Als je over popmuziek leest lijkt het vaak alsof goeie muziek vanzelf wel boven komt drijven. De beste artiesten maken hits, wie te weinig muzikaal talent heeft, redt het niet. In de muziekbusiness gaat het evenwel anders. Het publiek leert popmuziek pas kennen, en dus eventueel waarderen, nadat een heleboel mensen er zich mee bemoeid hebben. Als een nieuw nummer niet op de radio en/of televisie onder de aandacht gebracht wordt blijft het onopgemerkt. Onbekend maakt onbemind. Achter alle hits zitten machinaties, weet ik uit eigen ervaring.
   De deejays, producers bij de omroep en netmanagers doen hun subjectieve werk meestal in het openbaar. Hoe het zit met andere mensen, achter de schermen, werkzaam bij platenmaatschappijen, muziekuitgeverijen, managers van artiesten, organisatoren, boekingskantoren enzovoort, daar wordt/werd zelden echt verslag van gedaan, zelfs niet door gerenommeerde popbladen. Zodoende is hun lezers een heleboel inzicht onthouden, is mijn stelling.
 
Op 18 augustus 2010 publiceerde ik een artikel over Diana Ridderikhoff, die als medewerkster van platenmaatschappijen Iramac en Polydor vanaf 1967 een aantal jaren promotie deed bij de radio. In een wat latere tijd verrichtte Kees de Blois soortgelijke activiteiten. Maar eerst was hij zelf artiest. Op 6 oktober 2013 kwam hij mij over zijn leven vertellen.
   Kees werd op 21 juni 1945 geboren in Schiedam. Zijn vader was als kelner werkzaam in de horeca. Als jongetje hoorde hij liedjes uit de jaren veertig en vijftig, ‘Cruising down the river’ (o.a. Russ Morgan), ‘12th Street Rag’ (Pee Wee Hunt), ‘Forever and ever’ (Doris Day), maar ook Nederlandstalige muziek van Annie de Reuver uit Rotterdam en de Amsterdammer Johnny Jordaan, die enkele jaren in Rotterdam woonde. En als vele andere Nederlanders luisterde hij naar de Bonte Dinsdagavondtrein van de AVRO-radio.
   De wereld van Kees de Blois veranderde in 1960 toen hij op vijftienjarige leeftijd ‘Apache’ op de radio hoorde: de eerste hit van de Shadows, de begeleidingsgroep van Cliff Richard. Kees ging zelf zingen – hij werd de Schiedamse Cliff. Dat was aantrekkelijker dan op school leren, vertelde Kees. In 1958 werd hij zelfs van de ambachtsschool gestuurd omdat ze hem er onhandelbaar vonden. Zijn moeder bezorgde hem toen een baantje als slagersjongen.
 


Cliff Richard met Shadows, ong. 1960

 

Flying Arrows en Eddysons

 
Kees werd zanger (en gitarist) in een groep die zich de Flying Arrows noemde. Ze brachten het repertoire dat op dat moment populair was. Regelmatig traden ze op in zaaltjes, van de parochie, van de kerk. Voor Kees begon het met liedjes van Cliff Richard, Elvis Presley en de Everly Brothers. In het begin van de jaren zestig traden ze regelmatig naar voren met de instrumentale hits die het toen zo goed deden, gitaarmuziek van de Shadows, Spotnicks en Ventures. Met de komst van de Beatles pasten ze hun stijl opnieuw aan. De Flying Arrows waren van alle markten thuis.
   Hoewel de groep aanvankelijk nog niet professioneel was hadden ze al een soort manager. Dat was Theo Smit. Martin Agterberg (‘een vriend voor het leven’) maakte eveneens deel uit van het bandje. In het Beatles-tijdperk kreeg de groep aandacht van ‘Nederlands jongste impresario’, zoals hij zich noemde. Dat was Arie Ouwens, op 30 mei 1946 in Rotterdam geboren. Arie noemde zich Eddy Ouwens en Eddy Nelson (een variant op de naam van de Amerikaanse zanger Nelson Eddy, 1901-1967). Tijdens de contacten met Kees de Blois en de andere leden van de groep wierp Arie zich voortvarend op als de nieuwe lead-zanger van de groep. De Flying Arrows lieten zich omdopen in Eddy Nelson en de Eddysons, kortweg Eddysons.
    
