Zoeken


Als je halverwege de jaren zestig actief was in de popmuziek en je had wat hulp nodig om door te breken, wat zou dan je droom zijn? Zou het niet fantastisch zijn als je geholpen werd door de meest populaire popgroep aller tijden, de Beatles? Succes verzekerd, zou je op het eerste gezicht denken. Paul McCartney, John Lennon, Ringo Starr en George Harrison werkten samen met Badfinger. Toch pakte een aantal zaken niet goed uit, met alle gevolgen van dien.
 
Pete Ham werd op 27 april 1947 geboren in Swansea (Zuid-Wales). In het gezin waar hij opgroeide was er volop muziek. William, zijn vader, hield van big band-muziek. John, zijn oudere broer, speelde trompet. Volgens de verhalen maakte Pete al muziek op een mondharmonica toen hij een jaar of vier was. Evenals zo veel anderen van zijn generatie was Pete al op jonge leeftijd helemaal bezeten van popmuziek. In dat kader is het dan ook te begrijpen dat hij al op zijn twaalfde wat gitaar speelde. Met kerstmis 1959 kreeg Pete een Hofner-gitaar. Wat later bouwde hij zelf een gitaar die na korte tijd uit elkaar viel. Gelukkig was iemand bereid hem geld te lenen zodat hij een nieuw instrument kon kopen – een Fentowell.
   Met een stel vrienden begon Pete een gitaar-bandje. David Franklin, een van de leden, had een album van de Shadows, de begeleiders van Cliff Richard. Heel wat nummers van die plaat stonden op het repertoire van Pete en z’n vrienden. Grote indruk maakte het op de jongens toen ze naar de radio luisterden en een optreden van de Beatles hoorden. De meisjes in de zaal schreeuwden van opwinding. Pete zou op dat moment gezegd hebben: “When I hear that screaming I get shivers. It makes me think of my future”.
   Het lijkt er dus op dat Pete Ham van plan was popmuzikant te worden. Hij was bovendien uiterst gedreven. Pete kwam in een nieuwe groep terecht die regelmatig van samenstelling en naam veranderde. Geld was er niet. Pete nam een baantje om wat bij te verdienen en om kosten te besparen bouwde hij de apparatuur van de band. Toen Ron Griffiths erbij kwam traden ze nog op als de ‘Wild Ones’. Het was tijd voor (weer) een nieuwe naam. Een van hun favoriete platen was van de Hollies. Die hadden ‘Poison Ivy’ van de Coasters gecovered. In Swansea was ook een straatje dat ‘Ivey Place’ heette. De naam ‘Iveys’ was geboren.
 


Iveys in 1965 (Pete Ham midden, boven)

 De Iveys

Het doel van elke popgroep was om het te maken, de top te bereiken. Maar hoe pakte je dat aan? Alleen al in Swansea en omgeving waren er honderden bandjes. Hoe kon je daar bovenuit komen?  De Iveys moesten concurreren met groepen als de Bystanders, Eyes of Blue, Jets, Meteorites en Corncrackers.
   Met een nieuwe jonge drummer, Mike Gibbins, slaagden de Iveys erin het voorprogramma te ‘doen’ van bekende acts als die in Swansea kwamen optreden – de Moody Blues, Yardbirds, Spencer Davis Group, P.J. Proby, Lulu en de Who. Dat leverde in elk geval contacten op. Eén van die contacten was een oudere muzikant, Bill Collins, geboren in 1913 in Birkenhead, niet ver van Liverpool.  Liverpool was magisch in die tijd. De wereldberoemde Beatles kwamen er immers vandaan. Lewis Collins, de zoon van Bill, werd in 1963 lid van de Mojos, die in 1964 een hit hadden met ‘Everything’s Alright’. Collins senior werkte voor de Mojos en af en toe ook voor de Kinks. Het was zijn idee manager van een popgroep te worden. Hij raakte geïnteresseerd in de Iveys toen hij ze op 11 maart 1966 zag optreden.
   Bill Collins zag de Iveys wel zitten. Hij maakte wat demo-opnamen met ze en legde contacten voor ze met een impresario. David Garrick had in 1966 een hit met zijn cover van ‘Lady Jane’, een nummer van de Stones. Garrick werd nu gevraagd overal op te treden. Eigen begeleiders had hij niet. Dat werden de Iveys. De leden van de groep moesten wel hun banen opzeggen om verder te komen in het artiestenvak. Dat had nogal wat consequenties. Steeds was er tekort aan geld.
   Collins haalde de Iveys naar de Britse hoofdstad, waar ze samen met de Mojos in een beperkte ruimte kwamen te wonen. Maar ze zaten nu wel dicht bij het vuur. Toen Dave Davies van de Kinks (solo-hit: ‘Death of a clown’) zich op 14 juli 1966 ziek meldde namen de Iveys de plaats in van die groep. Ineens traden ze voor tweeduizend mensen op en ze deden het nog goed ook. Collins spoorde Pete en de andere leden van de groep aan om goeie, eigen liedjes te schrijven. Als ze verder wilden komen was dat noodzakelijk maakte hij duidelijk. De voormalige pianist zorgde voor opname-apparatuur en trad een beetje op als vader-figuur.
 

