helaas veel op zijn vader. Zijn door alcohol verteerde lever staakte dinsdag de strijd in een ziekenhuis in Bournemouth. Hij werd 63.
   Rafferty begon als straatmuzikant in de Londense metro, speelde in bands als The Fifth Column en The Humblebums en debuteerde in 1972 als soloartiest met het album ‘Can I Have My Money Back?’, dat flopte.
   Later dat jaar brak hij, uit het niets, wereldwijd door met de folkrockband Stealers Wheel, die hij met Joe Egan had opgericht. Debuutsingle ‘Stuck In The Middle’ werd een onverslijtbare klassieker (al haalde hij bijna nergens de eerste plaats van de hitlijsten), mede dankzij Quentin Tarantino, die het lied een onvergetelijk plekje gaf in zijn film ‘Reservoir Dogs’ (1992).
   Stealers Wheel viel in 1975 uiteen, maar Rafferty’s doorstart als soloartiest zou hem aanvankelijk nog groter succes brengen. ‘Baker Street’ (1978), met beroemd saxofoonthema van Raphael Ravenscroft, werd zijn grootste hit en stuwde het album ‘City To City’ naar de bovenste plaats van de Amerikaanse albumlijst. Vijf miljoen stuks werden verkocht. Ook ‘Right Down The Line’ werd een forse hit.
   Hoewel ‘Night Owl’ (1979) en ‘Snakes And Ladders’ (1980) het vooral in Groot-Brittannië nog goed deden, wist de Schot zijn Amerikaanse succes niet te bestendigen, ook al omdat hij weigerde in de VS op tournee te gaan, wars als hij was van beroemdheid. Zijn grootste hit ná ‘City To City’ scoorde hij als producer: ‘Letter From America’ van The Proclaimers (1987), nog zo’n Schotse evergreen.
   Een drankprobleem had Rafferty al in zijn glorietijd, maar na 1985 maakte de alcohol alles kapot: zijn creativiteit, zijn huwelijk (zijn vrouw verliet hem in 1990, na twintig jaar huwelijk) en uiteindelijk zijn lever. Zijn moeder, die hij eerde met het liedje ‘Mary Skeffington’ (1971), heeft het niet kunnen afwenden”.
   Het enige dat Pot vergat, vond ik [HK], was iets te zeggen over ‘Late Again’, de grootste hit die Rafferty in Nederland gehad heeft.
 
Harry Knipschild
8 januari 2014

19 oktober 2014
Saxofonist Rafael Ravenscroft overlijdt

Clips

* Stealers Wheel, Stuck in the middle with you, 1973
* Stealers Wheel, Late Again, 1973
* Gerry Rafferty, Baker Street, 1978
* Proclaimers, Letter from America, 1987
* Gerry Rafferty, Don't give up on me, RTL, 1992
* Interview met saxofonist Raphael Ravenscroft
* Uitvaart Gerry Rafferty, januari 2011
* Documentaire Stealers Wheel (Gerry Rafferty), 2011
   
Literatuur
 
Jan Donkers, ‘Oh, wat een mooie plaat’, Aloha, 3 december 1971
Hans Becker, ‘Stealers Wheel’, Veronica-blad, 21 juli 1973
Jip Golsteijn, ‘Gerry Rafferty: Er is niets fout aan cynisme’, in Popscore. Tien jaar popjournalistiek, Amsterdam 1979
Menno Pot, ‘Gerry Rafferty (1947-2011), wars van beroemdheid’, Volkskrant, 5 januari 2011
Johnny Black, ‘Gerry Rafferty, City to City’, Hi-Fi News & Record Review, maart 2011