Zoeken

 
Ten tijde van de opkomst van de popmuziek, in de jaren vijftig en zestig, gedroegen de topmensen van de Nederlandse platenmaatschappijen zich meestal nogal ‘aristocratisch’. Coen Solleveld en Jack Haslinghuis (Phonogram), Ger Oord (Bovema), Rob Oeges (Negram-Delta), Wim Brandsteder (Inelco) en Evert Garretsen (Polydor) waren dat soort mensen. Met popmuziek hadden ze niet veel.
   In de tweede helft van de jaren zestig verscheen een nieuwe generatie platenmensen aan het firmament. Misschien gaf zeezender Veronica, met zijn zakelijke belangen, wel de toon aan. Programmaleider Willem van Kooten zette in 1968 samen met Freddy Haayen en Peter Koelewijn productiebedrijf Red Bullet op. Haayen, employee van Polydor, werd na de overplaatsing van Garretsen naar Canada directeur van Polydor. Andere managers met belangstelling voor popmuziek waren ondermeer Casper Koelman (Inelco), John Vis (Artone/CBS), Nico van Biemen (Polydor) en Roel Kruize (Bovema, EMI).    
   Roel Kruize en ik heb afgesproken dat ik de komende tijd een en ander ga vertellen over zijn bijzondere leven in de geschiedenis van de popmuziek. Vandaag het eerste deel.

 
De stichter van de Gist- en Spiritusfabriek met zijn echtgenote
 
Kruize is afkomstig uit Delft. Toen ik op 19 maart 2013 bij hem op bezoek ging reed de trein langs de DSM-fabriek. Enkele jaren geleden heette het bedrijf in Delft nog Gist-Brocades. Het werd in 1869 opgericht als de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek. De vader van Kruize was, aldus Roel, ‘van de arme tak van de familie, uit Groningen’. Er was nog een tweede tak (‘de rijke’), eveneens uit Groningen. Dat waren kustvaarders. Ze vestigden zich in Leiden en omgeving. Eén van hen was hockey-international Ties Kruize.
   “Mijn vader was binnenvaartschipper. Hij vervoerde melasse voor de Gist- en Spiritusfabriek. In 1935 ging mijn moeder aan wal en vestigde zich in Delft (Agnetapark). Mijn vader bleef varen”.
   Roel werd, hoorde ik, geboren op 15 augustus 1938. “Op Maria Hemelvaart”, voegde hij er nog aan toe. Die opmerking duidde niet op een rooms-katholieke achtergrond. Roel werd strak-calvinistisch opgevoed. Het muziekinstrument thuis was een harmonium. De zangbundels van Johannes de Heer hadden er eveneens een prominente plek. “Maar ik heb altijd iets met Madonna’s gehad”, zei hij.
 