De Iveys bleven nog een tijdje werken met David Garrick. Maar ze hadden tevens hun eigen optredens. Zo kwamen ze ook in Liverpool terecht. Brian Epstein kwam kijken en liet zich positief over hen uit. Pete Ham raakte bovendien bevriend met Ray Davies, de leider van de Kinks.
   Ray had aspiraties buiten de Kinks. Platen van andere acts produceren, dat leek hem wel wat. Aan een redacteur van de Melody Maker vertelde hij dat hij producer van de Iveys wilde worden. Op 15 januari 1967 ging Ray Davies voor het eerst met Pete Ham en Ron Griffiths aan het werk. Hij probeerde de songs die ze geschreven hadden een beetje bij te schaven zodat ze wat meer op die van de Kinks leken.
   Omdat de Kinks het te druk hadden kwam er niet veel van de samenwerking. Maar berichten over de belangstelling van iemand als Ray Davies voor de Iveys verschenen in de pers. In de popkringen van Swansea was het in elk geval groot nieuws. Het leek wel alsof de Iveys aan het begin van een succesvolle carrière stonden. Bill Collins haastte zich een formeel management-contract vast te leggen. Hij zou vijf jaar lang twintig procent van alle netto-inkomsten ontvangen.
  

Contacten met de Beatles

 
De oude contacten van Bill Collins in Liverpool brachten een en ander te weeg. Mal Evans, roadmanager van de Beatles, had eerder voor de Mojos gewerkt. Op 15 maart 1967 kwamen Bill en Mal elkaar opnieuw tegen. Mal nodigde zijn oude vriend uit eens mee te gaan naar een plaatopname van zijn nieuwe werkgevers. Die waren op dat moment bezig met het album ‘Sgt Pepper’. Toen Mal en Bill de Abbey Road-studio’s binnen stapten was het er een drukke boel. George Harrison nam met een grote groep Indiase muzikanten ‘Within you without you’ op.

Bill Collins zag dat ook Paul McCartney aanwezig was. Hij realiseerde zich dat zijn zoon Lewis en Mike, de broer van Paul, in Liverpool samen op een kappersschool gezeten hadden en goed bevriend geweest waren. Bill kende Paul en ook zijn vader, Jim, uit de tijd van de dansorkesten van vroeger in Liverpool. Paul, altijd netjes, groette Bill Collins en vroeg hoe het met hem ging.
   Die kans liet de manager van de Iveys niet lopen. Hij vertelde hem over de popgroep uit Swansea. Die zou het zeker gaan maken in de toekomst.
   Paul wilde hun muziek wel eens horen, vertelde hij. Het eerste contact was er.
  


foto's uit het boek van Dan Matovina
 

In de zomer van 1967 werd Tom Evans lid van de Iveys. Die was niet afkomstig uit Wales maar uit Liverpool. Tom schreef ook songs. Kort nadat hij zich bij de groep gevoegd had gingen ze met z’n allen naar Duitsland om er op te treden.
   In januari 1968 verscheen er een artikel in het blad Melody Maker over de nieuwe plannen van de Beatles. Het viertal, zonder hun inmiddels overleden manager Brian Epstein, was bezig met de voorbereidingen voor Apple, hun eigen bedrijf. “Apple, an effort, backed with the financial resources, prestige and communicative powers of the Beatles to change the status quo; its purpose is to open the way for artistic fulfillment to writers, musicians, singers, painters, who hitherto have not been able to find acceptance in the commercial world”.
   Alle leden van de Iveys waren intussen druk in de weer met het schrijven van liedjes. Regelmatig waren ze in Duitsland, maar ook in Engeland traden ze met groeiend succes op. Allerlei mensen uit de business kwamen kijken en luisteren, zoals Mike Berry en Hal Shaper van muziekuitgeverij Sparta en Mike Hurst, producer van Manfred Mann en Cat Stevens.