Begin 1965 mochten de Eddysons op een dinsdagavond optreden in de Wiek, de jazzclub van Ab de Molenaar in Rotterdam. De Wiek was gevestigd naast de Cinerama-bioscoop op de Westblaak. Door ondermeer liedjes van de Beatles (‘A hard day’s night’, ‘I feel fine’) en andere Engelse beatgroepen te vertolken hadden ze zo’n succes dat ze op vaste avonden konden terugkomen.
   Voor de jongens in de groep was dat aanleiding om van de muziek hun beroep te maken. Kees werkte nog een tijdje als perser van kleding, maar de muziek ging voortaan voor. Ze werkten in Rotterdam en omstreken, maar traden tevens langdurig in Duitse gelegenheden op. Kees vierde zijn twintigste verjaardag op 21 juni 1965 tijdens een optreden in München. Mede door wat wisselingen, betere apparatuur en ervaring op de bühne ging het steeds voorspoediger.
   In 1966 waren de Eddysons in Hamburg. In de Top Ten-Club zagen ze een groep spelen met repertoire van de Beach Boys, liedjes als ‘Barbara Ann’ en ‘Fun Fun Fun’ met van die hoge stemmetjes. Dat was ‘fucking good’ vonden ze en het bracht hen op nieuwe muzikale ideeën.
 

Hits en goed betaald werk

 


Richard de Bois, links onder, Roek Williams, rechts boven (1966)

 
Waarom hadden jullie met al dat succes nog geen platen gemaakt, vroeg ik Kees. Ze hadden wel wat gedaan, hoorde ik, onder andere meegewerkt aan een plaatje van dr. Lenze Meinsma (1923-2008) tegen het roken. Een ‘echte’ plaat was echter het gevolg van een serie optredens anno 1967 in Dancing Pax op ’t Hof, Amersfoort. In die tijd speelden ze ‘Mustang Sally’ (Wilson Pickett), ‘I feel good’ (James Brown), de hits van Procol Harum en het album ‘Sergeant Pepper’ van de Beatles.
   Op één van die avonden stond Richard de Bois (1949-2008) onverwacht te luisteren. Richard was drummer van Roek Williams en de Fighting Cats. Dick de Bois, zijn vader, organiseerde de Veronica Drive In Show. Richard werkte tevens als talent scout en producer bij platenmaatschappij Negram-Delta. Toen hij de Eddysons zag optreden met ‘Sergeant Pepper’ was hij geweldig onder de indruk. Zo kwam de groep voor het eerst in de opnamestudio. De eerste single was meteen raak, hoorde ik. ‘Ups and downs’ verkocht meer dan 10.000 stuks, kwam op 27 april 1968 de top 40 binnen en steeg door naar de 23ste plaats. Ook de volgende plaatjes, ‘A Face’, ‘Watching the City’ en ‘A little misunderstood’ deden het goed.
 


Eddysons met Eddy Ouwens, links onder, en Kees de Blois, links boven
 

 
Behalve als zanger van de Eddysons had Eddy Ouwens (zoals altijd) andere activiteiten. In 1969 stapte hij uit de groep, die zonder hem doorging onder de naam Jumbo. In 1971 deed Jumbo het goed met ‘Say the right things’ op het Injection label van platenmaatschappij CNR. Aan werk was er nooit gebrek, vertelde Kees. Bouke Algera van boekingskantoor Holland-Telstar kon Jumbo goed kwijt in plaatsen als Noord-Holland (plaatsen als Hippolytushoef, Wognum, en Tuitjenhorn), Texel en Friesland (onder andere Sneek en Bolsward). Na 1969 (Woodstock) manifesteerde de groep zich bovendien met het meer ‘progressieve’ repertoire. Jumbo was een all-round groep die zijn stijl makkelijk aanpaste aan hetgeen de mensen wilden horen.
   Een extra bron van inkomsten was het het maken van recclamespots. Ze hadden goede contacten met Peter Snoeij van reclamebureau Lintas, dat in de weer was voor Van den Bergh en Jurgens, de producent van o.a. Unox, Calvé, Blueband en Omo. Kees zong één van de liedjes nog even voor: “Omo maakt schoon, door en door schoon. Bij iedere temperatuur, niet duur. Sokken en jassen, en broeken en dassen”. Met Snoeij zaten ze in opnamestudio’s als die van Frans Mijts (Soundpush), Pi Veriss en Luc Ludolph.
 
