Zoeken


 
In de Limburger van 28 augustus 2013 constateerde John Hoofs dat het muziekaanbod in het centrum van Maastricht was ‘ineengeschrompeld tot een paar treurige rekjes doorsnee in de kelder van V&D, met schijfjes van K3, Wolter Kroes en Nick & Simon’.
   “De eerlijkheid gebiedt te melden dat Bob Dylan nog op een verwaarloosbaar plekje standhoudt. Van zijn voorlaatste staan er twee exemplaren. Zijn nieuwste gaat Maastricht vermoedelijk niet meer bereiken. Wie uit de tijd van telexen, cassettebandjes, elpeehoezen en typemachines stamt, glijdt met regelmaat weg in een roes van jeugdsentiment.
   Dan komen beelden langs van Muziekhuis De Harp in de Spilstraat, waar je plaatjes kon beluisteren door twee schelpen tegen je oren te drukken en de legendarische Henk Severs er eer in stelde om de nieuwste van Creedence Clearwater Revival als eerste in Maastricht te kunnen aanbieden. Allemaal voorbij en we zijn bang dat het met de boekhandels dezelfde kant opgaat”.
 

Van Drente naar Maastricht

 
Toeval of niet, ik was naar Maastricht gereisd om die dag met Loe Schoonbrood (geb. 20 januari 1949, Maastricht) en René Brouwers (8 mei 1951, idem) over Severs en de Harp te praten. Eerder hadden ze me een stapel knipsels uit oude kranten en tijdschriften bezorgd zodat ik al wat voorbereid was.
   In een niet met name genoemd blad (Muziek Mercuur, 1961 of 1962?) las ik een en ander over de oudste geschiedenis van de winkel. Om te beginnen was de familie Severs helemaal niet van Maastrichtse of zelfs maar Limburgse komaf. De ouders van Henk waren afkomstig uit Drente. Zijn vader was in Meppel geboren. In het begin van de twintigste eeuw was het tweetal vanuit het noorden helemaal naar Maastricht gekomen en woonde op het Schildersplein in Wyck. Vader Severs, die zelf viool speelde, begon er muziek-instrumenten te repareren. In 1936 opende het echtpaar een eigen zaak op Spilstraat 12, een winkel in muziekinstrumenten. “Alles wat naar muziek rook, werd er verkocht. Van bladmuziek tot accordeons en trompetmondstukken”. Een goed idee, leek me. In Zuid-Limburg was er immers heel wat blaas- en andere muziek. Fanfares en harmonieën kon je overal en het hele jaar door zien rondtrekken door de straten.
   Maar het was crisistijd. In het interview sprak Henk (geb. 26 mei 1923) dan ook over ‘een droeve boel’. “Moeder zat soms handenwringend bij de kassa, als ze op een dag nog geen rijksdaalder ontvangen had, herinnerde haar zoon zich nog. Want moeder moest de winkel bedienen: vader was bezig in de werkplaats. Met platen begonnen we in 1938. Moeder kocht toen haar eerste Decca-platen van de heer Turell”.
   Na een paar jaar verhuisde men in de Spilstraat naar de overkant. Boven was de woning, beneden, nu Spilstraat 13, was de winkel met de werkplaats erachter. 
 


Muziek uit de grammofoon geeft troost tijdens de crisis in de jaren dertig

 

Henk Severs manifesteert zich in de oorlogsjaren en bij de bevrijding

  
Op vergeelde pagina’s kon ik lezen dat Henk Severs in de jaren dertig nog op school zat. Gemakkelijk had hij het niet. Henk was zwaar lichamelijk gehandicapt. Toen ik hem rond 1960 leerde kennen was hij een kleine, oud-uitziende man met een kromme rug. “In zijn jeugdjaren onderging hij talloze operaties. Van zijn ouders erfde hij een opgeruimd gemoed en doorzettingvermogen. Zo kwam hij tot behoorlijke prestaties. Maastricht voegde er een vleugje cultuur aan toe: eerst op de kunstnijverheidsschool, daarna aan de muziekschool. Na zijn opleiding in Visé, over de grens in Franstalig België, stond hij op het punt stage te gaan lopen bij de Duitse muziekfirma Hohner”. Dat bedrijf produceerde onder andere accordeons en mondharmonica’s. Maastricht ‘lag internationaal’. Ook in de jaren dertig.
   “Maar het ging niet door. De oorlog brak uit. Zo kwam Henk in de werkplaats bij zijn vader en de heer Veenhof. Daar konden ze hem best gebruiken. Nieuwe instrumenten waren er niet meer; die handel lag helemaal stil. Maar er moest gerepareerd worden wat er nog te repareren was. Zijn platenverzameling, die hij al voor de oorlog begonnen was, breidde hij uit door te ruilen. Twee platen voor een”.
   Blijkbaar zat de handelsgeest er al vroeg in.
 