 
De radioprogramma’s van Pete Felleman
 
 
In muzikaal opzicht voer Roel geleidelijk aan een nieuwe koers. Hij luisterde naar de programma’s die Jaap ‘Pete’ Felleman vanaf 1947 voor de Vara uit eigen collectie samenstelde. In de Tuney Tunes van maart 1948 was onder de kop ‘Swing en Sweet’ te lezen: “Goede radio-programma’s op een gunstige tijd, die tot luisteren uitnodigen treft men niet veel aan in Nederland. Het Pete Felleman-programma ‘Swing and Sweet from Hollywood and 52nd Street’ vormt hier de uitzondering.
   Vrijdagsavonds brengt deze persoon in samenwerking met de V.A.R.A. een programma om van te watertanden. Felleman stelt de programma’s zelf samen en de tekst wordt als regel uitgesproken door de V.A.R.A.-omroeper Coen Serré. De platen zijn afkomstig uit Pete’s eigen collectie.
   Op het perron van het Hilversumse station konden wij [de redakteur van Tuney Tunes] hem even te pakken krijgen. Het resultaat was een opgave van de programma’s over de maand maart. Vrijdag 5 maart: David Rose and his orchestra in de serie ‘Soft Strings’ met platen uit Dave’s nieuwste Victor album. Vrijdag 12 maart volgt Benny Carter in de serie ‘Great Soloists’, waarin we Amerika’s ‘amazing man of music’ niet alleen als leider van zijn orkest maar ook als star-solist zullen kunnen beluisteren. Pete’s eigen keuze is Benny’s solo in ‘I can’t believe that you’re in love with me’. Vrijdag 19 maart komt er weer een ‘Vocal Touch’-programma. Opnamen van Billie Holiday. Het hoogtepunt van deze uitzending zal zijn haar vertolking van ‘Strange Fruit’”.
   Al snel werd Pete Felleman de presentator van zijn eigen programma. Dat ging toen op zaterdagmiddag de ether in. Steeds meer liet hij de actuele Amerikaanse hits horen. Roel werd meegesleept door zowel de presentatie als muziekkeuze van Felleman. Pete was een idool voor een jonge generatie. Hij draaide de hits van vocalisten als Patti Page (‘Cross over the Bridge’), Guy Mitchell, Rosemary Clooney, Bonnie Lou (‘Seven Lonely Days’) en Teresa Brewer. “Felleman eindigde zijn programma altijd met: ‘Tien toppers in totaal. U hoorde ze allemaal’”.
   Kruize: “Vroeger luisterde ik puur fonetisch naar die songs, ik ken al die teksten nog helemaal uit mijn hoofd. Samen met mijn vrouw Puck zingen we die liedjes mee als we ze in de auto op de radio horen”.
 
 

 

Patti Page
 
Ik vroeg Roel of hij ook luisterde naar jazzmuziek en of hij er wel eens heen ging. Die was toch populair bij veel opgroeiende jeugd in de eerste helft van de jaren vijftig. De ‘legendarische concerten’ van Lionel Hampton bijvoobeeld.
   Dat was nauwelijks het geval. Soms, als hij voldoende geld had, ging hij naar een concert van de Dutch Swing College Band in Den Haag.
 
Vooral de moeder van Roel stimuleerde nadrukkelijk dat haar kinderen een goede opleiding ontvingen. Ze moesten het verder kunnen brengen in het leven. Twee oudere zussen en een broer kregen de kans na de lagere school ook nog de mulo te bezoeken en verder te studeren. Roel en een andere broer zaten zelfs op de HBS. In die tijd was er nog geen mammoetwet, je moest bijvoorbeeld alle talen leren. Dat kwam later goed van pas.
   Met zijn belangstelling voor populaire Amerikaanse muziek en later rock & roll was Roel een beetje het zwarte schaap in het calvinistische gezin. Toch hield hij zich nog intensief bezig met Calvijn toen hij na de middelbare school bij Enno van Gelder geschiedenis studeerde.  

 
Militaire dienst
 
 
Omdat hij zijn toekomst niet duidelijk voor ogen had ging Kruize vervroegd in militaire dienst. Het lijkt erop alsof die jaren zijn leven nogal bepaald hebben. Bij Roel rijpte het idee dat hij wilde gaan werken in de platenbusiness.
   Als soldaat spelde hij tijdschriften over populaire muziek. Bladen als Rhythme en Tuney Tunes. Pete Felleman schreef artikelen met zijn unieke taalgebruik vol alliteraties. Maar ook de periodieken van platenmaatschappij Bovema: Gramophone House News en de Platenjager. Roel raakte geïnteresseerd in grammofoonplaten, in het verkopen ervan en wat vandaag marketing heet. Door de bladen van Bovema, dat kantoor hield in een Zwitsers chalet op de Bronsteeweg in Heemstede, kreeg hij speciaal belangstelling voor dat bedrijf. Ger Oord was directeur-eigenaar. Zijn logo was ‘huis van de hits’.
   Terwijl hij nog in dienst zat stuurde Roel vol enthousiasme een open sollicitatiebedrief naar Bovema. En hij werd nog uitgenodigd voor een gesprek ook! Roel sprak met N.L.A. Hutter, de rechterhand van Ger Oord. Dat verliep zo soepel dat de eigenaar van het bedrijf er bij gehaald werd. Tijdens het sollicitatiegesprek rijpte het idee dat Roel na zijn afzwaaien in Heemstede zou komen werken. Hij zou de assistent worden van Pete Felleman, die zich op dat moment als labelchef bezig hield met de platen van Capitol.  
   Voor soldaat Kruize was het een geweldig vooruitzicht na zijn diensttijd te gaan werken voor een bedrijf als Bovema, en bovendien nog wel samen met Pete Felleman. Capitol had artiesten als Frank Sinatra, Nat ‘King’ Cole, Dean Martin, Johnny Otis, Louis Prima, Peggy Lee en het Kingston Trio. “Ik was euforisch na het gesprek, één van de mooiste dagen van mijn leven”.
   Het pakte anders uit. “Na het sollicitatiegesprek hoorde ik niets meer. De teleurstelling was kolossaal”. Pas later begreep hij wat er aan de hand was. “Oord was een ochtendmens. Hij kwam altijd als eerste op de Bronsteeweg. Felleman was precies het tegenovergestelde. Menigmaal arriveerde die pas aan het begin van de middag, maar bleef dan wel lang doorwerken. Dat lag niet lekker bij Oord en Hutter. Als ik assistent geworden was zou ik voor Felleman een voorbeeld van op tijd komen geweest zijn. Een manier om hem wat discipline bij te brengen. Op de een of andere manier zal hij de ‘aanval’ wel hebben weten te pareren. Maar hoe dan ook, mijn positieve gesprek leverde mij in die tijd niets op”.

