Zoeken

 
Led Zeppelin was een van de meest succesvolle rockgroepen in de jaren zeventig. Hun albums verkochten in grote aantallen en waar de groep zich vertoonde zaten de zalen vol. Bekende nummers waren ‘Whole Lotta Love’ en ‘Stairway to Heaven’. De redactie van Oor voelde zich verplicht een reportage te maken toen Led Zeppelin op 11 januari 1975 optrad in Ahoy, Rotterdam. De leden van de groep moesten geïnterviewd worden, of ze wilden of niet.
   Bram van Splunteren kreeg blijkbaar de ondankbare taak die klus te klaren. Eerder had Hans Tonino, van de platenmaatschappij, nadrukkelijk laten weten dat Led Zeppelin alleen in Nederland was om op te treden, niet om de pers te woord te staan. Hoe het Van Splunteren verging is te lezen in De zaak Oor, een boek met artikelen dat in 1976 verscheen.

Bram was een volhouder. Hij installeerde zich in de hal van Des Indes, het Haagse hotel waar men een onderkomen had. De popjournalist deed verslag van al zijn pogingen om met de twee leiders, Jimmy Page en Robert Plant, uitvoerig van gedachten te wisselen. Alles was vergeefs. Van Splunteren had zich bij de weerbarstige werkelijkheid moeten neerleggen.
   Totdat hij zich, na een etmaal vol frustraties, ineens in één ruimte met de zanger bevond. “Robert Plant verscheen in de lounge en ging na enig heen en weer lopen aan een tafeltje achter mij zitten, met z’n rug naar me toe. Diep onderuitgezakt zat hij daar een poosje, en hoewel ik aanvankelijk niet van plan was hem lastig te vallen, ontstond bij mij na een paar minuten toch de onweerstaanbare behoefte om iets tegen hem te zeggen. Al was het alleen maar om hem duidelijk te maken dat ik het flauw vond dat hij niet even had willen komen praten”.


Bram trok de stoute schoenen aan en sprak Plant aan. “Enkele frakties van sekonden reageerde hij niet. Toen richtte hij zich behoedzaam ietsje uit z’n stoel op, draaide z’n weelderige krullenbol langzaam om en antwoordde uiterst koel: ‘Ik ben nu even aan het mediteren’. En meteen wendde hij zich weer van me af. M’n laatste beetje hoop was met deze vriezenskoude mededeling de bodem ingeslagen. Maar zie daar, enkele minuten later hoorde ik zijn stem plotseling weer iets zeggen. Ik draaide me om, en inderdaad, het was voor mij bedoeld. Voorzichtig stond ik op en informeerde wat hij gezegd had.
   ‘Heb je er bezwaar tegen om even hier te komen zitten?’, vroeg hij.
   ‘Nee, daar heb ik geen bezwaar tegen’, antwoordde ik en nam plaats tegenover hem.
   Hij vroeg waarvoor ik werkte en wat ik dan wilde weten. Op de valreep had ik toch nog een gesprek met Robert Plant”.
   Het praatje, over de actualiteit van het moment (o.a. het nog uit te brengen album ‘Physical Graffiti’) kon niet lang duren. Led Zeppelin moest naar Brussel, voor een volgend optreden. “Hij schudt me de hand, zegt dat het jammer is dat we elkaar niet eerder gesproken hebben en verdwijnt vliegensvlug door de hal naar buiten. Verbaasd blijf ik achter”.