  

De Iveys op Apple

 

Op 25 januari 1968 kwam Mal Evans op uitnodiging van manager Collins kijken toen de Iveys in de Marquee (Londen) optraden. Mal was niet alleen. Hij had Peter Asher bij zich. Asher was de helft van het duo Peter & Gordon dat de top van de hitlijsten had veroverd dankzij ‘A world without love’, een song die Paul McCartney voor het tweetal geschreven had. Asher had meer in zijn mars dan de rest van zijn leven zanger te zijn. De Beatles hadden hem benoemd tot A&R manager van hun nieuwe platenmaatschappij. Peter had dus de taak talent voor Apple te vinden. Ron Griffiths wist meteen wie hij voor zich had toen het tweetal de Marquee binnenstapte. Hij herkende Asher van de foto’s van Peter & Gordon die jarenlang in de muziekbladen verschenen waren. “We were thrilled to bits because that was the nearest we’d got to the Beatles”, zei hij later.


Peter (links) & Gordon

Mal en Peter lieten zich positief uit over het optreden van de Iveys en de eigen liedjes die ze vertolkten. Een paar dagen later bezocht Mal het huis in Londen, waar ze nog steeds met z’n allen woonden, om naar de pas opgenomen demo’s te luisteren. Omdat hij enthousiast reageerde kreeg hij een aantal bandjes mee om die bij Apple aan anderen te laten horen. Dat was niet eenvoudig. Elke Beatle had zijn eigen favoriet en zonder steun van de Beatles kwam je er niet bij Apple. Paul McCartney was in de weer met Mary Hopkin, George Harrison met Jackie Lomax, John Lennon met Yoko Ono. En Peter Asher met James Taylor.
   Mal Evans had slechts een beperkte invloed. Toch wist de voormalige Beatle-roadie ‘zijn’ Iveys door te drukken bij Apple. Op 23 juli 1968 mochten ze een contract voor drie jaar tekenen bij de platenmaatschappij en bijbehorende muziekuitgeverij, waar nu ook Mike Berry werkzaam was. Het was feest bij de groep uit Wales toen ze hoorden dat juist hun platen op het eigen label van de Beatles uitgebracht zouden worden. Ron Griffiths: “We were euphoric. Everyone was going crazy. But we didn’t have any funds to have a party, so we just ran down to the local pub”.
   Het contract was niet eens zo slecht voor een beginnende groep. De Beatles hadden hun principes. Toen ze zelf bij EMI tekenden ging dat onder slechte condities. Dat wilden ze anderen niet aandoen. George Harrison vertelde daarom aan manager Bill Collins: “You’re not going to get ripped off like we were getting ripped off in our day. With us you get five percent and you don’t pay for production costs”.
   Collins, ex-artiest en ‘vader’ van de Iveys, ging niet in discussie. “I thought it was a fantastic deal. I didn’t negotiate this. I’m no businessman”. Een bijzondere uitspraak voor een zakelijk leider: “I’m no businessman”.
   Achteraf bleek dat Harrison niet helemaal eerlijk was, is te lezen in een boek van Dan Matovina over de groep. In werkelijkheid was de royalty maar vier procent. Alleen voor verkopen boven de 100.000 stuks zou er nog een procent bijkomen.   
 