Tijdens mijn recente verblijf in Maastricht bezocht ik het Koningsplein dat helemaal overhoop lag in verband met het graven van een grote verkeerstunnel. Bij het lokale bronzen bevrijdingsmonument, nu nogal versukkeld, werden de oorlogsjaren aangeduid met 1940-1945. Ten onrechte: de plek van het monument was al op 13 september 1944 vanuit België door de geallieerden op de Duitsers veroverd.
   Voor de jonge muziekliefhebber, op dat moment een jaar of twintig, moet het een heerlijke tijd geweest zijn. Niet alleen vanwege de bevrijdingsfeesten maar ook door de Amerikaanse grammofoonplaten die de militairen meebrachten. En niet alleen platen. “Henk kwam ogen tekort bij de Amerikanen. Hij raakte er nog steeds niet over uitgepraat. Ze hadden pockets, romans in zakformaat. Tijdschriften bij de vleet, zoals Esquire. Ze hadden chocolade. Van die keiharde tabletten. Onbreekbaar waren ze. Maar je kon er heerlijke chocolademelk van maken. Frisdranken hadden ze ook in overvloed. En kauwgum. En donuts”.
 
Vele jaren later liet Severs zich tegenover een journalist in details uit over zijn activiteiten tijdens en na de de bevrijding van Maastricht. Die noteerde:
   “Henk was helemaal up to date. Hij had de nieuwste muziek uit de States. Bing Crosby, George Gershwin, de immens populaire Glenn Miller met zijn big band. Met dank aan de Duitsers. De Polydor-fabrieken in Hamburg kopiëerden namelijk muziek van de Britse radiozender BBC voor Duitse officieren: jazz- en swingmuziek die officieel in nazi-Duitsland verboden was. Een dwangarbeider, die in Hamburg gewerkt had, klopte na de bevrijding bij de muziekzaak van Henks vader in de Spilstraat aan. Of Henk interesse had in 25 platen met Amerikaanse muziek? Nou, dat had hij wel. Want Henk draaide op dat moment ook al plaatjes voor de Amerikanen in de Staarzaal. Maastricht was na de bevrijding rest center voor de GI’s. Even een paar dagen ontspannen en dan weer terug naar het front in de buurt van Aken.
   In de Gouden Hoorn aan het Vrijthof was hij in september beginnen te draaien voor de Amerikanen. In zijn door zijn pa gemaakte trekwagen bracht hij vanuit de zaak in de Spilstraat de platen in kartonnen dozen over naar de uitspanning aan het Vrijthof. Gedraaid had hij al vaker in de oorlog. Op feestjes bij zijn vriend Hans Braun, ook aan het Vrijthof”.

 

Henk Severs als 'deejay' en presentator Eurlings in de bunker van de Sphinx (najaar 1944) 
 

Van het een kwam het ander. Tijdens zijn ‘performances’ na 13 september 1944 werd Henk ‘ontdekt’ door een meneer Smit van de PTT. Of hij geen zin had platen te draaien in de voormalige bunker onder de Sphinx. Dat was de fabriek van aardewerk op de Boschstraat die Petrus Regout in de jaren 1830 opgezet had. In die tijd werd Maastricht door Hollandse troepen onder leiding van de protestant Bernardus Dibbets (1782-1839) bezet omdat de stad zich anders bij de Belgische opstand zou aangesloten hebben. De Amerikanen hadden hun AFN-radio (American Forces Network).
   “De Duitsers hadden van hier uit de steden in het Rijnland gewaarschuwd als er weer eens een geallieerde bommenwerpervloot op hen afkwam. Op het dak van de Sphinx konden de Duitse Blitzmädel exact bepalen in welke richting de Amerikanen of Britten vlogen.
   Twee draaitafels, twee versterkers, een tafel met microfoon waarachter omroeper Eurlings de platen aankondigde of mededelingen van het Militair Gezag doorgaf. De uitzendingen waren via de draadomroep in de Maastrichtse huishoudens te horen. In de meeste keukens hing zo’n bakelieten radio-ontvanger. Henk had de tijd van zijn leven.
   Maar ’s avonds was het linke soep, herinnerde Henk zich. Er brandde nog geen straatverlichting. Pikkedonker was het. De Boschstraat leek ’s avonds veel op een spookstraat. Die ene keer dat hij om zes uur ’s middags naar huis ging om te eten vergat hij nooit meer. Midden op de Boschstraat hoorde hij een geluid. Nee, het was niet het geluid van Amerikaanse motoren. Dat kende hij intussen wel. Plotseling scheerde een Messerschmidt laag over de Boschstraat. Henk wist niet hoe snel hij een portiek moest induiken”.
   Waren dat de dagen van het Ardennen-offensief, eind 1944?
   Vanwege zijn activiteiten voor de Amerikanen, van september 1944 tot mei 1945 toen ook de rest van Nederland bevrijd was, werd Severs later wel eens de eerste deejay van Nederland genoemd in de Limburgse media. “Het woord diskjockey moest nog worden uitgevonden toen Henk het al was”.
 

