In navolging van de Beatles en Rolling Stones probeerden allerlei Nederlandse groepen de wereld te veroveren. Het hoogste doel was een toppositie in de hitlijsten van het Amerikaanse blad Billboard te bereiken. Met uitzondering van Willy Alberti en de Blue Diamonds was het geen enkele Nederlandse artiest überhaupt gelukt bij de eerste honderd te komen. De Motions, Golden Earrings, Outsiders, Cats, Q65, Rob Hoeke, Ekseption, geen van allen slaagden ze. De Amerikaanse markt leek onbereikbaar.
   Dat veranderde in 1970. Shocking Blue kwam de toplijst binnen met ‘Venus’, klom verder en verder en bereikte zelfs de eerste plaats. Onvoorstelbaar! Niet iedereen hield van die eigenwijze kleine Robbie van Leeuwen. Maar hem lukte dan toch maar wat anderen tot op dat moment vergeefs geprobeerd hadden. Robbie had niet alleen succes. Hij verdiende veel geld met het liedje dat door Mariska Veres, Bananarama en anderen vertolkt werd. Pas na ‘Venus’ konden andere Nederlanders in Amerika resultaten boeken.
 
In het voorjaar van 2007 verloor de Haagse popartiest nogal wat van zijn glorie. In NRC Handelsblad formuleerde Jan Vollaard het op 27 april als volgt: “‘Venus’ van Shocking Blue was geen volledig oorspronkelijke compositie van gitarist en songschrijver Robbie van Leeuwen. Het welbekende gitaarloopje en delen van de zangmelodie zijn afgekeken van ‘The Banjo Song’ van The Big Three uit 1963. Dat onthulde muziekkenner Leo Blokhuis in het televisieprogramma ‘De wereld draait door’. Hij liet ‘The Banjo Song’ horen en toonde overtuigend aan dat ‘Venus’ uit 1968 daar grote overeenkomsten mee heeft. Blokhuis heeft Robbie van Leeuwen telefonisch over de kwestie gesproken. De muzikant reageerde met de opmerking dat ‘al die bluesliedjes op elkaar lijken’. Van Leeuwen erkende dat hij ‘The Banjo Song’ kende en dat het tot inspiratie had gediend.

   The Big Three was de groep van Mama Cass Elliott, voordat deze Amerikaanse zangeres in 1965 toetrad tot The Mamas and the Papas. In die groep zat ook zanger en gitarist Tim Rose, de componist van ‘The Banjo Song’. Hij heeft er nooit een geheim gemaakt dat hij zijn lied deels baseerde op de oude folksong ‘Oh Susanna’ van Stephen Foster”.

   Sinds 2007 hoor je sommige mensen minder positief over het succes van ‘Venus’ praten. Terecht of niet terecht. Maar hoe zat dat nou met ‘The Banjo Song’, het lied dat ‘Mama Cass’ zong?

 

 

Ellen Cohen (Mama Cass)

 

 

‘Mama Cass’ werd op 19 september 1941 als Ellen Cohen in Baltimore geboren. Ze was van Oost-Europese joodse afkomst. Muziek speelde een grote rol in de familie. Bess Levine, haar moeder, was korte tijd zangeres in het bekende orkest van Fred Waring (1900-1984) geweest. In de familie van Philip, haar vader, speelde iedereen piano. Bij elke gelegenheid werd gezongen. Ellen kreeg muziek als het ware met de paplepel ingegoten. Thuis schalden opera’s als ‘Rigoletto’, ‘Il Trovatore’ en ‘La Bohême’.
   Tijdens haar tienertijd luisterde Ellen vanzelfsprekend naar Elvis Presley en andere rocksterren, maar veel indruk maakten die nu ook weer niet. Meer belangstelling had ze voor de muziek van de klassieke Broadway-musicals. Ze wilde niets liever dan later zelf een (muzikale) rol in zo’n musical spelen. Dat is te lezen in een boek van Eddi Fiegel, ‘Dream a little dream of me. The life of Mama Cass Elliot’ (2005).
 