 

Pete Felleman

 

Van Hees & Co toch naar Bovema

 
Ondanks die negatieve ervaring was Roel Kruize vastbesloten iets te bereiken in de grammofoonplatenwereld. Die keuze stond voor hem vast, al moest hij bij nul beginnen. Het lukte hem een baantje te verwerven bij Hees & Co., een muziekzaak in Delft met filialen in de wijde omgeving, tot in Haarlem en Maassluis toe. Jac. de Jong had de leiding over de platenafdeling van het bedrijf.
   “Aanvankelijk stelde wat ik deed niet veel voor. Ik sjouwde met televisietoestellen, verkocht bladmuziek en snaren van muziekinstrumenten. Maar na een tijdje lukte het me te mogen werken op de platenafdeling. Bij Hees heb ik veel geleerd van het vak. Ik deed er heel wat repertoirekennis op. Ook: wat voor soort platen in alle genres er over de toonbank gingen. En wie die platen kochten. Hees was een echte leerschool voor me”.
   In het begin van de jaren zestig leerde Roel tevens de vertegenwoordigers van de platenmaatschappijen kennen. Namen die hij zich nog kon herinneren waren die van Arie Merkt (Polydor), Piet Mulder (Stibbe) Koos van de Berg (CNR) en Leo Moolenijzer (Artone). In die tijd stelden de hitlijsten nog niet zo veel voor. De vertegenwoordigers probeerden de winkeliers enthousiast te maken voor hun repertoire. Als die bepaalde platen zagen zitten namen ze die in voorraad en brachten ze op hun beurt aan de man bij hun klanten. “Bovema was uiterst actief op dat terrein. Bij Oord draaide alles om verkoop. Elke week kregen we bezoek van maar liefst drie Bovema-vertegenwoordigers, die van het Columbia-repertoire (John Fesevur), HMV (Hans Tybout) en Capitol. Bovendien kwam er elke drie weken nog een een vertegenwoordiger van Imperial (Wim van Duin) naar Delft. Vier vertegenwoordigers van één platenmaatschappij. Hees was immers lid van Bovema’s Gouden Club van Vijftig”.

 