Henk Severs aan het werk na de bevrijding van Nederland

  
Vanaf 1945 werkte de ‘deejay’ weer gewoon in de werkplaats van zijn ouders. “De ‘koffiepottentijd’ noemde Henk Severs het. Vooral de koperen blaasinstrumenten hadden zwaar geleden. Omdat de bezetter het op alle koper gemunt had, werden die zo goed mogelijk weggestopt, soms zelfs diep in de grond begraven. Dat had ze natuurlijk niet beter gemaakt. Maar voor Severs was het een nuttige tijd: hij werd specialist in blaasinstrumenten.
   Eigenlijk was Henk na de oorlog een ‘dubbele’ figuur. Zijn plaats was in de werkplaats, maar als het nodig was hielp hij ook in de winkel. Tot zijn moeder omstreeks 1950 een tijd ziek werd. Sindsdien bleef hij voorgoed in de winkel. Dat heeft hij nooit betreurd. Niet alleen omdat achter de toonbank ook zijn verloofde Nellie Slierendrecht stond, maar ook, omdat hij vanaf het eerste pick-upje dat de zaak rijk was een bijzondere belangstelling voor de plaat had. Niet zo lang daarna werd er getrouwd en lieten de ouders het jonge paar helemaal de vrije hand in de zaak.
   Loe Schoonbrood: “De familie Slierendrecht was evenals de familie Severs niet afkomstig uit Maastricht. Nellie was in Delft geboren, begin december 1927. Haar vader werkte bij het spoor. Om die reden verhuisde het gezin regelmatig naar een andere stad. Zo kwam ze in Maastricht terecht”.
   Dankzij de kerk vond Henk zijn aanstaande vrouw: “We ontmoetten elkaar op catechesatie” liet hij in een interview afdrukken.
 


Henk Severs in een winkel vol 78 toeren-platen

 

Loe Schoonbrood en de Harp

 
Uit eigen ervaring, lang geleden, ervoer Loe wat het betekende als Henk Severs zich voor een plaat inzette.
   “In 1954, ik was vijf jaar oud, ging ik met mijn vader en moeder naar dancing Carlton in de Kleine Staat. Kort na de oorlog was dat een ontspanningsoord van Amerikaanse soldaten geworden. In Carlton was een optreden van het Hollandse orkest van Eddy Christiani met op viool Frans Poptie, grote sterren van radio en 78 toeren-platen. Ik mocht een liedje meezingen. Eddy Christiani was zo onder de indruk van mij, het jonge zangertje, dat hij me aanbood een plaat te maken. Die zou uitkomen bij Bovema, het bedrijf van Ger Oord”.
   Christiani met name was een ster dankzij ontelbaar veel hits, zoals ‘Spring maar achterop’, ‘Zonnig Madeira’, ‘Ouwe taaie’ en ‘Daar bij de waterkant’. In 1953 stapte hij over van Decca naar Columbia, een van de labels van Bovema.
 


Het kindsterretje Loe Schoonbrood
 

Loe: “Ik was zo jong dat ik nog niet kon lezen. Voor Eddy Christiani was dat geen probleem. Hij zette zijn eigen zang op een glazen plaat en stuurde die naar Maastricht op vanaf de Leidsekade in Amsterdam waar hij woonde. Door de glazen plaat een aantal malen af te spelen kon ik de tekst uit mijn hoofd leren. Omdat er op dat moment geen studio in Holland beschikbaar was namen we twee liedjes op in Keulen. De opname vond plaats in een oude bunker. Langs de wand waren gele houten kistjes Coca Cola opgestapeld. Misschien wel voor de akoestiek.
   De sessie resulteerde in de liedjes ‘Kleine cowboy’ en ‘Moeders verjaardag’. Ze werden op Columbia uitgebracht onder de naam ‘Loekie – de kleine cowboy’. Bij het uitbrengen van de plaat leerde ik Henk Severs kennen. Hij zette zich geweldig in. In zijn etalage hing hij een poster op, die overigens door Bovema beschikbaar was gesteld. Mede door zijn inspanningen werd ‘Kleine Cowboy’ een succes. Landelijk zijn er ongeveer 20.000 exemplaren van verkocht.
   Er moest een tweede plaat komen. Dat werd ‘Naar het circus’, een nummer dat in Utrecht werd opgenomen. Ook daarvan hing weldra een poster in de etalage van de Harp. De verkoop was ongeveer gelijk aan ‘Kleine Cowboy’. Ik heb zelfs nog voor de landelijke radio gezongen. Daarvoor moest ik helemaal met de trein naar Hilversum.
   Na die twee platen hoefde het voor mij niet  meer. Als jonge artiest ben ik er mee opgehouden. Maar met Nellie en Henk Severs heb ik altijd contact gehouden”.
 