 

Manager Peter Grant

 

In het artikel uitte Bram van Splunteren vooral zijn gramschap. Dat er geen interviews konden gedaan worden zag hij als een ‘nogal ongeïnteresseerde houding van het Zeppelin miljoenenconcern tegenover het Nederlandse poppubliek’. “Zuiver commercieel gezien is die onverschillige houding natuurlijk snel te rechtvaardigen: wij zijn maar een klein landje, een stip op de kaart, en onze betekenis als afzetgebied en als potentiële leverancier van dollars is relatief gering”.
   Vooral manager Peter Grant was de kwaaie pier. Na afloop van het concert in Ahoy probeerde Bram, terwijl hij wist dat de groep niet met de pers wilde praten, toch de kleedkamer te bereiken. “De kleedkamerdeur wekte echter geenszins de indruk open te zullen gaan. Na enig speuren ontdekte ik een gangetje dat kennelijk naar de achterkant van het kleedhok leidde, en inderdaad aan het eind van de gang was een deur, met niemand minder dan Peter Grant himself in de opening.
   Ik naderde voorzichtig maar ver kwam ik niet want op tien meter afstand had hij me al in de gaten. ‘What do you want?’ snauwde hij me toe, met een zeer boosaardige ondertoon in z’n stem.
   Ik wilde één en ander even rustig gaan uitleggen maar het was meteen al helemaal mis. ‘Get out of here!’ brulde hij onmiddellijk daarna, toen hij zag dat ik nog even had geprobeerd door te lopen. De lol begon er voor mij nu aardig af te raken en twee minuten later besloot ik het hele Zeppelin-gebeuren definitief de rug toe te keren”.
 

 
Toen Bram van Splunteren zijn stukje voor Oor aan het schrijven was kon hij niet nalaten een boekje over Peter Grant (1935-1995) open te doen. Tenslotte had de verslaggever het laatste woord, voor de achtergebleven Nederlanders althans. In de inleiding van zijn korte biografie zette hij de toon al. “Als popjournalist word je nog veel meer dan het publiek gekonfronteerd met de business achter de showbusiness. Regelmatig stoor je je daaraan, maar meestal probeer je het ook snel weer te verdringen omdat je niet van plan bent je plezier te laten bederven door mensen die zelf helemaal niet van muziek houden en voor wie goede muziek slechts bestaat als equivalent van rinkelende geldstukken of ritselend bankpapier”.
    Bram was van mening, schreef hij, dat hij ‘de verschrikkingen van het Peter Grant regime’ niet voor zich kon houden. “Het is misschien toch wel handig wanneer ik deze figuur nog wat nader bij de lezer introduceer. Voordat Grant zich aan het begin van de zestiger jaren als een onbeduidend managertje in de muziekwereld enige bestaanszekerheid wist te verwerven, had hij al geruime tijd in zeer uiteenlopende funkties naar z’n draai lopen zoeken. Hij werkte onder meer in een staalfabriek, deed foto-sorteerwerk voor het persbureau Reuters en was een tijdje werkzaam als toneeljongen.

De meest karakteristieke bezigheid uit die tijd was echter zijn korte loopbaan als worstelaar. Peter Grant, ex-worstelaar dus, toen in de ring beter bekend als Count Massimo. Eind 1966 kwam hij via de Vaudeville Band als manager terecht bij de Yardbirds”. Na het uiteenvallen van die groep ontstond Led Zeppelin, met Jimmy Page en Robert Plant.
   “Massimo werd manager en sleepte voor de groep bij Atlantic Records een zeer voordelig contract uit het vuur. Dit werd al snel een voor beide partijen lucratieve overeenkomst, want met name in de Verenigde Staten bleek voor de Zeppelin een gouden toekomst weggelegd. Nu, zes jaar later, is Grant nog steeds manager van de groep en is hij bovendien, samen met de vier leden van Led Zeppelin, eigenaar van het nieuwe Swansong label, waar behalve de groep zelf, ook Bad Company, Maggie Bell en de Pretty Things op zitten.
   De nu zeer welvarende Peter Grant deed een maand of wat geleden in een Engels blad nog de volgende op z’n minst grappige uitspraak: ‘Ik begrijp niet zo erg veel van muziek, maar het is een kwestie van gevoel. Het geeft je soms een bepaalde prikkeling en dan weet je het’”.
 
