Don McLean werd bekend door zijn liedje ‘American Pie’. Op 26 mei 1971 legde hij het in de studio vast. Het duurde nog een half jaar voor het nummer op de Amerikaanse hitlijsten binnenkwam. Maar toen steeg de single door naar de eerste plaats. Eind 1972 werd ‘American Pie’ door Billboard uitgeroepen tot de nummer één hit van het jaar, vóór achtereenvolgens ‘Let’s stay together’ (Al Green), ‘Without you’ (Nilsson), ‘Heart of Gold’ (Neil Young) en ‘A Horse with no name’ (America).
    In ‘American Pie’ zong Don McLean over ‘the day the music died’, 3 februari 1959. Vroeg in de ochtend op die dag stortte het vliegtuig neer met daarin Buddy Holly, Ritchie Valens en de Big Bopper. Als er één liedje is waardoor popmuziek in een historisch kader werd geplaatst is het deze song wel.
 
In het maandblad Muziek Parade van maart 1959 was te lezen: “De Amerikaanse showbusiness werd afgelopen maand opgeschrikt door een tragisch vliegtuigongeluk, waarbij drie Amerikaanse top-sterren om het leven kwamen: Buddy Holly, Big Bopper (J.P. Richardson) en Ritchie Valens. Hun één-motorig gechartered vliegtuig, kwam door slecht weer in moeilijkheden, stortte neer nabij Mason City en vloog onmiddellijk in brand. Alle inzittenden, waaronder de piloot, kwamen in de vlammen om”.
  
In het artikel kwam alleen de carrière van Buddy Holly aan bod. “Buddy Holly, pas enkele maanden geleden getrouwd, verbrak enige tijd terug de relatie met de Crickets en impresario Norman Petty hetgeen zijn carrière geen goed deed. Zijn plaat ‘It doesn’t matter anymore’ (ironie van het lot) verovert momenteel echter stormenderhand Amerika en men sprak reeds van een glorieuze comeback van Buddy Holly. Dit tragische ongeluk maakt echter een abrupt einde aan de loopbaan van deze sympathieke jonge zanger”.
 
 
133 - 1 McLean Don 1972 07 ME

Mede door het ongeluk, kun je achteraf stellen, kwam de carrière van Buddy Holly echter pas goed op gang. Er bleken nog heel wat banden met liedjes van de zanger uit Lubbock, Texas, te zijn. Die werden zorgvuldig in roulatie gebracht. Het liedje van Don McLean hielp nog eens extra mee. Vooral door de film ‘La Bamba’ (1987) kreeg Ritchie Valens erkenning als de eerste Latino-rocker.
  
De Big Bopper is enigszins ‘buiten de prijzen’ gevallen. Hij bleef min of meer in de kantlijn van de geschiedenis van de popmuziek. Mensen die zijn leven onderzochten haalden toch aardige dingen boven water. Eén van hen was Larry Lehmer, auteur van het boek The day the music died. The last tour of Buddy Holly, the Big Bopper and Ritchie Valens dat in 1997 verscheen.
  
Ook vond ik een artikel van de hand van popjournalist Martin Hawkins, geschreven in 1982. Hawkins heeft veel gepubliceerd over de vroege jaren van de popmuziek.
 
 
Het boek van Larry Lehmer
 
 

Larry Lehmer, was, schreef hij in het voorwoord, dertien jaar toen het vliegtuig met de drie artiesten neerstortte. Hij hield van honkbal en rock & roll-muziek. Larry bezat een transistor-radio en een eigen pick-up. Dat was bijzonder in die tijd. Om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen in de popmuziek luisterde hij naar de radio, keek naar het tv-programma ‘American Bandstand’ en kocht teenager-bladen als Hit Parader en Dig. Om dat allemaal te kunnen betalen had hij in zijn woonplaats Council Bluffs (Iowa) een krantenwijk. Samen met zijn vriend Harold Webster bracht hij ’s middags op 3 februari 1959 de Omaha World-Herald rond. Met daarin het nieuws over het ongeluk.
 