De poster voor Loe Schoonbrood, zoals die in de etalage van de Harp hing

 

Verkopen met plezier. Platen gaan er in als vlaaien

 
Aan zijn goede contacten met Christiani en Bovema hield winkelier Severs nog een mooie trofee over – een gouden plaat voor ‘Zeemanshart’, een van de vele successen van de gitarist/zanger. Henks eerste.
   Het is onzeker hoeveel exemplaren er in de Harp verkocht werden van die gouden plaat. Maar langzamerhand werd duidelijk dat er in die kleine smalle winkel in de kleine nogal smalle Spilstraat soms enorme aantallen van een ‘schlager’ over de toonbank konden gaan. Als Henk Severs er iets in zag was hij bovendien bereid, lijkt het, om meteen flinke aantallen bij de platenmaatschappij te bestellen. In een artikel uit 1976 werd bijvoorbeeld afgedrukt: “Als eerste bestelde hij bij een platenfabriek, die hem voor gek verklaarde 1.000 78-toerenplaten met carnavalsliedjes. Nu springt iedereen erop. Via de radio hoorde hij de eerste creatie van Johnny Jordaan, bestelde tot ontsteltenis der platenmaatschappij meteen 4.000 platen en was in enkele dagen ‘los’”.
   Het eerder vermelde artikel in het vakblad (Muziek Mercuur?) had als titel ‘Verkopen met plezier. Platen gaan er in als vlaaien’. De redacteur van het tijdschrift legde de nadruk op de enorm hoge aantallen singles die in de ‘pijpenla’ van eigenaar veranderden. Bovendien: als Severs in een nog onbekend item, desnoods van een nog te ontdekken artiest, geloofde, plaatste hij meteen een grote bestelling. Dat was ongehoord.
   “‘Onze Henk in Maastricht is niet bekrompen’, had een vertegenwoordiger gezegd. ‘Als die iets in een plaat ziet, bestelt hij meteen 500 of 1000 stuks.
   Het klonk wat onwaarschijnlijk. Veel handelaren beschouwen een bestelling van 25 stuks van een goedlopende tophit al een hele heldendaad. Maar ineens 500 of 1000? Toch was het zo. Henk Severs bevestigde het zonder er overigens veel ophef van te maken.
   En zijn vrouw Nellie zei een beetje trots: ‘Ik zal het maar zeggen, want hij zegt het zelf toch niet. Mijn man heeft daarvoor een hele goede feeling. Al koopt hij 500, 700 of 1000 tegelijk, ze gaan toch altijd weg. Voor de uitverkoop hebben we nog geen 100 platen. Maar kort geleden had hij er 200, die maar niet verkocht werden. Wij – de meisjes in de winkel en ik – hadden natuurlijk een reuze pret en hem maar steeds plagen met die strop. En wat gebeurt? In het programma van Guus Jansen over Luxemburg wordt de plaat tot openingsnummer gekozen. Weg waren ze in nog geen week’”.
   Begin jaren zestig werd aan het begin van de zondagmiddag tijdens de Nederlandstalige uitzendingen van radio Luxemburg de Nederlandse hitlijst uitgezonden. Die zender was in het zuiden van ons land goed te ontvangen. Het programma begon met ‘Ready Teddy’ van Cliff Richard. Guus Jansen, werkzaam bij uitgeverij Basart en uitgever van het blad Muziek Parade, was met zijn stem een ster in Maastricht en omstreken.
 


Nellie Severs tussen Bruno Majcherek en haar man Henk (bij 3000 x Laila in de Harp)