 
91 Mama Cass 1958 school
Schoolfoto, links Ellen Cohen
 
 
De vader van Ellen zat in de catering business. Succesvol was hij niet. Bedrijven die hij opzette gingen regelmatig over de kop. Toen ik dat las moest ik denken aan de conference van Wim Sonneveld over de overgebleven kroketten die de familie nog dagenlang bleef eten. Wie weet hoeveel voedsel er in huis was. Ellen was het oudste kind. Zeven jaar lang was zij zelfs enig kind van twee hardwerkende ouders. Toen haar moeder voor de tweede keer moest bevallen werd Ellen (tijdelijk) elders in de familie ondergebracht. Vanaf dat moment kreeg zij niet meer de aandacht die haar altijd ten deel was gevallen.
   De gevolgen bleven niet uit. In een interview zei ze later: “Ik was een mager kind en at bijna niets totdat mijn zus Leah geboren werd. Ik was bijna zeven jaar oud. De verandering maakte me onzeker. Vanaf het moment dat Leah er was begon ik te eten. Toen ik van de high school afging woog ik 180 pond [85 kilo] ”. Eten werd voor haar een manier om frustratie af te reageren. Vanaf haar zevende veranderde Ellen van een mager meisje in een dik kind.

 

De gevolgen waren enorm. Ellen viel uit de boot op school en bij leeftijdgenoten. Ze had nauwelijks vriendinnen en vriendjes al helemaal niet. Een goeie kennis definieerde het als volgt: “Ze gaf altijd af op hoe de meisjes op school haar behandelden. Ze keken op haar neer. Ze wilden niets met haar te maken hebben”. Omdat Ellen er niet bij hoorde ging ze zich excentriek kleden. Dat leidde, dacht ze misschien, af van haar figuur. Soms liep ze in bermuda’s op hoge hakken en witte handschoenen – dat laatste om te verbergen dat ze afgebeten nagels had.

   Een meisje uit die tijd: “Ze zag er altijd bizar uit. Ze droeg altijd dikke nylons en lange mouwen. Jonge meisjes wilden mooi zijn en bewonderd worden. Het moet erg moeilijk voor haar geweest zijn”.

 

Volgens Fiegel hadden alle problemen met haar gewicht te maken. Ze vertelde aldoor dat ze er iets aan ging doen, maar in de praktijk kwam er niets van terecht. Ellen reageerde anders. Ze hoefde er niet meer bij te horen. Voor haar was een andere toekomst weggelegd. Niet die van het mooie meisje dat met de prins van haar dromen zou trouwen om zich vervolgens in een gezin met kinderen op te sluiten.

   Ellen begon zich Cass Eliot (Elliot) te noemen, (wellicht) Cass naar de comedienne Cass Daley en Eliot naar de dichter T.S. Eliot. In plaats van om te gaan met de mooie joodse meisjes van school kwam ze terecht in een artistieke scene. Een soort grove humor hield haar op de been. Om van haar gewicht af te komen liet ze zich behandelen door een psychiater. Die schreef haar amfetamine voor. Van het een kwam het ander. Ellen experimenteerde met hashies en andere middelen. Dat was niet ongebruikelijk in die tijd en in die kringen.

 

In de plaatselijke uitvoering van de musical ‘The Boyfriend’ kreeg ze een bijrolletje. Vanwege haar figuur was ze daar eigenlijk ongeschikt voor. Maar het meisje dat de rol zou spelen liet het op een laat moment afweten. De regisseur had geen keus. Volgens haar zus Leah was dat rolletje een omwenteling in het leven van Ellen. “Toen ze op de bühne stond te dansen en te zingen was ze helemaal zichzelf. Ze zag er uit alsof een rol in een musical de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld was”. Op ‘The Boyfriend’ volgde ‘Prior to Broadway’. Het ging allemaal vanzelf. In 1973 vertelde ze in een interview: “In die show speelde ik drie weken. En toen moest ik weer naar de klas. School was ineens iets heel anders voor me. Het idee om later dokter te worden stond ineens ver van me vandaan”.