Bram van Splunteren had zich een dag lang uitgesloofd om te rapporteren over Led Zeppelin. Veel had hij niet bereikt. Kennelijk zat hem dat dwars. Over het optreden dat de topgroep in Rotterdam gaf en waarbij Bram aanwezig was meldde hij slechts dat ‘het concert het publiek niet de hoeveelheid opwinding en luistergenot bracht die van de Zeppelin verwacht had mogen worden. Het publiek was lelijk voor aap gezet’. Nederland betekende weinig, vond hij. Daarom kreeg zijn artikel de titel: ‘Led Zeppelin in de provincie’.
   Hoe zou zijn oordeel geweest zijn, vroeg ik me af, als Bram wél uitgebreid met de leden van Led Zeppelin had kunnen praten?
 

Een andere kijk op Peter Grant

 

 
Peter Grant en Robert Plant (1973)
 

In het korte praatje dat de redacteur van Oor met Robert Plant had, kwam hij er niet toe hem te vragen naar het gedrag van zijn manager. Andere journalisten deden dat wel als ze de kans kregen. In een artikel in het Engelse blad Melody Maker (1970) stelde Richard Williams hem die vraag.
   De zanger vertelde dat er van Led Zeppelin wellicht niets terecht was gekomen als Peter Grant er niet geweest was. “Had we not Peter Grant behind us we could easily have gone to pieces”. Robert prees hem vooral omdat hij er altijd bij was als ze waar dan ook optraden. Grant loste ter plekke alle problemen op die zich tijdens toernees voortdurend voordeden. De groep hoefde zich alleen maar met de muziek bezig te houden. Daartoe verdiende hij alle lof. “As much as the credit [voor de muziek] goes to us, it goes to old Peter as well, because he goes all round the [United] States with us, everywhere we go, when he could just sit in the office in London. He’s been a big part of the thing”.
   In een interview met Tom Hibbert in 1988 liet de zanger zich nog wat explicieter over het karakter van de manager uit. “Grant sloot ons van de buitenwereld af. We hadden weinig ontmoetingen met de mensen in onze wereld, die van de rock & roll. We werden op afstand gehouden. Maar hij was een van de meest geestige en intelligente mensen”. Plant corrigeerde zichzelf. Zijn privé-bestaan was anders. “I still knew how to use money, how to shop and how to drive, how to shit and walk, I still saw my family and I still spoke to the milkman”.
   Plant legde uit in welke mate Grant de muziekbusiness veranderd had. Diens aanpak had nogal wat betekend in de VS. “He smashed through so many of the remnants of the old regime of business in America”. Enkele jaren vóór Led Zeppelin werden artiesten in een bus op toernee gestuurd door het Amerikaanse continent. “All the old road shows in America, which I was too young to have gone on”. Zelf verdienden ze nauwelijks iets en de organisatoren hielden er een goed-gesmeerde boterham aan over.
   Door met zijn artiesten mee op pad te gaan als manager van de Yardbirds begreep Peter Grant wat voor onrecht de artiesten aangedaan werd. “Jimmy Page used to travel in a bus in the Yardbirds with Gary Puckett and the Union Gap and the Shirelles and Bobby Vinton. And nobody got a cent from the promoter”.
   Dat zou Led Zeppelin niet overkomen, nam Peter Grant zich voor. “Then we came along and Grant would say to promoters, ‘Okay, you want these guys but we’re not taking what you say, we’ll tell you what we want and when you’re ready to discuss it you can call us’. And of course, they would call us and do things on our terms, on Grant’s terms, because otherwise they’d be stuck with Iron Butterfly. Peter Grant changed the rules. He rewrote the book”.    
   Volgens de zanger zorgde de manager van Led Zeppelin dus voor een ware revolutie bij de toernees van rockgroepen. Het grote geld ging niet meer naar mensen achter hun bureaus maar naar de artiesten zelf.
 
In 2001 publiceerde popjournalist Chris Welch een boek over Peter Grant. Daarin is te lezen dat Peter Grant leerde wat discipline was toen hij zijn dienstplicht vervulde. Later, als manager van Led Zeppelin, ging hij met zijn assistent Richard Cole en Phil Carson (Atlantic Records) nog eens terug naar de barakken waar ze, zoals dat vroeger heette, een man van hem hadden gemaakt.
   Cole: “We were near Kettering and he drove us into his old barracks in his brand new Rolls Royce convertible. The soldier on duty saluted us and opened the gates. We drove all around this army camp and Peter showed us the huts where he used to live”.