John Fesevur en enkele andere employes van Bovema

 
Roel had goede contacten met de mensen van Bovema. Fesevur en Tybout zorgden ervoor dat Kruize voor een gesprek in Heemstede werd uitgenodigd. Deze keer werd hij aangenomen. Als vertegenwoordiger van het Capitol-label kon hij per 1 januari 1962 in Midden-Nederland aan de slag. Van huis uit. Verkoopleider was Aart Lamberts.
   Roel werkte in die dagen voor een salaris van 450 gulden per maand, plus een provisie van 1 procent van de omzet. Zijn eerste provisie was 27 gulden. Hij was getrouwd met een kind op komst. Zijn inkomsten waren nauwelijks voldoende om van te leven. Aan een interviewer vertelde hij een paar jaar geleden: “Wanneer wij eters hadden, werden mini-gehaktballen geserveerd. Dan hadden wij nog iets over voor de volgende avond”.
   Met het Capitol-repertoire kwam je een eind in de randstad. Een winkelier waarmee hij het goed kon vinden was Hein Staffhorst in Utrecht. Die was actief en had evenals Roel persoonlijk belangstelling voor goede Amerikaanse muziek. Veel moeilijker had Roel het in het oosten van het land, tegen de Duitse grens aan. “Daar was nauwelijks belangstelling voor die muziek. Gelukkig werd ik een tijdje later belast met de verkoop van het [ook klassieke] HMV-repertoire. Nu had ik ineens een heel andere entrée buiten de randstad. Van iemand als Rudolf Schock werd het hele repertoire wekelijks aangevuld. Die was uitermate geliefd bij het platenkopend publiek. Ook de platen Yehudi Menuhin, Gilbert Bécaud en Adamo verkochten heel goed”.
   Omdat Roel nu een beter verkopende catalogus onder zijn hoede had, verdiende hij dus behoorlijk meer.

   Kruize: “Toen ik eenmaal bij Bovema in dienst was ben ik bij Hutter nog eens teruggekomen op mijn eerste sollicitatie. Hij kon er zich naar eigen zeggen niets meer van herinneren”.

Het salaris van Roel Kruize (1962)

 
Cees Mentink was labelmanager van Capitol op het moment dat Roel Kruize als verkoper begon. Felleman had Bovema intussen verruild voor Artone in Haarlem. Bij de concurrent was hij aangesteld als manager van de afdeling-Funckler – met Amerikaanse labels als Chess, Hickory, Roulette en Motown.
   Mentink in de Weergever: “Ik heb Roel in 1962 zien binnenkomen bij Bovema en hem meegemaakt bij talloze vergaderingen en dealerdagen. Roel was serieus en ontpopte zich als een uitstekende vertegenwoordiger, eerst van populaire muziek en vervolgens van het klassieke repertoire. Roel praatte niemand naar de mond, ook Oord niet. Hij gaf tegengas op basis van argumenten. Oord waardeerde dat. Hij werd al genoeg omringd door ja-knikkers”.
   Ger Oord was niet alleen directeur maar ook eigenaar van Bovema. De naam van het bedrijf was een afgeleide van Bot Oord Verkoop Maatschappij. Als eigenaar kon hij, zeker in de begintijd, een aantal zaken tamelijk willekeurig naar zijn hand zetten. Dat gaf af en toe consternatie onder de werknemers. Pete Felleman had de naam Bovema wel eens omgedoopt in ‘Bij Ons Verandert Elke Maand Alles’. Een andere uitspraak van Felleman was: “Bij Bovema is niets zeker, en zelfs dat is niet zeker”. Skip Voogd, radioman en journalist, vertelde Mentink: “Bij Bovema waren intern afspraken geen afspraken. Wat vandaag ‘ja’ was, bleek morgen ‘nee’ te zijn”.
   Mentink vatte de situatie in die tijd bij Bovema samen met de woorden: “Om het mild te zeggen, Ger Oord was onvoorspelbaar in zijn gedrag. Er waren medewerkers die na hun vakantie eerst naar Gramophone House belden en hun secretaresse vroegen of hun stoel inmiddels niet door een ander was bezet”.
   Kruize: “Oord bracht bewust steeds veranderingen aan. Dat hield de zaak in beweging, vond hij. Het was geen willekeur”.

 

Edith Piaf en Ger Oord

 

Labelmanager bij Bovema, de maatschappij van de Beatles

 
Roel was dus geen ja-knikker. Bovendien had hij een grote repertoire-kennis en was hij een serieuze en goede vertegenwoordiger. Zo’n man kon Ger Oord goed gebruiken in zijn bedrijf. Mentink tekende dan ook op: “Ger Oord en Roel Kruize lagen elkaar vanaf het begin”.
   Mentink slaagde erin zich te laten overplaatsen naar de A&R-afdeling, met het Nederlandse repertoire onder leiding van John Möring. Roel Kruize werd, zonder dat hij er voor hoefde te solliciteren, de opvolger van Mentink als labelchef van Capitol (na een korte periode waarin Ger Oord jr. het label onder zijn hoede had). Als dienstplichtig soldaat droomde hij er nog van assistent van de labelmanager van Capitol te worden. Nu zat hij op de stoel die eerder door Pete Felleman bezet was. In een paar jaar was er heel wat gebeurd in het leven van de jonge muziekliefhebber.
 