In de popmuziek gingen heel wat mensen te vroeg dood. Lehmer noemde onder anderen Eddie Cochran, Johnny Burnette, Sam Cooke, Bobby Fuller, Otis Redding, Frankie Lymon, Brian Jones, King Curtis, Duane Allman, Janis Joplin, Jimi Hendrix en Jim Morrison. Maar het vroege verlies van die drie grote sterren in Iowa, de staat waar hij woonde, had toch de grootste indruk gemaakt. “By 1974, my interest in the plane crash was at its peak”.
 
Lehmer was niet tevreden met wat er over het onderwerp geschreven werd. Hij ging zelf op onderzoek uit. Na 23 jaar ploeteren publiceerde hij zijn boek, dat vooral over Buddy Holly en de omstandigheden rond de crash ging. Maar er was ook een hoofdstuk over de Big Bopper. Om dat te kunnen schrijven had Lehmer in de loop der tijd ontmoetingen met de weduwe, broer en zoon van de artiest – en met tal van mensen die met hem hadden samengewerkt. Hij was dus zeker niet over één nacht ijs gegaan.
 
 
De jeugd van de Big Bopper
 
 
De man die bekend werd als de Big Bopper heette in werkelijkheid Jiles Perry (J.P., Jape) Richardson. Op 24 oktober 1930 werd hij geboren in Sabine Pass, helemaal in het zuidoosten van Texas. Zijn vader, een Jiles Perry Richardson senior, werkte in de olie-industrie van Texas en trok rond in een caravan – van de ene plek na de andere. Pas toen Jiles junior tien jaar oud was, in 1940, kreeg hij vaste grond onder de voeten. Dat was in Beaumont, Texas, niet heel ver van de havensteden Houston en Port Arthur, en de dorpjes Vidor en Nederland. Zijn geboorteplaats Sabine Pass was ook niet ver weg. De familie kwam terecht in Multimax Village een overheidsproject van houten huizen. Breed zullen ze het wel niet gehad hebben.
 
In de verhalen van Lehmer en Hawkins is over de muziek in zijn jeugd niet veel te vinden. Behalve dan dat hij er als jongetje gitaar leerde spelen en zelfs al een liedje schreef, een ‘levenslied’ met een tekst over een marineman die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn zoon ontmoette. Op school won hij een prijs omdat hij met een koor zo mooi ‘Old Man River’ zong. Op een feest van dezelfde school liet hij zich met groot succes van zijn grappige kant zien door het liedje ‘The old maid song’ te zingen. Opnieuw draaide het om de tekst – over een inbreker die vast kwam te zitten in het huis dat hij wilde beroven. In een harmonie speelde Jiles op de bekkens. Dat kon zijn broer Cecil zich tientallen jaren later nog allemaal herinneren.
 
133 - 2 Sinatra Frank & Harry James 1939Harry James met Frank Sinatra, 1939
 
Was Jiles zich op jeugdige leeftijd bewust van andere muziek in zijn omgeving?
  
Harry James (1916-1983) woonde vanaf 1931 met zijn familie in Beaumont. Later ging hij trompet bij Benny Goodman spelen en richtte een eigen orkest op. Zanger bij het orkest werd de nog jonge Frank Sinatra. In de periode dat Jiles zijn eerste liedje schreef had Harry James nummer één hits met ‘Sleepy Lagoon’, ‘I had the craziest dreams’, ‘I’ve heard that song before’, ‘I’ll get by’ (met zang van Dick Haymes) en ‘It’s been a long long time’ (met zangeres Kitty Kallen).
  
In het stadje moet heel wat muziek gemaakt zijn. Gospel- en blueszanger Blind Willie Johnson verbleef er en overleed op 18 september 1945 in Beaumont. Ook country-artiest Moon Mullican vond er zijn einde. In 1950 had hij een nummer één country hit met ‘I’ll sail my ship alone’. Country-zanger George Jones werd in 1931 geboren in Vidor, dicht in de buurt. Artiesten van latere datum uit Beaumont zijn o.a. Barbara Lynn (‘You’ll loose a good thing’) en de gebroeders Edgar en Johnny Winter.
  