Terug in het burgerbestaan zocht Peter Grant naar werk in de wereld van showbusiness en popmuziek. Hij moest van onderaf aan beginnen. Peter vond een baantje als portier in een horeca-etablissement (2 Is). Mickey Most (1938-2003), later producer van Herman’s Hermits, Animals, Donovan en Jeff Beck, werkte er als ober. Worstelen was een extra attractie in de 2 Is. Vanwege zijn werk werd Peter met zachte hand gedwongen zijn partijtje mee te worstelen als een van de gewone worstelaars niet van de partij was.
   In het boek over Peter Grant gaf Most nog wat details. “We used to work together way back in the ’50s. We used to put up the wrestling rings for Dale Martin Promotions. Sometimes if a wrestler didn’t show up for the first bout, Peter used to do a bit of wrestling. He was a big guy and if the other wrestler was a bit small, then it would be what they called a ‘catch weight’, which is an odd weight. They used to throw each other all over the ring for a few minutes as the opening act. It didn’t happen a lot, but if Peter was available he’d have a go”.
   Dat soort worstelwedstrijden heb ik [HK] vroeger zelf meegemaakt toen ik als jongetje op het Vrijthof of de Markt van Maastricht over de kermis liep. Het was geen echt vechten maar lachen, showbusiness.          
 
In 1971 verscheen in de Daily Mirror een artikel over het verleden van de respectabele manager van Led Zeppelin. Die wilde liever niet meer over zijn worstel-verleden praten. Zelf vatte hij dat samen met de woorden: “I was a wrestler for about 18 months when I needed some money”. De Britse pers bleef hem achtervolgen door hem in artikelen met ‘devil’, ‘brute’ en ‘looking like a bodyguard in a Turkish harem’ aan te duiden. Bram van Splunteren van Oor was dus geen uitzondering. Die behandeling van de pers droeg er waarschijnlijk toe bij dat Peter Grant geen hoge dunk had van de media.
   Achter die imposante, soms dreigende gestalte ging een bijzonder mens schuil. Dat bleek nog eens toen hij in 1995 overleed. Alan Callen, een van zijn medewerkers, vertelde bij de uitvaart: “On a very personal level, I want to say that through our ups and downs, good times, bad times, to me Peter was always a friend I could count on. He had never ending supplies of integrity, honour, compassion, thoughtfulness. If you were his friend, then to you he would give his all. Such measures of character are rare indeed”.

 


Peter Grant en Ahmet Ertegun (1975))

 
Ahmet Ertegun (1923-2006) van Atlantic, die de albums van Led Zeppelin op de markt bracht, vertelde aan Adam White in 1998: “He defended the group as though they were his only children in life. He was a sensational manager. He built an aura of mystique around Led Zeppelin. Peter kept you away from the artists. He was a person with a lot of problems. As a result we had a lot of ups and downs, especially in later years, after the group broke up. It became very difficult to deal with him.
   That’s part of our game. We work with all kinds. Peter was a loveable person. We genuinely became friends. Now, I hated some of the tactics they [Led Zeppelin] used. They had a very, very embarrassing encounter with Bill Graham in San Francisco that was totally uncalled for. But they got carried away with their own success and power”.