Iveys op kantoor Apple           

Diezelfde dag, 23 juli 1968, maakten de Iveys meteen hun eerste opnamen voor Apple. Tony Visconti, een nog nieuwe producer, was verantwoordelijk in de Trident-studio. De liedjes ‘Daddy’s a millionaire’ en ‘No escaping your love’ waren geschreven door Pete Ham en Tom Evans. De Beatles lieten van zich horen, aldus Ron Griffiths. “Mike [Gibbins, drummer] en ik zaten op de vloer van de studio. We dronken koffie en rookten een sigaret. Paul McCartney kwam onverwacht binnenstappen. Hij ging achter de vleugel zitten en zei, ‘Hey lads, come over and have a listen to this. This is going to be our next single’. En toen hoorden we ‘Hey Jude’ in z’n geheel. Hij had het nummer pas geschreven. Het was nog niet eens opgenomen”.
   In het boek werd niet vermeld of McCartney ook belangstelling aan de dag legde voor wat de Iveys aan het doen waren.
   Drie dagen later werden de tot dan toe gemaakte opnamen door Tony Visconti gemixt. Paul McCartney dook opnieuw op. Ook Visconti was verbaasd. Er was echter sprake van een misverstand. “Paul said, ‘We must be recording at Abbey Road. I was under the impression we were recording here’”.
   Visconti maakte van de gelegenheid gebruik om McCartney's mening over de opnamen en de mix te vragen. Die kreeg hij: “It’s really good except that spoken bit is very loud”. Kort daarna was McCartney verdwenen. De Beatles waren op dat moment bezig met hun ‘White Album’.
 
Als je afgaat op wat muziekuitgever Mike Berry vertelde was het een rommeltje bij Apple. Berry was van Sparta Music naar Apple Music overgestapt. Hij wilde zich voor de Iveys inzetten, maar dat gaf problemen. Berry mocht alleen maar iets doen als er iemand van de Beatles bij de hand was. Maar de leden van de groep hadden meestal andere prioriteiten. Onder leiding van Paul McCartney werd er over het probleem vergaderd.
    Voortaan, werd besloten, zou Derek Taylor als coördinator optreden. “De volgende dag wilde ik met Derek over de Iveys praten. Maar ik hoorde dat hij naar Los Angeles vertrokken was. Zo kon ik niet verder bij Apple. Ik ging terug naar muziekuitgeverij Sparta”.
   Pete Towshend van de Who wilde zich eveneens inzetten voor de Iveys. Maar zijn compositie ‘Mary Ann with the shaky hands’ viel niet in goede aarde bij de band. Het leek Pete Ham geen goed idee dat de eerste Iveys-single een song van een ander zou zijn. De leider van de Who werd daarom het bos in gestuurd. In plaats daarvan verscheen ‘Maybe Tomorrow’ als de eerste 45 toeren-plaat van de Iveys op het Apple-label. De song was door Tom Evans geschreven. Paul McCartney vertelde Tom dat het zeker een hit zou worden. Apple investeerde daarom in het maken van een videoclip. Bovendien werden de afspraken met de muziekuitgeverij van Apple nu ook vorm gegeven.
   In november 1968 kwam ‘Maybe Tomorrow’ van de Iveys op de markt. Het was de vijfde single op het Apple-label. ‘Hey Jude’ van de Beatles en ‘Those were the days’ van Mary Hopkin waren al hits. Het promoten van de plaat ging met de nodige moeilijkheden gepaard. Apple had de zaak niet in de hand. Het popblad Disc & Music Echo weigerde bijvoorbeeld een interview met de Iveys te plaatsen omdat Derek Taylor het liet afweten toen de redactie belangstelling had voor een gesprek met Mary Hopkin. Pas na langdurig aandringen kwam er een artikel over de groep, maar dat ging voornamelijk over de moeilijkheden bij Apple. Sowieso was de Britse muziekpers op zoek naar de problemen bij de Beatles en hun amateuristische organisatie. In het blad Melody Maker verscheen een artikel met als titel ‘Has Apple gone rotten?’
    ‘Maybe Tomorrow’ van de Iveys op Apple werd geen hit in Engeland. In Amerika ging het wat beter. Daar haalde de single in elk geval nummer 67 in de Billboard-hitlijst. Duitsland en Japan reageerden positief. Het grootste succes had de groep uit Swansea in.... Nederland, is te lezen in het boek van Matovina. De single zou er de bovenste plaats van de hitlijsten gehaald hebben.
   In werkelijkheid kwam ‘Maybe Tomorrow’ op 1 februari 1969 de top 40 binnen en steeg door naar 17. Niet slecht trouwens voor het debuut van een nog onbekende groep zonder hit in eigen land.