Jiles kreeg een geweldig postuur. Dat bezorgde hem op school de bijnaam ‘The Killer’. Misschien zat zijn omvang hem wel in de weg. Want hij was flink verlegen, hoorde Lehmer van iedereen. Wat hij later van het leven wilde maken was niet helemaal duidelijk. Hij dacht eraan detective te worden, later jurist.
 
Beaumont lag redelijk ver van de grote steden af. In Houston was een tv-station, maar dat kon je in Beaumont, meer dan 100 km verder, nauwelijks ontvangen. Daarom zette iedereen de radio aan. KTRM was een veelbeluisterd station. Jiles was een jaar of zeventien toen hij voor het eerst met de zender in aanraking kwam. Af en toe mocht hij er als omroeper werken. En tijdens de wedstrijden van het plaatselijke honkbalteam zorgde hij voor geluidseffecten.
  
Toen hij negentien was (in 1949) stopte Jiles met zijn rechten-studie. Hij werd full-time medewerker van radio KTRM. Elke avond van negen tot twaalf was hij in de lucht met de Club 990 Show. Het programma dat hij als een soort ober presenteerde maakte hem behoorlijk populair in de omgeving. Broer Cecil hielp een beetje mee met het drie uur durende live-programma. Na middernacht borgen ze samen netjes de platen op. Dan waren ze de volgende vrij om een partijtje tennis te spelen.
  
Het is onbekend wat voor soort 78 toeren-platen Jiles op de draaitafel legde in zijn show. Nummer één hits in de jaren 1949-1950 waren bijvoorbeeld ‘Mule Train’ van Frankie Laine, ‘’The Third Man’ van Anton Karas, ‘Goodnight Irene’ van de Weavers, ‘Tennessee Waltz’ van Patti Page en ‘Music! Music! Music!’ van Teresa Brewer.
 
 
Populaire diskjockey
 
 
 133 - 3 JIles in de studio van KTRM
 Jiles als diskjockey bij KTRM
 
 
Omdat Jiles zo populair werd als diskjockey kreeg hij er nog een programma in de middag bij. In dat programma gebruikte hij een stukje speelgoed, een kikker waar je in kon knijpen en die dan geluidjes maakte. Jiles kon kikker Aloyisius ondeugende dingen laten zeggen. Zo ondeugend, hoorde Lehmer later, dat het maar goed was dat de controleurs van de Federal Communications Commission het niet konden verstaan. Anders hadden ze de zender misschien uit de lucht gehaald.
 
Het moet er nogal grappig aan toegegaan zijn bij het radiostation van Beaumont. “Omroepers lieten de wekker soms afgaan als een collega het nieuws voor las. Honden en katten werden in de studio losgelaten”. In zo’n omgeving had Jiles het naar zijn zin.
 
In 1953 werd hij bevorderd tot chef van alle omroepers van KTRM. Een van hen, tijdelijk, was zanger George Jones. Maar ook zelf bleef Richardson de ether met succes onveilig maken. Jiles, hoorde Lehmer, was altijd aan het experimenteren. Als hij niet in de lucht was pakte hij zijn gitaar en zong liedjes. Ook maakte hij reclame-spots. Het station zond bovendien af en toe live uit van een locatie. Jiles stond dan gewoon tussen de mensen in de showroom van bijvoorbeeld Jack’s Tires, een onderneming in autobanden. Dat werkte prima. “Business would go up whenever he broadcast from there”, hoorde Lehmer.
 
 
Big Bopper dankzij de rhythm & blues
 
 
Tijdens de eerste helft van de jaren vijftig werd zwarte muziek, rhythm & blues, populair bij de Amerikaanse jeugd. Ook in Texas. Jack Neil, eigenaar van KTRM, nam het besluit om ook in Beaumont een rhythm & blues-show in de programmering op te nemen. J.P. Richardson, de populaire omroeper, moest het gaan presenteren.
  
