Zoeken


Wil je als artiest of popgroep succesvol worden, en blijven, dan kun je dat meestal niet alleen. Je hebt mensen nodig die achter je staan en je zo eerlijk mogelijk met raad en daad helpen. Dat kan een manager zijn, een uitgever, de technicus in de studio, songwriters, een dokter, medewerkers van de platenmaatschappij, vrienden, je familie of welke adviseurs dan ook.
   De producer van platen speelde, zeker in het verleden, een essentiële rol. Hij was degene die in vele gevallen besliste welk repertoire er opgenomen werd, in welke studio en hoe het moest klinken. Over één van die mensen, Lee Hazlewood (1929-2007) wil ik het in dit artikel hebben.

Barton Lee Hazlewood werd op 9 juli 1929 in Mannford, Oklahoma, geboren. Eva Lee, zijn moeder, was klein en had indiaans bloed. Vader Gabe woog bijna drie keer zoveel als zijn moeder. Hij zat in de olie-business. Zodoende kwam het gezin terecht in Texas. Een van de favoriete liedjes van vader Hazlewood was ‘The very thought of you’, dat hij regelmatig als ode aan zijn echtgenote zong. Hazlewood senior organiseerde wel eens optredens van artiesten. Bij zo’n gelegenheid mocht Lee op de schouders van country-artiest Bob Wills (1905-1975) zitten. ‘San Antonio Rose’ was in 1944 een hit voor de Texas Playboys, het C&W-orkest waarover Bob Wills de leiding had.
   Als het aan Lee gelegen had was hij gaan studeren voor dokter. Daar kwam niets van. Hij werd opgeroepen voor de dienstplicht en naar de oorlog in Korea (1950-1953) gestuurd. In Korea, en ook in Japan, functioneerde Lee als diskjockey in programma’s voor de andere soldaten. Het radiowerk moet hem goed bevallen zijn. Na zijn afzwaaien, in 1953, studeerde hij op een school in Californië waar je het vak van deejay formeel onder de knie kon krijgen: Spears Broadcasting School. Zover was Amerika al in die tijd.
   Als platendraaier en –aankondiger kwam Lee Hazlewood vervolgens in Arizona terecht. In Coolidge, een dorp met niet meer dan vierduizend inwoners, verdiende hij veertig dollar per week bij radiostation KCKY. Amerikaanse radiostations hadden een naam die louter uit letters bestond. Die in het westen begonnen met een K.
 
Lee Hazlewood zat beroepshalve in de wereld van country & western-muziek. Alleen platen aan- en afkondigen was niet voldoende voor hem. Evenals J.P. Richardson (Big Bopper) in Texas probeerde hij van alles uit om uit zijn vak te halen wat er maar in zat, bijvoorbeeld met sketches en fictieve figuren die hij op tape had staan.
   Hazlewood ging verder. Hij schreef liedjes. Bij de bestaande platenmaatschappijen in Californië wist Lee geen indruk te maken. Daarom begon hij een eigen bedrijfje (Viv Records) en muziekuitgeverij (Debra).
   In 2006 werd hem gevraagd of hij altijd al producer wilde worden.
   Hazlewood: “That was the same as being a songwriter, you know, it was in the Fifties and, of course, nobody knew anything, especially the majors - little labels were outselling them. So I wrote songs and I took them to LA on the bus for $9.99, round trip from Phoenix to Los Angeles and back. Nobody liked the songs so I became a publisher and then a couple of songs that I did place, nobody recorded them. So I became a producer because I knew one of the reasons was they didn’t do them the way I thought was right. Of course, when you’re young and kind of a smart-ass to begin with, they don’t know what to do with you”.
   In Phoenix, Arizona, produceerde hij in een kleine studio (Floyd Ramsey’s Recorders) zijn zelf-geschreven songs en liet van het eindresultaat enkele honderden exemplaren persen. Tegen het einde van 1955 lag zijn huis vol met onverkochte grammofoonplaten.