foto gemaakt op 8 augustus 1969 in Apeldoorn (website Waterloo Station)

Van Iveys naar Badfinger 
 

In die tijd kwam de groep dank zij Mal Evans met drugs in aanraking. Eerst marihuana en daarna LSD. Tom Evans, Mike Gibbins en manager Bill Collins werden gebruikers. Gibbins: “Mal gave us our first acid. He called it Strawberry Fields Forever”. Voor Tom Evans was het een bron van inspiratie: “I know where I’m going now. Acid taught me that”. Manager Collins raadde zijn omgeving nadrukkelijk aan met LSD te experimenteren.
 
De Iveys kwamen al snel op het tweede plan bij Apple. Hun lancering was mislukt. Opname-technicus Glyn Johns nam de groep niet serieus. Tom Evans: “Hij had gewerkt met de Stones, Kinks en Led Zeppelin. Zijn houding was: ‘Who are these guys?’”
   Mal Evans liet hen echter niet vallen. Hij was bij heel wat Beatles-opnamen geweest en moet gedacht hebben: dat kan ik ook. Op 21 december 1968 namen de Iveys met Evans als producer het nummer ‘Storm in a Teacup’ op. Het resultaat werd niet goed genoeg geacht bij Apple.
   De vraag was of de Iveys wel zouden overleven bij de platenmaatschappij van de Beatles. Daar waren grote problemen. Allen Klein werd er in 1969 binnengehaald om orde in de chaos te scheppen. Heel wat mensen, inclusief Peter Asher, verdwenen. Het succes van ‘Maybe Tomorrow’ in een aantal landen, waaronder Nederland, hield de groep echter bij Apple overeind. Er kwam zelfs een album van alle opnamen die gemaakt waren. De elpee heette ‘Maybe Tomorrow’. Een toepasselijke titel. Geld was er nog steeds niet. John Ham moest bij een optreden een paar schoenen voor zijn jongere broer Pete kopen omdat er van de zolen van zijn enige paar niets meer over was. De schulden stapelden zich op. De leden van de groep leden honger. Letterlijk.
 
Op 23 juli 1969 kwamen de Iveys terug van een optreden. In de post zat een brief van Paul McCartney. Hij nodigde de groep uit voor een belangrijk gesprek op 29 juli. Iedereen was opgewonden. In dat stadium was een ontmoeting met iemand van dat kaliber uitzonderlijk, zelfs voor een groep die bij Apple onder contract stond.
   Er waren spanningen bij de Iveys. Ron Griffiths was getrouwd. Tom Evans mocht hem niet, dacht hij: “Tommy was convincing the others that I wasn’t one of the boys. I wasn’t smoking pot”.
   Paul McCartney praatte met de Iveys in de Abbey Road studio. Hij had het artikel in Disc & Music Echo gelezen. Paul begreep dat de jongens zich enigszins verwaarloosd voelden bij Apple. Daarom kwam hij met een voorstel. “Ik heb een song voor de film ‘The Magic Christian’ geschreven. Ik wil het met jullie opnemen en dan wordt het je nieuwe single”.
   Pete Ham reageerde negatief. Dan hadden ze eerder ook die song van Pete Townshend kunnen opnemen. Hij stond op uit zijn stoel en liet McCartney weten. “I thought we were supposed to do our own material? We’ve been told not to do covers!”
   McCartney moet zijn wenkbrouwen gefronst hebben bij dit antwoord. Gelukkig was Bill Collins bij de hand om een eventueel conflict uit de weg te gaan. Ter plekke liet hij Pete weten dat hij zich positief had op te stellen. “Look, this is an opportunity here”. Met die woorden wist hij hem over de streep te trekken.
   McCartney liet vervolgens zijn demo van ‘Come and get it’ horen. Eigenlijk had hij het te druk. De Beatles waren bezig met de opnamen van het album ‘Abbey Road’. Maar hij wilde de Iveys helpen. Op 2 augustus 1969 werd de nieuwe single in de Abbey Road-studio opgenomen met Paul McCartney zelf als producer. John Lennon en Yoko Ono kwamen ook nog even kijken. Gemakkelijk ging het niet. De leden van de groep wilden van alles aan de ideeën van McCartney toevoegen. Maar dat was niet zijn bedoeling. Het devies van de Beatle was – hou het simpel, dan is het een hit.
   Tom Evans uit Liverpool was het meest coöperatief. Die mocht dan ook het grootste deel van de zang voor zijn rekening nemen. Binnen drie uur was ‘Come and get it’ opgenomen. Bij Apple waren ze allemaal enthousiast. Er was nu aanleiding om door te gaan met de groep. Die mocht zelfs een nieuw album opnemen. Er waren echter nog wat haken en ogen. Ron Griffiths en de Iveys gingen uit elkaar. Zijn plaats werd ingenomen door Joey Molland, evenals Tom Evans afkomstig uit Liverpool. De groep bestond nu voor 50 procent uit jongens van Swansea en eveneens voor 50% uit Liverpool-artiesten.
   En die naam Iveys, die was het toch niet. Ze werden bovendien nog wel eens verward met de ‘Ivy League’, een andere Britse groep. Allerlei namen passeerden de revue. Fresh, High and Fun, The Glass Onion, The Old. Paul McCartney stelde ‘Home’ voor, John Lennon ‘Prix’, uit te spreken als ‘Priks’. In verband met de release-datum was de druk hoog om de knoop door te hakken. Neil Aspinall van Apple kwam met de oplossing: Badfinger. “Ik zat met Bill Collins in de kroeg. ‘Badfinger’ kwam ineens bij me boven. John Lennon speelde eens het basis-idee van ‘With a little help from my friends’ op de piano. Hij had die dag een ‘slechte vinger’, en noemde het nummer daarom ‘Bad Finger Boogie’”. Die uitdrukking was hem bijgebleven.  
   ‘Come and get it’ werd de eerste single van de nieuwe groep Badfinger.