Om het programma zo goed mogelijk aan de man te brengen vond Jiles dat hij zich een andere naam moest geven. Hij kwam met de kleurrijke naam ‘Big Bopper’. Die paste goed bij de rhythm & blues-muziek, vond hij. Een collega legde later nog eens uit: “De uitbundige manier waarop de Big Bopper de nieuwe muziek aan de man bracht was voor hem een alter ego. De man met zijn forse gestalte was in werkelijkheid ontzettend verlegen. Drank raakte hij nooit aan”.
   Als de Big Bopper zijn R&B-show presenteerde mocht er niemand bij zijn. In de uitzending leefde hij zich helemaal uit. Hij kon geweldig goed improviseren, maakte het ene grapje na het andere, af en toe tot op de grens van wat geoorloofd was. Buiten de studio was hij een totaal ander iemand.
  
Radiostation KTRM werkte eraan zo succesvol mogelijk te zijn. De directie besloot de studio’s in het weekeinde voor het publiek open stellen zodat men kon zien hoe het er allemaal aan toeging. Bij J.P. Richardson was dat niet mogelijk aldus een collega: “He didn’t care for that at all. When he adopted the Big Bopper thing, he’d locked the doors and wouldn’t permit anybody to come in and watch him”.
 
Het R&B-programma van de Big Bopper sloeg aan. De zendtijd werd uitgebreid. De Big Bopper Show duurde eerst 30 minuten en slechts drie keer in de week. Na drie weken werd het een vol uur, alle werkdagen.
  
Welke R&B-platen via KTRM werden uitgezonden in die tijd is niet bekend. Nummer één R&B-hits in de jaren 1952-1954 waren o.a. ‘Goin’ Home’ van Fats Domino, ‘Lawdy Miss Clawdy’ (Lloyd Price), ‘Crying in the chapel’ (Orioles), ‘Money Honey’ (Drifters), ‘The things that I used to do’ (Guitar Slim) en ‘Work with me Annie’ (Midnighters).
 
Wereldrecord
 
 
133 - 4 Richardson en Teetsie
 Teetsie en Jiles Richardson
 
Van 1955 tot 1957 vervulde Jiles zijn dienstplicht. Dat was niet makkelijk voor het jonge gezin. Teetsie met wie hij in 1952 getrouwd was, verdiende wat bij met het bewerken van uniformen van soldaten, à raison van 25 dollarcent per stuk. Dat deed ze ter aanvulling van de 82 dollar die haar echtgenoot per maand binnenbracht.
  
Na het afzwaaien moest Richardson zich opnieuw zien waar te maken als diskjockey. Voor zijn comeback had hij een plan bedacht, de Jape-a-thon. Hij wilde in wat je vandaag de dag het Guiness Book of Records noemt. Een collega uit El Paso had 122 uur achter elkaar platen gedraaid. Dat record wilde hij verbeteren. Teetsie zag het eerst helemaal niet zitten. “Ik dacht dat hij gek was, maar besefte dat hij een comeback moest maken”. De familie was blut. Jack Neil van KTRM liet zich ompraten. In de lobby van het Jefferson Theater in Beaumont liet hij voor die gelegenheid een radio-studio bouwen. Jiles moest wel toelaten dat toeschouwers in dit geval door een glazen raam naar binnen konden kijken terwijl hij bezig was met zijn ‘marathon’. Dat was goed voor de populariteit van het radiostation.
 
Op 29 april 1957 stelde een dokter vast dat hij in staat was de lucht in te gaan. Elke dag zou hij twee keer gecontroleerd worden. Bovendien kreeg Jiles een passend dieet om zijn energie in stand te houden. Een accountant legde formeel vast wanneer hij begon en eindigde. Niets was aan het toeval overgelaten.
   Jiles gebruikte het nieuws om even te kunnen douchen. Dat deed hij tien keer per etmaal. Mensen van de YMCA masseerden hem regelmatig. Een kapper kwam hem tijdens de uitzending dagelijks scheren. Op een bord werd de voortgang elk uur aangegeven. Buiten stonden nieuwsgierige mensen te kijken.
  
Ondanks alle goede zorgen en tal van bezoekers die hem kwamen aanmoedigen, kreeg Jiles het steeds moeilijker naarmate de tijd vorderde. Aan de lopende band dronk hij koffie (Seaport) en rookte hij sigaretten (L&M). Na 84 uur kon de diskjockey niet meer verder. Teetsie moest hem zuurstof toedienen. Broer Cecil vertelde aan Lehmer: “He actually cried for his mother over the air”.
 