Patricia Paay, eveneens afkomstig uit Rotterdam, was een goede bekende. In 1967 had ze al eens gescoord met ‘Je bent niet hip’. Eddy Ouwens wilde in de stijl van ‘Je t’aime moi non plus’ een single produceren met haar en Ron Brandsteder. De zanger met de lage stem werkte op dat moment als plugger bij platenmaatschappij CBS. Ron kreeg van het bedrijf geen toestemming om mee te doen aan het duet. Ouwens zat met de handen in het haar. Met uitzondering van Rons zang was alles al opgenomen.
   Eddy Ouwens nam contact op met Kees de Blois. “Kun jij dat nummer niet even inzingen”, stelde Eddy voor. Vanwege de lage stem van Ron was dat niet eenvoudig. Kees moest een octaaf lager zingen. Maar het leverde wél een hit op. Onder het pseudoniem Larry Cotton haalde Kees de Blois met ‘I love you’ (op CNR) in 1974 een 22ste plaats in de top 40. Er verscheen nog een opvolger (‘Marlena’) en zowaar een heel album.
   Eddy Ouwens zette Kees en de andere leden bovendien in voor diverse projecten. Ouwens was vaak de man van ‘commerciële hits’. Zo was Kees in 1974 volop aanwezig bij ‘Is everybody happy’ van de plaatgroep Jackpot, dat op het BASF-label een zesde plaats haalde, en bij ‘Beer or sangria’ onder de naam Circus, dat op 18 kwam in de hitlijsten.
   Kees was dus van alle markten thuis. Hij had een goed gevoel voor wat de mensen mooi vonden, kwam overal, legde makkelijk contacten en kende de studio’s van binnen en buiten.
 


Jackpot

 

Van zanger tot plugger

 
In 1974 stond Kees de Blois onder allerlei namen regelmatig in de Nederlandse hitparade. Maar in de loop van 1976 kwam er een einde aan zijn groep Jumbo. Het was welletjes geweest, vond hij op 31-jarige leeftijd. Bouke Algera deed nog een poging om hem op de bühne te houden. Hij kon zo de nieuwe zanger van Telephone worden. Dat aanbod sloeg hij echter af. Hoe verder?
   De al eerder genoemde Theo Smit liet opnieuw van zich horen. Smit was bij Strengholt/Basart gaan werken. De uitgeverij had een eigen platenmaatschappij opgezet. Successen waren er met ‘Love to love you’ van Donna Summer en ‘Een roosje mijn roosje’ en ‘Sjakie van de hoek’ (Conny Vandenbos). Tony Berk, ex-deejay van Radio Noordzee, nam het repertoire voor zijn rekening.
   Tot dan toe had Ton van den Bremer als plugger bij de omroepen gefunctioneerd. Maar die ging zich nu inzetten voor internationale zaken. Er was dus een vacature. Theo Smit zag een rol weggelegd voor Kees de Blois, zijn oude maatje. Hij was ervan overtuigd dat Kees als plugger perfect zou functioneren.
   Kees, op dat moment zonder werk, liet zich enigszins schoorvoetend overhalen bij Basart te solliciteren. Het gesprek met Edward Keller, rechterhand van directeur Guus Jansen, was voor beide partijen onbevredigend. Kees hield niet van poeha, gaf rustig antwoord op wat hem gevraagd was. Keller was waarschijnlijk gewend aan mensen die zich overdreven probeerden te verkopen om aan een baan te komen. De sollicitatie pakte dan ook negatief uit.
   De platenafdeling van Basart was, zou je kunnen zeggen, een eiland binnen het uitgeversbedrijf. De platenmensen waren in zekere zin wilde jongens, terwijl de rest van de onderneming zich nogal conservatief en steriel opstelde, op een manier zoals Guus Jansen het wilde. Basart-medewerkers werden wel eens ‘klonen van Guus Jansen’ genoemd. Hoe dan ook, de platenjongens van Basart namen er geen genoegen mee dat Kees de Blois door Keller was afgewezen. Hij moest en zou de nieuwe plugger worden. Ze kregen hun zin.
 