  

 

Eindelijk succes, maar toch...

 
Voor het grote publek was Badfinger een gloednieuwe groep. En wat voor een groep. Kort na de release van ‘Come and get it’, vielen de Beatles uit elkaar omdat Paul McCartney zijn eigen weg ging. In de internationale pop-media werd Badfinger tevoorschijn getoverd als de nieuwe Beatles.
   John Mendelsohn schreef in het blad Rolling Stone: “Badfinger is definitely a throwback to those innocent days of the mid-60s. It’s not at all difficult to imagine these chaps converging on a microphone to shake their hair, grin boyishly in unison and yell ‘Oooh!’ in falsetto harmony, is it?  Even when they’re so unbearably cute that you want to take them off for a minute to clear the air with Led Zeppelin or something, you can’t help but be cheered by their presence. Remember the name: Badfinger, from Liverpool”.
   Uit Liverpool? Bestond Swansea dan niet meer?
 
De single ‘Come and get it’ werd een wereldhit voor de nieuwe popgroep. Het nummer kwam hoog in de top 10 van Amerika en Engeland begin 1970. Badfinger had het ineens gemaakt. De leden van de groep waren nu in trek.
   In de tijd dat Paul McCartney met zijn eerste solo-album in de weer was werd Badfinger benaderd om het nummer ‘It don’t come easy’ als tweede single op te nemen. George Harrison kwam ermee op de proppen. Maar Pete Ham maakte juist demo-opnamen van de nieuwe songs die hij zelf geschreven had. Badfinger zei dan ook nee tegen de suggestie van Apple. Daarom werd ‘It don’t come easy’ de eerste solo-single van Ringo Starr na het uiteenvallen van de Beatles. Pete Ham en Tom Evans deden wel mee in het koortje van de plaat die door George Harrison geproduceerd werd en begin 1971 in de Amerikaanse en Britse top 10 belandde.
 
Zoals gezegd, Paul McCartney verbrak in 1970 het zakelijke contact met Harrison, Starr en Lennon. Dat betekende dat de Iveys het moesten stellen zonder de man die hen aan hun eerste grote hit geholpen had. Badfinger was wel betrokken bij producties die voormalige leden van de Beatles na het uiteenvallen maakten. Zo mochten Tom Evans en Joey Molland, de Liverpoolse leden van de groep uit Wales, op een van de nummers van het album ‘Imagine’ van John Lennon gitaar spelen. Alle leden van Badfinger deden ook mee op het driedubbele album ‘All things must pass’ van George Harrison.
 