   Ellen maakte de middelbare school niet af. In 1961 ging ze in New York bij een tante wonen. In die stad voelde ze zich meteen thuis. In de showwereld wist ze snel aan baantjes en rolletjes te komen. Zo maakte Ellen de opkomst mee van Woody Allen, Joan Rivers, Liza Minnelli en Warren Beatty. Haar droom was een rol in een musical op Broadway. Ze solliciteerde bij de cast van de muzikale comedie ‘I can get it for you wholesale’. Naar eigen zeggen werd ze tijdens de procedure echter voorbij gestreefd door een andere jonge zangeres, Barbra Streisand.

 

 

Een trio in de folk-muziek
 
 
 

91 Peter Paul & Mary

 
 

Na het onverwachte overlijden van haar vader kwam Ellen opnieuw in de schoolbanken terecht. Aan de American University in Washington liet ze zich inschrijven voor ‘Speech Arts’: toneel, radio en televisie. De bedoeling was duidelijk. Na het afstuderen zou ze terug gaan naar New York en een grote rol op Broadway verwerven. Een ster moest en zou ze worden. Vrijwel alle andere studenten waren een stuk jonger.

   Ellen was opnieuw een buitenbeentje. Tijdens haar studie wist ze extra inkomen te verwerven als diskjockey bij het radiostation dat aan de universiteit verbonden was. Zo kwam ze opnieuw in de muziekscene terecht. Muziek voor intelligente jongelui in het begin van de jaren zestig bestond voor een groot gedeelte uit folk-muziek. Die was populair gemaakt door artiesten als Woody Guthrie, Joan Baez en Pete Seeger. ‘Tom Dooley’ van het Kingston Trio werd een grote hit. De albums van het drietal waren gigantische bestsellers.

   Cass/Ellen voelde weinig voor pop- of folk-muziek. Zij hield van Broadway, van de muziek van Rodgers en Hammerstein. Maar omdat folk-muziek nu eenmaal populair was in academische kringen trad ze in folk-clubs op. Ook hier voldeed ze niet aan het ideaal van hoe je er moest uitzien. Superslanke zangeressen waren in trek, zoals Joan Baez en Mary Travers (1936-2009). De laatste zong samen met twee jongens in een trio dat het Kingston Trio aan het overvleugelen was. Peter, Paul & Mary brachten enkele liedjes van de nog onbekende Bob Dylan. Met ‘Blowing in the wind’ en ‘Don’t think twice it’s alright’ bereikten ze de top van de hitparade. Eerder in 1962 al hadden ze succes met ‘Lemon tree’, ‘If I had a hammer’ en ‘Puff, the magic dragon’.
 
Een artiest uit Washington met aspiraties was Tim Rose (1940-2002). Na een aantal andere activiteiten kwam hij terug in de stad waar hij geboren was. Rose, die banjo speelde, was van plan een trio in de stijl van Peter, Paul & Mary op te richten. Met zo’n act kon je immers succes boeken. John Keats, een vriend, kende wel een zangeres: Cass Elliott. Tim moest haar eens horen zingen. “In de late herfst van 1962 ontmoetten we elkaar voor het eerst. ‘Daar zit ze’, wees Keats. Ik keek die kant uit en zag een forse, dikke vrouw zitten. Ik keek John aan en nogal onvriendelijk merkte ik op: ‘Het kan me niks schelen hoe ze zingt. Ik stelde me een soort Mary Travers voor. Dit is absoluut niet het soort persoon dat ik verwacht had’”.

   Het kostte Keats nogal wat moeite om een ontmoeting van Tim Rose met Cass Elliott tot stand te brengen. Ga gewoon eens met haar praten, zonder enige verplichting, hoorde Rose. “Tegen beter weten in deed ik dat”. Het gesprek veranderde het leven van Cass en Tim. Ze zaten op dezelfde golflengte.