Als je afgaat op de getuigenverklaringen was J.P. Richardson zich na een aantal dagen nog maar half bewust wat hij aan het doen was. Maar de mensen moedigden hem aan en hij ging door. Toen het ernaar uitzag dat hij het record van de diskjockey uit El Paso zou gaan verbeteren groeide de groep toeschouwers buiten het Jefferson Theater steeds verder aan.
   Collega-dj Gordon Baxter was er bij aan het einde van zijn wereld-record. J.P. kon niet meer. “He said he felt like he kept dying and coming back”. Richardson hallucinerrde helemaal. Op 4 mei 1957, kort na twee uur in de middag wist Jiles de Jape-a-thon ondanks alles succesvol af te ronden. De laatste plaat die hij draaide was ‘All Shook Up’ van Elvis Presley. Volgens broer Cecil was Jiles niet meer bij zijn volle bewustzijn op dat moment. Hij zag er uit als een levend lijk. “It was scary”, vertelde zijn vrouw later aan Larry Lehmer. Jilles was in vijf dagen tijd iets van 15 kilo afgevallen.
 
Na 122 uur en 8 minuten nam J.P. Richardson de felicitaties van zijn collega’s in ontvangst. Daarna speelde hij nog één plaat, ‘Cattle Call’ van Dinah Shore. In totaal had hij 1.821 platen opgezet en aangekondigd. Bovendien ontving hij een bonus van 746 dollar voor ‘overwerk’ van zijn werkgever. Tijdens de Jape-a-thon was vierduizend dollar voor andere goede doelen opgehaald in Beaumont en omgeving.
  
Jiles kreeg opnieuw zuurstof toegediend en werd overgebracht naar het Baptist Hospital in Beaumont. Volgens broer Cecil sliep hij twaalf uur, dronk bij het wakker worden een grote hoeveelheid sinaasappelsap en sliep nog eens een half etmaal. Verlaggevers liet hij weten: dit doe ik nooit meer.
  
Heel Beaumont wist: J.P. Richardson, de Big Bopper, is na zijn diensttijd terug in de ether. Dat had Jiles op zijn manier laten zien. Regelmatig haalde hij trouwens nieuwe grappen uit. Dat was hem wel toevertrouwd.
 
 
Artiest
 
 
 
J.P. Richardson was een echte artiest. Misschien geen goede zanger, maar wel iemand die iets met zijn stem kon doen. Bovendien was hij altijd ‘in’ voor geluidseffecten. Al voor zijn diensttijd kwam hij in contact met platenproducer J.D. Miller. In zijn studio in Crowley (Louisiana) nam Miller artiesten op als Slim Harpo, Clifton Chenior, Lazy Lester en Rusty & Doug Kershaw. Ze werden meestal op het Excello-label uitgebracht.
   Miller had er wel zin in een plaat met die gekke diskjockey te maken.
  
“Wat moet ik dan doen?” zou Jiles gevraagd hebben.
  
“Doe maar wat je ook in je radioprogramma doet. Een beetje improviseren, gewoon wat je te binnen schiet”.
  
Sessiemuzikanten maakten wat muziek en Richardson praatte er bij. Het nummer werd ‘Boogie Woogie’ genoemd. Omdat Jiles in dienst moest kwam er verder niets van. De opnamen die J.P. voor Miller maakte werden in een kluis opgeslagen.
 
 
133 - 5 George Jones, Hubert Long, Pappy Daily 1966
 
 
Als je afgaat op het artikel van Martin Hawkins was Jiles na zijn diensttijd ook behoorlijk actief in het muziekleven. Hij schreef liedjes, trad op als manager van artiesten en stuurde demo’s naar platenmaatschappijen. Vooral bij Pappy Daily (Starday Records, Houston) vond hij gehoor. Daily zette wel vaker zingende dj’s op de plaat. Jiles zou voor MGM Records gewerkt hebben, maar dankzij Daily verschenen er in elk geval twee platen op het Mercury-label, de ballad ‘Beggar to a king’ en het komische nummer ‘Monkey Song’. Met de b-kant ‘Teenage Moon’ richtte Richardson zich nu ook op de (nieuwe) teenagermarkt. Maar nog vergeefs.