George Harrison en Pete Ham

George Harrison was degene die na het vertrek van McCartney het meest met Badfinger in de weer was. In 1971 trad hij op als producer van een nieuw album. Maar Harrison had meer noten op zijn zang. Hij vond dat hij wat moest doen aan de ellendige situatie in Bangladesh. Samen met Ravi Shankar besloot hij een concert te organiseren waarvan de opbrengst voor het goede doel bestemd was. Badfinger nodigde hij uit om met hem mee naar New York te gaan. Op 1 augustus 1971 trad Badfinger in Madison Square Garden op bij het ‘Concert for Bangladesh’.
   Harrison werd zozeer in beslag genomen door het project dat hij geen tijd meer had verder te gaan met de productie van het nieuwe album van Badfinger. De groep kreeg nu Todd Rundgren als producer aangewezen. Dat pakte niet goed uit. De zelfverzekerdheid en autoriteit waarmee Rundgren in de studio te werk ging riep weerstanden op. Opnieuw kreeg Pete Ham niet de kans de muziek te maken zoals hij die voor ogen had. Aan Paul McCartney en George Harrison wilde hij zich – noodgedwongen – nog wel aanpassen, voor Todd Rundgren hadden hij en de andere leden van de groep aanzienlijk minder respect.

  

Beslissingen in Amerika

De meeste media lieten zich lovend uit over de muziek van Badfinger.
    Op 2 december 1970 schreef Mike Saunders in het Amerikaanse blad Rolling Stone over hun album ‘No Dice’: “With their new album, Badfinger has to their credit one of the best records of the year. Pete Ham sings in his best McCartney-esque voice.
   Without doubt, Badfinger’s most noticeable trademark is Pete Ham’s ability to write, sing, and even look uncannily like Paul McCartney. And it even goes beyond that, for the group’s similarities to the Beatles, in their late Beatles studio-type sound and the good group singing that the late Beatles so direly lacked, are really boggling. It’s as if John, Paul, George, and Ringo had been reincarnated as Joey, Pete, Tom, and Mike of Badfinger. And, in general, this album sounds like nothing so much as what might have happened had the post-Pepper Beatles gotten it together after their promising double The Beatles. Badfinger is becoming that good, and they may well get better. Don’t miss them”.
   Voor de buitenwereld leek het alsof het succes niet op kon voor Badfinger. Na ‘Come and get it’ maakte de groep nog twee internationale hitsingles. Eerst ‘No matter what’, geschreven door Pete Ham en geproduceerd door Mal Evans. En daarna “Day after day’, opnieuw een song van Pete, deze keer opgenomen onder leiding van George Harrison. Een andere Badfinger-song, ‘Without you’, een nummer van het album ‘No Dice’, geschreven door Pete Ham en Tom Evans, bereikte in 1971 de eerste plaats van de Amerikaanse en Engelse hitlijsten in de uitvoering van Harry Nilsson (1941-1994).
 

Badfinger was vooral succesvol in de VS. Ze trokken er zeer regelmatig rond voor optredens. Ze hadden slechts één probleem. Bill Collins, hun manager was niet in staat de zakelijke belangen van de groep goed te behartigen. Hij probeerde mee te gaan met zijn tijd, bijvoorbeeld door zijn haar te laten groeien. Maar hij was verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van een popgroep die het wereldwijd aan het maken was. En die tegelijkertijd afhankelijk was van de Apple-organisatie die niet functioneerde, zeker niet voor niet-ex-Beatles. Allen Klein, die de zaken van iedereen behalve die van Paul McCartney, behartigde had zo zijn prioriteiten. Badfinger was niet de top-prioriteit binnen Apple.