   “Ik werd meteen door haar gefascineerd. Ik had nog nooit iemand ontmoet die zo geestig was. Ik woonde in die tijd bij mijn moeder. In de kelder liet ik haar bluesplaten horen, van Jimmy Reed, Elmore James, Blind Lemon Jefferson en John Lee Hooker. Dat was wennen voor Cass. Die muziek kende ze alleen van horen zeggen. Haar grote liefde was Broadway, musicals als ‘South Pacific’ en ‘The Sound of Music’. Zij begon over Richard Rodgers, ik wees haar op Elmore James en Peter, Paul & Mary. Dat was de muziek die er op dat moment immers toe deed”.

 
Omdat het tweetal het zo goed met elkaar kon vinden, liet Tim Rose zijn ideaal varen. Hij wilde nu eenmaal een trio formeren in de stijl van Peter, Paul & Mary. Dus had hij een zangeres nodig. Cass had in de verste verte wel niet het figuur van Mary, maar, bleek, ze kon heel goed zingen. Bovendien had ze een auto en hij niet. Cass had geld en hij had geen cent. Voor hem een interessant gegeven. “Ik heb een vriend in Chicago”, stelde hij haar voor. “Met z’n drieën kunnen we in het folk-circuit regelmatig optreden”. Als het aan hem lag zouden ze twee dagen later al naar Chicago vertrekken. “Let’s take your car and your backing capital and go to Chicago”.

   Cass zei ja. Dat was het einde van haar studie. De volgende dag pakte ze haar boeltje bij elkaar. Aan haar moeder vertelde Ellen dat ze met die nieuwe jongen naar Chicago verhuisde. Tim en Cass oefenden nog wat in zijn huis. Ze pakten alle spullen in haar oude Volkswagen en gingen op pad. Chicago was de stad van folk-acts als Ian & Sylvia, Buddy Travers, Bob Gibson en het Chad Mitchell Trio, aldus Eddi Fiegel.

 

In de onverwarmde kleine kever reden Cass en Tim in december 1962 bijna duizend kilometer door de kou van Washington naar de ‘Windy City’ in het noorden van de Verenigde Staten. John Brown, de derde persoon van het toekomstige trio, was even verbaasd als Tim Rose toen hij Cass voor het eerst zag. “I looked at this immense girl”, verklaarde hij later. Ook hij had een slanke den à la Mary Travers verwacht. Tim Rose had wat uit te leggen. “Ik weet wat je bedoelt, maar ze heeft een geweldige stem. Laten we wat repeteren voor je een definitief oordeel geeft”. Ellen, die wel wat gewend was, maakte voortdurend pijnlijke situaties mee. Maar bij haar werkte dat stimulerend. Ze wilde per sé bewijzen hoe goed ze was. Een nieuw folk-trio was geboren.

 

 

‘The Banjo Song’

 

 

Cass en Tim huurden samen een klein appartement in Chicago. Cass sliep in de slaapkamer, Tim in de keuken. Ze moesten snel een act in elkaar zetten om aan werk te komen. Van folkmuziek had de zangeres geen verstand. Dat liet ze dus over aan John en Tim. Na intensief repeteren konden ze al voor de kerst voor het eerst optreden met songs als ‘Delia’, ‘Pretty little horses’ en ‘I know you rider’. Omdat ze met z’n drieën waren noemden ze zich Triumvirate. Onder die naam hadden Julius Caesar, Pompeius en Crassus tweeduizend jaar eerder de macht in Rome gedeeld. Tim en John hadden groene jasjes die een beetje op elkaar leken. Cass had een zwarte jurk meegenomen.

   Het optreden van Triumvirate viel goed in de smaak. In de eerste maanden van 1963 konden ze optreden zoveel ze maar wilden. Veel geld leverde dat evenwel niet op. Als ze honderd dollar in de week verdienden waren ze al blij. In de oude onverwarmde Volkswagen van Cass verplaatsten ze zich in de kou door Chicago en verre omgeving. Slapen deden ze meestal bij vrienden in het folk-circuit. “Ik kookte en ik gebruikte een heleboel tomatensaus. Ze noemden mij de koningin van de tomatensaus. Als ik een kan met tomatensaus had en wat rijst kon ik wel twintig mensen voeden. Dan nog wat kaas erbij en dat was het dan”, vertelde Cass later.