 

Robert Plant aan het woord over muziek en andere artiesten

 

Van Splunteren had pech dat hij maar zo kort met Plant kon praten. In interviews kon de zanger over van alles en nog wat uitwijden. Bijvoorbeeld over zijn muzikale invloeden. Hij hield van van blues maar was tegelijk kritisch, legde hij in 1969 uit.
   “The first music that appealed to me, when I was at school even, was stuff like Dylan’s ‘Corrina, Corrina’ and when you look deeper into that sort of thing you find there’s a lot of the same feelings that are in blues music, like Leadbelly’s stuff and then you realise that the blues field is a very wide one.
   There’s a lot of shit of course, all the old guys, such as Bukka White, who originally recorded in the late 20’s, are suddenly being grabbed a hold of and shoved into a studio to do an ethnic blues recording. They think, ‘Well it’s 200 bucks, that’ll keep me in firewood for the next three months’, so they get into their wheelchairs, do the thing, and all the blues freaks say: ‘Well man, this is the real blues’, and it’s really a load of bollocks”.
 
Richard Williams zocht hem in 1970 thuis op, ver weg van Londen, bij Kidderminster waar hij was opgegroeid. Misschien wel tot zijn verbazing bleek Robert een echte kenner van popmuziek te zijn.      “He’s genuinely enthusiastic about pop, an avid collector of rare treasures as well as a performer himself, and this enthusiasm is constantly bubbling out. His love and understanding of pop is possibly one of the main reasons why he can communicate so well to an audience.
   He’s always been hung up on pop music, and he really enjoys sitting back and playing old records by the Showmen [‘It will stand’], Maurice Williams and the Zodiacs [‘Little Darling’, ‘Stay (just a little bit longer)’], Sonny Til and the Orioles [‘It’s too soon to know’, ‘Crying in the Chapel’], and other forgotten giants”.
 


Sonny Til (rechts boven) en de Orioles

 
Ook na het uiteenvallen van Led Zeppelin, kort na het overlijden van drummer John Bonham op 25 september 1980, praatte Plant honderd uit over zijn muzikale roots en belangstelling. In een interview met John Hutchinson gaf de zanger opnieuw blijk van zijn bewondering voor blues en oude R&B-muziek uit New Orleans, maar (intussen?) was zijn smaak nogal breed geworden, tot ‘klassieke muziek’ toe.
   “I listen to Gustav Mahler occasionally; Ry Cooder, the Beat – I go from one extreme to another. I’ve also been listening to the Cocteau Twins: they’re very spacey, like a modern-day version of Kaleidoscope. I always admired Mike Heron and Robin Williamson’s vocal approach, just as I liked Dave Swarbrick (of Fairport Convention) and Richard Thompson.
   In the early days I used to listen to what were, in England, the more obscure American hits – a lot of New Orleans rock, what you might call R&B for whites. It was mostly remarkable one-off records that set the whole imagination tingling. It was really ‘roots’ music – the vocals were very plaintive. Although it wasn’t Robert Johnson or Blind Willie McTell, it was still very poignant, and had a remarkable effect on how I wanted to sing. I realized that immersing myself in country blues on a folk-club circuit was perhaps too well-mannered and predictable.
   There was just polite feedback coming from the audience. I wanted to get some balls, some shrieking, into my music, so that took me vocally more into the guttural American approach to singing, which I suppose people like myself, Robert Palmer to an extent, and definitely Lennon and McCartney got into. We all had a kind of edge on our voices which comes from American R&B. Steve Stills had that kind of voice too, as he had been tuning into that kind of stuff, as had Ry Cooder. We’re all from the same school”.

 