Floyd Ramsey in zijn studio

 

‘The Fool’, een hit voor Sanford Clark

 
Bij het maken van opnamen kreeg Lee Hazlewood hulp van Al Casey (1936-2006). De muzikant adviseerde hem eens te luisteren naar de jonge zanger Sanford Clark (geb. 1935). Lee was postief over Clark. In 1956 kwam er een single, ‘The Fool’, geschreven door Hazlewood. Al nam de gitaarpartij voor zijn rekening.
   Casey vertelde later: “Lee zei altijd dat ‘The Fool’ een country song was. Maar door mijn gitaarspel veranderde de sound. Ik had Hubert Sumlin horen spelen op ‘Smokestack Lightning’ van Howlin’ Wolf. Dat geluid adopteerde ik bij ‘The Fool’. Plotseling was het geen country muziek meer. Iedereen was verrast, inclusief Lee Hazlewood”. Het waren de dagen van de doorbraak van Elvis Presley met ‘Heartbreak Hotel’.
   Hazlewood was diskjockey. Het zou verdacht zijn als hij zijn eigen compositie te nadrukkelijk onder de aandacht van de luisteraars bracht. Daarom zette hij het liedje op naam van Naomi (Shackle)Ford, zijn echtgenote in die tijd.
   ‘The Fool’ sloeg zo goed aan dat het succes te groot werd voor de deejay die voornamelijk regionaal in Arizona actief was. De grote platenmaatschappij Dot Records, met populaire artiesten als Pat Boone, Lawrence Welk en de Hilltoppers (Billy Vaughn), nam de distributie landelijk over. Binnen korte tijd bereikte Sanford Clark met ‘The Fool’ de zevende plaats in de top 100 van Billboard. Hazlewood had zijn eerste succes te pakken, nota bene met een liedje dat hij zelf geschreven had.

 

Lee Hazlewood, Lester Sill

Dot Records, in Gallatin niet ver van Nashville, was behalve platenmaatschappij ook en vooral ‘verzendhuis’. Eigenaar Randy Wood bracht om die reden heel wat langspeelplaten uit van zijn artiesten. Het regende op den duur instrumentale albums van orkesten als Lawrence Welk en Billy Vaughn. Als een nummer populair was zette hij het meteen op de plaat, zoals James Last dat later in Duitsland deed. Wood zette zanger Pat Boone in om deuntjes van zwarte artiesten als Little Richard snel te coveren en voor het blanke publiek acceptabel te maken.
   Lee Hazlewood had een idee in deze sfeer. Waarom geen rock & roll-muziek instrumentaal opnemen? Wat Eddy Duchin eerder op piano deed, kon je in de tweede helft van de jaren vijftig ook met een elektrische gitaar doen, vond hij. Bij ‘The Fool’ had Lee al ontdekt hoe essentieel een elektrische gitaar in de rock & roll van die tijd was. Hazlewood had bovendien een idee voor een eigen sound. Je moest vooral gebruik maken van de lage tonen, de bas-snaren, dat gaf een dynamisch effect.
   De producer/songwriter/deejay stond duidelijk voor ogen wie hij voor zijn muzikale ideeën wilde inzetten: natuurlijk Al Casey. Die voelde daar echter niet veel voor. Casey wilde liever muziek maken in de stijl van Chet Atkins. Bovendien had hij inmiddels een contract getekend bij een andere platenmaatschappij. Hazlewood moest zijn experimenten daarom met iemand anders zien uit te voeren. De jongeman die zich daar maar al te graag voor leende was Duane Eddy.
    

Duane Eddy

 
Eddy, op 26 april 1938 geboren in de staat New York, was in 1951 met zijn ouders meeverhuisd naar het zuiden van de Verenigde Staten. In het midden van de jaren vijftig was Duane een regelmatige bezoeker van het radiostation in Coolidge, Arizona, waar Lee Hazlewood de platen aankondigde. Bij zo’n zender, hoe onbelangrijk die misschien ook was, kwamen stapels grammofoonplaten binnen die nooit gebruikt werden. Duane, een zanger met ambities om het te maken in het artiestenvak, zocht Hazlewood regelmatig op in de hoop wat platen gratis te mogen meenemen. Hij was bereid tot een wederdienst. Regelmatig paste Eddy als babysitter op de kinderen van Naomi en Lee zodat die samen naar de film konden gaan.
   Duane vormde weldra een zangduo met Jimmy Dellbridge. Omdat Jimmy beter was beperkte hij zich tot het zingen van de tweede stem en specialiseerde zich tevens in het begeleiden op gitaar. Lee Hazlewood werd manager van Jimmy & Duane, de Coolidge Boys, en schreef liedjes voor het tweetal. In de Ramsey-studio legde hij in 1955 twee van zijn songs met het tweetal vast, ‘Soda Fountain Girl’ en ‘I want some lovin’ baby’.
   Aan de loopbaan van het duo kwam in 1956 echter een einde toen Jimmy een andere weg insloeg. Hij ging zich met kerkelijke, religieuze zaken bezig houden. Nog vóór de single op de markt gebracht kon worden liet Dellbridge zijn muzikale partner weten dat hij voortaan geen wereldse muziek wilde zingen. De al geperste platen, aldus Duane Eddy in een interview op YouTube, verlieten de woning van Hazlewood niet. Het was een aardige strop voor de ondernemende producer.