Een makkelijke entree had Kees dus niet. Bovendien moest hij zich bewijzen met een moeilijke plaat. Conny Vandenbos had (onder productionele leiding van Eric Boom) dan wel veel singles en albums verkocht, maar ze was een beetje over haar hoogtepunt heen op dat moment.
   Kees de Blois: “De eerste plaat die ik in Hilversum moest gaan promoten was ‘De noorderzon scheen’. Dat was niet de beste plaat die Conny ooit gemaakt had.
   Het viel dan ook niet mee de single voldoende op de zender te krijgen. Alles draaide erom de tipparade te halen. Die was gaan fungeren als een ware bottleneck in de muziekindustrie. Van alle nieuwe singles kwam er niet meer dan een half dozijn per week op die lijst binnen. De selectie gebeurde door de stichting Nederlandse top 40 (van Veronica). Het was elke week een gevecht om op die lijst te komen. Kwam je niet op de tipparade, dan kon je een single verder wel vergeten. Zonder tipparade geen hitparade. En zonder hitlijsten geen aanzet tot een goed verkopend album”.
   Kees vergeleek zichzelf met Ton van den Bremer, zijn voorganger. Ton was in staat zijn daden geweldig op te blazen. Kees niet. Daar was hij te bescheiden voor. Zeker in de eerste weken als plugger vroeg Kees zich herhaaldelijk af of hij wel geschikt was voor dit moeilijke vak. Basart, zo voelde hij het, gaf hem min of meer de schuld dat de opvolger van de hit ‘Ome Arie’ niet in die mate door de diskjockeys werd opgepakt als gewenst was. Zijn collega’s van de platenafdeling wisten hem echter gemotiveerd te houden. Na een tijdje had hij zijn draai gevonden. Kees werd steeds meer gewaardeerd omdat hij altijd integer was. Op hem kon je staat maken, dat was zijn kracht.
 

Donna Summer

 


Donna Summer: I feel love

 
In 1977 boekte Kees de Blois enkele opmerkelijke successen in zijn promotie-activiteiten bij Basart. Met Donna Summer bijvoorbeeld. Al in 1974 bereikte de zangeres in Nederland een topklassering met ‘The hostage’. Summer werd voor Casablanca Records in de VS een ster in de ontluikende disco-industrie dankzij ‘Love to love you’, ‘Could it be magic’ en ‘Lady of the night’. In Nederland lukte het na verloop van tijd niet meer met haar te scoren.
   Kees de Blois: “In de zomer van 1977 werd ik op pad gestuurd met haar nieuwste single ‘Can’t we just sit down and talk it over’. Het was niet makkelijk de deejays enthousiast te maken. Totdat ik bij Peter van Dam kwam. De Vlaamse TROS-diskjockey vertelde me dat ze in België voor een andere a-kant gekozen hadden: ‘I feel love’. Dat nummer was een succes.
   Overleg plegen was onmogelijk. Iedereen bij Basart was op vakantie. Hoewel ik enigszins onzeker was besloot ik de tip van Peter over te nemen. Ik plakte een sticker met ‘A’ bij de juiste titel op het hoesje en gooide de plugging om. Dat werkte. ‘I feel love’ werd in Nederland de comeback van Donna Summer. En meer dan dat. De single kwam op 6 augustus 1977 de hitlijsten binnen en steeg door naar de top. ‘I feel love’ was de eerste nummer één voor Donna in Nederland”.
   In datzelfde jaar scoorde Kees de Blois eveneens met ‘Miracles’, een single van Anita Garbo. De producer, Tom Parker, had in de jaren erna enorm succes in Nederland met zijn bewerkingen van klassieke muziek die als The New London Chorale (‘The Young Wolfgang Amadeus Mozart’) op de markt gebracht werden.
   Kees zette zich bij Basart tevens in voor de Nederlandse funkgroep Boozy die met ‘Dance to the music’ en ‘Angela’ de top 40 wist te bereiken. Het waren producties van Eddy Ouwens, voormalig zanger van ‘zijn’ Flying Arrows/Eddysons.
 

‘I remember Elvis Presley’

