Zoeken


 
Cliff Richard werd op 14 oktober 1940 als Harry Webb geboren in wat nu India is – Lucknow, Uttar Pradesh, om precies te zijn. Niet ver van de grens met Nepal. Een paar maanden geleden is hij 73 geworden. In artikelen en boekjes heeft de zanger wel eens teruggekeken naar het begin van zijn leven. Cliff deed het nog eens uitgebreid over in het boek My Life, My Way dat hij in 2008 het licht deed zien. Penny Junor was zijn ‘ghostwriter’.
   In het voorwoord verontschuldigde de zanger zich. “Ik kan niet beloven dat mijn geheugen heel accuraat is. Dagboeken heb ik nooit bijgehouden. Geloof het of niet, ik bewaar niet zo veel. Ik heb niet eens een volledige verzameling van mijn platen”.
   Helemaal eerlijk was Cliff met die uitspraak waarschijnlijk niet. Hij liet bijvoorbeeld nogal wat feiten weg over het levensverhaal van zijn moeder en haar familie. Die kwamen later in de pers. Cliff zou Indiaas bloed in zijn aderen hebben.
   Wat me in het boek trof waren zijn vroegste herinneringen – die van zijn jeugd. Toen was hij nog gewoon Harry Webb. Daar wil ik het nu over hebben.
 


Opa William (van moeders kant) in India

 

Van India naar Engeland

 
De eerste acht jaar groeide Harry op in India. Maar niet altijd alleen. “Ik was de oudste – en een zoon. Als enige jongen heb ik dat overleefd. Ik had een jongere broer, Freddie, die evenals ik in India geboren werd. Maar hij bleef niet langer dan een paar weken in leven. Ik was niet ouder dan 21 maanden dus ik kan het me niet echt goed herinneren. Maar mijn ouders moeten er vreselijk onder geleden hebben. Vaak heb ik me afgevraagd hoe het geweest zou zijn een broer te hebben”. Het jongetje leefde in India vooral samen met zijn moeder en twee zusjes. Een huishouden waarin de vader veel afwezig was.
   De eerste jaren hadden zijn ouders in financiëel opzicht niet te klagen. “Mijn vader had als manager een belangrijke functie bij Kellner’s, een groot catering-bedrijf in India dat werkte voor de spoorwegen in Brits-Indië. Die baan bracht hem in het hele land. Hij was soms tijden achter elkaar weg van huis. Maar we leefden heel comfortabel in een flat die Kellner’s voor ons beschikbaar stelde. Dat was in Howrah, een stad buiten Calcutta. We hadden bedienden die voor ons kookten en de was deden. Dat was niet ongebruikelijk voor Britten die toenmaals in India woonden. Het bedrijf nam alle kosten voor zijn rekening”.
 
Veel van hetgeen hij als jongetje in dat verre land had meegemaakt kon hij bij het schrijven van zijn autobiografie naar eigen zeggen niet ophoesten. “Ik heb niet veel herinneringen aan India. Ik weet nog dat het in de winter koud kon zijn. Als het regende kwam het water in bakken naar beneden. Dan rolden we onze broeken op en dachten: ‘Dit is geweldig!’ Water tot op kniehoogte was leuk. Maar meestal was het broeiend heet”.
 


Vader, Rodger Webb in India

 
Ineens kwam er een einde aan het ogenschijnlijk zorgeloze bestaan. “Weelde was er niet in ons leven, maar het was fantastisch vergeleken met hetgeen ons in Europa te wachten stond. We arriveerden in Engeland in 1948. India werd een onafhankelijke staat. Alle Britten stroomden het land uit, naar hun vaderland.
   Mijn ouders hadden een Brits paspoort, maar ze waren beiden in het buitenland geboren. Geen van tweeën was ooit in Engeland geweest. Ze hadden dus geen ‘thuis’. Mijn vader was in Birma geboren. Mijn moeder, Dorothy Dazely, in India. Ze kwam uit een familie van militairen. Toen ze elkaar in India leerden kennen en trouwden wilde mijn vader [waarschijnlijk bij de Indiase onafhankelijkheid] met ons allemaal naar Australië.
   Mijn oma, van moeders kant, was met haar tweede man en zeven kinderen recentelijk naar Engeland vertrokken. Mijn moeder wilde dus ook die kant uit. Ze kreeg haar zin. Na een zeereis van vijf weken arriveerden we september 1948 in Tilbury Docks (Essex, ten oosten van Londen). Ik was bijna acht jaar, mijn zusje Donna was vijf en Jacqui was tien maanden oud.
 