   Tijdens al het rondtrekken ontstonden er nogal wat spanningen tussen de drie jonge artiesten. John was getrouwd maar nam het niet zo nauw met de huwelijksplicht. Regelmatig maakte hij avances ten opzichte van Cass. Maar de zangeres, eenzaam als altijd, had meer belangstelling voor Tim, en stond altijd achter hem als er beslissingen genomen moesten worden. Tim was populair bij de vrouwen op plekken waar ze optraden. Een aanbod om in Cleveland continu voor de televisie op te treden leidde tot een verwijdering binnen het drietal. Tijdens een optreden in Omaha (Nebraska) ontmoetten ze James Hendricks. De zanger was volkomen overbluft door Cass: “Here’s this girl with this huge body and she’s acting like she’s Miss America”. Op initiatief van Cass werd John Brown aan de kant gezet en door Hendricks vervangen. Die zong beter, was flexibiler en had geen huiselijke verplichtingen. Hij moest alleen zijn baan als onderwijzer opgeven. Bovendien zongen ze met z’n drieën heel goed samen.
 
 
91 Mama Cass Big 3
Tim Rose, Jim Hendricks, Cass Elliot
 
 

Het nieuwe trio legde in Washington contact met de zwarte acteur Bill Cosby. Diens manager, Roy Silver, bepaalde welke artiesten optraden in de Bitter End, een folkclub in Greenwich Village (New York). Hij zag wel wat in het drietal, maar ze moesten wel hun naam veranderen. Die naam bedacht Silver wel even. Triumvirate werd veranderd in The Big 3. In het begin hadden ze niet meer dan vier nummers op hun repertoire staan, ‘I know you rider, ‘Pretty little horses’, ‘Wild women’, waarin Cass zich kon uitleven, en ‘The banjo song’, een bewerking door Tim Rose van het lied ‘Oh Susanna’ dat de Amerikaan Stephen Foster (1826-1864) in 1847 gecomponeerd had. In de zomer van 1963 trad The Big 3 op als huis-act in The Bitter End. Op die plek hadden Peter, Paul & Mary eerder carrière gemaakt. Elke avond traden ze er op. Ze woonden boven de club. Cass kreeg van Silver een kamer alleen. Tim en Jim sliepen in een andere kamer.

   The Big 3 werkte als voorprogramma van bekende artiesten. Omdat ze nu steeds op dezelfde plek optraden hadden ze tijd om een act te ontwikkelen. Cass wilde nog wel eens als conferencier optreden. Als Jim en Tim hun instrumenten moesten stemmen of verwisselen greep zij de microfoon en met haar gevoel voor humor wist ze het publiek gemakkelijk voor zich te winnen. Eén van haar verhalen ging over ‘The banjo song’, een nummer dat Triumvirate al bij het optreden uitvoerde. Cass verzon het verhaal waar je bij was. Zo zou er een zekere Irving Banjo bestaan hebben, een rondtrekkende plukker van marijuana. Toen hij zijn baan verloor had hij geen recht op een uitkering omdat het spul nu eenmaal illegaal was. Daarom besloot hij de banjo uit te vinden. Met zijn uitvinding zwom hij de Rio Grande over. Niemand wilde op dat verdomde instrument spelen. Dan kwam Tim Rose te voorschijn en legde uit hoe de banjo werkte. Tenslotte voerden ze de ‘Banjo Song’ uit. Cass gaf het verhaal elke keer een wat andere draai.
 
 
91 Foster
Stephen Foster, componist van 'Oh Susanna'
 
 

Roy Silver deed zijn uiterste best The Big 3 bij een platenmaatschappij onder te brengen. Hij nam contact op met Warner Brothers Records. Bill Cosby had voor die platenmaatschappij een album opgenomen in The Bitter End. Warner was niet in The Big 3 geïnteresseerd, ze hadden Peter, Paul & Mary al. CBS (Columbia) had evenmin belangstelling. Zo kwam de manager terecht bij FM Records, een kleine maatschappij. Pete Kameron, de eigenaar, trad eerder op als manager van de Weavers, de groep van Pete Seeger. Ook was hij zakelijk betrokken bij het MJQ (Modern Jazz Quartet) en de Tarriers, een folkgroep die scoorde met ‘The Banana Boat Song’. Dat nummer was vervolgens door Harry Belafonte op de plaat gezet.