 
Op 3 september 2013 sprak ik telefonisch met Francine Cremers die vanaf eind jaren vijftig als ‘meisje’ in de winkel werkte. Ze maakte kennis met Severs omdat ze een nieuwe saffier voor haar platenspeler wilde aanschaffen. “Meneer Severs stuurde me naar huis terug. Ik moest de oude naald meebrengen. Toen ik dat deed vroeg hij aan me of die zelf uit de pick-up verwijderd had. Ik zei ‘ja’. Zo iemand kunnen we goed in de zaak gebruiken, riep hij spontaan. Waarom kom je hier niet werken? Tot de sluiting ben ik er gebleven. Ik haalde ook Noëlle Bouvry, mijn nichtje, erbij. Werken bij meneer en mevrouw Severs was de mooiste tijd van mijn leven”.
   Francine, die de geboortedata van Nellie en Henk anno 2013 nog uit haar hoofd oplepelde, gaf ook commentaar op de enorme hoeveelheden singles die haar voormalige baas bestelde als hij erin geloofde: “Misschien waren die niet altijd zó hoog als in de media werd afgedrukt, maar hoog waren ze zeker. Meneer Severs wilde er zeker van zijn dat hij voldoende exemplaren in voorraad had als hij een lokale campagne voor zo’n plaat opzette. Hij moest er niet aan denken dat hij dan nee moest verkopen en zijn (potentiële) klanten die bij een andere zaak aanschaften. Dat zou een ramp geweest zijn”.   
 
Blijkbaar wisten Nellie en Henk Severs heel wat mensen hun winkel binnen te krijgen. Niet dat er geen concurrentie was. In die tijd waren er maar liefst vijf muziekwinkels in de stad. Woepen had er twee, één in de Tweebergerpoort (bij het Vrijthof) en een filiaal op een hoekje in de Frankenstraat (Wyck). Vlak voor de lunchroom op de bovenste etage had Vroom & Dreesmann een uitstekend-gesorteerde platenbar. En dan was er nog de zaak van Matt Niël, gespecialiseerd in klassieke muziek.
   Toen ik vanaf 1958 mijn eerste singles aanschafte (‘Diana', ‘Bye Bye Love’, ‘Stupid Cupid’, ‘Western Movies’, ‘Marina’, ‘Walk don’t run’) was de Harp steeds vaker de plaats waar ik ƒ3,40 van mijn zakgeld neertelde. Maar alvorens de keus te maken liet je aan de ‘platenbar’ eerst nog wat horen, de a- en zelfs de b-kant van een serie singles. Bij de Harp kon je nog wel eens een praatje maken. Het personeel in die winkel was goed geïnformeerd en je voelde je er op je gemak, meen ik me te herinneren.
   In het vaktijdschrift was te lezen: “Dat moet een machtige zaak zijn, denkt men. Het is ook een machtige zaak, tenminste naar de verkoop. Niet naar de omvang. Naar de omvang is het een smalle pijpenla, waar voor de zelfbedieningsbakken nauwelijks plaats is. Hypermodern dan, zoals men in het westen enkele kleine elegante zaken vindt? Ook niet. Behalve de luisterbar is er niets dat aanspraak maakt op ‘moderne vormgeving’.
   Maar het is er gezellig; er is sfeer; men is er op zijn gemak. ‘De mensen moeten zich er thuis voelen als in hun huiskamer’, vindt Henk Severs. En daarom zet hij het persoonlijk element op de voorgrond, in ieder opzicht. Dat geldt niet alleen voor de winkel, dat geldt ook voor de etalage of de advertenties.
   ‘Je moet de mensen aanspreken in hun eigen taal’, zegt hij. ‘Ik hoorde eens iemand zeggen: dat is een moordplaat. Dat heb ik dadelijk overgenomen en in de etalage bij de plaat gezet. Zoiets doet het. Kijk, je kunt in de etalage bij een plaat zetten: nieuwste opname van Cliff Richards. Maar je kunt ook zetten: Jongelui, dit is de nieuwste opname van Cliff Richards. Dat is net even anders; dat spreekt dadelijk meer aan. En zo doe ik het ook in mijn advertenties. Ik neem nooit vaste clichés of bestaande slagzinnen. Ik zeg het op mijn eigen manier. Het zijn vaak de kleine dingen die het doen. De menselijke dingen, daar komt het op aan. Daarin voelen de mensen zich aangesproken’”.
 

Billboard

 
Tijdens een van mijn bezoeken aan de Harp ontdekte ik dat Henk Severs geabonneerd was op een buitenlands tijdschrift, het Amerikaanse vakblad Billboard. Dat was een magische naam voor mij. Elke week was hier de top 100 van de Verenigde Staten in afgedrukt. In die tijd was dat de basis van alle popmuziek. Als je hoog op die lijst stond had je het bij wijze van spreken helemaal gemaakt. Engeland telde, voor Nederland althans, nog niet zo hevig mee. De muzikale invloed van Duitsland, Frankrijk, Italië en België was zeker niet minder.
   Van Loe Schoonbrood hoorde ik recentelijk dat hij de ouwe Billboard mocht hebben als er een nieuwe binnenkwam. In 1960 wist ik dat niet en Loe heb ik in die tijd niet bewust ontmoet. Tijdens een bezoek aan de Harp in die tijd vroeg ik aan Severs wat hij met het weekblad deed als er een nieuw exemplaar arriveerde. Zijn antwoord was ad rem: “Als je me een kwartje betaalt kun je de ouwe Billboard meenemen”. Die kans liet ik niet lopen. Elke woensdagmiddag als ik uit school kwam fietste ik naar de Spilstraat met een kwartje. Soms was de nieuwe er nog niet, dan moest ik een dag later terugkomen.
   In de Billboard las je niet alleen de Amerikaanse top 100, maar ook de hitlijsten van een heleboel andere landen in de wereld. Een ereplaats was er voor de ‘Honor Roll of Hits’, een lijst van de meest geslaagde ‘songs’. Dat was duidelijk een erfenis uit het verleden toen bladmuziek nog belangrijker was dan grammofoonplaten.
 