 
Een bijzonder geval was een Nederlandse productie. Op de dag dat Elvis Presley overleed, 16 augustus 1977, bevond Eddy Ouwens zich in de studio met de groep Teach In. Naar eigen zeggen werd hij zo zeer aangegrepen door de dood van de rocker dat hij stante pede besloot een tribuut op de plaat te zetten. Zijn vriend Dick Kooiman haalde hij naar de Dureco-studio om ter plekke een pakkende tekst te schrijven. Eddy Ouwens werd Danny Mirror, de zanger van ‘I remember Elvis Presley’. Tony Berk, de voormalige deejay en nu werkzaam bij Basart, deed een stukje parlando. De single zou bij Basart op het Poker-label verschijnen.
   Kees de Blois: “In de tijd van de Eddysons zong Eddy inderdaad heel wat Elvis-nummers. Maar later niet meer. Hij belde me vanuit de studio. Ik moest de volgende ochtend, donderdag 18 augustus, naar Kees Grijpink van Dureco rijden. Bij hem lag een lakplaat van ‘I remember Elvis Presley’. Nog vóór de plaat in een rush-release in de handel kwam kon ik ermee aan de slag in ‘Hilversum’.
   Donderdag was de dag van de TROS op Hilversum 3. Tom Mulder zat vroeg in de ochtend op de zender. Ik liet hem de plaat horen. Hij reageerde uiterst negatief. Tom wilde de single niet draaien in zijn programma. Hij vond het een bedenkelijk initiatief".
 


Hugo van Gelderen

 
Hugo van Gelderen trad op als chef van de TROS-dag. Menige plugger was bang voor hem. Hugo kon zich nog wel eens ondiplomatiek uitlaten. Kees benaderde de programmaleider en slaagde erin hem naar de plaat van Danny Mirror te laten luisteren. Mulder had Hugo kort daarvoor van zijn mening op de hoogte gebracht, vernam hij. Toch merkte Kees dat Van Gelderen de plaat wel zag zitten. Niet veel later liet Hugo ‘I remember Elvis Presley’ horen in zijn programma, dat tussen 9 en 11 op Hilversum 3 uitgezonden werd.
   Kees reed meteen naar het kantoor van de stichting top 40, op de Oude Enghweg in Hilversum. Hij trof er Francis Bouwman en Lex Harding, die naar het programma van Van Gelderen luisterden. Lex vatte zijn mening over de single in één woord samen: “Kippevel”.
   Kees de Blois: “Hugo van Gelderen was de enige die ‘I remember Elvis Presley’ wilde draaien. Mede door de opstelling van Tom Mulder was het een omstreden single geworden. Zelfs Jaap de Groot van de NCRV durfde het niet aan de door Ouwens gezongen versie in zijn programma op te nemen. Jaap en Eddy konden het altijd goed met elkaar vinden. Eddy had Jaap als Mike Rondell in 1975 een hit bezorgd (‘I’m sorry Sir’). Om Eddy niet helemaal in de steek te laten programmeerde hij wél de b-kant, de instrumentale versie van de a-kant.
   Eén keer airplay bleek genoeg te zijn. De winkeliers werden meteen overspoeld door mensen die de single wilden kopen. Op vrijdagmiddag zou ik naar Schiedam gaan. Een platenhandelaar, Radio Modern, vroeg me of ik niet vijftig exemplaren voor hem kon meenemen. Er waren nog niet eens hoesjes. Ik bezorgde ze hem die dag dus in een kaal hoesje. Dat weekend verkocht hij ze allemaal!
   Het was duidelijk dat het idee van Eddy Ouwens aansloeg. Lex en Francis zetten het nummer meteen in de tipparade. Op 3 september 1977 verscheen de Poker-single in de top 40 en haalde de nummer één-notering. Eddy Ouwens had het als Danny Mirror helemaal gemaakt. De single werd in heel wat Europese landen een grote hit, zelfs in Engeland”.
   Die ene keer draaien door Hugo van Gelderen lijkt het essentiële verschil geweest te zijn tussen een ‘loser’ of een ‘winner’, een flop of een Europese hit. Zo belangrijk is het werk van een plugger.
  
Felix Meurders zond in die tijd de hitlijst op Hilversum III uit. Kees: “Daarnaast had hij een rubriek in de Hitkrant. In het weekblad beschuldigde hij Ouwens van lijkenpikkerij. Eddy nam het niet en stapte naar de rechter. Felix en de Hitkrant verloren. Ze werden veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie. Dat deden ze onder protest. Er verscheen een tekst in de Hitkrant met de woorden dat Arie Ouwens geen lijkenpikker was maar dat het wel erg eng was wat hij gedaan had.
 