EMI Records, het internationale Britse bedrijf waar Ger Oord nauw mee samenwerkte, voerde al jaren een expansief beleid. Zoals Artone vanuit Haarlem de licensie van Amerikaanse labels wist te verwerven, deed EMI dat vanuit Londen. EMI ging daarmee de concurrentie aan met het eveneens Britse Decca. Decca was al jaren succesvol in de acquisitie in Amerika. Opnamen van bijvoorbeeld Atlantic Records (Ray Charles, Drifters, Bobby Darin, Ben E. King, Coasters) werden op het London-label door Decca in de handel gebracht. Top Rank probeerde enkele jaren eveneens van de grond te komen, maar hield de concurrentie niet vol.
   EMI zette het Stateside label op (met de ‘S’ als dollarteken op het logo). Bovendien kocht EMI in 1955 het Amerikaanse Capitol Records, gevestigd in Los Angeles, dat vanaf 1963 goed scoorde met een nieuwe popgroep uit Californië – de Beach Boys. (Kruize: “In Nederland zorgde ‘Sloop John B.’ in 1966 voor de doorbraak”). Een goed verkopende country & western artiest was Buck Owens, eveneens opererend vanaf de Amerikaanse westkust.
   Als labelmanager van Capitol en Stateside begon Roel Kruize zich op de Nederlandse platenmarkt te manifesteren.    
 
EMI, dat stap voor stap steeds meer aandelen van Ger Oord in Bovema overnam, had natuurlijk ook eigen artiesten. Die zaten vaak op het Columbia-label. In het begin van de jaren zestig waren vooral Cliff Richard en de Shadows populair bij de jeugd in Europa. Hun platen, en later die van Helen Shapiro, werden geproduceerd door Norrie Paramor (1914-1979). Het lukte de Europese platenmaatschappijen nauwelijks om dat soort artiesten naar Amerika te exporteren. In die tijd kwamen de grote idolen uit Amerika. De VS was nu eenmaal de bakermat van de popmuziek.
 
Het kostte EMI dan ook extreem veel moeite hun nieuwe succesvolle popgroep, de Beatles, in Amerika van de grond te krijgen. Capitol, inmiddels eigendom van EMI, had in eerste instantie niet de minste belangstelling. Pas onder grote druk vanuit Engeland, en met hulp van de Amerikaanse tv-presentator Ed Sullivan, kwam de ommekeer. Door het optreden in de Ed Sullivan-show veroverde het viertal uit Liverpool de harten van de Amerikaanse teenagers, in het begin vooral de meisjes. De ‘Britse invasie’ van 1964 maakte in één keer een einde aan het monopolie van Amerikaanse popmuziek in de wereld. Kort na de doorbraak bezetten de Beatles tegelijk de eerste vijf plaatsen in de Hot 100 van Billboard.
 