 
Sanford Clark, Al Casey, Lee Hazlewood, Duane Eddy

Duane Eddy bleef contact houden met Lee Hazlewood. Die was druk aan het experimenteren met instrumentale rock & roll en hoe die zo goed mogelijk kon klinken. Lee werkte steeds meer samen met Lester Sill in Los Angeles. Het tweetal, en gitarist Al Casey, waren in het rock & roll-tijdperk op zoek naar een nieuw geluid.
   Hazlewood later: “We wilden een groep opzetten die de Rebels zou gaan heten. Maar Duane deed vreselijk zijn best. He was fooling around with the bar of his guitar bending the notes on the bass strings just for the heck of it because it made a nice twanging sound. That was the start of it, the wang bar. And, of course, Duane’s tone and phrasing which he developed”.
   Duane Eddy was op dat moment enthousiast van Chuck Berry’s ‘Brown Eyed Handsome Man’. Dat geluid probeerde hij uit tijdens de opname in Phoenix waar Hazlewood en Sill het geld voor moesten fourneren.
 
Lester Sill: “Voor negentig dollar maakten we een opname van het nummer ‘Moovin’ ’n’ Groovin’’. De muzikanten kregen vijf dollar per plaatkant omdat er geen vakbonden in het spel waren en we ze uit onze achterzak [zwart] betaalden. Bovendien beloofden we hen een royalty als de plaat een hit zou worden”.
   Omdat Eddy zich zo had ingezet mocht de plaat onder zijn naam uitgebracht worden. Hazlewood: “At the end of the date, I said to Duane, ‘Hey it’s your record, we’re gonna use you. So instead of putting The Rebels on that record, we just put ‘Duane Eddy and his twangy guitar. People laughed at the word ‘twangy’. We got a lot of laughs. It was my idea. Duane didn’t like ‘twangy’ – he thought it sounded awful and corny which it was”.
   Hazlewood en Eddy werden als songwriters van ‘Moovin’’ ’n’ Groovin’’ op het platenlabel gezet. Het nummer werd uitgegeven door Gregmark, een onderneming van Hazlewood en Lester Sill, die samen met hem de productie deed. Greg was de zoon van Lester Sill, Mark die van Lee Hazlewood.
    
Hazlewood gebruikte zijn goede contact met Dot Records om de instrumental van Duane Eddy bij die maatschappij onder te brengen. Maar eigenaar Randy Wood had weinig op met de nieuwe generatie rock-artiesten van dat moment. Hij had Ricky Nelson kunnen contracteren. Misschien deed hij dat niet omdat hij Pat Boone al onder contract had. Ook ‘Short Shorts’ (Royal Teens) en ‘At the Hop’ (Danny and the Juniors) liet Wood aan zich voorbijgaan, is te lezen in een artikel dat Rob Finnis over Duane Eddy schreef. Het instrumentale geluid van de ‘twangy’ gitaar was al helemaal niet aan hem besteed. Dick Pierce van RCA wees ‘Moovin’ ’n’ Groovin’’ eveneens af.
   In het verre Philadelphia, helemaal aan de oostkust, was er wél belangstelling voor de productie van Lee Hazlewood. Harry Finfer en Harold Lipsius van de kleine platenmaatschappij Jamie Records besloten Duane Eddy een kans te geven. De opkomende dj Dick Clark had een belang van 25 procent in Jamie Records. Hij was tevens samensteller en presentator van het populaire tv-programma ‘American Bandstand’. In februari 1958 was Duane Eddy te gast in die show voor teenagers die vanuit Philadelphia overal in de VS bekeken werd. Een paar weken later verscheen ‘Moovin’ ’n’ Groovin’’ in de top 100 van Billboard en bereikte een 72ste plaats. Van de opname, die 90 dollar gekost had, werden 90.000 exemplaren verkocht.
   Duane Eddy, de voormalige zanger van country & western-liedjes, werd een succesvolle rock & roll gitarist. Met de tweede single op Jamie Records, ‘Rebel Rouser’, haalde hij de Amerikaanse top tien. Andere grote instrumentale hits van zijn hand waren ‘Forty Miles of Bad Road’, ‘Yep’, ‘Peter Gunn’, ‘Pepe’, ‘Shazam’ en vooral ‘Because they’re young’. Dat laatste nummer bereikte anno 1960 in Engeland de tweede plaats op de hitparade. Het was de titelsong van een film voor teenagers met Dick Clark in de hoofdrol. In Engeland scoorde Duane Eddy relatief nog beter dan in de VS.