Plugger bij CBS

 
Ondanks al die successen zette de uitgeverij van Guus Jansen een paar maanden later een punt achter platenmaatschappij Basart.
   Kees: “We draaiden prima. Maar ineens kregen we de kosten van de huisvesting van het kostbare pand van uitgeverij Strengholt op ons bord. Met een boekhoudkundige truc werden we verliesgevend gemaakt. Er waren nog andere redenen – dankzij ‘I feel love’ verkochten we enorme aantallen albums van Donna Summer. Maar de rechten om haar catalogus te exploiteren waren intussen bij Casablanca gekomen. Dat werd internationaal procederen en een hoop gelazer. Ton van den Bremer stapte over naar Phonogram, Tony Berk zette samen met Rolf Baierle muziekuitgeverij Roba in Nederland op”.
   Basart Records verdween niet helemaal. Er bleef een productiemaatschappij, Purple Eye, onder leiding van uitgever John Brands. Als promotieman van Purple Eye bleef Kees actief in Hilversum. Dat deed hij zo goed dat hij in 1979 uitgenodigd werd om voor CBS te komen werken.
   Kees: “CBS was een heerlijke tijd voor me. Behalve CBS (labels: Columbia en Epic) hadden we bovendien de rechten op het A&M-repertoire met Supertramp, Styx (‘Babe’) en de Police. Ik kon aan de slag met de topartiesten en -groepen van de wereld. In Hilversum had ik het niet zo moeilijk met Michael Jackson en Meat Loaf. Van diens album ‘Bat out of hell’ werden in Nederland niet minder dan 750.000 exemplaren verkocht.


Koos de Vreeze was opvolger van John Vis als directeur van CBS. Het irriteerde hem dat alle platenmaatschappijen hun producten langs slinkse weg in de tipparade (of top 40) moesten zien te krijgen. Om maar genoemd te worden als iemand van de stichting top 40 belde, gaven ze wekelijks platen cadeau aan invloedrijke winkeliers. Zo werkte het. CBS deed er volop aan mee. Lex Harding was van die praktijken op de hoogte. Een bevriende platenhandelaar in Gouda hield hem perfect op de hoogte. Lex wist precies welke platen door de industrie naar voren geschoven werden.
   Koos de Vreeze liet zich aandienen bij Harding. ‘Wij gaan stoppen met hypen’, gaf hij aan. ‘Het is toch belachelijk om op die manier je platen op de lijsten te krijgen. Ik reken erop dat de stichting Top 40 ons hierin zal steunen’.
   Het pakte anders uit. Omdat de platenmaatschappij het hypen afschafte, kregen de CBS-singles niet meer de aandacht en notering die ze nodig hadden. De omzet van het bedrijf kelderde snel. Na een paar maanden van singles die het niet maakten voelden de mensen van de platenmaatschappij zich gedwongen de oude praktijken te hervatten. Het ging tenslotte om hun boterham. De werkgelegenheid in Nederland stond op het spel. Opnieuw ging men hypen. Aan mij de taak dat aan Lex Harding mede te delen. Hij glimlachte. Zijn vriend in Gouda had hem meteen op de hoogte gebracht”.
 


Koos de Vreeze

 
Kees vertelde me op 6 oktober nog een paar persoonlijke herinneringen. Zelf was hij in 1980 geweldig enthousiast over de single ‘Computer Games’ van Mi-Sex. Hij was ervan overtuigd dat het een hit zou worden. “Ik liet de plaat bij de stichting horen en zei erbij: ‘Hier kunnen jullie niet omheen. Die single komt er gewoon, vroeg of laat’. De volgende week hadden ze hem meteen in de tipparade gezet. ‘Computer Games’ werd toch geen hit omdat mijn collega’s bij CBS me niet steunden. Ze hadden blijkbaar andere prioriteiten”.
   Een van die prioriteiten was Janis Ian, de zangeres van ‘Society’s Child’, ‘At seventeen’ en ‘Fly too high’. Kees: “Toen Janis weer eens in Nederland was vroeg ik Willem Duys of hij belangstelling had om haar in zijn populaire zondagochtendprogramma te interviewen. Daar was Willem wel voor in. Toen ik met haar arriveerde bij de radiostudio stonden de pluggers van de andere platenmaatschappijen te dringen in de hoop dat Willem één van hun schijven in ‘Muziek Mozaiek’ met een mooi verhaal zou aanprijzen. Dat was niet ongebruikelijk. Duys had die dag echter alleen maar belangstelling voor Janis Ian. Terwijl mijn collega-pluggers probeerden de aandacht van Duys te trekken, praatte deze rustig door met de Amerikaanse CBS-zangeres. Tot slot draaide hij nog een nummer van Thijs van Leer, die zijn platen eveneens voor CBS maakte”.
   Kees de Blois gaf een mooi beeld, vond ik, van hoe de pluggers-wereld functioneerde.
 