Harry Webb in Engeland onder het juk van zijn vader

 
De overgang van het tamelijk goede leven in de omgeving van Brits Calcutta naar een klein stadje ergens ten zuiden van Londen moet groot geweest zijn.
   “Mijn grootmoeder woonde in een half-vrijstaand huis met drie slaapkamers in Carshalton (Surrey). Dus gingen we daar heen. Maar het huis was nauwelijks groot genoeg voor het gezin van mijn oma. Laat staan met ons vijven erbij. De buren waren bereid ons hun kleine slaapkamer vóór te verhuren totdat we een huis vonden. Dus sliepen we op matrassen in het huis ernaast, gewoon op de grond. We bedekten ons met dekens in een poging enigszins warm te blijven”. Het was bijna winter in Engeland.
   Geld was er niet. “We waren radeloos. Mijn vader had al zijn bezittingen in India moeten verkopen om de overtocht naar Engeland te financieren. Er was weinig te verkopen omdat de flat waar we in India woonden nu eenmaal van het bedrijf was, waar hij gewerkt had. Toen we in Groot-Brittannië aankwamen bezaten we niet meer dan vijf Engelse ponden. Dat was alles.
   Wat nog erger was, mijn vader kon na terugkomst geen nieuw werk vinden. Hij was zestien jaar ouder dan mijn moeder. Hij was de veertig al gepasseerd. Er waren bijna geen banen in Engeland en al helemaal niet voor iemand van zijn leeftijd. Van een uitkering wilde hij echter niet leven.
   Na enige tijd wist hij een minderwaardig baantje te vinden. Om bij zijn werk te komen moest hij ’s morgens en ’s avonds twee uur met de bus reizen en nog verschillende keren overstappen ook”.
 
De houding van zijn vader moet Harry Webb aangesproken hebben. “‘While I can work, I will work’, zei hij altijd. Die manier van denken heeft hij op me overgedragen”.
   Aan het begin van het boek bracht Cliff de relatie met zijn vader nóg duidelijker onder woorden: “Het woord van mijn vader was wet. Hij geloofde in hard werken, goede manieren en eerlijkheid. Hij zat bovenop het weinige geld dat we te besteden hadden. ‘Look after the pennies, and the pounds will look after themselves’, was zijn gezegde. Of hij wilde of niet, mijn vader moest op de kleintjes letten. Dat heb ik van hem overgenomen. Geld mag nooit verspild worden. Ik kan er niet tegen als iemand in een lege kamer het licht aan laat, of de aircontioning aan laat staan als het raam open gezet is. Dan loop ik de kamer binnen, doe het licht uit of zet de airco af”.
   Wat Harry dwars is blijven zitten was dat hij met zijn vader, de enige man in huis, nauwelijks contact had. “Hij was heel afstandelijk. Zelden heeft hij me aangehaald”.
   In plaats van liefde kreeg Harry wel eens een pak slaag. “Mijn vader was de dominante persoon thuis. Hij nam alle beslissingen en deelde de straffen uit. Ik kwam een keer uit school en vertelde hem dat ik ten onrechte als straf geslagen was. Ik legde nog eens uit dat ik niets gedaan had om klappen te verdienen.
   Mijn vader pakte een stok en sloeg me herhaaldelijk op de achterkant van mijn benen. Dat deed nog meer pijn dan de klappen die ik van de onderwijzer gekregen had. Hij legde uit dat ik op school niet zo maar geslagen werd. Ik had de goede naam van de familie Webb bezoedeld. ‘Denk eraan, je bent mijn zoon. Ze weten dat je mijn zoon bent. Waarschijnlijk denken ze dat meneer Webb zijn kind niet goed kan opvoeden. Dat is een smet op mijn goede naam’”.
   Harry had zijn les geleerd. “Ik zal het nooit vergeten. Het was de laatste keer dat ik hem iets vertelde als ik een probleem op school had. Daarna hield ik mijn mond. Ik wilde zijn ongenoegen niet meer opwekken”.
  
Harry realiseerde zich dat zijn zusjes het veel beter met hun vader konden vinden. Die werden dan ook niet zo streng gestraft als hij. “Jacqui en Joan herinneren zich hoe grappig hij was, hoe geestig. De strengste straf die ze ooit gekregen hebben was dat ze vijf minuten op hun stoel moesten blijven zitten omdat ze ergens te ver mee gegaaan waren”.
   De zanger vatte de relatie met zijn vader samen met: “At times, as a kid, I was terrified of him”.
 