 
In 1983 plaatste Plant de muziek van Led Zeppelin in een historisch kader. Daarbij ging hij terug naar de in Engeland verongelukte rock & roller Eddie Cochran (1938-1960) en zelfs de Duitse componist Richard Wagner (1813-1883).
   Behoorlijk kritisch liet hij zich uit over tal van groepen die het in de voetsporen van zijn band gemaakt hadden. Ze misten, vond hij, de subtiliteit.
    “Zeppelin emerged from the embers of the Yardbirds, and had all sorts of influences, such as blues and west coast American music. We had a certain ability to extend our music, which gave it drama, dynamics, emotion, and space. At one moment it could be Wagnerian, and at the next like Eddie Cochran. That was ‘heavy’, in the sense that it was sometimes a little hard to take, not because it was a mass of uncontrolled crescendoes. And now, the remnants of that era’s imitators – and there are only imitators left, or tired exponents from the first time ’round who are still flogging it – have all lost their way.
   The subtlety that was in Led Zeppelin was never shared by much of the music that was around – Blue Cheer was as ‘heavy metal’ as Iron Maiden. I’m afraid it’s all become very professional, as in Def Leppard and people like that – just pretty songs with the odd scream, and a guitarist who leans back and bursts into a great flurry of notes. Whatever was there in 1969 and 1970 has become diluted or lost in translation”.
   In een ander interview, met Tom Hibbert, moest David Coverdale (opvolger van Ian Gillan in Deep Purple) het ontgelden.
   “I don’t know where it came from, my style. I must have been pretty insecure when Zeppelin started to want to run around puffing my chest out and pursing my lips and throwing my hair back like some West Midlands giraffe. But I did it again last night. And when I did it, I laughed so much. It was like self-parody; I was wiggling around like some ageing big girl’s blouse and I realise how stupid it all looks. I mean, last night while I was crouching and leaping up in the air and doing a spiral as I came down again, I thought ‘I wonder if David Coverdale does that yet?’ But that’s what I’m good at. That’s what I know”.
 

Robert Plant als ‘Honeydripper’

 
Robert Plant praatte niet alleen over wat je ‘klassieke popmuziek’ zou kunnen noemen, hij vertolkte die bovendien als lid van de Honeydrippers. De naam van die groep was niet nieuw. In 1945 trad de zwarte entertainer Joe Liggins (1915-1987) op als leider van Joe Liggins en de Honeydrippers. Zijn song ‘The Honeydripper’ was in dat jaar een ‘race’-hit.
   In 1984 maakten de nieuwe Honeydrippers een aantal opnamen van oude R&B-nummers: ‘The Honeydripper’ stond niet op het programma, maar wel ‘I got a woman’ (Ray Charles), ‘I get a thrill’ (Rudy Toombs), ‘Sea of love’ (Phil Phillips), ‘Rocking at midnight’ (Roy Brown) en ‘Young Boy Blues’ (Doc Pomus, Phil Spector, eerder gezongen door Ben E. King).
   Tijdens een optreden van de Honeydrippers in 1985 vertelde Plant dat zijn moeder ‘Young Boy Blues’ aan zijn bed zong. Zo komen muzikale roots tot stand.
 

Twee Honeydrippers: Robert Plant en Brian Setzer

 
Plant was zanger van de Honeydrippers, de groep bestond verder uit onder anderen Jimmy Page, Jeff Beck, Brian Setzer en Nile Rodgers op gitaar, Paul Shaffer keyboards, Wayne Pedziwiatr bas, Dave Weckl en Keith Smith op drums.
   ‘The Honeydrippers’ (een EP) leverde twee hits op voor Robert Plant c.s., ‘Rocking at midnight’ en vooral ‘Sea of love’. In een tv-interview vertelde Plant dat de leden van Led Zeppelin als ze een soundcheck deden voorafgaand aan een optreden meestal oude R&B-nummers voor hun plezier speelden. Vooral ‘Sea of love’, kwam dan, naar eigen zeggen, goed over. ‘Sea of love’ was in 1959 de enige hit voor Phil Phillips. De zanger/componist (geb. 1928) kwam in conflict met zijn platenmaatschappij en maakte na die ene hit nooit meer nieuwe opnamen. ‘Sea of love’, nu in de versie van de Honeydrippers, met Robert Plant, als zanger, bereikte 25 jaar later opnieuw de top van de hitlijsten.  