Professional manager bij EMI Music: ‘Comment ça va’

 


De kapel werd later het kantoor van EMI Music, Hilversum


 
Kees had een goede naam in het Gooise wereldje. Op een feestje raakte hij in gesprek met Frans de Wit, voormalig collega bij uitgeverij Strengholt/Basart. Frans was intussen directeur geworden van uitgeverij EMI Music, gevestigd Coehoornstraat 71 in Hilversum. Roek Williams was bij EMI vertrokken en Frans nodigde Kees uit diens plaats in te nemen als professional manager. Toen De Blois bekende dat hij van muziek uitgeven weinig afwist, kreeg hij ten antwoord: “Ik leer je het vak wel”. Kees liet zich overhalen en begon begin jaren tachtig aan een volgende uitdaging.
 
In zijn nieuwe job had Kees de taak om liedjesschrijvers voor EMI Music te interesseren. Bovendien legde hij contacten met platenmaatschappijen en producers om EMI-songs op de plaat te zetten. Zo leerde ook ik [HK] als A&R-manager van Polydor Kees de Blois goed kennen. De uiterst plezierige contacten met hem lagen aan de basis van een Europese hit in 1983.
   Tijdens een tv-opname in Roosendaal had ik een ontmoeting met platenproducer Jack de Nijs, als artiest bekend onder de naam Jack Jersey. Jack vertelde me dat hij ervan overtuigd was een grote hit in handen te hebben. Niet veel later bracht hij me op mijn kantoor in het pand van studio Wisseloord (Hilversum) op de hoogte van zijn plannen. Hij kende een jong groepje uit Leiden en ze hadden een fantastisch liedje. Dat zou zeker een succes worden, wist hij. Om me helemaal over de streep te trekken zong hij het liedje, geschreven door Eddy de Heer, wel even voor. De song heette ‘Comment ça va’.
   Ik was meteen even enthousiast als Jack zelf. Ik had echter één probleem. Het liedje had een Engelse tekst. Het leek me veel beter om het in het Nederlands te doen.
   Jack was uiterst plooibaar. “Als je dat wilt, dan doen we het toch in het Nederlands. Zet maar een fles sherry voor me neer en geef me een half uur, dan schrijf ik die tekst nu meteen hier achter je tafel”. Zo gezegd zo gedaan.
   Ik gaf Jack een budget van vijfduizend gulden om de opname in Hilvarenbeek (Relight-studio) te maken. Ruud Wams, voormalig medewerker van Bovema/EMI, was zakelijk achter de schermen eveneens bij de opname betrokken. Er kwamen nog 900 gulden bij om de mix te perfectioneren en toen hadden we, vonden Jack en ik, een hit in handen.
   Mijn mening werd niet gedeeld door de pluggers van Polydor. Die voelden er niets voor om zich voor ‘Comment ça va’ in te zetten. Ze wisten de directeur, die de opname nog niet gehoord had, te overtuigen dat deze waardeloos genoeg was. Vanuit een ander Polydor-pand in Hilversum kreeg ik ijskoud telefonisch te horen dat ‘Comment ça va’ niet door Polydor zou worden uitgebracht. Mijn voorstel om samen naar de opname te luisteren wees hij resoluut af. Bij Polydor werd, moest ik ondervinden, op dat moment de dienst door de pluggers uitgemaakt. Zo machtig waren die in de platenbusiness geworden.
   Daar zat ik dan met de mastertape van de Shorts, die Jack de Nijs gemaakt had. Bovendien had ik 5,900 gulden van mijn jaarbudget verbruikt. Omdat De Heer zijn song bij EMI had ondergebracht hield ik contact met de uitgeverij van de concurrent. Bij EMI zagen ze de opname van de Shorts wél zitten. Mede dank zij de inspanningen van Ruud Wams en Kees de Blois kreeg ik de mensen van EMI zo ver dat ze bereid waren de door Polydor gemaakte opnamekosten over te nemen en daarmee eigenaar van de tape te worden. Wat kon ik anders doen? Iedereen was gelukkig. In het voorjaar van 1983 bracht EMI de single van de Shorts in de handel.
   In zekere zin gebeurde hetzelfde als met ‘I remember Elvis Presley’. Het was verre van gemakkelijk het nummer op de radio te krijgen. Pim van de Kolk, op dat moment plugger bij platenmaatschappij EMI, moest grote weerstanden in Hilversum zien te overwinnen. Een enkele keer draaien op de radio was echter voldoende. Het publiek en de handel reageerden meteen. In korte tijd bereikte ‘Comment ça va’ de nummer één positie in de top 40. In de jaarhitparade van 1983 eindigden de Shorts op de tweede plaats, achter de Star Sisters, maar nog vóór Michael Jackson (‘Beat it’), ‘Lionel Richie (‘All night long’) en Mike Oldfield (‘Moonlight Shadow’). Alleen al in Nederland werden er meer dan 100.000 stuks van verkocht. De totale verkoop in Europa bedroeg vele miljoenen platen, singles en albums, op basis van dat ene nummer. ‘Comment ça va’ bracht heel wat geld in het laatje van EMI.
   Voor mij als A&R-manager zowel een frustratie als erkenning. Bijzonder was, zoals eerder aangegeven, dat pluggers een doorslaggevende rol gespeeld hadden.
 