 
Voor alle duidelijkheid: De Billboard waar Henk Severs een abonnement op had, was een speciale, tamelijk dunne editie voor Europa. Die heette ‘Billboard Music Week’ en ging alleen of voornamelijk over muziek. Na een jaar of zo werd die opgeheven en kwam de gewone dikke Billboard in Maastricht terecht. In dat blad speelde muziek een aanzienlijk beperktere rol. Op het internet kun je de gescande bladen uit die tijd lezen.
   Door mijn contacten met Henk Severs, en de Billboard, kreeg ik steeds meer belangstelling voor de economie van de popmuziek. Mijn kennis verwoordde ik in het schrijven van artikelen. Een paar jaar later vond ik een baan in de popmuziek ‘leuker’ dan verder wis-, natuur- en sterrenkunde studeren in Utrecht.
 

Henk Severs: ‘ontdekker’ van Rocco Granata, Jack Jersey en Johnny Blenco

 
Het abonnement op Billboard gaf al aan dat Severs meer voor zijn vak deed dan zich achter de toonbank opstellen. Loe Schoonbrood: “Als hij maar even de kans kreeg luisterde hij naar de radio. Henk vond het belangrijk om mogelijke nieuwe hits als eerste te ontdekken”.
   Maastricht lag internationaal. Holland was betrekkelijk ver weg. Duitsland en België waren een stuk dichterbij, ook in culturele zin. In Maastricht kon je behalve de Nederlandse tv (vanuit Roermond) ook twee Duitse zenders (WDR en ZDF), een Vlaams (BRT) en een Franstalig televisiestation (RTB) ontvangen. In tegenstelling tot in Holland, kon je er tevens heel wat radiozenders uit het buitenland goed ontvangen. Er waren ook heel wat regionale radiostations, inclusief de Regionale Omroep Zuid op de Hasseltkade. Radio Hasselt had een popprogramma, het BRT-programma van Guy Mortier werd goed beluisterd op zaterdagmiddag. Aken en Luik, waar anderstalige platen in de winkels lagen, lagen op fietsafstand.
 


Voelt de jonge Rocco Granata (1959) zich in Wyck dicht bij de Maas nu voor het eerste een grote ster?

 
Een bijzondere plaat in die tijd was ‘Marina’ van Rocco Granata. Ik heb hem in 1959 zelf nog bij de Harp gekocht op het Delahay-label van Hans Kellerman. In november 2001 liet deze in het blad Warm Sounds afdrukken:
“Op een gegeven moment belde een relatie van me op, Jean Nijssen uit Antwerpen: ‘Ik heb hier een bandje van Jules Nijs, een café-houder uit Aarschot, van een groepje Italiaanse jongens die bij hem in zijn zaak spelen. Of ik van dat bandje 200 singles kon laten persen’. Dat kostte zo’n twee kwartjes per single en honderd gulden voor de persmatrijzen. Ik deed er honderd piek voor mezelf boven op en klaar. Dat bandje vond ik echter wel aardig klinken en dacht: ‘Ik laat er 300 persen, dan heb ik die matrijskosten niet en geef die 100 platen aan de vertegenwoordigers mee en kijken wat het gaat worden’.
   De café-houder kwam zijn 200 platen ophalen en maakte geen bezwaar tegen de 100 extra exemplaren. Op de vertegenwoordigersvergadering riepen de jongens direct: ‘Dat wordt een hit!’ Ik bedacht een stunt voor de promotie. In het voetbalstadion speelde die zondag de wedstrijd Nederland-België. Een volle bak, met wel 60.000 mensen. Ik ging naar de radiokamer en gaf vijfentwintig gulden als ze die plaat vooraf wilden draaien. Ik belde Skip Voogd voor een stuk in Tuney Tunes, maar wist helemaal niets van die man, alleen zijn naam: Rocco Granata. Skip verzon een groots verhaal. Radioplugging had ook resultaat en ik liet direct opnieuw 500 stuks bij Phonogram persen. Toen begon de plaat te lopen en werd het een gigantische hit, waardoor ook Delahay ging rollen”.