   Kameron nam The Big 3 onder contract. In New York namen ze een album op dat FM Records in oktober 1963 uitbracht. ‘The Banjo Song’ verscheen op single. FM Records werd gedistribueerd door VeeJay, een platenmaatschappij die in 1963 ook de Beatles uit Liverpool met een album en diverse singles in Amerika van de grond probeerde te krijgen. The Big 3 mocht optreden in de veel bekeken coast-to-coast ‘Tonight Show’ van Johnny Carson. Voor die gelegenheid naaide Vanessa, de vriendin van Jim Hendricks, een zwarte fluwelen jurk met een witte kanten kraag voor Cass. Het live-optreden was zo’n succes dat The Big 3 regelmatig werd teruggevraagd in het populaire programma. VeeJay slaagde er echter niet in de groep de hitlijsten binnen te loodsen. ‘The Banjo Song’ werd geen hit. Een tweede single, ‘Come Away, Melinda’, overgenomen van Harry Belafonte, zette evenmin zoden aan de dijk.

 

 

Leven na ‘The Banjo Song’

 

 

Hoe lang zou The Big 3 blijven bestaan. De zaak werd urgent toen Jim Hendricks opgeroepen werd voor militaire dienst. Dat zou het definitieve einde betekenen. Cass kwam met een oplossing. “Laten we trouwen”, stelde ze Jim voor. Als ze dat deden hoefde Hendricks niet het leger in. Roy Silver was het met deze aanpak eens. Jim stemde ook zelf ermee in.

   Het huwelijk zou strict formeel zijn en geheim blijven. Zo wisten meer artiesten in die tijd zich aan de dienstplicht te onttrekken. Maar volgens biograaf Eddi Fiegel was er meer aan de hand. Cass, Ellen Cohen, had toch maar een man aan de haak geslagen. In het verleden had ze avances gemaakt bij Tim Rose, maar dat was vergeefs geweest. Het huwelijk met Jim Hendricks was een soort wraak. Bovendien kon ze volgens de auteur nu twee vingers opsteken naar de meisjes die haar op school altijd bespot hadden. Cass stopte dan ook al haar energie in het huwelijk. Dat vond eind 1963 plaats in Arlington bij Washington. Ook na de plichtmatige voltrekking in het woonhuis van een rechter was er een speciale band, zeker van de kant van Cass. Ze besteedde meer aandacht aan haar kleding en zorgde ook dat Jim er goed uitzag. “Soms namen we een paar dagen vrij. We boekten dan samen een kamer en gingen uit”, aldus ‘echtgenoot’ Jim. “Ze kocht van alles voor me, kleren en wat niet al meer. Ze was heel erg lief. We hadden plezier en deden alsof we getrouwd waren. Maar het huwelijk hebben we nooit geconsumeerd”.
 
 

91 Mama Cass graf

 
 
 

Met de doorbraak van de Beatles begin 1964 veranderde alles in Amerika. Het trio nam nog een album op, ‘The Big 3- Live at the recording studio’ dat in juni 1964 op de platenmarkt verscheen. Dat was drie maanden na hun laatste optreden – in Fall River State College, Massachusetts. Ellen Cohen, Cass Elliot, sloot zich nu aan bij een trio dat bestond uit Denny Doherty, John Phillips en zijn vrouw Michelle (geb. Gilliam). Het kwartet werd omgedoopt in The Mamas & The Papas. Die groep bereikte de top waarvan Ellen als kind al geroepen had dat ze er zou komen. ‘Monday Monday’ werd in 1966 nummer één in de top 100 van Billboard. Met ‘California dreaming’, ‘I saw her again’, ‘Words of love’, ‘Dedicated to the one I love’ en ‘Creeque Alley’, verscheen ‘Mama Cass’, zoals ze nu genoemd werd, eveneens in de top tien. Ellen Cohen werd onder de naam Mama Cass een wereldster.