Harry naar school in de schoenen van zijn moeder

 


Cliff Richard (19) zingt voor zijn moeder

 
De armoede in het gezin was zo groot dat ook zijn moeder aan het werk moest. Om het gezin van voedsel te voorzien, vertelde haar zoon aan Penny Junor.
   “Een tijd lang had ze ergens nachtdienst. Zij en ik deelden een paar schoenen. Ik droeg ze als ik naar school ging. Mijn moeder droeg ze ’s nachts op haar werk. In India had ze nooit gewerkt – dat was ondenkbaar – maar in Engeland moesten de touwtjes aan elkaar geknoopt worden. Zodra ze mijn jongste zusje ergens kon achterlaten zocht ze werk”. Een hoogstaande baan zal het niet geweest zijn.
   Harry bewonderde zijn moeder. “Ze was het tegenovergestelde van mijn vader. Als hij ons afgeranseld had renden we naar haar toe. Ze liet hem nooit vallen. Ze troostte ons zonder partij te kiezen. Ze vroeg altijd waarom we straf gekregen hadden. Als we protesteerden dat we niet echt iets verkeerds gedaan hadden, zei ze vaak: ‘Toch had je dat niet moeten doen. Doe het voortaan niet meer’. En dan knuffelde ze ons. Ze was niet zwak en had haar eigen ideeën over een heleboel zaken. Maar tegelijk was ze de onderdanige echtgenote”.
 

Naar de bioscoop

 
In zijn autobiografie bleef Clif Richard maar herinneringen ophalen over hoe hij steeds ten onrechte gestraft werd. Het moet heel diep zitten. Sinds ik het boek gelezen heb en ik hem zijn vrolijke en soms onschuldige liedjes zie zingen, ‘Living Doll’ (1959), ‘A voice in the wilderness’ (1960), ‘Bachelor Boy’ (1962) en die vele tientallen andere grote hits, komt de gedachte wel eens bij me op: zou hij nu denken aan wat hem als jongetje is aangedaan. Zoals toen hij naar de bioscoop wilde.
   “Ik was gek op films. Toen ik er heen wilde met mijn zusje Donna nam mijn vader me apart en zei: ‘Je mag gaan. Maar op één voorwaarde – je moet goed op haar letten en jullie moeten om tien uur terug zijn’. De film duurde langer dan gebruikelijk. We misten de bus en kwamen een half uur te laat thuis. Ik zal het nooit vergeten. We liepen het laatste stukje naar ons huis. Dat was helemaal donker. Ons huis was nooit donker. Mijn vader liet altijd wat licht aan. Ik raakte helemaal in paniek. We klopten op de deur: niets. We probeerden door de gordijnen naar binnen te kijken. Die waren helemaal dicht. In het pikkedonker liepen we buiten om het huis naar het keukenraam. Er was niemand. Binnen was het zwart. Mijn ouders waren naar bed gegaan en van wakker maken was geen sprake.
   Er zat niets anders voor ons op dan in het kolenschuurtje te gaan slapen. Er waren nooit veel kolen in voorraad, we kochten steeds kleine hoeveelheden. In het schuurtje stond nog een ouderwetse kinderwagen. Dus stopte ik mijn zusje daar in. Zelf ging ik in het kolenstof ernaast zitten. Het leek een koude en verschrikkelijke nacht voor ons te worden. Misschien duurde het slechts tien minuten, maar het leek op die avond wel een eeuwigheid. De deur ging open en ik zag het silhouet van mijn vader in de deuropening. “Waar heb je uitgehangen?” vroeg hij op gebiedende toon.
   Stamelend vertelde ik dat we de bus gemist hadden en moesten wachten op de volgende.
   “Als ik zeg dat je om tien uur thuis moet zijn, moet je er van uit gaan dat tien uur de juiste tijd is om thuis te komen. Als je dan niet terug bent, zal de deur gesloten zijn”, hoorde Harry Webb.
   “Met z’n allen liepen we naar de keuken. Mijn moeder nam ons in haar armen. Ik meen me te herinneren dat ze toen warme chocolademelk voor Donna en mij maakte. Ze waren helemaal niet naar bed gegaan maar hadden op ons zitten wachten. Door het zo te doen wilden ze ons een lesje leren. Sinds die tijd ben ik nooit meer ergens te laat gekomen”.
 