In zijn verhaal maakte Kellerman geen melding van de activiteiten in het uiterste zuiden van Nederland.
   Volgens Severs ging het in Maastricht heel anders. In de Limburger werd genoteerd dat ‘Henk via een regionale zender een lied van ene Rocco Granata hoorde. Henk en Nellie stapten in de auto en reden Belgiëwaarts, zo lang tot ze de nog onbekende Rocco ergens in een achterafstraatje in de Borinage hadden gevonden. Severs pousseerde Rocco’s platen in Nederland. Toen hij de meester van het rauwe lied naar zijn zaak haalde om handtekeningen uit te delen, zag de Spilstraat zwart van de fans. Henk pousseerde de platen van Rocco Granata toen de Belgische Italiaan nog volslagen onbekend was’.
   Hoe dan ook, ‘Marina’ werd een wereldhit. Zowel de versie van Rocco Granata als die van de ‘Hollander’ Willy Alberti werden in de Amerikaanse hitlijst van Billboard geklasseerd. Dat was nog nooit eerder gebeurd met een Nederlandse grammofoonplaat.
 


Het 1000ste exemplaar wordt door Rocco Granata zelf feestelijk verkocht

 
Henk Severs, de actieve platenhandelaar, was bovendien nauw betrokken bij talentenjachten in zijn regio. Hierbij werkte hij samen met Phonogram, de grootste platenmaatschappij in het land. Als er op muzikaal gebied iets aan de hand was kon je er zeker van zijn dat de Harp zich liet zien. Het ging verder dan alleen maar talentenjachten, aldus Muziek Mercuur begin jaren zestig.
   “Henk produceert ook platen. Dat doet hij als leider van Phonogram’s Opname Studio Zuid. ‘Eigenlijk een soort van voorstudio’, zegt hij. ‘Eerst heb ik zelf wat opnamen gemaakt, die door Phonogram werden geperst. Toen hebben we hier de zaak stap voor stap opgebouwd en nu is er een eigen opname-apparatuur. Eigenlijk vormen we een driemanschap met een musicoloog-arrangeur J. Penders en technicus Gerard Noten, die overdag in de bakkerij staat. Er zijn al enkele leuke platen uitgebracht, o.a. van de Quinto’s, John Wessel en de Typhoons. Ook heb ik nu John Blenco gecontracteerd, een nog onbekende artiest, maar dat wordt zeker wat’.
   Of er dan behoefte was aan zo’n aparte studio in het zuiden? Ja, toch wel. Een van de grote moeilijkheden voor de Limburgse dealers is, dat er plotseling platen gevraagd worden, die de importeurs nog niet voorradig hebben. Dat komt door de veel beluisterde Radio Luxemburg of door de contacten met België en Duitsland. Men ligt met de toppers vaak enkele weken voor op het westen [! HK]. En bovendien: er is ook een repertoire te vormen van liedjes, waar men speciaal in het zuiden op gesteld is”.
   Johnny Blenco werd een ster in Maastricht en omstreken. Blenco maakte muziek voor de grote massa. Dat was het genre waar Henk Severs zich in kon uitleven, zoals ook in latere jaren nog nadrukkelijk zou blijken. Met rockmuziek kwam hij in zijn eentje niet veel verder. Daar had je de Hollandse radio voor nodig. En Holland was ver weg vanuit Maastricht. Hoewel er altijd wel banden waren. In het archief van de familie Severs vind je uit die tijd foto’s van Nellie en Henk met onder anderen in de winkel The Three Jacksons (1953, helemaal uit Rotterdam), Schriebl & Hupperts (1958), Johnny Hoes en de Zangeres zonder Naam (1958), Bruno Majcherek (1960, met Max Fijen) – en elders Rudolf Schock (1955), Vico Torriani, Luis Mariano (1959), Caterina Valente (1960), Peter Koelewijn en Freddy Quinn (1963).
 


Peter Koelewijn en Henk Severs (1961)