 

 

Nieuwe opname-technieken in Phoenix, Arizona

 
Het geld stroomde binnen bij Lee Hazlewood. ‘Moovin’ & Groovin’’ alleen al leverde een cheque van bijna vier duizend dollar op van Jamie Records.
   Hazlewood besloot zijn inkomsten gedeeltelijk opnieuw te investeren. “Ik ging naar Phoenix en zei tegen Floyd Ramsey: ‘We moeten een echo-kamer hebben. Die hebben we nodig voor nieuwe en betere opnamen. Ramsey wees me erop dat daar veel geld mee gemoeid was. Om hoge kosten te vermijden stelde ik voor om een tank te kopen waar je graan [of water] in opsloeg. ‘Dan zetten we een microfoon aan de ene en een luidspreker aan de andere kant’. We gingen op stap en probeerden van alles uit door er in te schreeuwen. Eindelijk vond ik er een die precies deed wat ik wilde. We paid two hundred dollars for it and we put this big cast iron grain tank sitting up in a corner of the parking lot with a four dollar mike at one end and a sixty cent speaker at the other and that’s not exaggerating too much about the value of it’.
   We hebben er nog aan gedacht om de tank in de grond te stoppen of zo iets. Maar we waren bang om de sound te verknoeien omdat we de ene hit na de andere maakten.
   Af en toe hadden we wel eens een probleem. Als het regende moesten we de opnames stopzetten. Soms vloog een vogel de tank in. Dan moesten we die eerst verjagen voor we verder konden. Een andere keer moesten we de kids wegjagen die kwamen horen wat we nu weer voor plaat aan het maken waren”.
 
Deejay Dick Clark was niet bij de opnames aanwezig, maar wel betrokken bij de carrière van Duane Eddy. Clark had niet alleen aandelen in Jamie Records, maar ook in de platenperserij van Jamie en in het management van Duane Eddy. Clark en Hazlewood besloten unaniem dat de a-kant van de tweede Eddy-single ‘Stalkin’’ zou zijn.
   Duane Eddy: “Hazlewood thought ‘Stalkin’’ was the hit side. Dick Clark thought so too. He played it every day for two weeks on ‘Bandstand’. The reaction was negligible, but Clark got a better response when he started spinning ‘Rebel Rouser’. Then the radio stations started playing it”. ‘Rebel Rouser’, de b-kant, bezorgde Duane Eddy zijn eerste top tien-hit. Ondanks het ‘foutje’ bleef Dick Clark betrokken bij de keuze van de singles.
   De platenproducties van Lee Hazlewood met Duane Eddy konden niet op veel sympathie van deskundigen bij de grote platenmaatschappijen rekenen. Het was een geluid dat ervaren muzikanten gemakkelijk zouden kunnen namaken, dachten ze daar. Lee Hazlewood dacht er anders over. Hij wist waarom soortgelijke producties van Billy Mure en Al Caiola flopten. Zijn eigen producties waren uniek. “It was fifty percent the sound production which was me and fifty percent Duane because of the way Duane played, and God knows what that way is. I don’t understand it yet today. The sound worked too, because I don’t think anybody had heard a guitar played that way or that big”. Duane Eddy was dus duidelijk in zijn rol als rock-gitarist gegroeid.
   Iemand die wel degelijk belangstelling had voor de manier waarop Lee Hazlewood, Lester Sill en Duane Eddy in die primitieve studio werkten was een jonge Phil Spector. Hazlewood: “The combination of echoes we used would drive Phil crazy. He wanted to know what everything was. I used to beg Lester Sill to get him out of the stadio”.
 