Commerciële nummers als ‘I remember Elvis Presley’ en ‘Comment ça va’, blijkt elke keer weer, roepen nogal wat weerstanden op. Dat werd nog eens extra duidelijk toen Frans de Wit van EMI Music de internationale exploitatie ter hand nam. Bij EMI in Frankrijk bijvoorbeeld zagen ze het nummer helemaal niet zitten. Kees: “De directeur van EMI in Frankrijk, Danny Goldschmidt, liet letterlijk weten: ‘This piece of shit – I hate it’. Het Franse EMI was niet bereid ‘Comment ça va’ in de handel te brengen. Een Franse onafhankelijke uitgever en platenmaatschappij, die van Francis Gramende, had wel belangstelling en verwierf de rechten van het Nederlandse EMI-copyright. Ook in Frankrijk bereikte het nummer de top van de hitlijsten”.
 

Onafhankelijk plugger

 


Kees de Blois in de jaren tachtig
 

 
In 1987 besloot Kees de Blois bij EMI te vertrekken. Frans de Wit vertrok naar EMI in Londen en hij was niet gelukkig met de manier waarop een en ander tijdens de opvolging geregeld werd. Op verzoek van zijn werkgever bleef hij nog tot 1 mei 1988 bij de uitgeverij in de weer. Daarna vestigde hij zich als zelfstandige ondernemer, zzp’er zouden we tegenwoordig zeggen.
   Theo Smit hielp hem opnieuw aan vaste inkomsten. Hij was bij de NCRV neergestreken, maakte er tv-programma’s en haalde Kees erbij in de jaren 1988-1995. Kees wierp zich bovendien op als onafhankelijk plugger. Platenmaatschappijen konden hem inhuren voor een bijzondere plaat. Voor 1500 gulden werkte hij er dan zes weken aan bij de radio (en de stichting Top 40). Jarenlang kreeg Kees de ene opdracht na de andere. In tegenstelling tot andere onafhankelijke pluggers was hij alleen bereid voor een single te werken als hij er zelf achter stond. Zijn integriteit stond dus niet ter discussie. Een van de acts waar Kees zich jarenlang met succes voor inzette was Lois Lane, de groep van de zusjes Suzanne en Monique Klemann. Op verzoek van Prince traden die in zijn voorprogramma op.
   Kees was iemand die je kon vertrouwen. Als de promotiemensen bij een grote platenmaatschappij op vakantie gingen vroegen ze hem regelmatig of hij hun werk tijdelijk wilde overnemen. Zo’n uitstraling had hij.
 
Kees de Blois ging ook weer zelf muziek maken. Hij is zanger en gitarist geworden van de Oldtimers. “We maken de muziek die de mensen willen horen”. Alsof er nooit iets veranderd is.
 
Harry Knipschild
15 november 2013
 
Clips

* Russ Morgan, Cruising down the river, 1949
* Shadows, Apache, 1960
* Eddysons, Ups and downs, 1968
* Jackpot, Is everybody happy, 1974
* Anita Garbo, Miracles, 1977
* Donna Summer, I feel love, 1977
* Elvis Presley overleden, NOS-journaal, 1977
* Eddy Ouwens (Danny Mirror), I remember Elvis Presley, 1977
* Styx, Babe, 1980
* Shorts, Comment ça va, 1983
Lois Lane, My best friend, 1992
* Kees de Blois, rechts met de Oldtimers, The letter, 2012