Geld voor elektriciteit en/of eten

 
Elektrische stroom in huis was niet vanzelfsprekend. “Dat ging met muntjes. Je moest een shilling in de meter gooien. Halverwege de avond ging het licht soms ineens uit. Dan zei mijn vader wel eens: ‘We gaan toch zo slapen, wat doet het er toe’. Op zo’n moment moesten we in het donker ons bed zien te vinden en tot de ochtend wachten voor we weer stroom hadden. Pas dan werd weer geld in de meter gedaan. Soms kwam er iemand van het energiebedrijf voor controle en zei: ‘Jullie krijgen tien shilling [bijna een half Brits pond] terug’. Als mijn vader het hoorde riep hij uit: ‘Ja! Fantastisch!’
   Tien shilling was een heleboel geld voor ons in die tijd. Je kon er voor twee dagen eten mee kopen. Drie dagen in de week was het hoofdgerecht twee sneetjes toast met suiker en thee er over. Op andere dagen aten we rijst, af en toe kip en soms groente. Ik kan me niet herinneren dat ik als kind ooit vis gegeten heb. Snoep, koekjes of cake was al helemaal ondenkbaar. Veel fruit was er, geloof ik, ook niet.
   Het komt misschien hard over, en zo was het ook, maar kwaad heeft het me nooit gedaan. De armoede heeft zelf een gunstig effect op mijn leven gehad – ik heb geleerd dat geld niet gelukkig maakt.
   Die achtergrond kwam goed van pas toen ik met zingen succes had. Veel mensen in het muziekvak weten niet met geld om te gaan als het in grote hoeveelheden binnenkomt. Ze geven het veel te snel uit en als ze het echt nodig hebben is het er niet meer. Er gaat geen dag voorbij dat ik God niet dank voor wat me overkomen is en dat ik opgroeide in zo’n hecht gezin. Maar ik ben ook blij dat er meer voor me te eten is dan toast met thee!”
  


Achterste rij, derde van rechts, Harry Webb in schoolvoetbalelftal

 
Onlangs las ik een artikel over Shane Filan, een van de zangers van de Ierse boyband Westlife. De groep had in de jaren 1999-2006 maar liefst dertien nummer één singles in Groot-Brittannië (onder andere ‘I have a dream’, ‘Uptown Girl’ en ‘My Love’). Vorig jaar hield Westlife op te bestaan. Een nieuwe generatie viel intussen op One Direction. Shane werd failliet verklaard. De artiest reisde rond in eigen helicopter en speculeerde in onroerend goed. Hij bleek ongeveer 25 miljoen euro aan schulden te hebben.
   Een verslaggeefster van de Daily Telegraph vroeg hem afgelopen zomer wat in deze tijd zijn grootste uitspattingen waren.
   Het voormalige idool reageerde met: “Simple little things: I love going to the cinema once a week with my wife, where we have a date night with popcorn and ice cream. Or every couple of weeks we go for dinner, share a bottle of wine and talk about everything, just small pleasures, spending precious time together”.
 

Het gaat wat beter met de Webbs

 
In ‘Back to the future’, het hoofdstuk over zijn kinderjaren, vertelde Cliff Richard dat het langzamerhand wat beter ging met de materiële omstandigheden waar hij en de rest van het gezin onder moesten zien te leven         .
   Een jaar na hun aankomst in het ‘vaderland’ konden ze intrekken bij een zus van vader Rodger Webb die eveneens uit India was overgekomen. “Tante Dorothy bood ons een kamer aan. We sliepen er, deden er alles: koken, eten, drinken, wassen. In de hoek van de woonkamer was zelfs een klein toilet.
   Het geluk was met ons. Mijn moeder maakte over de schutting een praatje met de buurvrouw. Die nodigde haar uit om een kopje koffie te komen drinken. Moeder vroeg haar terug.
   ‘Woon je in dit huis?’ vroeg de buurvrouw.
   ‘Nee’, zei mijn moeder, ‘we wonen in deze kamer’.
   De buurvrouw schrok zich rot. Toevallig werkte ze bij een organisatie die woningen toewees aan mensen die zich geen eigen huis konden veroorloven. Een inspecteur kwam op bezoek. Hij reageerde eveneens geschokt op de omstandigheden waaronder we moesten leven. Het duurde nog een jaar maar toen konden we verhuizen naar een sociale woning in Cheshunt, Hargreaves Close 12. Wat een weelde na twee jaar verblijf in Engeland!
   Voorlopig sliepen we nog steeds op de vloer, op matrassen. Mijn vader timmerde zelf ons eerste bed in elkaar. Hij maakte tevens een stoel met een leuning om in te zitten. Het materiaal kocht vader bij Atlas Lamps, een onderdeel van Thorn waar hij werkte. Het was hout afkomstig van verpakkingskisten. Voor vijf shilling mocht je als werknemer zo’n kist kopen als die niet meer bruikbaar was. Hij zal ook wel gereedschap van niet al te beste kwaliteit gekocht hebben – en schroeven. Ik zat naar hem te kijken toen hij die leunstoel uit ruw hout aan het maken was.
   Mijn vader controleerde de uitstaande rekeningen bij Atlas. Mijn moeder had er op een gegeven moment ook een baan. Acht uur per dag werkte ze samen met andere vrouwen aan een lopende band. Saai werk. Dan kwam ze naar huis om eten te koken. Moeder probeerde haar werk zo goed mogelijk te doen. Dat gaf nogal wat conflicten omdat de andere vrouwen er bewust met de pet naar gooiden. Soms kwam ze huilend thuis”.
 