Aan de reeks succesvolle producties van Lee Hazlewood met Duane Eddy kwam rond 1960 een einde. Zoals wel vaker had het met geld te maken.
   Dick Clark kwam in de problemen toen onderzocht werd welke financiële belangen bekende deejays als hij en Alan Freed in de muziekbusiness hadden. Clark redde zijn carrière onder meer door zijn belangen op tijd van de hand te doen. Ook de verdeling van de inkomsten tussen Jamie, Lee Hazlewood, Lester Sill en Duane Eddy was aanleiding tot conflicten. Hazlewood liet niet met zich sollen en trok zich terug als producer. Lester Sill ging in zee met Phil Spector. Na Gregmark, met Lee Hazlewood, begon hij platenmaatschappij Philles (Phil-Les).
   Duane Eddy trad een tijdje op als producer van zijn eigen platen. Dat ging hem niet eens zo slecht af. Zijn ‘Pepe’ haalde in Engeland de tweede plaats in de hitparade. Maar toen hij voor veel geld een contract bij RCA Records tekende kwam hij in handen van mensen met wie hij niet kon opschieten. Eddy nam contact op met Hazlewood. Die hielp hem uit de puree. Samen namen ze weer in Phoenix op, met als gevolg ‘Dance with the Guitar Man’. De single bereikte anno 1962 een vierde plaats in de Britse charts.
 

Van Duane Eddy naar een nieuwe tijd

 

In zijn Jamie-tijd maakte Lee Hazlewood enkele opnamen die met de blik van achteraf interessant genoemd kunnen worden. Allereerst produceerde hij in Phoenix begin 1960, samen met Lester Sill, het album ‘Songs from our heritage’ met Duane Eddy. Op die plaat werden bewerkingen van folksongs als ‘Scarlet Ribbons’, ‘On Top of Old Smokey’ en ‘Streets of Laredo’ gezet. ‘Songs of our heritage’ was helemaal akoestisch, ‘unplugged’ zouden we tegenwoordig zeggen. Dat woord werd pas dertig jaar later uitgevonden toen Eric Clapton min of meer hetzelfde deed.
   Duane Eddy, Lester Sill en Lee Hazlewood maakten op Jamie ook ‘zang-platen’. Met Eddy’s echtgenote Mirriam Johnson (later Jessi Colter), met Sanford Clark (‘Son of a gun’) en met Lee Hazlewood als vocalist: ‘Words Mean Nothing’. In die single liet hij zich begeleiden door ‘The Duane Eddy Orchestra’. De rollen tussen producer en artiest leken wel omgedraaid.
   Lee Hazlewood ging bovendien steeds meer liedjes voor zichzelf als zanger schrijven. Hij trad op met de Shacklefords, een folkgroep en maakte soloplaten. Een van de liedjes die hij zong was ‘Son of a gun’, het nummer dat hij voor Sanford Clark geschreven had. Een andere Hazlewood-compositie, ‘Houston’, werd door Dean Martin op de plaat gezet en was weldra een hit voor de zanger die in de jaren vijftig gescoord had met ondere ‘Memories are made of this’ (‘Heimweh’) en ‘Return to me’.
   Lee Hazlewood had intussen afstand genomen van het produceren van rock & roll-muziek. In interviews vertelde hij dat de business door de komst van de Britse groepen totaal veranderd was. Met de nieuwe beatmuziek had hij niet veel binding. Alleen de Stones zag hij wel zitten.
 