     


Stan Polley en Lou Christie

Er was iemand nodig voor Amerika. Collins had niet de capaciteiten om in dat land de juiste beslissingen te nemen. Badfinger liet er zijn zaken behartigen door Stan Polley. Die had zijn strepen verdiend als manager van onder anderen zanger Lou Christie en toetsenman Al Kooper (Dylan, Blood Sweat & Tears).
   Polley wist Badfinger er toe te brengen een Amerikaans bedrijf (Badfinger Enterprises Inc.) op te richten waarin hij zelf een meerderheidsbelang had. Polley had dus de controle over al het geld dat er binnenkwam. Dat zou, zo dwong hij af, niet onmiddellijk ten goede komen aan de groep. De leden van Badfinger namen genoegen met een maandsalaris van ieder duizend dollar. De rest van de inkomsten zou gespaard en belegd worden. Op die manier zou er zo weinig mogelijk belasting betaald hoeven te worden.
   Ondanks alle succes bleven de leden van Badfinger nog steeds straatarm. Zelfs toen er een miljoenendeal met Warner Brothers werd afgesloten. Kathie, de echtgenote van Joey Molland kon het niet langer aanzien. Ze hadden niet eens geld om een koelkast en een tv-toestel aan te schaffen.
 
Met de zaken van Badfinger en de sfeer binnen de groep ging het van kwaad tot erger. Voor Pete Ham was het leven uitzichtloos. Op 23 april 1975 kreeg hij bericht dat al hun geld in Amerika verdwenen was. Die avond ging hij samen met Tom Evans de kroeg in en dronk het ene glas whiskey na het andere. Een paar uur later maakte hij een einde aan zijn leven. In een afscheidsbrief schreef hij: “Stan Polley is a soulless bastard”. Daarmee waren de financiële en andere problemen nog lang niet opgelost. Op 19 november 1983 maakte ook Tom Evans een einde aan zijn leven.

  

Opnieuw erkenning voor ‘Without You’

 
In 1994 verscheen ‘Without You’, de song van Pete Ham en Tom Evans, opnieuw als single. Deze keer was Mariah Carey de uitvoerende artiest. ‘Without You’ van Mariah Carey werd een van de grootste hits van het jaar. Het werd een platinaplaat in Nederland, Nieuw-Zeeland, Australië, Oostenrijk en Duitsland. Iemand moet er dus geld mee verdiend hebben. In Amerika kwam het op nummer 3 bij Billboard. En nummer één in Groot-Brittannië, het land waar Pete Ham op 27 april 1947 in Swansea geboren was.
 
Harry Knipschild
11 april 2013

27 april 2013
In Swansea wordt een plaque ter ere van Pete Ham onthuld

Otober 2013
'Baby Blue' (1972) van Badfinger, geschreven door Pete Ham, krijgt, 41 jaar na dato, tv-exposure in de VS.

Clips
* Peter & Gordon, World without love, 1964
* Hollies, Poison Ivy
* Beatles, With a  little help from my friends (Bad Finger Boogie), uit 1967
* Iveys, Maybe Tomorrow, 1969
* Badfinger, Come and get it, 1970
* George Harrison met Pete Ham, Here comes the sun (concert voor Bangladesh, 1971
* Badfinger, Baby Blue, 1972
* Huwelijk Tom Evans, 1973
* Documentaire over Badfinger, deel 1
* Mariah Carey, Without you, een song van Pete Ham en Tom Evans, uit 1994
Badfinger, Baby Blue, op Amerikaanse tv, 2013
* Baby Blue op ukelele, na de tv-uitzending, 2013
* Een plaque ter ere van Pete Ham in Swansea, 27 april 2013
     
Literatuur
Mike Saunders, ‘Badfinger: No Dice’, Rolling Stone, 2 december 1970
Chris Charlesworth, ‘Fickle fate of Badfinger’, Melody Maker, 30 januari 1971
Mike Saunders, ‘No Dice’, Creem, maart 1971
Harold Bronson, ‘Badfinger’, Rolling Stone, 10 juni 1971
Caroline Boucher, ‘Badfinger: Straight Up’, Disc and Music Echo, 8 januari 1972
Mike Saunders, ‘Badfinger: Straight Up’, Rolling Stone, 20 januari 1972
Mark Leviton, ‘Badfinger at the crossroads’, Phonograph Record, mei 1972
Steve Turner, ‘The breaking of Badfinger’, 1975 (niet gepubliceerd)
Dan Matovina, ‘Badfinger back in business’, Trouser Press, mei 1979
Dan Matovina, Without you: The Tragic Story of Badfinger, 2000
‘Tragedy-hit group’s drummer [Mike Gibbins] dies’, BBC, 7 oktober 2005
Tom Brennan, ‘Badfinger & Bangladesh’, website Badfinger, 7 juli 2011