Mede dankzij nieuwe opnametechnieken verschenen er in de jaren vijftig nogal wat experimentele singles op de Amerikaanse platenmarkt. Je kont bijvoorbeeld stemmen en muziekinstrumenten op halve snelheid opnemen. Als je de band dan later ‘gewoon’ afspeelde hoorde je een soort kinderstemmetjes. Dat soort platen werden in de tijd novelty records genoemd. Gitarist Les Paul was in zekere zin het technische brein achter al die ontwikkelingen. Samen met zijn vrouw, Mary Ford, had hij songs als ‘The world is waiting for the sunrise’, ‘Vaya con dios’, ‘Tiger Rag’ en ‘How high the moon’ een aparte klank kunnen geven.
 
In 1958 waren er enkele gekke platen die het fantastisch deden, merkte Lehmer terecht op. De Royal Teens en de Chordettes kwamen in de top 10 terecht met respectievelijk ‘Shorts Shorts’ en ‘Lollipop’. ‘John Zacherle deed iedereen gruwelen in ‘Dinner with Drac’. Ook dat nummer verscheen hoog in de hitlijsten. ‘Rare’ antwoordplaten en parodieën van bijvoorbeeld Stan Freeberg deden het eveneens goed in die tijd.
  
De twee meest gekke platen van het jaar waren ‘Witch Doctor’ en ‘Purple People Eater’. Ross Bagdasarian (1918-1972) wierp zich op als de toverdokter. De kinderen met wie hij de studio deelde waren versnelde opnamen van zijn eigen stem. ‘Witch Doctor’, uitgebracht onder de artiestennaam David Seville, bereikte in het voorjaar van 1958 de nummer één-positie in de VS. Bagdasarian zette zijn ideeën voort met de Chipmunks. De ‘Chipmunk Song’ kwam in de zomer van 1958 eveneens op één. Pierre Kartner (Vader Abraham) maakte er later de Smurfen van.
  
Country-zanger Sheb Wooley creëerde in die zelfde tijd de zogenaamde ‘Purple People Eater’. In de studio gebruikte hij dezelfde techniek als Ross Bagdasarian (David Seville). Ook zijn plaat wist in het voorjaar van 1958 de bovenste plaats van de hitlijsten te bereiken.
 
133 - 6 Ross Bagdasarian & Chipmunks
David Seville met zijn Chipmunks
 
 
Chantilly Lace
 
 
Dat soort hits pasten precies bij een man als J.P. Richardson. Hij was altijd al in de weer geweest met rare ideeën en gekke geluidjes. Jiles was gek op de plaat van Sheb Wooley. In zijn programma’s kondigde hij het nummer voor de grap steeds aan als de ‘Purple Peter Eater’.
  
Jiles ging verder. Waarom niet met een antwoordplaat inhaken op de nieuwste ontwikkelingen in de muziekbusiness? Samen met Gordon Ritter schreef hij ‘The Purple People Eater meets the Witch Doctor’. Gordon en zijn broer Ken, neefjes van country zanger Tex Ritter, waren beroemdheden in Beaumont en omgeving. Al snel werd besloten een demo van het nummer te maken. Dat gebeurde na middernacht in de studio van radiostation KTRM, dat zo laat niet meer in de lucht was. RCA Records, dat eerder een versie van ‘Lollipop’ op de markt bracht, had onmiddellijk belangstelling. Gordon Ritter kwam bij RCA onder contract, reisde naar een dure studio in New York en nam het nummer onder de naam Rick Johnson op.
  
Met het uitbrengen van dat soort platen moest je snel zijn. Dat was ook bij ‘Lollipop’ gebleken. Maar de mensen van RCA waren ineens bang geworden. Er zouden wel eens schadeclaims kunnen komen van Sheb Wooley en/of Ross Bagdasarian. De opnameband bleef op de plank liggen. Het leek alsof er niets met het idee van Jiles zou gebeuren.
  