These boots are made for walking

 
‘Houston’ van Dean Martin verscheen in 1965 op het Reprise label, dat eigendom was van zanger Frank Sinatra. Hazlewood was in een volstrekt andere muzikale omgeving terecht gekomen. Op Reprise werd nauwelijks rock-muziek uitgebracht. Sinatra, die in het verleden opnamen voor Columbia en Capitol Records gemaakt had, bemoeide zich ook met de zang-carrière van dochter Nancy. Veel succes had ze niet in eigen land. In Nederland ging het beter – daar had ze in 1962 met ‘Like I do’ zelfs in de top 10 gestaan.
   Jimmy Bowen van Reprise nodigde Lee Hazlewood in 1965 uit zich met de loopbaan van de dochter van de baas te bemoeien. Lee ging aan het werk. Met de grote Frank zelf had hij niet meer dan een korte ontmoeting op een feestje. In het najaar van 1965 wist hij Nancy voor het eerst in de Amerikaanse hitlijsten te krijgen met ‘So long babe’. Voor het eerst, als je ‘vergeet’ dat vader Sinatra in 1945 in de Amerikaanse top 10 stond met ‘Nancy with the laughing face’, een song over zijn toen vijfjarig dochtertje.
   Nancy was een beetje als een concurrent van zangeres Cher (‘Sonny & Cher’) neergezet dat bleek al bij de recensie van ‘So Long Babe’ in het blad Billboard. “Watch this new pop sound for the singer! Should put her on the charts in rapid fire! With powerful Lee Hazlewood material and the feel of Cher hits, this one has a strong driving dance beat and a lyric aimed at the teen market to boot”.

 
Lee Hazlewood en Nancy Sinatra

Het verhaal gaat dat Nancy Sinatra zelf ‘These boots are made for walking’ wilde opnemen. Lee zou het niet voor Nancy maar voor zichzelf geschreven hebben. Jan Vollaard noteerde later uit de mond van Hazlewood:
   “Ze had mijn demo van ‘These boots’ gehoord en wilde het net zo laag zingen als ik. Dat leek een onmogelijke opgave, want ze had een stem als een kwetterend vogeltje. Maar ze is een Sinatra. Net als vader Frank was ze gewend om elke situatie naar haar hand te zetten. Na de nodige zanglessen zong ze het een octaaf lager dan ze het voordien gekund zou hebben.
   Nancy was een braaf en welopgevoed meisje, maar ze was zich heus wel bewust van de seksuele lading die ze met ‘Boots’ uitdroeg. Toen het plaatje uitkwam, mat ze zich opeens een heel nieuw imago aan. Ze droeg kniehoge laarzen onder een trui, of korte jurkjes waarin haar vader haar nooit naar buiten zou hebben laten gaan. Vijf miljoen plaatjes later ben ik haar uiterst dankbaar voor de manier waarop ze mijn lied aan de wereld heeft weten te verkopen”.
   De opname van ‘These boots are made for walking’ leek een beetje op een sessie met Duane Eddy. Al Casey speelde gitaar, Carol Kaye, betrokken bij menige Phil Spector-productie, zorgde voor het basgitaarloopje in Duane Eddy-stijl dat zo kenmerkend was voor de wereldwijde nummer één hit.
   In een vroege rock-encyclopedie, die van Lilian Roxon uit 1971, is niet voor niets bij Duane Eddy te lezen: “His twanging guitar was the sound of early rock for many people. Scores of young musicians say they first started playing guitar when Duane Eddy turned them on in the mid-fifties. Eddy was a Lee Hazlewood discovery, so it is no surprise that years later when Hazlewood was looking for a sound to put Nancy Sinatra on the map, he used Eddy’s distinctive growling bass guitar sound on ‘Boots’, exactly what it needed to become a hit”.