De Beatles waren dus de nieuwe troeven van EMI. Hun platen werden uitgebracht op het Parlophone-label dat door George Martin gerund werd. Alle labels van EMI werden in Nederland door Bovema vertegenwoordigd. Er was slechts één uitzondering – dat was toevallig Parlophone. De frustratie bij Bovema moet groot geweest zijn, dat kan niet anders.
   Parlophone werd door het ‘kleine’ Stibbe gedistribueerd in Nederland. Toen de Beatles doorbraken met hits als ‘She loves you’, ‘I want to hold your hand’, ‘Can’t buy me love’, ‘A hard day’s night’, ‘I feel fine’, ‘Eight days a week’, ‘Help’ en ‘Yesterday’, werden die platen niet door Bovema in de handel gebracht. Tijdens het bezoek van de Beatles aan Nederland in juni 1964, met het tv-optreden in Treslong, Hillegom, de concerten in Blokker en de tocht door de Amsterdamse grachten, was Bovema dan ook niet van de partij. Als je de clip van het optreden in Blokker bekijkt zie je bij het podium niet alleen reclame voor Heineken-bier maar ook een spandoek van Stibbe.
   Het duurde nog tot het einde van 1965 voor Bovema eindelijk de rechten verwierf op het repertoire van de best verkopende popartiesten ter wereld. Roel Kruize: “Dat was met ‘Rubber Soul’. Met het drukken van de hoes van het album hadden we overigens de grootste moeite. Het ging nog in boekdruk. We hebben heel wat hoezen moeten weggooien voor het er perfect uitzag”. Op dat album songs als ‘Michelle’, Norwegian Wood’, ‘Girl’, ‘You won’t see me’ en ‘Drive my car’.
   Vanaf dat moment pas kwamen alle platen van de Beatles uit de eigen fabriek van Bovema. Albums als ‘Revolver’, ‘Sgt. Pepper’, ‘Abbey Road’ en ‘Let it be’. En natuurlijk de single ‘The ballad of John & Yoko’ die opzien baarde vanwege de aanwezigheid van John Lennon en Yoko Ono in het Amsterdamse Hilton-hotel kort na hun huwelijk. “Bovema’s Hans Boskamp deed het grootste gedeelte van de organisatie”, aldus Roel Kruize die er wel bij was. “Hans en ik hebben John en Yoko een paar keer naar bed gebracht”, zei hij lachend.

Drie artiesten van EMI, vlnr John Lennon, Georgie Fame en Paul McCartney

 
Ik vroeg Roel Kruize of het onvoorstelbaar grote succes van een groep als de Beatles een maatschappij niet ‘lui’ maakte. Je bracht een nieuwe plaat uit en de verkoop barstte los. Zo leek het in elk geval te gaan als je de Amerikaanse vakbladen van die tijd las. Dat moet pijn gedaan hebben toen de groep er in 1970 ineens niet meer was.
   Roel wees me erop dat het niet bij die ene groep bleef in Londen. In navolging van de Beatles verschenen er allemaal nieuwe groepen en solisten aan het Britse popfirmament. Brian Epstein was niet alleen manager van de Beatles maar ook van Gary & the Pacemakers, Cilla Black en Billy J. Kramer & the Dakotas. Het zo succesvolle EMI lanceerde bovendien tal van andere acts, zoals Georgie Fame, de Dave Clark Five, Hollies, Swinging Blue Jeans, Yardbirds, Manfred Mann, Peter & Gordon, Seekers, Animals, Cliff Bennett & the Rebel Rousers, Jeff Beck, Herman’s Hermits, The Move, Lulu, Freddie & the Dreamers. Er viel dus genoeg aan te pakken. De Amerikaanse Beach Boys (op Capitol) waren eveneens uitermate belangrijk voor EMI.
 