Het bedrijf waar de familie Webb werkzaam was

 
Harry Webb, de latere zanger van nummer één hits als ‘Travelling Light’ (1959), ‘Please don’t tease’ (1960) en ‘The Young Ones’ (1962), had naar eigen zeggen steeds meer respect voor zijn ouders.
   “Ze lieten zich nooit ontmoedigen en bleven altijd hoop op een betere toekomst houden. Ze behoorden tot de laatste generatie die het huwelijk nog eerbiedigde. Door dik en dun hielden ze van elkaar. Maar soms konden ze elkaar even niet uitstaan. Dan zei mijn moeder: ‘Wil je aan je vader vragen of hij een kopje thee wil?’
   En dan antwoordde hij: ‘Tell your mother, ‘Yes please’.
   Later moesten ze er dan om lachen. Wij ook allemaal”.
 

Muziek

 
Bij een belangrijke gebeurtenis in zijn leven wist Cliff Richard in My Life, My Way geen jaartal te plaatsen.
   “Ik herinner me dat mijn vader vijftig pond won in de voetbal-pool. Mijn moeder mocht beslissen wat we met dat kapitaaltje deden. Een aanbetaling doen op een televisietoestel of een radio. Bij vertrek uit India hadden we onze radio moeten verkopen. Dus zei mijn moeder: ‘Een radiogram’. Mijn vader schafte een radio met ingebouwde draaitafel aan. We waren er gek op. De Webbs hadden, met een beetje geluk, wat bereikt – we hadden een radiogram en een paar stoelen.
   Aanvankelijk luisterden we ieder op z’n beurt met een kristal-ontvanger en koptelefoon naar radio Luxemburg en, af en toe, naar de doo-wop muziek van AFN (American Forces Network). Later kwam er een kleine draagbare radio, die mijn moeder in de keuken aan had staan als ze het eten bereidde. Ik kan me nog goed herinneren dat ze de teksten van liedjes noteerde. Mijn moeder had altijd pen en papier bij de hand voor als ze een song hoorde die ze mooi vond. Dan krabbelde ze zo veel mogelijk woorden op. Om de tekst compleet te hebben moest ze zo’n liedje twee of drie keer horen. Dan kon ze het helemaal meezeggen bij de radio. Ze moest er heel wat geduld voor opbrengen. Dat vond ik fascinerend.
   Mijn moeder luisterde naar mensen als Johnnie Ray, Dickie Valentine, Frank Sinatra, Perry Como, Bing Crosby en Dean Martin. Dat was het soort muziek waar ik mee opgroeide. Artiesten als Perry Como en Bing Crosby vond ik wel goed. Maar ik heb me met hen nooit geïdentificeerd.
   Toen ik Elvis Presley voor het eerst hoorde dacht ik: ‘zoiets kan ik ook’. Plotseling wist ik wat ik in mijn leven wilde doen. Als er geen Elvis was geweest, zou er geen Cliff Richard geweest zijn. Elvis veranderde alles”.
 


1950, Bing Crosby, Perry Como, en Arthur Godfrey die  talentenjachten organiseerde op TV in de USA.