 
Carol Kaye

Door zijn nummer één hit ‘These boots are made for walking’, begin 1966, stond Lee Hazlewood aan het begin van een nieuwe carrière als producer, als songwriter en zelfs als zanger. Diverse hits die Nancy Sinatra in de tweede helft van de jaren zestig maakten waren duetten met haar producer.
   Nancy, elf jaar jonger dan haar mentor: “Lee always had some kind of underlying message in his songs. I guess it’s partly what he used to call ‘beauty and the beast’, the young girl and the older guy - that fantasy. We didn’t have an affair, we didn’t have a physical relationship and yet we created something that indicated that we did and I guess people thought that was interesting because we were so different in age”.
   Hazlewood deed zijn best om Nancy in zijn teksten te laten overkomen als een dom en quasi-onschuldig blondje. In zijn liedjes ging het er spannender aan toe dan bij Sonny & Cher, vond hij. Hij legde er bewust een drie-dubbele bodem in. “If Nancy and I had ever had the Sonny and Cher thing going, I doubt it would have been as successful. When Nancy did her songs she was a ballsy, shit-kickin’ broad. When we did our songs together, we were some space-o unit, or an old man foolin’ with a young girl, or whatever it was. That would never have had the niceness of ‘And the beat goes on’.
   Sonny and Cher were very vanilla, whereas our songs were not necessarily very nice. Most of our duets are not double meaning, they’re kinda triple meaning. If you’re some Santa Monica doper sitting on the street, then it’s a dope song. If you’re just some little innocent girl sitting in Nebraska, it’s just a song. And then if you’re really a Nancy and Lee fan, it means a lot of other things too. It’s everything combined”.
 
Jarenlang regende het hits. ‘Summer Wine’, ‘Sugar Town’, ‘How does that grab you darling’, ‘Jackson’, ‘Lady Bird’, ‘Some velvet morning’, ‘Did ya ever’. De meeste nummers werden door Lee Hazlewood geschreven. Ze waren zo sterk dat er later door allerlei artiesten nog succesvolle covers van gemaakt werden. Zo verdiende Hazlewood veel geld met ‘These Boots’ in de uitvoering van country-zanger Billy Rae Cyrus. Maar voor Lee ging het er op de eerste plaats om een hit te scoren. Liedjes als ‘Jackson’ en ‘Did ya ever’ kwamen niet uit zijn koker.
   Hazlewood kreeg nu ook erkenning van de ‘grote’ Sinatra. Frank was enthousiast over het nummer ‘Something Stupid’ van C. Carson Parks. Hij lied het aan Hazlewood horen. Wat vind je ervan, vroeg hij aan de producer van zijn dochter. Lee zou de oude heer geantwoord hebben: “I love it, and if you don’t sing it with Nancy, I will”.
   Op 1 februari 1967 werd het vader-en-dochter duet opgenomen. Opnieuw speelde Al Casey de gitaarpartij. Korte tijd later bereikte ‘Something Stupid’ de hoogste klassering in de internationale hitlijsten.
 

Cake or Death

 
Aan alles komt een eind, ook aan de succesvolle producties van Lee Hazlewood. Zoals Duane Eddy door RCA Records bij Jamie werd weggekocht, liet Lee Hazlewood zich met geld van MCA verleiden platenmaatschappij LHI (Lee Hazlewood International) op te zetten. Dat had hij, achteraf gezien, beter niet kunnen doen. LHI was een flop. Bij zijn eigen bedrijf was Lee nog de ‘ontdekker’ van Gram Parsons, die later carrière maakte bij de Byrds, Flying Burrito Brothers en solo met Emmylou Harris. Hazlewood zelf verdween naar Zweden.
   Aan het einde van zijn leven maakte Lee Hazlewood twee merkwaardige albums. Het eerste heette ‘For every solution there’s a problem’. In 2005 werd bij de producer kanker geconstateerd. Dat inspireerde hem nog één album te maken, dat hij ‘Cake or Death’ noemde. Met de pers praatte hij openlijk, en cynisch, over zijn naderende dood in combinatie met het album.

 