Alle Britse EMI groepen verschenen vanaf 1966 bij Bovema. In Amerika was het anders. Veel platen van succesvolle EMI-acts werden er door niet EMI-maatschappijen uitgebracht. Het was verre van zelfsprekend dat een Britse act automatisch door het Amerikaanse zusterbedrijf Capitol onder contract genomen werd. De Dave Clark Five, bijvoorbeeld, kwamen bij Epic (CBS), Herman’s Hermits en de Animals bij MGM. Kortom, vanzelf ging het niet, zeker niet in Amerika.
   In Amerika ging het dus anders dan in Nederland. Capitol moest bij wijze van spreken aardig opnieuw beginnen toen de Beatles er in 1970 ineens niet meer waren. Bovendien hadden de Beach Boys hun eigen Brother Records opgezet en dat lieten ze door Reprise Records distribueren.
  Ik moest denken aan een artikel in Billboard van 13 juni 1970. Tijdens een conventie in Honolulu lanceerde het Amerikaanse EMI-bedrijf Capitol een nieuwe aanpak. “Capitol will rely on new artist development plus strong teamwork between a&r and marketing to achieve its goal of becoming number one, label president Sal Iannucci told the nearly 450 persons attending its largest sales convention at the Ilikai Hotel here June 4.
  ‘The principal thrust of this company, the principal thrust of this convention, must be the idea of new artist development’, Iannucci said. ‘We are now, without question, an a&r oriented company. The theme of this convention is the breaking of new artists’.
  Acknowledging that breaking a new act can take several years, Iannucci mentioned several acts which have taken giant first steps toward the achievement of this goal: the Grand Funk Railroad, Freda Payne, the Chairmen of the Board, Candi Staton, Badfinger and the Pink Floyd. Artists becoming major names after a few releases include the Band, Quicksilver Messenger Service, Steve Miller and Joe South, he continued. In the country area, Iannucci pointed to such acts as Sonny James, Buck Owens, Merle Haggard and Glen Campbell”.
  Er werden nog heel wat namen genoemd. De naam van de Beatles of een van de (ex)-leden van de groep kwam in het lange artikel niet één keer voor. De conventie was trouwens een dure aangelegenheid. Capitol had had er maar liefst 4,5 miljoen dollar voor uitgetrokken. Roel Kruize, inmiddels algemeen labelchef, en Joop Visser, de nieuwe labelchef van Capitol, waren er namens Bovema bij.
  Kortom, er moest in de VS flink aangepakt worden, leek me. Het succes kwam niet snel genoeg. Een jaar later was Iannucci geen president van Capitol meer. Over de internationale aanpak van EMI na het Beatles-tijdperk hoop ik binnenkort na overleg met Roel Kruize meer te schrijven.
 
Tijdens het gesprek maakte Roel nog een paar opmerkingen over de Beatles die me van belang lijken in dit artikel te behandelen.
   Allereerst het contract met de groep. Brian Epstein, hun manager, was al blij dat hij een maatschappij kon vinden die de groep in het verre Liverpool überhaupt wilde hebben. De royalty was dan ook verwaarloosbaar. EMI had de best verkopende act ter wereld ooit onder zeer gunstige condities onder contract. Er zal uitstekend verdiend zijn, en waarom ook niet.
   Dat veranderde toen het oorspronkelijke contract halverwege de sixties verlengd moest worden, voor Engeland, voor Europa en voor het zo belangrijke Amerika. Dat moet heel wat voeten in de aarde gehad hebben.
   Interessant feitenmateriaal vond ik in een interview dat Alan Livingston, president van Capitol, die de Beatles in 1964 voor Capitol zo succesvol lanceerde, vertelde aan popjournalist Gary James.  
   Livingston: “E.M.I., I must say in their stupidity signed this group that nobody wanted and were not in any negotiating position, for a three year contract at $.01 per selection. And, a very small advance.
   What happened was, when we hit in the United States and they peaked, and were in tremendous position, their contract expired.
   Now, I was releasing them under the E.M.I. contract, which I had the right to do by that time. The contract expired and Brian [Epstein] said to E.M.I. ‘I’ll re-sign with you for England and the rest of the world but not the United States. We’re gonna deal with them directly’. And, I had to negotiate, except by that time Brian had died. I had to negotiate a Beatles contract under the most difficult situation. I gave them a $2 million dollar bonus to sign and a nine percent royalty, which was unheard of at that time. Nobody got more than five percent. I was happy to do it. They could’ve gone anywhere and made any kind of deal.
   We made the deal and I got a call from Sir Joseph Lockwood, who was Chairman of E.M.I., who never interfered with Capitol. We ran our own show. But, he called me this time, the one time he ever did anything like that. He said, ‘Alan, I think you’re making a big mistake. Two million dollars? They’ve peaked. That’s it with them’. I said, ‘Joe, I’ll make it back on the first album’, which I did”.
   Wat voor EMI in 1962 bij wijze van spreken als een probeerseltje begon, werd dus business op hoog niveau. Een groep als de Beatles (later ook de Rolling Stones) wilde artistieke vrijheid en een eigen label, ook om andere artiesten te produceren. De Beatles kregen als eerste hun zin. Onder EMI-vlag werden ze in 1968 in staat gesteld hun eigen Apple-label te op te zetten.
   Volgens Roel Kruize was Apple voor EMI niet echt winstgevend. Het was belangrijk voor de omzet en het prestige, niet voor de financiën.
 