Ken Ritter trad handelend op. Hij liet de tekst van Jiles zingen door een jonge artiest, Joe South (1940-2012). In een mum van tijd belandde diens versie van ‘The Purple People meets the Witch Doctor’ in de bovenste helft van de Amerikaanse hitlijsten.
 
J.P. Richardson kwam ook zelf in actie. Pappy Daily, in Houston, Texas, zag mogelijkheden. Hij stelde de studio beschikbaar. De opname, nu gezongen door Jiles, moest zo snel mogelijk opgenomen en uitgebracht worden. Dat gebeurde. Mercury Records, die de twee singles van de zingende deejay zonder succes had uitgebracht, haakte af. Pappy Daily besloot de novelty-plaat daarom maar zelf op zijn D-label te releasen.
   Op het laatste moment besefte men dat er ook nog een b-kant moest komen. Het nummer werd door Jiles voor het grootste gedeelte geschreven tijdens de autorit van Beaumont naar de studio in Houston. Vanwege de haast was het een en al improvisatie. Maar dat was J.P. wel gewend. ‘That’s what I like’ moest het geïmproviseerde nummer op de b-kant heten. Maar de mensen in de studio vonden dat geen goede titel. ‘Chantilly Lace’ zou veel beter zijn. J.P. Richardson ging akkoord, het was toch maar een achterkantje. Bovendien werd besloten om de plaat uit te brengen onder de naam Big Bopper.
 
Tot verbazing van iedereen kreeg juist de b-kant de meeste reacties. Mercury haakte alsnog in. Op 10 augustus 1958 verscheen ‘Chantilly Lace’ in de Top 100 van Billboard en steeg door tot nummer 6. De Big Bopper, zoals hij nu voor iedereen heette, moest zijn nummer playbacken. Omdat het helemaal geïmproviseerd was, zoals gebruikelijk bij Jiles, viel dat niet mee. Maar toch kwam hij bij Dick Clark in American Bandstand terecht.
   In plaats van diskjockey was Jiles, de Big Bopper, ineens een teenager-idool. Zijn werkgever, KTRM-radio, gaf hem een paar maanden verlof om op toernee te gaan. Samen met Buddy Holly, Ritchie Valens en Dion & de Belmonts trok hij rond. Totdat het vliegtuigje neerstortte op 3 februari 1959, ‘the day the music died’.
   De begrafenis van de Big Bopper was een imposante gebeurtenis in Beaumont. Niemand minder dan Elvis Presley stuurde een rouwkrans met een gitaar erin verwerkt.
 
 
133 - 7  Big Bopper kist 1959
De kist, met links het bloemstuk van Elvis Presley, februari 1959
 
 
Na 3 februari 1958
 
 
De carrière van Buddy Holly kwam na zijn overlijden pas goed op gang. Het klinkt oneerbiedig maar het was zo. Over de loopbaan van Jiles Richardson na 3 februari 1959 werd nauwelijks geschreven. Tocg gebeurde er wel een en ander.
  
Countryzanger George Jones, die een tijdje voor KTRM gewerkt had, besloot een song van Jiles in zijn repertoire op te nemen. Het heette ‘White Lightning’. Zijn versie van het nummer was in feite zijn grote doorbraak in 1959. Voor het eerst bereikte Jones een nummer één-positie in de country & western hitlijsten.
   Zanger Johnny Preston, geboren in Port Arthur, kreeg ook met J.P. Richardson te maken. Tijdens een optreden kwam de deejay uit Beaumont opduiken en vertelde hem dat hij een nummer voor hem geschreven had. Dat heette ‘Running Bear’. De opname vond plaats in Houston, in de Gold Star Studio. In het najaar bereikte ‘Running Bear’ de nummer één-positie in Amerika. De opname had nog voor het ongeluk plaatsgevonden. De Big Bopper deed het koortje. Een aantal maanden na zijn dood stond Richardson dus aan de top van de hitlijsten. Ook in Nederland sloeg ‘Running Bear’ aan. Het werd vertaald als ‘Grote Beer’ en werd bekend gemaakt door het Cocktail Trio.
  