Op 28 januari 2007 publiceerde Sia Michel in de New York Times een laatste interview met Lee Hazlewood. Het artikel, getiteld ‘Ready to Die’, begon als volgt:
   “Suffering excruciating pain from renal cancer, Mr. Hazlewood, the reclusive singer, songwriter and producer doesn’t have much time left, maybe a year if he’s lucky. So he has been preparing for what he calls his impending ‘dirt nap’. He has decided he wants to be cremated, and to have his ashes strewn on a Swedish island where he composed some of his favorite songs.
   He has chosen his epitaph: ‘Didn’t he ramble’, referring to his loner-drifter nature. He has already given away most of his gold and platinum records, which he earned making hits for Duane Eddy, Dean Martin and Nancy Sinatra, including ‘These Boots Are Made for Walkin’’, one of the most famous pop songs of all time. He has released his swan song, the quirky album ‘Cake or Death’, which hit stores last week. And he married his longtime girlfriend, Jeane Kelley, in a drive-through ceremony in Las Vegas.
   ‘It was like going to McDonald’s’, Mr. Hazlewood said of their November wedding, sitting in his living room in a small, tidy house. ‘You stay in the car and go up to the window. The preacher was a Frenchman. Afterwards my granddaughter threw rose petals on the hood’. Mrs. Hazlewood, smiling, said: ‘He just wanted to make me a legal woman. After 15 years together’.
   Mr. Hazlewood, who was married twice before, kept cracking dark jokes about his health (‘Dying really drives your price up’), though he stressed that being ‘ready to go doesn’t mean you’re through with your life’. He dotes on his grandchildren and great-grandchildren, whose pictures adorn a wall in the TV room, next to a huge portrait of himself, wearing shades. But, he said: ‘I’m 77. I’ve been around long enough now. I’ve lived a pretty interesting life - not too much sadness, a lot of happiness, lots of fun. And I didn’t do much of anything I didn’t want to do’”.
   Tijdens het gesprek luisterde zoon Mark (van Gregmark Publishing) mee.
   “Suddenly he shouted out to Mark Hazlewood, his son: ‘Are you up there eavesdropping? Well, you should be, because you’re going to have to do this for me when I’m dead’.
   Everyone started laughing. Black humor is the family’s coping mechanism. ‘We all joke about my death in this house’, Mr. Hazlewood said. ‘Even the grandkids’.
   But later, as Mrs. Hazlewood drove a reporter to a taxi stand at a nearby casino, she confessed: ‘This is so hard on all of us. I really don’t want to lose him. I can’t even imagine living without him’.
   ‘I’ve been thinking of getting a glass vial of his blood’, she added. ‘So I can clone him when the time and technology is right’.
   One day 21st-century pop could get a lot stranger”.
 
Een van de meest bijzondere opnamen op het album ‘Cake Or Death was een nieuwe versie van ‘These Boots are made for Walking’. Deze keer was niet Nancy Sinatra maar Lee Hazlewood zelf de zanger. En de gitaar werd niet gespeeld door Al Casey of Carol Kaye maar door Duane Eddy op zijn ‘twangy’ gitaar. Daarmee was, in zekere zin, de cirkel rond. Hazlewood bleef nog tot 4 augustus 2007 in leven.
 
Harry Knipschild
1 juli 2013

Clips

* Bob Wills, San Antonio Rose, uit 1944
* Jimmy Dellbridge & Duane Eddy, Soda Fountain Girl, 1955
* Howlin' Wolf, Smokestack Lightnin', uit 1956
Sanford Clark, The Fool, 1956 
* Duane Eddy (aankondiging Dick Clark), Rebel Rouser, uit 1958
* Duane Eddy, Forty miles of bad road, 1959
* Duane Eddy, Scarlet Ribbons, 1960
Because they're young, trailer film met Dick Clark, 1960
* Lee Hazlewood, Son of a gun, 1963
* Dean Marin, Houston, uit 1965
* Nancy Sinatra, These boots are made for walking, 1965
* Nancy Sinatra & Lee Hazlewood, Summer Wine, 1966
* Lee Hazlewood & Duane Eddy, These boots are made for walking, 2006
* Duane Eddy, over Jimmy Dellbridge en Lee Hazlewood, 2007
De studio van Floyd Ramsey, Phoenix Arizona, 2008
* Lana Del Rey & Barry O'Neill, Summer Wine, 2013
      
Literatuur
‘Nancy Sinatra, So long babe’, Billboard, 25 september 1965
Lilian Roxon’s Rock Encyclopedia, New York 1971
Rob Finnis, ‘Duane Eddy. A boy and his guitar: Twangin’ from Phoenix to Los Angeles’, in Colin Escott, All Roots lead to Rock, New York 1999
Jan Vollaard, ‘Lee Hazlewood’, NRC, 14 juni 2002
Jean-Marie Lagadec, Lee Hazlewood Story (internet), 2004
Richard Hawley, ‘Burning Brightly’, Observer, 15 oktober 2006
Sia Michel, ‘Ready to die’, New York Times, 28 januari 2007
Sia Michel, ‘Lee Hazlewood, ‘Boots’ songwriter, dies at 78, New York Times, 7 augustus 2007