Vanaf 1970 gingen de Beatles als groep niet meer de studio in om nieuwe opnamen te maken. Het lag voor de hand dat nu het herexploiteren van de catalogus van belang was. Elke EMI-vestiging had  aanvankelijk zijn eigen policy. Daar moest verbetering in komen. In 1973 kwamen de dubbelalbums Beatles 1962-1966’ (met rode hoes) en ‘Beatles 1967-1970’ (blauwe hoes) in alle landen tegelijk op de markt.
   Roel Kruize: “EMI zette later een comité op om de marketing van alle Beatles-opnamen te stroomlijnen. Ik was één van die mensen. Alle raar-samengestelde platen verdwenen uit de handel. Nieuwe compilaties waren altijd full price. Voortaan mocht geen enkel land zijn eigen Beatles-policy bepalen. Zelfs de Amerikanen niet”.
   Roel haalde het kant en klare hoesontwerp uit de kast van een album dat in Amerika op de markt gebracht zou worden. Het album was, zag ik, getiteld ‘The Reel Beatles’. Het zou Capitol Records een hoop omzet opgeleverd hebben als het zou worden uitgebracht worden. Ondanks alle druk besloot het comité niet te zwichten. De plaat is nooit in de winkels gekomen.   
   Er moesten heel wat knopen worden doorgehakt. Moesten oude opnamen in mono, in stereo, in een nieuwe mix, of hoe dan ook gereleased worden? Tot op de dag van vandaag blijft de exploitatie van de catalogus van de Beatles wereldnieuws.
 

Verdere loopbaan van Roel Kruize bij EMI

 

Roel Kruize, met zijn medewerkers (1971)

 
De man die in 1962 als vertegenwoordiger bij Bovema mocht beginnen, viel vanwege zijn aanpak snel op bij de topmensen van het bedrijf, in Nederland, maar ook in Londen. Ger Oord eerst, later ook Oscar Hamilton, managing director van EMI Europa, en Bhaskar Menon, chairman van EMI worldwide, hadden vertrouwen in de zoon van de binnenvaartschipper uit Delft.
   In Nederland werd Roel Kruize, zoals Cees Mentink het opschreef, eerst labelmanager van Capitol, vervolgens chef van alle labelmanagers, daarna general manager en managing director van EMI-Bovema (1973-1975). Hij ging tenslotte internationaal werken, in Europa, Engeland, Canada en de VS. Op sommige momenten besefte Roel wel eens hoe snel het allemaal verliep. Hoe dan ook, er valt dus nog een en ander te vertellen....
 
Harry Knipschild
24 maart 2013

Clips

Bonnie Lou, Seven Lonely Days, 1953
* Patti Page, Cross over the bridge 
* Beatles in Nederland, 1964
* Georgie Fame, Yeh Yeh, 1964
* Beatles, We can work it out
* Beach Boys, Sloop John B, 1966
* Pink Floyd, Arnold Layne, 1967
* John Lennon, Yoko Ono, Amsterdam, 1969
* Buck Owens, Amsterdam, 1970
 
Literatuur
‘Swing en Sweet’, Tuney Tunes, maart 1948
‘Pete Felleman Jr.’ in J.J.L. van Zuylen, Radio- en televisie-encyclopedie voor Nederland en België, Amsterdam 1956
Pete Felleman, ‘Kingston Trio’, Muziek Parade, april 1960
‘New artist development keys Cap goal to be no. 1’, Billboard, 13 juni 1970
Gary James, interview met Alan Livingston, website Classic Bands, z.j.
Deborah Geller, Anhony Wall, The Brian Epstein story, Londen 1999
Michel Terstegen, ‘Interview Ger Oord’, Warm Sounds, november 2001
Brian Southall, Rupert Perry, Northern Songs. The true story of the Beatles song publishing empire, Londen 2007 (2006)
Jan-Cees ter Brugge, Jan van Galen, Patrick van den Hanenberg, In bed met John en Yoko, Amsterdam 2009
Cees Mentink, ‘Bovema - Bij Ons Verandert Morgen Alles’, Weergever, 2009-2010