 
In 2008 besteedde Cliff Richard wat minder aandacht aan zijn bewondering voor Bill Haley dan in een eerder boekje, dat hij begin jaren zestig schreef, of liet schrijven. Bovendien kun je je afvragen of Cliff Richard, zeker in het begin van zijn carrière, niet heel dicht stond bij de zangers die favoriet waren bij zijn moeder. Was hij niet een soort Britse variant van het Amerikaanse idool Pat Boone?
   Maar hoe dan ook, muziek ging het leven beheersen van Harry Webb. “Toen ik Elvis eenmaal ontdekt had kreeg ik hem niet meer uit mijn hoofd. Van huiswerk maken kwam weinig terecht. Ik wilde als Elvis zijn en oefende hard. Ik speelde zijn platen en zong met ze mee. Ik deed na hoe hij zijn lippen krulde, bewoog mijn heupen zoals hij het deed en kamde mijn haar op zijn manier”.
 


Harry Webb spiegelt zich aan Elvis Presley

 
Evenals zijn ouders kreeg ook Harry Webb een baantje bij Atlas Lamps. “Maar ’s avonds speelde ik rock & roll in café’s en jeugdclubs. Pa kocht me mijn eerste gitaar toen ik zestien jaar werd. Bovendien leerde hij me een paar nuttige akkoorden. Zelf had hij banjo in een dixieland orkest gespeeld. Die gitaar kostte hem 27 pond. Zo’n bedrag kon hij nooit in een keer opbrengen.
   Mijn moeder moedigde me aan. Ze stelde voor: ‘Laten we een brief schrijven aan Hughie Green’. Dat was de presentator van het tv-programma ‘Opportunity Knocks’. Of: ‘We moeten meedoen aan een lokale talentenjacht’. Als mijn vader werkte ging ze met me mee.
   Mijn vader zei dan: ‘Ik vind het prima. Maar vergeet nooit: je werk en je leven moeten doorgaan ook als succes uitblijft. Blijf dat altijd goed in gedachten houden’.
   Toen ik het gemaakt had stond hij voor honderd procent achter me. Hij was direct betrokken bij alles wat ik deed. In het begin was ik voor de wet nog niet volwassen. In de jaren vijftig was je dat pas bij je 21ste verjaardag”.
  


Cliff wordt 21

 
Achteraf ging het snel. Harry Webb maakte, zoals vrijwel iedereen in die dagen, eerst skiffle-muziek in de stijl van Lonnie Donegan. Begin 1958 werd hij als zanger van de Engelse Drifters (later: Shadows) ontdekt. Dat zelfde jaar 1958 kwam hij als Cliff Richard onder contract bij EMI. Norrie Paramor produceerde op 24 juli de single ‘Schoolboy Crush’, met op de b-kant ‘Move It’. TV-producer Jack Good zag wel wat in 'Move It' en bracht Cliff, 17 jaar, op het scherm.
   Precies tien jaar nadat Cliff met zijn zusjes en ouders vanuit India in Engeland was aangekomen, had hij zijn eerste grote succes te pakken. ‘Move It’ verscheen op 12 september 1958 in de Engelse hitlijsten en steeg door naar de tweede plaats.
   In 1999, 41 jaar na ‘Move It’ bereikte Harry Webb, inmiddels Sir Cliff Richard, (voorlopig) voor het laatst een nummer één positie. Dat was met het nummer ‘Millennium Prayer’, verschenen bij Papillon Records omdat EMI zijn ideeën niet meer zag zitten. Met de kerst van 1999 moest hij om de eerste plaats strijden met de boygroep Westlife, die een cover van “I have a dream’ (ABBA) gemaakt hadden.
   In 2008 haalde Cliff Richard nog een hoge Britse klassering (derde plaats) met het nummer ‘Thank you for a lifetime’. Dat was zestig jaar na zijn vertrek uit India.
 
Harry Knipschild
3 januari 2014
 
Clips

* Perry Como, Don't let the stars get in your eyes, 1953
* Dickie Valentine, You made me love you
* Cliff Richard, Move it, 1958
* Cliff Richard, Bachelor Boy, 1963
* Westlife, I have a dream, 1999

Literatuur
Cliff Richard, Fijn om jong te zijn, Helmond 1961
Alison Boshoff, ‘Bigamy, the Raj and the scandal buried in Cliff’s past’, 1 November 2011, Daily Mail
Cliff Richard, Penny Junor, My Life, My Way, uitg. Headline Review, 2008