 
Een bijzonder verhaal is dat van Jack de Nijs (1941-1997), die in de jaren zeventig een superster werd als Jack Jersey. Maar hij produceerde ook echte bestsellers van Leo den Hop, André Moss, Frank & Mirella, Clover Leaf, Moan, Tony Bass en Nick MacKenzie.
   Begin jaren zestig studeerde De Nijs aan de hogere hotelschool in Maastricht. Op zijn website, nog steeds ‘in de lucht’, heeft De Nijs laten vermelden: “Tijdens die periode ben ik weer begonnen met muziek te maken. We richtten een quartetje op onder de naam ‘The Four Sweeters’. Het leukste van die tijd vond ik wel dat we enorm succes hadden bij de dames. Niet alleen op school traden we frequent op. Nee, we werden al spoedig gevraagd door zalen in omliggende gemeenten. Regionaal waren we al vrij snel erg populair. Waarschijnlijk was dat hoofdzakelijk te danken aan de wijze waarop wij als lolbroeken stonden te musiceren. We waren op de eerste plaats studenten”.
   Je kon het ruiken, Henk Severs was al snel van de partij: “Op een goede dag werden wij ontdekt door een plaatselijke grammofoonplaten-handelaar. De man was al enige malen bij een optreden van ons geweest. Volgens zijn zeggen moesten we maar direct plaatjes gaan opnemen. Hij zou wel voor een maatschappij zorgen”.
   Dat werd Phonogram. Succes bleef echter uit. “In Roosendaal [waar de familie woonde na de komst in 1951 uit Java] werd over niets anders gesproken dan over ons. We waren tenslotte de eerste artiesten die uit het zuiden die een plaatje gemaakt hadden. Helaas flopte de ene na de andere plaat. The Four Sweeters werd ontbonden vanwege het feit dat wij min of meer ontmoedigd waren”.
 
Ondanks het gebrek voorlopig aan succes bleef De Nijs in contact met Henk Severs. Toen hij zich aan het einde van de jaren zestig als liedjesschrijver, producer en artiest wilde gaan manifesteren, vroeg hij de man van de Harp om raad, liet Lutgard Mutsaers in het boek Rockin’ Ramona afdrukken:
   “Jack de Nijs: ‘Ik solliciteerde bij alle platenmaatschappijen, bij CNR, bij Artone, overal. Ik had een hele ouwe Ford Perfect gekocht voor vijfhonderd gulden, óm de honderdvijftig kilometer moest ik de dikste olie erbij doen. Hij had een goudkleurig dak en alle mensen keken naar m’n auto als ik langskwam, naar de walm. Ik dacht, ze mogen m’n auto niet zien, anders denken ze gelijk, dat is niks. Ik voelde me zo zielig hè. Geen rooie cent had ik.
   Ik ging naar de heer [Leo] Molenijzer, hoofd A&R [Artone] met dat liedje, ‘Gina Lollobrigida’.
   Ja Jack, wat wil je eigenlijk hebben voor royalty?
   Ik zeg, dat weet ik niet.
   Zeg het nou maar, een halve cent, een kwart cent, anderhalve cent?
   Ik zeg, ik weet het echt niet.
   Nou ja O.K., we bellen nog. Heb je een telefoonnummer?
   Nee, maar ik wil u wel bellen.
   O.K., bel me volgende week maandag.
   Ik dacht, tjezus, wat heb ik nou fout gedaan? Dus ik bel Henk Severs en ik zeg, dat ik bij Artone was.
   Wat vroeg je daar?
   Halve cent zeg ik.
   Stom, een kwartje op zijn minst! Hij leerde me dat.
   Ik hoorde niks meer van Artone’”.
   Zo leerde Jack van Severs hoe je geld kon verdienen in de muziekbusiness. Vanzelfsprekend kwam hij als Jack Jersey op bezoek in de Harp toen hij het met de verkoop van honderdduizenden albums helemaal gemaakt had. Jack heeft die kleine winkelier nooit vergeten...
 


Jack Jersey op bezoek in de Harp (1974)

 
Wordt vervolgd
 
Harry Knipschild
4 september 2013
 
Clips


Bing Crosby, Louis Prima (zang, trompet), I'm an old cowhand, 1936
* Glenn Miller, Chattanooga choo choo, 1941
De bevrijding van Wyck en Maastricht, september 1944
* Schriebl & Hupperts, Schneewalzer, 1959
* Rocco Granata, Marina, uit 1959
* Cliff Richard, Ready Teddy, 1960
* Tony Bass, Gina Lollobrigida, 1969
* Muziekhuis de Harp 

Literatuur

‘Verkopen met plezier. Platen gaan er in als vlaaien’, knipsel, Muziek Mercuur, 1961/1962?
‘Befaamde muziekwinkel dicht. Henk en Nelleke Severs hangen Harp aan wilgen’, knipsel, 1976
Lutgard Mutsaers, Rockin’ Ramona. ’n Gekleurde kijk op de bakermat van de Nederpop, Den Haag 1989
Michel Terstegen, ‘Het verhaal van Hans Kellerman, een vrijbuiter in de Nederlandse platenwereld’, Warm Sounds, november 2001
Henk Severs bij de bevrijding, knipsel, geen titel, 2005?
John Hoofs, ‘Maastrichts eerste diskjockey en importeur van alle tophits’, Limburger, 4 maart 2008
Website Jack Jersey, augustus 2013
John Hoofs, ‘Nostalgicus’, Limburger, 28 augustus 2013