 

Robert Plant met Alison Krauss (en T-Bone Burnett)

 
In 2007 kwam Robert Plant opnieuw met wat je een roots-album zou kunnen noemen. Producer was T-Bone Burnett die bij Bob Dylan gitaar gespeeld had en verantwoordelijk was geweest voor albums van onder meer Roy Orbison, Leo Kottke, Los Lobos, Ralph Stanley, Gillian Welch, Tony Bennett en ‘O Brother, Where art thou?’. Een man van ‘Americana-muziek’ dus. Bij het album ‘Raising Sand’ werkte Robert Plant samen met Alison Krauss, bluegrass-zangeres en -violiste. Een uniek project.
   Op 26 oktober 2007 was in de Engelse Times te lezen over een klein plaatselijk festival, waar folk-muziek uitgevoerd werd. Jo Bartlett, een van de organisatoren, nam de telefoon op en kreeg een man aan de lijn die zich Robert Plant noemde. Vanzelfsprekend was ze wantrouwend. Maar nee, het was dé Robert Plant. Hij had over het festival gelezen en vroeg beleefd of hij er met zijn groep mocht optreden.
   Typisch Plant, schreef Pete Paphides. Wie zou de volgende zijn met wie deze fan van muziek een bizar telefoon-gesprek zou hebben. Zo kon ook ‘Raising Sand’ wel eens tot stand gekomen zijn. Alison Krauss als partner van Plant lag immers helemaal niet voor de hand. De violiste was (pas) geboren in het jaar 1971, het jaar dat Robert Plant en Jimmy Page ‘Stairway to Heaven’ schreven.
   Het repertoire vond de journalist eveneens opmerkelijk. Veel van de nummers op het album waren al talloze malen eerder op de plaat gezet, zoals ‘Through the morning, through the night’ (van Gene Clark), ‘Trampled Rose’ (van Tom Waits) en ‘Please read the letter’ dat Robert Plant zelf al in 1998 in de studio had vastgelegd. Aan het einde van het artikel merkte Paphides op: “Krauss may have never sounded better than she does here; as for Plant, though, it doesn’t make sense to say the same thing. On ‘Raising Sand’, he has quite simply found a whole new voice. Who knew? As he prepares to close the book on Led Zeppelin next month, he could do a lot worse than keep this one open for a while”.
   Tijdens een tribute-concert voor de op 14 december 2006 overleden Ahmet Ertegun in Londen trad Led Zeppelin nog één keer op. En daarna moest Robert Plant, volgens Paphides dan, alleen door.

 

Alison Krauss en Robert Plant 
 

Gijsbert Kamer was in de Volkskrant een stuk enthousiaster (toen het tweetal mei 2008 Nederland aandeed) dan Bram van Splunteren 33 jaar eerder in Oor bij Led Zeppelin.
   “Griezelig perfect en van een ongehoorde schoonheid, zoals er gezongen en gespeeld werd in een uitverkochte Heineken Music Hall in Amsterdam. Er mocht wat verwacht worden van het duo Robert Plant en Allison Krauss. Niet alleen hebben de rockgrootheid en de bluegrassprinses met ‘Raising Sand’ een van de mooiste platen van het vorig jaar gemaakt, Plant verkoos het vertolken van dit werk zelfs boven een lucratieve Led Zeppelin reünietour.
   Dat het zo’n muzikaal feest zou worden, kwam toch nog als een verrassing. Dat kwam door het materiaal, dat niet alleen geplukt werd van de plaat maar ook verrassende bewerkingen kende van Led Zeppelin-liedjes als ‘Black Dog’, en een prachtig ‘Battle Of Evermore’ met Krauss in de rol van Sandy Denny. Krauss stal de show met een fraai ‘Green Pastures’ en vooral ‘Down To The River To Pray’ bekend uit de film ‘O, Brother Where Art Thou’. Dan deed Plant een stapje terug, nam bescheiden plaats in het achtergrondkoortje, knikte na afloop bewonderend naar de zangeres.