‘Chantilly Lace’ is zelfs een evergreen geworden in de popmuziek. Jerry Lee Lewis zette het in 1972 opnieuw op de plaat. De nieuwe versie van ‘That’s what I like’ haalde de hitlijsten in de VS en Engeland. En zelfs een 17de plaats in de Nederlandse top 40.
 
 
133 - 8 Preston Johnny, Running Bear
 
In 2007 kwam de Big Bopper opnieuw in het nieuws. Er ontstonden geruchten dat er geschoten zou zijn in het vliegtuigje dat in 1959 neerstortte. In Iowa was een vuurwapen gevonden, eigendom van Buddy Holly.
  
Intussen was er een nieuwe J.P. Richardson. Teetsie was zwanger toen haar echtgenoot om het leven kwam. J.P. junior, die als artiest in de voetsporen van zijn vader trad, wist te bewerkstelligen dat Bill Bass van de universiteit van Tennessee het stoffelijk overschot van zijn vader onderzocht. De kist werd op het kerkhof van Beaumont opgegraven. Onderzoek wees uit dat er van een schot geen sprake was geweest. De Big Bopper werd voor de tweede keer begraven. Dat moest volgens de wet in een nieuwe kist. De oude kist werd in het lokale Kreason-museum tentoon gesteld.
  
Eind 2008 publiceerde de plaatselijke krant, de Beaumont Enterprise, een opvallend bericht. “Jay Richardson, the Bopper’s son, plans to sell the empty casket on eBay to raise money for a musical show about his father and to keep the Bopper's memory alive. Born three months after the crash, Jay never met his father in life - but saw him for the first time at his exhumation.
  
‘Wouldn’t it be wonderful to bring Dad back to life?’ Jay, 49, said recently from Canada, where he was touring with a tribute act to his father, Buddy Holly and Ritchie Valens.
  
‘I have no personal use for the casket’, he said. ‘When you get down to it, it is just a metal box. More important is what this particular metal box represents.
  
In another 200 years, will people care about rock ’n’ roll?’ Jay asks. ‘Who knows? But why would I want to destroy it? Even though it was Dad’s resting place for 48 years, it’s also a unique opportunity to learn more about the early years of rock ’n’ roll’”.
  
Groot was de verontwaardiging. De verkoop ging niet door. Jay was het eigenlijk nooit van plan geweest, dat was de draai die hij eraan gaf.
 
Hoe dan ook, over de Big Bopper valt wel iets meer te vertellen dan dat hij een van de inzittenden was van het toestel waarmee Buddy Holly op 3 februari 1959 in een sneeuwstorm neerstortte.
 
Harry Knipschild
18 januari 2013
 
Clips

* Harry James, Frank Sinatra, Stardust, 1939
* Big Bopper, The Purple People Eater meets the Witch Doctor, 1958
* Big Bopper, Chantilly Lace, American Bandstand, 1958
* Gordon Baxter (KTRM), over de Big Bopper, 1959
* George Jones, White lightning, 1959
* Johnny Preston, Running Bear, 1959
* Don McLean, American Pie, 1972
* Jerry Lee Lewis, Chantilly Lace, 1973
* Johnny Preston, Running Bear. 2008
* Big Bopper Jr., 2 februari 2009

26 april 2013
George Jones overlijdt
 
Literatuur
‘Iowa air crash kills three singers’, New York Times, 4 februari 1959
‘Buddy Holly rites slated here today’, Lubbock Avalanche-Journal, 7 februari 1959
‘Vliegtuigcatastrofe in de USA’, Muziek Parade, maart 1959
Martin Hawkins, ‘Big Bopper: The singing Texas DJ who rocked over the airwaves’, februari 1982
Larry Lehmer, The day the music died. The last tour of Buddy Holly, the Big Bopper and Ritchie Valens, New York 2004 (1997)
‘Big Bopper to be exhumed’, Rockabilly Hall of Fame, 22 januari 2007
‘Big Bopper autopsy results’, Rockabilly Hall of Fame, 7 maart 2007
Ron Franscell, ‘Big Bopper’s casket a macabre marketable on eBay’, Beaumont Enterprise, 27 december 2008
Colin Guy, ‘Big Bopper’s casket appears on eBay, but it’s not for sale’, Beaumont Enterprise, 14 januari 2009