   Op 26 april 1967 beviel ze van een dochter, Owen. Wie de vader was kwam niet naar buiten. In 1968 maakte Cass solo een hit van ‘Dream a little dream of me’, een liedje dat dateerde uit het begin van de jaren dertig. De tekst was geschreven door Gus Kahn, een man die succesvol was op Broadway en in films. Een hit met een ‘klassieke’ song, ook die droom wist ze dus te realiseren. Op 29 juli 1974 kwam Ellen Cohen, 32 jaar jong, in Londen te overlijden.

 

 

91 Veres Mariska fors
Mariska Veres
 
 

In 1969 zette de Haagse groep Shocking Blue het nummer ‘Venus’ op de plaat. ‘’The Banjo Song’ had hem tot inspiratie gediend’, tekende Jan Vollaard op uit de mond van componist Rob van Leeuwen. Ruim zes jaar na ‘The Banjo Song’ veroverde ‘Venus’ de top van zo ongeveer alle hitlijsten ter wereld. Shocking Blue trad op veel plaatsen in de wereld op, ook in Amerika. Mariska Veres, de zangeres van ‘Venus’, en Mama Cass, de zangeres van ‘The Banjo Song’, hebben elkaar bij die gelegenheid ontmoet. Hoe pakte dat uit vroeg ik op 11 oktober 2007 aan Klaas van der Wal, de bassist van Shocking Blue. Herkende de Amerikaanse zangeres haar nummer uit 1963 niet meer?

   Klaas, die van ‘The Banjo Song’ begin jaren zeventig niet op de hoogte was, liet zich in duidelijke termen uit: “Wij hebben tijdens onze tournee door Amerika opgetreden in de Mama Cass Show in Los Angeles. Ze was enthousiast over ‘Venus’ en uit niets bleek toen dat zij het ook maar enigszins herkende als een nummer uit haar eigen repertoire!”

   Mariska Veres was de slanke den die Ellen Cohen zo graag had willen zijn. Ze kon de rol van ‘Venus’ dan ook goed uitbeelden. Dat veranderde. Al in 1969 vertelde manager Cees van Leeuwen aan een verslaggever van het Vrije Volk   “Als Mariska maar taartjes kan kopen, thee kan drinken en kan borduren, dan is ze wel tevreden”. Wat er ook de reden van is, Mariska maakte in zekere zin mee wat Ellen Cohen op zeer jeugdige leeftijd overkomen was. Ze werd dikker en dikker, bijna onherkenbaar. Mariska Veres kreeg de omvang van Mama Cass. Ook zij werd te vroeg uit het leven weggerukt, vandaag vijf jaar geleden. Mariska werd niet ouder dan 59 jaar. Niet alle sterren in de popmuziek halen een oude dag.

 

Harry Knipschild

2 december 2011
 
Clips
 
* Oh Susanna, een song van Stephen Foster
* Orkest Fred Waring, Sleep, 1932
* The Big Three, The Banjo Song, 1963
* Mamas & Papas, California Dreaming, 1966
* Mama Cass, Dream a little dream of me, 1968
* Shocking Blue, Venus, Top of the Pops, 1970
* Mariska Veres, interview, 32 jaar na 'Venus'
 
Literatuur
 
Jerry Hopkins, 'Interview Mama Cass', Rolling Stone, 26 oktober 1968
William Kloman, 'Sink along with Mama Cass', Esquire, juni 1969
Gordon Coxhill, 'Mama Cass hates hypocrisy', New Musical Express, 25 oktober 1969
Frederick Todd, '20 questions for Mama Cass', All Girl Magazine, juni 1970
Eddi Fiegel, Dream a little dream of me. The life of 'Mama' Cass Elliot, Londen 2006 (2005)
Jan Vollaard, 'Venus blijkt flink geleend', NRC, 27 april 2007
Harry Knipschild, 'Het 'feestvarken' van Shocking Blue - Klaas van der Wal', in Money Money Money?, Schoorl 2010