Ook Plant zelf kreeg een enkele keer de hoofdrol, zoals in ‘Fortune Teller’ en het gemeen bijtende ‘Nothing’ van Townes Van Zandt. Maar los van de werkelijk betoverende zang waren het ook de begeleiders die de avond naar een hoger plan tilden. Centrale figuur was gitarist T-Bone Burnett, maar ook het genieten van de soepele beheerste slag van drummer Jay Bellerose en het bescheiden spel van gitarist Buddy Miller. Stuk voor stuk veteranen uit de betere americana, die samen een fraaie sound neerzetten, zonder toetsen, met veel ruimte voor akoestische gitaar en viool.
   Country, folk en rock kwamen samen op een manier die geen moment gekunsteld aandeed. De stem van Krauss bleek nog beter te kleuren bij die van Plant dan op de plaat. Het was niet gewoon mooi, nee, toen na zeven kwartier de lichten aanfloepten, voelde het als een ontwaken uit het paradijs”.
   Zo te lezen deed Kamer geen moeite Plant die avond te spreken te krijgen. Wie weet, hoe anders de recensie dan uitgepakt had.
 


Grammy's voor Robert Plant, Alison Krauss en T-Bone Burnett

 
Tijdens de 51ste Grammy Awards-uitreiking, in 2009, kregen Robert Plant, Alison Krauss en T-Bone Burnett vijf Grammy’s toegewezen. Als zanger van Led Zeppelin was Robert Plant nooit in de prijzen gevallen.
* Album van het jaar
* Beste Americana-album
* ‘Please read the letter’, plaat van het jaar
* ‘Killing the blues’, beste vocale country-samenwerking
* ‘Rich woman’, beste samenwerking op het gebied van popmuziek
 
Wat staat ons van Plant nog te wachten op het terrein van de geschiedenis van de popmuziek? 
 
Harry Knipschild
8 juli 2013
 
Clips
* Eddie Cochran, C'mon Everybody
* Interview met Peter Grant en Rovert Plant
* Led Zeppelin, Stairway to heaven
* Sonny Til met Orioles, In the chapel in the moonlight, 1980
* Interview met Robert Plant, 1982
* Joe Liggins en de Honeydrippers, Honeydripper, 1983
* Robert Plant en Alison Krauss, Please read the letter 
* Grammy's voor Robert Plant, Alison Krauss en T-Bone Burnett, 2009

 

Op 27 juli 2015 ontving ik een e-mail met een mooie relativerende terugblik van Bram van Splunteren:

“Ik hoop dat je mij mijn jeugdzonde wilt vergeven. Ik was 22 indertijd.
   Gelukkig was ik ook weer niet heel rancuneus want een paar maanden later schreef ik in diezelfde Oor een laaiend enthousiaste recensie over het dubbelalbum ‘Physical Graffiti’, waarin ik met name ook het drumgeluid roemde dat ik ‘trendsettend’ noemde voor de toekomst (of woorden van die strekking).
   Verder was ik al Led Zeppelin-fan vanaf het allereerste album, in tegenstelling tot de meeste poprecensenten indertijd die de band maar niks vonden. Maar dat had ik misschien in het artikel moeten vermelden, en meer mijn teleurstelling dan mijn young man’s boosheid moeten benadrukken”.



Literatuur
Mark Williams, ‘Plant’, International Times, 11 april 1969
Richard Williams, ‘Robert Plant. Down to the roots’, Melody Maker, 12 september 1970
Bram van Splunteren, ‘Led Zeppelin in de provincie’, in Brarend Toet (red.), De zaak Oor, Amsterdam 1976
John Hutchinson, ‘Robert Plant. Into the light’, Record Magazine, september 1983
Matt Snow, ‘Robert Plant. Percy pulls it off’ , New Musical Express, 8 juni 1985
Tom Hibbert, ‘Robert Plant: Guilty’, Q, maart 1988
Allan Callan, ‘Eulogy for Peter Grant’, 4 december 1995
Adam White, ‘Ahmet Ertegun; The Billboard interview’, Billboard, 17 januari 1998
Chris Welch, ‘The Enforcer. Peter Grant’, Omnibus Books, 2001
Pete Paphides, ‘Raising Sand’, Times, 26 oktober 2007
Stephen Davis, Hammer of the Gods. Led Zeppelin unauthorized, Londen 2008 (1985)
Gijsbert Kamer, ‘Muzikaal feest Plant en Krauss van ongehoorde schoonheid’, Volkskrant, 16 mei 2008